E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:HR:2011:BN9287
LJN BN9287, Hoge Raad, 09/02184

Inhoudsindicatie:

Computercriminaliteit. Verdachte en OM in cassatie. 1. Verwerping verweer dat geen sprake kan zijn van overtreding van art. 138a (oud) Sr. 2. Onjuiste uitleg Hof van de in de tenlastelegging opgenomen bestanddelen ‘geautomatiseerd werk’ en ‘gemeen gevaar voor de verlening van diensten’. Ad 1. Het Hof heeft geoordeeld dat elke consumentenversie van het computerbesturingssysteem Windows XP is voorzien van enige beveiliging in de zin van art. 138a.1 aanhef en onder a (oud) Sr. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Opmerking verdient daarbij dat onder het doorbreken van enige beveiliging mede dient te worden verstaan het tegen de wil van de rechthebbende binnendringen in een computer langs een weg die de aanwezige beveiliging niet of onvoldoende afsluit. Daarbij is niet van belang of die opening inherent is aan het systeem of is veroorzaakt door andere ‘aanvallers’. Voor zover het middel opkomt tegen de verwerping van het verweer dat geen sprake is van een technische ingreep met de klacht dat dit niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, berust het op een onjuiste lezing van ’s Hofs arrest. Het oordeel van het Hof moet aldus worden verstaan dat het als de bedoelde technische ingreep heeft aangemerkt het samenstel van alle handelingen die nodig waren voor de verspreiding van het virus. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ad 2. In art. 161sexies, aanhef en onder 2°, (oud) Sr wordt wat betreft de term ‘geautomatiseerd werk’ geen onderscheid gemaakt tussen computers van dienstverlenende instellingen en computers van afnemers van diensten. Ook in de wetsgeschiedenis wordt dat onderscheid niet gemaakt. Blijkens de hiervoor weergegeven onderdelen van die wetsgeschiedenis beoogde de wetgever met de invoering van deze bepaling onder meer strafrechtelijke bescherming te verlenen aan het belang van de verlening van diensten, voor zover deze in gevaar gebracht kan worden door onder meer het opzettelijk veroorzaken van een stoornis in de werking van een geautomatiseerd werk. Onder het begrip geautomatiseerd werk dienen ook computers en netwerken van aan elkaar verbonden computers te worden begrepen, terwijl in het verlengde daarvan op grond van de door de wetgever voorgestane dynamische wetsuitleg daarbij tegenwoordig ook moet worden gedacht aan, zoals i.c., een reeks van computers die door middel van schadelijke, via het internet verspreide software met elkaar zijn verbonden. Onder ‘gemeen gevaar’ dient in dit verband mede te worden verstaan het gevaar voor een ongestoorde dienstverlening aan een onbestemd doch aanmerkelijk aantal afnemers. Uit een en ander moet worden afgeleid dat voor de beantwoording van de vraag of een stoornis is veroorzaakt in een geautomatiseerd werk en of daarvan gemeen gevaar voor de verlening van diensten te duchten is geweest, zoals bedoeld in art. 161sexies, aanhef en onder 2° (oud), Sr, niet van doorslaggevende betekenis is of die stoornis wordt veroorzaakt in de computers van de afnemers van een dienst, ook als die door een netwerk aan elkaar zijn verbonden, dan wel van dergelijke computers van de dienstverlener, maar dat het erom gaat of van de opzettelijk veroorzaakte stoornis gemeen gevaar te duchten was voor een ongestoorde dienstverlening. Het Hof heeft geoordeeld dat de wetgever met de strafbaarstelling van art. 161sexies, aanhef en onder 2°, Sr kennelijk de strafrechtelijke bescherming van geautomatiseerde werken die gemeen/ten algemene nutte worden gebruikt, voor ogen heeft gehad en heeft aan het bewijs van het te duchten gemeen gevaar voor de verlening van diensten de voorwaarde verbonden dat een storing is veroorzaakt in geautomatiseerde werken van de betreffende bancaire instellingen of creditcardmaatschappijen zelf. Het Hof heeft daarbij kennelijk onderscheid gemaakt tussen de computers van afnemers van een dienst en de computers van de dienstverlener, in die zin dat een stoornis in de computers van de afnemers niet het bedoelde te duchten gemeen gevaar voor de verlening van diensten kan opleveren. Daarmee heeft het Hof het hiervoor overwogene miskend en heeft het aan de vrijspraak van verdachte van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten een onjuiste rechtsopvatting ten grondslag gelegd.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie