Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:
Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



14 april 2000

Eerste Kamer

Rek.nr. R99/148HR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[de man],

wonende te [woonplaats A],

VERZOEKER tot cassatie, incidenteel verweerder,

advocaat: mr A.G.A. de Bruijn,

t e g e n

[de vrouw],

wonende te [woonplaats B],

VERWEERSTER in cassatie, incidenteel verzoekster,

advocaat: mr P.S. Kamminga.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 30 maart 1998 ter griffie van de Rechtbank te Arnhem ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht te bepalen dat verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van hun kind [de zoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994, van ƒ 750,-- per maand zal betalen.

De man heeft geen verweer gevoerd.

De Rechtbank heeft bij beschikking van 14 juli 1998 het verzoek van de vrouw toegewezen, zulks met ingang van 1 april 1998.

Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem. Daarbij heeft hij verzocht deze bijdrage op nihil te stellen, althans op een bedrag als het Hof in goede justitie juist acht.

Bij beschikking van 6 juli 1999 heeft het Hof voormelde beschikking van de Rechtbank vernietigd en, opnieuw beschikkende, bepaald dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige met ingang van 1 april 1998 een bedrag van ƒ 175,-- per maand zal voldoen.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende het incidenteel beroep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

De vrouw heeft verzocht het principale beroep te verwerpen. De man heeft op het incidentele beroep van verweer afgezien.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Wesseling- van Gent strekt tot verwerping van zowel het principaal als het incidenteel beroep.

3. Beoordeling van het middel in het principaal beroep

3.1 Het gaat in deze zaak om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon], die op 28 maart 1994 is geboren uit de relatie van partijen. De vader heeft [de zoon] erkend. De moeder oefent het gezag over hem uit.

De Rechtbank heeft de bijdrage overeenkomstig het onweersproken verzoek van de moeder bepaald op een bedrag van ƒ 750,-- per maand met ingang van 1 april 1998. In hoger beroep heeft het Hof de bijdrage vastgesteld op een bedrag van ƒ 175,-- per maand met ingang van dezelfde datum.

3.2 Onderdeel 1 van het middel keert zich tegen rov. 4.6 van de beschikking van het Hof waarin het Hof voor de kosten van de omgangsregeling in redelijkheid een bedrag van ƒ 227,-- per maand in aanmerking heeft genomen, uitgaande van ƒ 0,25 per kilometer en ƒ 10,-- per dag. Het onderdeel klaagt dat niet begrijpelijk is hoe het Hof tot zijn berekening van deze kosten is gekomen, nu tussen partijen vaststaat dat als omgangsregeling geldt dat [de zoon] een weekend per 14 dagen verblijft bij de vader, die hem met de auto in [woonplaats B] ophaalt en vanuit [woonplaats A] terugbrengt, en dat de afstand tussen [woonplaats A] en [woonplaats B] (enkele reis) 170 kilometer bedraagt. Uit de vaststaande gegevens volgt volgens de vader dat de kosten dan omgerekend ƒ 411,66 per maand bedragen.

De klacht is gegrond. Nu het Hof heeft vermeld van welke gegevens het uitgaat, moet worden aangenomen dat het Hof het redelijk heeft geoordeeld dat op die basis de kosten van de omgangsregeling volledig in aanmerking worden genomen. Kennelijk heeft het Hof bij de vaststelling van die kosten een vergissing gemaakt in dier voege dat telkens slechts eenmaal de heen- en de terugreis in de berekening is opgenomen. Het door het Hof in aanmerking genomen bedrag kan immers niet uit de voormelde gegevens en uitgangspunten volgen. De bestreden overweging is mitsdien onbegrijpelijk.

3.3 Onderdeel 2 klaagt dat het Hof zonder enige motivering geen rekening heeft gehouden met (een aantal van de) door de vader opgevoerde schulden en de daarmee verband houdende aflossingsverplichtingen. Ook dit onderdeel treft doel. Nu in beginsel alle schulden van de vader van invloed kunnen zijn op zijn draagkracht, had het Hof in zijn motivering tot uitdrukking moeten brengen welke van de door de vader aan de hand van concrete gegevens vermelde schulden buiten beschouwing zijn gelaten en waarop dat oordeel steunt. Daarbij verdient opmerking dat de motivering van het Hof dat “verdere lasten niet zijn aangetoond” ook daarom onvoldoende inzicht verschaft in zijn gedachtengang, nu in rov. 4.5 van zijn beschikking wordt overwogen dat wordt uitgegaan van de “onder 3.4 en 3.5 vermelde financiële gegevens”, zulks terwijl een rov. 3.5 in die beschikking ontbreekt. Onderdeel 3 dat zich met een motiveringsklacht eveneens tegen rov. 4.7 keert, behoeft geen behandeling.

4. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

4.1 De moeder heeft bij het Hof aangevoerd dat het hoger beroep van de vader te laat is ingesteld, omdat blijkens de daarop door de griffier van het Hof geplaatste datumstempel het beroepschrift pas op 22 september 1998 ter griffie van het Hof is ingekomen. Het Hof heeft dit verweer van de moeder verworpen (rov. 4.1) door erop te wijzen dat vaststaat dat de vader reeds op 14 september 1998 - dus tijdig - per fax hoger beroep heeft ingesteld. Daartegen keert zich het middel dat betoogt dat het Hof heeft miskend dat het enkele feit dat een beroepschrift op 14 september 1998 per fax is ingediend, niet zonder meer meebrengt dat het beroep tijdig is ingesteld.

4.2 Het middel kan niet tot cassatie leiden, omdat het feitelijke grondslag mist. Blijkens de aangevallen rov. 4.1 heeft het Hof vastgesteld dat de vader tijdig hoger beroep heeft ingesteld. In die overweging ligt besloten dat het Hof tevens heeft vastgesteld dat het hoger beroep rechtsgeldig is ingesteld in dier voege dat het per fax ingediende beroepschrift - dat gevolgd is door een ter griffie ingediend exemplaar - aan de daaraan te stellen eisen voldeed.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te Arnhem van 6 juli 1999;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president Mijnssen als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman en Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 14 april 2000.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature