E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:HR:2008:BB7134
LJN BB7134, Hoge Raad, 01263/07

Inhoudsindicatie:

Art. 140 Sr. ’s Hofs oordeel dat verdachte in de periode van 1-7-2000 t/m 22-11-2000 heeft deelgenomen aan een organisatie die bestond uit verdachte, A, B, C, D en E geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Daarbij wordt in acht genomen dat het Hof uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat verdachte en A zowel met het oog op de handel in XTC-pillen als met het oog op de handel in cocaïne gedurende ongeveer dezelfde tijd in gestructureerd verband hebben samengewerkt, dat verdachte daarbij telkens een centrale rol vervulde en dat verdachte en A beiden hebben samengewerkt met een of meer van de overige personen van wie is bewezenverklaard dat zij deel uitmaakten van het georganiseerde samenwerkingsverband dat gericht was op het plegen van overtredingen van de Ow m.b.t. middelen vermeld op de bij die wet behorende lijst I. De omstandigheid dat niet al die overige personen onderling hebben samengewerkt of bekend waren met (al de) andere deelnemers aan de organisatie en met hun bezigheden voor de organisatie doet daaraan niet af.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie