< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Vennootschapsbelasting. Art. 15 Wet Vpb. Art. 3.54 Wet IB 2001. Ontvoeging fiscale eenheid; vrijval herinvesteringsreserve ontvoegde dochter ten gunste van winst moedermaatschappij.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



9 november 2012

nr. 11/05078

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 11 oktober 2011, nr. 11/00010, betreffende een aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Het geding in feitelijke instanties

Aan belanghebbende is voor het jaar 2007 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

De Rechtbank te Arnhem (nr. AWB 09/5297) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 9 juli 2012 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende vormde ultimo 2006 als moedermaatschappij een fiscale eenheid met vier dochtervennootschappen, waaronder A B.V. (hierna: A). Alle dochtermaatschappijen hielden zich uitsluitend bezig met beleggen.

3.1.2. Tot de activa van A behoorde tot 29 september 2006 een kantoorpand (hierna: het kantoorpand). Het kantoorpand werd verhuurd. A had geen andere activiteiten.

Op 29 september 2006 is het kantoorpand verkocht. Ter zake van de boekwinst die daarbij is behaald, is een herinvesteringsreserve gevormd.

3.1.3. De aandelen in A zijn op 15 februari 2007 verkocht aan een andere niet-gelieerde vennootschap. De aandelen zijn op 9 maart 2007 geleverd. Bij de levering heeft belanghebbende een bedrag ter grootte van de over de herinvesteringsreserve verschuldigde vennootschapsbelasting ten gunste van A overgemaakt op de rekening derdengelden van de betrokken notaris.

3.1.4. A heeft voor het belastingjaar 2007 geen aangifte voor de vennootschapsbelasting gedaan. Met dagtekening 11 juli 2009 is aan A tot behoud van rechten een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd berekend naar een belastbaar bedrag ter grootte van de herinvesteringsreserve.

3.1.5. Belanghebbende heeft voor het belastingjaar 2007 aangifte voor de vennootschapsbelasting gedaan naar een belastbare winst van € 178.445 en een belastbaar bedrag van € 91.529. Met dagtekening 30 mei 2009 is aan belanghebbende een aanslag opgelegd naar een belastbare winst van € 914.455 en een belastbaar bedrag van € 827.538. De correctie heeft betrekking op de herinvesteringsreserve.

3.2. Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur terecht de herinvesteringsreserve heeft laten vrijvallen in de belastbare winst van belanghebbende.

Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Daartoe heeft het Hof, voor zover in cassatie relevant, overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat op 31 december 2006 bij belanghebbende een voornemen tot vervanging van het kantoorpand bestond. Wel is in geschil of dit herinvesteringsvoornemen nog bestond op 9 maart 2007, het moment waarop A uit de fiscale eenheid waarvan belanghebbende de moedermaatschappij was is ontvoegd. Het Hof heeft naar aanleiding van de notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders van belanghebbende van 3 mei 2007 geoordeeld dat belanghebbende het herinvesteringsvoornemen vóór het ontvoegingstijdstip heeft laten varen. Ten aanzien van de vraag of de verkoop van de aandelen in A en de ontvoeging die hiervan het gevolg is, meebrengt dat de herinvesteringsreserve dient vrij te vallen in de belastbare winst van belanghebbende heeft het Hof geoordeeld dat, gelet op de systematiek en de onderlinge samenhang tussen artikel 15aj, lid 3, aanhef en letter b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet) en artikel 7, lid 4, van de Wet, een redelijke wetstoepassing meebrengt dat het lopende boekjaar van A, als onderdeel van de fiscale eenheid met onder meer belanghebbende, wordt afgesloten en wel in ieder geval met betrekking tot die onderdelen van de geconsolideerde balans van de fiscale eenheid die na ontvoeging dienen te worden toegerekend aan de te ontvoegen dochter. Naar het oordeel van het Hof brengt zulks mee dat vóór het ontvoegingstijdstip wordt bezien of is voldaan aan de voorwaarden om de herinvesteringsreserve in stand te houden.

Hiertegen keren zich de middelen.

3.3. Bij de beoordeling van de middelen wordt het volgende vooropgesteld.

3.3.1. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 18 juni 1980, nr. 19288, BNB 1980/234, geoordeeld dat ingeval de vervanging niet plaatsvindt in het boekjaar van de vervreemding zelf, de reservering op de balans tot uitdrukking moet komen in de vorm van een reserve en dat dit meebrengt dat het voor het mogen opvoeren van die reserve voldoende is dat het voornemen tot vervanging op de balansdatum aanwezig was.

3.3.2. Het hiervoor in 3.3.1 vermelde arrest heeft betrekking op het jaar van vervreemding van het bedrijfsmiddel en houdt in dat, aangezien in dat jaar de keuze van de belastingplichtige aan de orde is om de boekwinst hetzij tot de winst van dat jaar te rekenen hetzij te reserveren, geen aanleiding is een verdergaande eis te stellen dan de aanwezigheid van het herinvesteringsvoornemen op de datum waarop die reservering haar beslag krijgt.

Uit de tekst van artikel 3.54, lid 1, van de Wet IB 2001 volgt dat voor de instandhouding van die reservering het herinvesteringsvoornemen vervolgens onafgebroken aanwezig dient te zijn.

3.4. Middel I bestrijdt het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van het Hof dat belanghebbende het herinvesteringsvoornemen vóór het ontvoegingstijdstip heeft laten varen. Het middel faalt, aangezien het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst.

Uitgaande van dit oordeel en gelet op hetgeen hiervoor in 3.3 is overwogen, heeft het Hof terecht geoordeeld dat het bedrag van de herinvesteringsreserve tot de belastbare winst van belanghebbende moet worden gerekend. De overige middelen stuiten hierop af.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck, C.H.W.M. Sterk, P.M.F. van Loon en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2012.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature