E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:HR:2009:BI1171
LJN BI1171, Hoge Raad, 01664/07

Inhoudsindicatie:

1. Nietigheid dagvaarding. 2. Art. 261 Sr, “ telastlegging van bepaalde feiten”. Ad 1. Anders dan uit HR NJ 1990, 276 wellicht kan worden afgeleid, kan een verweer strekkende tot nietigheid van de dagvaarding niet voor het eerst in cassatie worden gevoerd, nu de beoordeling samenhangt met waarderingen van feitelijke aard. Ad 2. Vooropgesteld moet worden dat sprake is van een tenlastelegging van een “ bepaald feit” a.b.i. art 261 Sr, indien het feit op een zodanige wijze door verdachte is tenlastegelegd dat het een duidelijk te onderkennen concrete gedraging aanwijst (HR LJN AB3143). Daarvan is bijv. geen sprake indien het “ feit” niet het gedrag van de betrokkene betreft maar een eigenschap die hem wordt toegedicht en evenmin, zo het wel gaat om diens gedrag, indien dat gedrag slechts in algemene termen wordt geduid en derhalve niet wordt toegespitst op een voldoende geconcretiseerde gedraging. Het behoort tot de taak van de strafrechter om, afhankelijk van de precieze vormgeving van de door het OM uitgebrachte t.l.l., zelfstandig - dus ook indien op dat punt geen verweer is gevoerd - te beoordelen of het bestanddeel “ telastlegging van een bepaald feit” a.b.i. art 261 Sr kan worden bewezenverklaard, dan wel of het bewezenverklaarde het misdrijf van art. 261 Sr oplevert. Dat de in de bewezenverklaring voorkomende feitelijke omschrijvingen van de “ bepaalde feiten” de eer en goede naam van de aangever aanranden, is niet zonder meer begrijpelijk.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie