< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Familierecht. Geschil tussen voormalig echtelieden bij verdeling van hun huwelijksgemeenschap over de vraag of de tijdens het huwelijk door de WAM-verzekeraar van een veroorzaker van een verkeersongeval aan de vrouw uitbetaalde materiële schadevergoeding, waarmee partijen een woning hebben laten bouwen, in de gemeenschap is gevallen dan wel wegens verknochtheid aan de vrouw daarbuiten is gebleven; verknochtheid als bedoeld in art. 1:94 lid 3 BW, maatstaf.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



3 november 2006

Eerste Kamer

Nr. C05/211HR

JMH/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[De man],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: de man - heeft bij exploot van 13 augustus 2002 verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - gedagvaard voor de rechtbank te Almelo en na vermindering van eis gevorderd:

1. de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van ƒ 14.194,92 (€ 6.441,37), althans van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 6 april 2002 tot aan de dag der algehele voldoening;

2. de vrouw te veroordelen tot afgifte van alle tijdens het huwelijk van partijen gemaakte videobanden en foto's teneinde de man in de gelegenheid te stellen deze te kopiëren en ze vervolgens aan de vrouw te retourneren;

3. het te wijzen vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De vrouw heeft de vorderingen bestreden en in reconventie gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. onvoorwaardelijk: de man te veroordelen aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 27.832,80, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2000 tot aan de dag der algehele voldoening;

2. voorwaardelijk: voor het geval de vrouw wordt veroordeeld tot afgifte van de video's en foto's, de man de verplichting op te leggen tot teruggave van deze goederen binnen twee weken na afgifte, onder oplegging van een dwangsom van € 100,-- per goed per dag dat tijdige teruggaaf uitblijft.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 13 november 2002 een comparitie van partijen gelast.

De man heeft de vordering in reconventie bestreden.

Vervolgens heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 10 september 2003 partijen bewijslevering opgedragen.

Na enquête heeft de rechtbank bij eindvonnis van 14 januari 2004:

in conventie:

- de vrouw veroordeeld om aan de man te betalen een bedrag van € 6.364,08 met de wettelijke rente daarover vanaf 8 april 2002 tot de dag van betaling;

- de vrouw veroordeeld om de helft van de kosten van het kopiëren van de door haar aan de vrouw (lees: de man) ter beschikking te stellen, tijdens het huwelijk gemaakte foto's en videobanden voor haar rekening te nemen;

in reconventie:

- de man veroordeeld om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 33.466,29 met de wettelijke rente daarover vanaf 12 januari 2001 tot de dag van betaling;

in conventie en in reconventie:

- dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

- de kosten van het geding gecompenseerd en

- het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen de drie vermelde vonnissen heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.

Bij arrest van 3 mei 2005 heeft het hof de vonnissen van de rechtbank van 13 november 2002, 10 september 2003 en 14 januari 2004 bekrachtigd en de kosten van beide instanties gecompenseerd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen vrouw is verstek verleend.

De zaak is voor de man toegelicht door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van de man heeft bij brief van 29 juni 2006 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn in mei 1990 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Hun huwelijk is in 2001 door echtscheiding ontbonden.

(ii) In oktober 1990 is de vrouw een verkeersongeval overkomen als gevolg waarvan zij een whiplashtrauma aan haar halswervelkolom met cognitieve stoornissen heeft gekregen.

(iii) De WAM-verzekeraar van de veroorzaker van het ongeval heeft aansprakelijkheid erkend en heeft, na overeenstemming met de vrouw te hebben bereikt, haar tijdens het huwelijk een schadevergoeding uitbetaald van ƒ 270.000,--, waarvan een gedeelte van ƒ 32.500,-- voor immateriële schade.

(iv) Partijen hebben in 1998 bouwgrond gekocht waarop zij een woning hebben laten bouwen. Van de hiervoor onder (iii) genoemde schadevergoeding voor materiële schade is ƒ 147.500,-- in die woning geïnvesteerd.

(v) Partijen hebben de woning in 2000 verkocht en de netto-opbrengst hiervan van ƒ 773.009,52 tussen hen bij helfte verdeeld.

3.2.1 Partijen hebben over en weer vorderingen tegen elkaar ingesteld ter zake van de verdeling van de gemeenschap, een en ander als hierboven onder 1 is vermeld. Kern van hun geschil is de vraag of het hiervoor onder 3.1 (iv) vermelde bedrag van ƒ 147.500,-- in de gemeenschap is gevallen, zoals de man stelt, dan wel wegens verknochtheid aan de vrouw daarbuiten is gebleven, zoals de vrouw aan haar (reconventionele) vordering tot betaling van de helft van dat bedrag (ƒ 73.750,--), ten grondslag heeft gelegd.

3.2.2 De rechtbank heeft die vraag aldus beantwoord dat de materiële schadevergoeding die strekte tot vergoeding van de vóór de ontbinding van het huwelijk geleden schade geacht wordt in de gemeenschap te zijn gevallen, in tegenstelling tot de vergoeding van nadien geleden en te lijden schade. De rechtbank wees op grond hiervan de vordering van de vrouw toe.

3.2.3 In hoger beroep stelde de man zich op het standpunt dat het genoemde bedrag in de gemeenschap valt omdat een uitgekeerde schadevergoeding in geld altijd in de gemeenschap valt. Het hof heeft dat standpunt verworpen en de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd. Het heeft daartoe kort samengevat en voorzover thans van belang het volgende overwogen.

Reeds uit de tekst van art. 1:94 BW volgt dat de stelling van de man niet juist is. Het antwoord op de vraag of een goed in de gemeenschap valt, is afhankelijk van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald.(rov. 4.5)

De man betoogt dat de vrouw na het einde van het huwelijk geen schade meer lijdt. Anders dan de man blijkbaar meent, is niet doorslaggevend of de vrouw ook na de ontbinding van het huwelijk nog schade ondervindt van het verkeersongeval, maar of de vrouw en de verzekeraar bij de vaststelling van de hoogte van de materiële schadevergoeding daarvan uitgingen. Aangenomen kan worden dat de vrouw en de verzekeraar bij hun onderhandelingen ervan uitgingen dat de vrouw van het ongeval blijvende medische beperkingen zou ondervinden en dat de schade als gevolg daarvan door de verzekeraar vergoed diende te worden. Dat leidt ertoe dat het gedeelte van de materiële schadevergoeding dat strekt tot vergoeding van de vóór de ontbinding van het huwelijk geleden schade, in de gemeenschap is gevallen, in tegenstelling tot het gedeelte van de schadevergoeding dat betrekking heeft op de daarna geleden schade. Op zijn minst kan ervan worden uitgegaan dat de schadevergoeding is verstrekt tot aan de pensioengerechtigde leeftijd, zodat van de uitgekeerde materiële schadevergoeding van ƒ 237.500,-- een gedeelte van ƒ 167.500,-- buiten de gemeenschap is gevallen. (rov. 4.6-4.7)

3.3.1 Tegen deze overwegingen keert zich het middel. Het betoogt in onderdeel 1 kort gezegd dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, omdat bij de beantwoording van de vraag of er reden is verknochtheid aan te nemen in een geval als dit waarin de gemeenschapsgoederen bij helfte moeten worden verdeeld, in het oog moet worden gehouden dat de rechtsbetrekking van de deelgenoten wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid en dat het antwoord op die vraag niet, gelijk het hof heeft aangenomen, uitsluitend wordt bepaald door de aard van het betrokken goed maar mede door de omstandigheden van het geval.

3.3.2 Het hof heeft in rov. 4.5 terecht tot uitgangspunt genomen dat het antwoord op de vragen of een goed op bijzondere wijze aan één der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt - een en ander als bedoeld in art. 1:94 lid 3 BW - afhangt van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald (HR 23 december 1988, nr. 13374, NJ 1989, 700 en HR 24 oktober 1997, nr. 16427, NJ 1998, 693).

Anders dan het onderdeel betoogt, is er geen grond bij de beantwoording van de hiervoor bedoelde vragen telkens te betrekken of de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen de deelgenoten beheerst, in een andere richting wijzen. Ten aanzien van die vragen is namelijk de redelijkheid en billijkheid reeds in de maatstaf verdisconteerd door de invloed die wordt toegekend aan de maatschappelijke opvattingen. Deze objectieve maatstaf dient de rechtszekerheid welke ten aanzien van de omvang van de huwelijksgemeenschap haar gewicht in de schaal werpt in verband met de mogelijke rechten van derden. Het voorgaande brengt mee dat het onderdeel berust op een onjuiste rechtsopvatting en daarom faalt.

3.4 De onderdelen 2 en 3 kunnen niet tot cassatie leiden omdat zij de hierboven als onjuist verworpen opvatting die aan onderdeel 1 ten grondslag ligt, tot uitgangspunt nemen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop, E.J. Numann, J.C. van Oven en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 3 november 2006.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature