< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Familierecht. Verdeling van een door scheiding ontbonden huwelijksgemeenschap; overbedeling wegens toedeling van voormalig echtelijke woning; waardebepaling woning, tijdstip waardering; rechtsstrijd van partijen in hoger beroep; HR doet zelf de zaak af.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



23 november 2007

Eerste Kamer

Nr. C06/116HR

MK/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[De man],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai, thans mr. F.M. Ruitenbeek-Bart,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1. Het geding in feitelijke instanties

De vrouw heeft bij exploot van 16 juli 1999 de man gedagvaard voor de rechtbank te Zutphen en gevorderd, kort gezegd, de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap te scheiden en te delen, zoals omschreven in de inleidende dagvaarding.

De man heeft de vordering bestreden en, in reconventie, gevorderd, kort gezegd, verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap op de door hem aangegeven wijze.

De rechtbank heeft, na een tweetal tussenvonnissen van 5 april 2001 en 4 februari 2004 en na tussentijds hoger beroep bij het gerechtshof te Arnhem, bij eindvonnis van 13 oktober 2004 in conventie en in reconventie, voor zover in cassatie van belang, de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld, de man veroordeeld om aan de vrouw ter zake van overbedeling te betalen de som van € 94.129,73 en ter zake van een vergoeding voor het gebruik van de woning van partijen te betalen een rente van 4% per jaar over € 40.302,74.

Tegen het tussenvonnis van 4 februari 2004 en tegen het eindvonnis heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. De vrouw heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 10 januari 2006 heeft het hof, in het principale en in het incidentele hoger beroep, het eindvonnis van de rechtbank vernietigd voor zover de man daarbij is veroordeeld om aan de vrouw ter zake van overbedeling € 94.129,73 te betalen en een vergoeding voor het gebruik van de woning van partijen ten bedrage van een rente van 4% per jaar over € 40.302,74 en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de man veroordeeld om aan de vrouw ter zake van overbedeling te betalen € 116.078,--, met rente, en ter zake van een vergoeding voor het gebruik van de woning van partijen te betalen een rente van 4% per jaar over € 51.277,24. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank van 4 februari 2004 en het eindvonnis van de rechtbank voor het overige bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de vrouw is verstek verleend.

De zaak is voor de man toegelicht door zijn advocaat.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot afdoening zoals in de conclusie onder 14 aangegeven.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn op 12 mei 1989 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

(ii) Op 8 augustus 1997 zijn zij feitelijk uiteengegaan. De vrouw is blijven wonen in het huurhuis aan de [a-straat] te [woonplaats]. De man heeft op die datum zijn intrek genomen in de in opdracht van partijen gebouwde woning aan de [b-straat] te [woonplaats].

(iii) Het huwelijk is op 23 juli 1998 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 De vrouw heeft de hiervoor in 1 vermelde vordering ingesteld, strekkende tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. In cassatie gaat het nog slechts om de vordering voorzover betrekking hebbende op de woning aan de [b-straat] (hierna: de woning). De vrouw vorderde - met toedeling van de woning aan de man - de veroordeling van de man tot betaling van een bedrag wegens overbedeling, vermeerderd met de wettelijke rente, alsmede tot betaling van een gebruiksvergoeding ad 4% per jaar over datzelfde bedrag op grond van het feit dat de man vanaf het feitelijk uiteengaan van partijen alleen het gebruik heeft gehad van de woning.

De rechtbank heeft in haar eindvonnis van 13 oktober 2004 onder meer overwogen dat de woning, waarvan zij de waarde heeft vastgesteld op € 340.000,--, zal worden toegedeeld aan de man (rov. 2.2-2.4). De rechtbank veroordeelde de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 94.129,73 wegens overbedeling; de door de vrouw gevorderde wettelijke rente werd afgewezen. De man werd voorts ter zake van een vergoeding voor het gebruik van de woning veroordeeld tot betaling van een - enkelvoudige - rente van 4% per jaar over een bedrag van € 40.302,74 vanaf 23 juli 1998 tot aan de dag van de voldoening.

Het hof heeft het tegen dit vonnis gerichte principaal beroep van de man verworpen. Het hof achtte de incidentele grieven van de vrouw gegrond en overwoog daartoe onder meer het volgende.

"4.3 (...) Het hof is met de vrouw van oordeel dat gewaardeerd dient te worden naar de datum van de verdeling, zodat, nu nog steeds niet verdeeld is, het door de rechtbank vastgestelde bedrag thans niet meer kan worden gevolgd. (...) De rechtbank heeft de woning gewaardeerd op € 340.000,-.

De woning dient thans gewaardeerd te worden op € 383.898,-, dus op € 43.898,- méér. De helft daarvan is € 21.949,-. Dit bedrag dient de man wegens overbedeling te voldoen naast het al door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 94.129,73. Het totaal komt dus uit op € 116.078,- (...)."

Ter zake van de gebruiksvergoeding veroordeelde het hof de man tot betaling van een - enkelvoudige - rente over een bedrag van € 51.277,24 vanaf 23 juli 1998 tot aan de dag van de voldoening.

3.3 Onderdeel 1, dat opkomt tegen de hiervoor weergegeven rov. 4.3, klaagt dat het hof heeft miskend dat de rechtbank in haar eindvonnis van 13 oktober 2004 de woning reeds heeft toegedeeld aan de man, zodat de waardering van de woning moet geschieden per 13 oktober 2004 en niet tegen de datum van het arrest van het hof. De klacht is terecht voorgesteld. De rechtbank heeft in haar vonnis van 13 oktober 2004 de woning toegedeeld aan de man. Nu partijen in hoger beroep niet de toedeling van de woning aan de man, doch (slechts) de waarde van de woning aan de orde hebben gesteld, heeft de datum van het vonnis van de rechtbank te gelden als datum van de verdeling van de woning.

3.4 Het hiervoor overwogene brengt mee dat ook onderdeel 2, dat is gericht tegen het oordeel van het hof met betrekking tot de gebruiksvergoeding, slaagt. Het onderdeel voert terecht aan dat, nu de verdeling van de woning per 13 oktober 2004 heeft plaatsgevonden, de vrouw slechts tot die datum aanspraak kan maken op een gebruiksvergoeding en dat voor het bepalen van die vergoeding moet worden uitgegaan van de waarde van de woning per 13 oktober 2004.

3.5 Het voorgaande betekent dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 10 januari 2006 voorzover de man daarbij is veroordeeld om aan de vrouw ter zake van overbedeling te betalen € 116.078,--, vermeerderd met de wettelijke rente over € 94.129,73 vanaf 13 oktober 2004 en over € 21.948,27 vanaf 1 maart 2006 tot de dag der voldoening, en voorzover de man daarbij is veroordeeld om aan de vrouw ter zake van een vergoeding voor het gebruik van de woning van partijen te betalen een - enkelvoudige - rente van 4% per jaar over € 51.277,24 vanaf 23 juli 1998 tot aan de dag van de voldoening;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Zutphen van 13 oktober 2004 voorzover de man daarbij werd veroordeeld om aan de vrouw ter zake van overbedeling te betalen de som van € 94.129,73;

veroordeelt de man tot betaling van de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 oktober 2004 tot de dag van de voldoening, alsmede tot betaling ter zake van een vergoeding voor het gebruik van de woning van partijen van een - enkelvoudige - rente van 4% per jaar over € 40.302,74 vanaf 23 juli 1998 tot 13 oktober 2004;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 23 november 2007.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature