< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

9 juli 2004 Eerste Kamer Nr. C03/096HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. M.H. van der Woude, t e g e n [Verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



9 juli 2004

Eerste Kamer

Nr. C03/096HR

JMH/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. M.H. van der Woude,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploot van 23 februari 2001 eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - gedagvaard voor de kantonrechter te Emmen. Na wijziging van eis heeft [verweerder] gevorderd [eiseres] te veroordelen, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/nettospecificatie, aan [verweerder] te betalen:

I. ƒ 2.457,11 bruto aan achterstallig salaris over 1997 tot en met 1999;

II. ƒ 157,84 bruto aan achterstallig vakantiegeld over 1997 tot en met 1999;

III. ƒ 8.574,21 bruto aan nog uit te betalen overuren over 1997 tot en met 1999;

waarbij de onder I t/m III gevorderde bedragen kunnen worden verminderd met het teveel betaalde ad ƒ 5.088,04 bruto aan uitbetaalde uren voor het werken op zaterdag en zondag alsmede het teveel betaalde ad ƒ 425,82 netto aan verblijfskostenvergoeding over 1997 tot en met 1999, en het verschuldigde saldo dient te worden vermeerderd met wettelijke verhoging, de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten.

[Eiseres] heeft de vordering bestreden en een vordering in reconventie ingesteld. Deze vordering is in cassatie niet van belang.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 29 augustus 2001 in conventie [eiseres] veroordeeld aan [verweerder] te betalen het bedrag van ƒ 6.537,61 bruto verminderd met ƒ 425,82 netto, het saldo vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 november 2000 tot de dag van algehele voldoening, [eiseres] veroordeeld aan [verweerder] te voldoen ƒ 900,-- en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te Assen.

Bij vonnis van 26 november 2002 heeft de rechtbank het bestreden vonnis bekrachtigd.

Het vonnis van de rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de rechtbank heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend.

De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging en verwijzing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

(i) [Verweerder] is sedert 11 maart 1987 als chauffeur in dienst van [eiseres]. Zijn salaris werd in de jaren 1997 tot en met 1999 berekend aan de hand van loonschaal E-6 van de CAO voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg (hierna ook: "de CAO").

(ii) In de arbeidsovereenkomst die [verweerder] op 11 maart 1987 schriftelijk met [eiseres] is aangegaan, is onder 4 bepaald:

"Op deze overeenkomst zijn verder van toepassing de bepalingen zoals vastgelegd in de van kracht zijnde C.A.O. voor het Beroepsgoederenvervoer over de Weg. (...)"

(iii) [Eiseres] heeft de arbeidsovereenkomst opgesteld. Zij heeft de gehele tekst van de arbeidsovereenkomst, inclusief art. 4, overgenomen van het bij de CAO gevoegde modelcontract.

(iv) De CAO voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg is, voor zover van belang, algemeen verbindend geweest:

- tot en met 31 december 1996;

- vanaf 10 mei 1998 tot en met 31 december 1998;

- vanaf 28 augustus 1999 tot en met 31 december 1999.

(v) Op het moment van het sluiten van de arbeidsovereenkomst was [eiseres] lid van een werkgeversvereniging die partij was bij de CAO. Gedurende de periode van 1 januari 1997 tot 10 mei 1998 en gedurende de periode van 1 januari 1999 tot 28 augustus 1999 was [eiseres] geen lid van een werkgeversvereniging die bij de CAO partij was.

(vi) [Eiseres] heeft het loon van [verweerder] over de periode van 1 januari 1997 tot 10 mei 1998 berekend aan de hand van de CAO die vanaf 1 januari 1997 niet meer algemeen verbindend was. Zij heeft het loon van [verweerder] over de periode van 1 januari 1999 tot 28 augustus 1999 berekend aan de hand van de CAO die vanaf 1 januari 1999 niet meer algemeen verbindend was.

3.2 [Verweerder] heeft aan zijn hiervoor in 1 weergegeven vordering ten grondslag gelegd dat [eiseres] op grond van art. 4 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst gehouden was hem ook in de perioden van 1 januari 1997 tot 10 mei 1998 en van 1 januari 1999 tot 28 augustus 1999 loon uit te betalen conform de toen tussen CAO-partijen geldende CAO voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg, ongeacht of deze algemeen verbindend was verklaard.

[eiseres] heeft de vordering bestreden. Zij voerde daartoe aan dat zij ingevolge art. 4 van de arbeidsovereenkomst in genoemde perioden was gehouden aan [verweerder] een salaris uit te betalen conform de laatstelijk algemeen verbindend verklaarde CAO en dat zij aan deze verplichting heeft voldaan.

3.3 De kantonrechter heeft de vordering toegewezen. Hij overwoog daartoe dat bij de uitleg van art. 4 van de arbeidsovereenkomst de contra-proferentem-regel moet worden toegepast, terwijl ook toetsing aan het Haviltex-criterium ertoe leidt dat het verweer van [eiseres] geen stand houdt.

De rechtbank heeft het tegen dit vonnis ingestelde beroep verworpen. Na eerst het standpunt van [verweerder] te hebben vermeld, gaf zij het verweer van [eiseres] in rov. 4.2 als volgt weer:

"4.2 [eiseres] heeft (...) gesteld dat zij in voornoemde perioden niet verplicht was conform de (meest recente) CAO te betalen. [eiseres] acht zich slechts gehouden de (meest recente) CAO na te leven in de perioden dat de CAO algemeen verbindend was verklaard. In de perioden dat de CAO niet algemeen verbindend was en zij evenmin lid was van een CAO sluitende vereniging, behoefde [eiseres] in haar visie derhalve niet de meest recente, maar de CAO zoals deze gold ten tijde van het sluiten van de arbeidsovereenkomst, na te leven."

Vervolgens overwoog de rechtbank, samengevat weergegeven, dat de overweging in het bestreden vonnis dat voor de uitleg van art. 4 de (contra-)proferentem-regel geldt, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is (rov. 5.1). Hoewel in beginsel een beding uit een (arbeids)overeenkomst volgens het Haviltex-criterium moet worden uitgelegd, is het vaste rechtspraak dat bij de uitleg van CAO-bepalingen een andere, op CAO's toegesneden, maatstaf moet worden gehanteerd (rov. 5.3). Hetzelfde dient te gelden voor een beding ('zinsnede') dat is ontleend aan een bij een CAO behorend modelcontract. Een uitleg van de onderhavige bepaling overeenkomstig deze maatstaf laat zowel de door [eiseres] verdedigde uitleg toe dat op de overeenkomst de ten tijde van het sluiten daarvan geldende CAO van toepassing is, als het door [verweerder] ingenomen standpunt dat op de arbeidsovereenkomst de (op dat moment geldende) CAO van toepassing is. De door [eiseres] verdedigde uitleg is echter minder aannemelijk omdat die ertoe zou leiden dat een uit de CAO volgende loonsverhoging teniet gedaan zou worden indien de werkgever zich uit de werkgeversvereniging waarvan hij lid is terugtrekt en de nieuwe CAO niet algemeen verbindend wordt verklaard. Als extra argument kan bovendien worden aangeknoopt bij het contra-proferentem-beginsel (rov. 5.4).

3.4 De onderdelen 1 en 3 van het middel zijn gericht tegen achtereenvolgens de rov. 4.2 en 5.4 van het bestreden vonnis, voor zover de rechtbank daarin als standpunt van [eiseres] heeft weergegeven dat in de perioden waarin de CAO niet algemeen verbindend was, op de overeenkomst de ten tijde van het sluiten daarvan geldende CAO van toepassing is. In werkelijkheid heeft [eiseres] echter het hiervoor in 3.2, tweede alinea, weergegeven standpunt verdedigd, zo stellen deze onderdelen.

3.5 De onderdelen treffen doel. [Eiseres] heeft in dit geding immers inderdaad niet het standpunt ingenomen dat op de overeenkomst de ten tijde van het sluiten daarvan geldende CAO van toepassing is, maar dat zij in de perioden waarom het hier gaat ingevolge art. 4 van de arbeidsovereenkomst was gehouden aan [verweerder] een salaris uit te betalen conform de laatstelijk algemeen verbindend verklaarde CAO. De rechtbank heeft dus een onbegrijpelijke uitleg gegeven aan het door [eiseres] gevoerde verweer, zodat reeds op deze grond het door haar gewezen vonnis niet in stand kan blijven.

3.6 Onderdeel 2 voert, kort gezegd, aan dat de rechtbank ten onrechte in rov. 5.4 heeft geoordeeld dat art. 4 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst moet worden uitgelegd naar de maatstaf die geldt voor de uitleg van CAO-bepalingen. Aangezien een CAO niet rechtsgeldig kan bepalen welk arbeidsvoorwaardenregime op de arbeidsovereenkomst van toepassing zal zijn nadat de CAO haar gelding heeft verloren, moet het onderhavige beding worden uitgelegd overeenkomstig de Haviltex-maatstaf.

3.7 In zijn arrest van 20 februari 2004, nr. C 02/219, RvdW 2004, 34, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat tussen de Haviltexnorm en de CAO-norm geen tegenstelling bestaat, maar een vloeiende overgang. Kort gezegd heeft enerzijds ook bij toepassing van de Haviltexnorm te gelden dat, indien de inhoud van een overeenkomst in een geschrift is vastgelegd, de argumenten voor een uitleg van dat geschrift naar objectieve maatstaven aan gewicht winnen naarmate de typerende - in het arrest nader aangeduide - omstandigheden van het geval zo'n uitleg meer verlangen. Anderzijds is de CAO-norm niet een louter taalkundige norm, maar is hier sprake is van een uitleg naar objectieve maatstaven, terwijl ook de bewoordingen van de eventueel bij de CAO behorende schriftelijke toelichting bij de uitleg van de CAO moeten worden betrokken; bovendien kan, indien de bedoeling van de partijen bij de CAO naar objectieve maatstaven volgt uit de CAO-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend.

Voor zover het onderdeel is gebaseerd op de gedachte dat tussen beide normen een scherpe tegenstelling bestaat, mist het derhalve doel.

Voor zover het onderdeel ertoe strekt dat het onderhavige beding in de omstandigheden van het gegeven geval niet mag worden uitgelegd overeenkomstig de CAO-norm, maar moet worden uitgelegd conform de Haviltex-maatstaf, is het op zichzelf gegrond. Het gaat hier immers om een beding in een individuele overeenkomst - hoezeer ook ontleend aan een bij een CAO behorend modelcontract - dat naar zijn aard niet bestemd is anderen dan contractanten te binden. Van een uitleg van dat beding naar de CAO-maatstaf kan daarom geen sprake zijn. [Eiseres] heeft bij deze klacht echter geen belang. Het onderdeel strekt immers ertoe dat een CAO niet rechtsgeldig kan bepalen welk arbeidsvoorwaardenregime op de arbeidsovereenkomst van toepassing zal zijn nadat de CAO haar gelding heeft verloren. Deze stelling heeft niets uitstaande met de vraag naar welke maatstaf het onderhavige beding moet worden uitgelegd. Opmerking verdient voorts dat het partijen bij een individuele arbeidsovereenkomst vrijstaat te bepalen welk arbeidsvoorwaardenregime op die arbeidsovereenkomst van toepassing zal zijn nadat zij niet langer aan de in de desbetreffende bedrijfstak afgesloten CAO zijn gebonden.

3.8 De overige onderdelen van het middel behoeven geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van de rechtbank te Assen van 26 november 2002;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 236,38 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, H.A.M. Aaftink, P.C. Kop, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 9 juli 2004.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature