< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaats:

Uitspraak



5 april 1978Br.

De Hoge Raad der Nederlanden,

in de zaak nr. 11.286 van

De gemeente Amsterdam, wier zetel aldaar is gevestigd, eiseres tot cassatie van een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 juni 1977, tussen partijen gewezen, vertegenwoordigd door Mr. W. Blackstone, advocaat bij de Hoge Raad,

t e g e n

1. [verweerster 1], wonende te [woonplaats], en 2. [verweerder 2], wonende te [woonplaats] (Canada), verweerders in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. H.P. Utermark, mede advocaat bij de Hoge Raad;

Gehoord partijen; Gehoord de Advocaat-Generaal Franx namens de Procureur-Generaal in zijn conclusie, strekkende tot verwerping van het beroep met verwijzing van eiseres tot cassatie in de op de voorziening gevallen kosten; Gezien het bestreden arrest en de stukken van het geding, waaruit blijkt: dat verweerders in cassatie – verder aan te duiden als: [verweerders], of: partijen [verweerders] – bij inleidende dagvaarding van 30 november 1973 de Gemeente hebben gedagvaard voor de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam en hebben gevorderd de Gemeente te veroordelen in eigendom aan hen over te dragen het perceel, kadastraal bekend als: gemeente Amsterdam, Sectie A.E., nummer 1857, groot 241 centiare, omvattende een woonhuis met erf en tuin, plaatselijk bekend als [ a-straat 1], van welk perceel bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 17 december 1957 in het belang der volkshuisvesting de onteigening ten name van de Gemeente is uitgesproken, zulks in verband met en ter uitvoering van het deel van het Algemeen Uitbreidingsplan voor Amsterdam, [plaats] genaamd, en zulks ten laste van hun rechtsvoorganger, wijlen [A], die als eigenaar van voormeld perceel was aangewezen; dat partijen [verweerders] deze vordering hebben doen steunen op artikel 61 in verband met artikel 96 van de onteigeningswet – zoals deze artikelen luidden vóór de wijziging bij Wet van 27 oktober 1972, Staatsblad 578 –, stellende, dat tien jaren zijn verstreken sedert het in kracht van gewijsde gaan van het eindvonnis van onteigening zonder dat de Gemeente een aanvang heeft gemaakt met het werk waarvoor werd onteigend; dat de Rechtbank bij interlocutoir vonnis van 11 november 1975 na de overige verweren van de Gemeente te hebben verworpen de Gemeente in de gelegenheid heeft gesteld bescheiden over te leggen, waaruit blijkt dat binnen de vorenbedoelde termijn van tien jaren wel met het werk is aangevangen; dat de Gemeente van dit interlocutoir vonnis in hoger beroep is gekomen en partijen [verweerders] incidenteel eveneens; dat het Hof in het principaal en het incidenteel appel het volgende heeft overwogen:"2. De grieven van de Gemeente in het principaal appel luiden als volgt:grief 1 Ten onrechte heeft de Rechtbank de stelling van de Gemeente verworpen, dat onder "het werk, waartoe werd onteigend" in de zin van artikel 61 van de onteigeningswet te dezen moet worden verstaan de realisering van het plan [plaats] ofwel de aanleg van de tuinstad [plaats].grief 2 Ten onrechte heeft de Rechtbank de subsidiaire stelling van de Gemeente verworpen, dat onder "het werk, waartoe werd onteigend" in de zin van artikel 61 van de onteigeningswet te dezen moet worden verstaan de verbreding van de [a-straat], voor zover gelegen in het plangebied [plaats].grief 3 Ten onrechte heeft de Rechtbank in haar vonnis en de bewijsopdracht "het werk, waartoe werd onteigend" beperkt tot de sloop van de bebouwing tussen de [b-straat] en de [c-straat].grief 4 Ten onrechte heeft de Rechtbank in haar vonnis verworpen het door de Gemeente gedaan beroep op rechtsverwerking.grief 5 Ten onrechte heeft de Rechtbank in haar vonnis het beroep van de Gemeente verworpen, dat de vordering tot teruggave van het onteigende door partijen [verweerders] te laat is ingesteld.grief 6 Ten onrechte heeft de Rechtbank in haar vonnis verworpen de stelling van de Gemeente dat partijen [verweerders] geen belang hebben bij hun (primaire) vordering tot teruggave van het onteigende.3. De in het incidenteel appel door partijen [verweerders] voorgedragen grieven luiden als volgt:Grief A. Ten onrechte heeft de Rechtbank niet reeds aanstonds de ingestelde vordering toegewezen op deze grond dat al vaststaat dat het werk enzovoort, te weten de aanleg van park en plantsoen op de plaats van het onteigende woonhuis, niet meer zal worden gerealiseerd.Grief B. Ten onrechte heeft de Rechtbank betekenis toegekend aan de sloopwerkzaamheden tussen Ringweg en de [b-straat] voor de vraag of begonnen is met het werk enzovoort.4. Met partijen en de Rechtbank gaat het Hof ervan uit dat op het geschil toepasselijk zijn de bepalingen van de onteigeningswet, zoals deze luidde in het jaar 1957, het jaar van de onteigening van het ten processe bedoelde perceel, nader aan te geven door de toevoeging: (oud).5. Het Hof zal de grieven 4 tot en met 6 van de Gemeente het eerst behandelen.6. Blijkens de toelichting op grief 4 baseert de Gemeente haar beroep op rechtsverwerking uitsluitend op de omstandigheid dat [A] ook na 25 december 1967 (de datum waarop 10 jaren na het in kracht van gewijsde gaan van het onteigeningsvonnis waren verlopen) de huurovereenkomst heeft gecontinueerd en zich op enig terugvorderingsrecht nadien, tot zijn overlijden op 11 maart 1970, niet heeft beroepen. Deze door de Gemeente gestelde omstandigheid rechtvaardigt echter een beroep op rechtsverwerking niet. De Gemeente heeft ook voor het overige geen omstandigheden gesteld – ook niet in de toelichting op grief 5 – welke op zichzelf of tezamen met het onder grief 4 gestelde een beroep op rechtsverwerking zouden kunnen rechtvaardigen.7. Het in de toelichting op grief 5 gestelde is in zoverre juist dat weliswaar de verbintenis tot teruggave van het onteigende pas ontstaat op het ogenblik dat de onteigende de wens daartoe te kennen geeft maar inderdaad – zoals de Gemeente aanvoert – het recht om de vordering tot teruggave in te stellen reeds ontstaat na ommekomst van de in de in artikel 96 van de onteigeningswet (oud) genoemde termijn van tien jaren. Zoals de Rechtbank terecht heeft overwogen is evenwel voor het instellen van de vordering geen termijn voorgeschreven. Anders dan de Gemeente meent kan verder noch uit de tekst van de wet noch uit de geschiedenis van haar totstandkoming worden geconcludeerd dat de vordering zodra mogelijk, althans zeer spoedig nadat de tien jaren zijn verstreken, moet worden ingesteld, terwijl geen feiten zijn gesteld die in het onderhavige geval tot een ander oordeel nopen. De subsidiaire vordering van [verweerders] zal, zoals hierna zal blijken, niet aan de orde komen. Het beroep op de Wet van 31 oktober 1924 behoeft derhalve niet te worden besproken.8. Met juistheid heeft de Rechtbank ten aanzien van het in de zesde grief wederom aan de orde gestelde belang van [verweerders] overwogen dat onder "de schadeloosstelling" in artikel 61 van de onteigeningswet (oud) dient te worden verstaan het door de onteigende indertijd als schadeloosstelling voor het verlies van zijn eigendom ontvangen bedrag. Gelet op de door partijen gestelde waardevermeerdering die het betrokken goed intussen heeft ondergaan, is het belang van [verweerders] bij de in eerste instantie ingestelde vordering evident.9. Uit het onder 6 tot en met 8 overwogene volgt dat de grieven 4, 5 en 6 niet tot vernietiging van het vonnis kunnen leiden. Het Hof zal thans overgaan tot een gezamenlijke bespreking van de grieven 1, 2 en 3 van de Gemeente en de grieven A en B van [verweerders].10. Artikel 61 van de onteigeningswet (oud) geeft in de daar genoemde gevallen aan de onteigende een recht van terugvordering. De regeling geldt in de eerste plaats voor de onteigening in gewone gevallen als bedoeld in titel I van de onteigeningswet. Volgens artikel 96 van de onteigeningswet (oud) geldt de regeling ook bij onteigening in het belang der volkshuisvesting als bedoeld in titel IV, met dien verstande evenwel dat, voor zover hier van belang, de in artikel 61 genoemde termijnen van één jaar worden gesteld op tien jaren.11. Blijkens de opzet van titel I is bij onteigening in gewone gevallen gedacht aan werken van algemeen nut, waarvoor reeds vóór de onteigening concrete en voor dadelijke uitvoering vatbare plannen bestaan. Bij onteigening ten behoeve van de volkshuisvesting zijn over het algemeen zodanige concrete en voor dadelijke uitvoering vatbare plannen niet aanwezig. Ook in het onderhavige geval was daarvan geen sprake. De onteigening is geschied op basis van het zeer weinig gedetailleerde Algemeen Uitbreidingsplan Amsterdam van 2 maart 1938. Ten tijde van de onteigening van het ten processe bedoelde perceel bestond daarnaast slechts een door de Gemeente als zodanig aangeduid "schemaplan", voorzien van een tekening met aanduiding "Amsterdam – plan Tuinstad [plaats] – Schema voor bebouwing". Bedoelde tekening, gemerkt II, is door de Gemeente overgelegd. Het schemaplan heeft gediend als toelichting bij de toepassing van artikel 80 van de onteigeningswet . Vergelijking van het schemaplan met het Algemeen Uitbreidingsplan – de daarbij behorende tekening is eveneens overgelegd – laat zien dat het schemaplan in feite is een gedeelte van het Algemeen Uitbreidingsplan, immers zonder noemenswaardige uitwerking of nadere detaillering daarvan is overgenomen.12. De omstandigheid dat over het algemeen bij onteigening ten behoeve van de volkshuisvesting geen concrete en voor dadelijke uitvoering vatbare plannen aanwezig zijn is voor de wetgever aanleiding geweest de in artikel 61 van de onteigeningswet (oud) vermelde termijn van één jaar voor deze gevallen te verlengen tot tien jaren. Binnen deze tien jaren – zo is kennelijk de gedachtengang van de wetgever geweest – moet de onteigenende partij in staat zijn concrete voor dadelijke uitvoering vatbare plannen te maken en metterdaad met de op basis van deze plannen uit te voeren werken een aanvang te maken, opdat niet de onteigende nodeloos, althans prematuur, van zijn bezit wordt beroofd. Uit het bovenstaande vloeit voort dat onder "het werk waartoe werd onteigend" in artikel 61 van de onteigeningswet (oud) in verband met artikel 96 van de onteigeningswet (oud) in een geval als het onderhavige, waarin de onteigening geschiedt op basis van een uitbreidingsplan, moet worden verstaan: een concreet werk van materiële, als regel bouwkundige of bodemtechnische aard dat op basis van een mede het onteigende perceel omvattend werkplan als een samenhangend geheel en met inachtneming van de aan het onteigende gegeven bestemming – hetzij de aanvankelijke bestemming, hetzij de bij vaststelling van een nieuw uitbreidingsplan of bestemmingsplan gewijzigde bestemming – wordt uitgevoerd.13. Uit het onder 10 tot en met 12 overwogene volgt dat in het onderhavige geval – anders dan de Gemeente in grief 1 en de toelichting daarop betoogt – het werk waartoe werd onteigend niet kan zijn: "de realisering van het plan [plaats]" ofwel "de aanleg van de tuinstad [plaats]". Immers: de realisering van dat plan of de aanleg van de tuinstad – omvattende rond 450 hectaren – kon gelijk de Gemeente zelf stelt, slechts tot stand gebracht worden door het aanvangen en voltooien van een aantal afzonderlijke werken, terwijl de Gemeente in grief 1 of in de toelichting daarop, afgezien van het onder 14 te behandelen punt, niet stelt dat één van de in de realisering van gemeld plan passende werken welke het onteigende omvatte vóór 25 december 1967 was aangevangen en werd voortgezet.14. Voor zover in de periode tussen de onteigening en het van kracht worden van het uitbreidingsplan in onderdelen van 1961 in het kader van het plan Tuinstad [plaats] aanleg van park of plantsoen heeft plaatsgevonden (op welke aanleg de Gemeente zich bij pleidooi in hoger beroep heeft beroepen ter ondersteuning van de eerste grief) – de Gemeente stelt overigens niet dat dit in die periode is gebeurd – is dit kennelijk niet geschied op basis van een mede het onteigende perceel omvattend werkplan dat als een samenhangend geheel is uitgevoerd. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat ook thans nog, naar ten processe is gebleken, tussen het aangelegde gedeelte van [d-straat] en het onteigende zich een tennispark van niet te verwaarlozen uitgestrektheid bevindt. Ten overvloede merkt het Hof op dat een beroep op het reeds aangelegd zijn van een gedeelte van [d-straat] ook om deze reden de Gemeente niet kan baten omdat, blijkens de bestemmingsplannen van 1961 en 1973, de aanleg van park en plantsoen, voor zover het betreft het onteigende perceel, blijkbaar niet zal worden tot stand gebracht.15. In de tweede grief en de toelichting daarop betoogt de Gemeente zakelijk dat bij het Uitbreidingsplan in onderdelen "Tuinstad [plaats]" van 11 januari 1961 het onderhavige perceel werd bestemd voor verbreding van de [a-straat], een bestemming welke in 1973 is gehandhaafd; dat de verbreding van die weg tussen (noordelijk) de [c-straat] en (zuidelijk) de [b-straat] in feite heeft plaatsgehad; dat met het oog op die verbreding sloping van gebouwen aan de oostzijde van de weg heeft plaatsgehad en wel aan het gedeelte tussen (noordelijk) de [b-straat] en (zuidelijk) de [e-straat] – het gedeelte waaraan het omstreden perceel zich (ook aan de oostzijde) bevindt –; dat verdere voltooiing van die verbreding – omvattende onder meer amovering van dat perceel – op het program staat; dat mitsdien het werk waartoe onteigend werd is aangevangen.16. De Rechtbank maakt in haar overweging 6 een onderscheid tussen "de realisering van het plan [plaats]" en "de verbreding van de [a-straat]" en gaat er zelfs van uit dat volgens de Gemeente het eerste en volgens [verweerders] het tweede is te beschouwen als "het werk waartoe werd onteigend".17. Deze tweedeling is niet geheel juist: volgens de Gemeente – die zich daarbij terecht beroept op de Voorlopige Goedkeuring van het Onteigeningsplan [plaats], G.Bl. 1953, bl. 888, stuk nummer 606, en G.Bl. 1973, bl. 1310/1311 (waar de begrenzingen van het plan-[plaats] worden aangegeven) is de verbreding van de [a-straat] – althans sedert het Uitbreidingsplan in onderdelen van 1961 – mede in het plan-[plaats] begrepen; terwijl naar het oordeel van [verweerders] de verbreding van de [a-straat] geen rol speelt omdat ter zake niets is ondernomen met betrekking tot het omstreden perceel.18. De Gemeente heeft bij pleidooi in eerste instantie aangevoerd dat met het oog op de verbreding van de [a-straat] sedert het onteigeningsvonnis van 1957 het volgende is geschied: A. de bebouwing aan de oostzijde van de [a-straat] geamoveerd,geheel : tussen het gedeelte van de [c-straat] en de [b-straat], en tussen het gedeelte van de [f-straat] en de [e-straat], engedeeltelijk : tussen het gedeelte van de [b-straat] en de [f-straat].Daar staan alleen nog de woonhuizen plaatselijk genummerd[a-straat] 575 tot en met 585 (6 woningen) 661 tot en met 689 (15 woningen) 715 tot en met 737 (12 woningen) 753 tot en met 767 (8 woningen).De tussenliggende nummers zijn geamoveerd. B. En voorts is de verbreding van de [a-straat] zelf tot stand gebracht tussen het gedeelte van de [c-straat] en de [b-straat]. Daar is gerealiseerd de aansluiting van de [a-straat] op de Ringweg (die weer aansluit op Rijksweg 4, Amsterdam-Den Haag). De [a-straat] beslaat ter plaatse liefst zes rijbanen.19. [verweerders] heeft bij de bestrijding van de tweede grief en met name in eigen incidentele grief B doen opmerken dat de (onder 18 onder B bedoelde) werkzaamheden tot verbreding van de [a-straat] tussen de [b-straat] en [c-straat] "niets te maken" heeft met ""de wegverbreding ter plaatse van het onteigende"" en uitsluitend geschiedde ""om die Ringweg daar ter plaatse aan te sluiten op Amsterdam-Zuid"", waarbij is op te merken dat "[c-straat]" en "Ringweg" voorshands identiek zijn, nu ter plaatse wèl een ringweg maar nog geen spoorbaan is aangelegd. Het betoog van de Gemeente dat er verband bestaat tussen de verbreding van het hier besproken gedeelte van de [a-straat] enerzijds en het gedeelte waaraan het omstreden perceel ligt anderzijds is op zichzelf niet onjuist; – de gemeentelijke plannen zijn er immers op gericht, de [a-straat] als geheel te verbreden –. Toch is het standpunt van [verweerders] het meest juiste: de Gemeente betwist niet dat de aansluiting op de Ring(spoor)baan minst genomen bij de verbreding van dit stuk [a-straat] vooropstond, waaruit reeds volgt dat de verbreding van dit bepaalde stuk als een afzonderlijk werk is te beschouwen; zodat, nu de eerstbedoelde verbreding is uitgevoerd en de laatstbedoelde (voorshands) is blijven rusten, duidelijk is dat de Gemeente de beide onderdelen van de verbreding niet uitvoert op basis van een mede het onteigende perceel omvattend werkplan als een samenhangend geheel.20. Met betrekking tot de onder A omschreven werkzaamheden heeft de Gemeente bij pleidooi in hoger beroep er de nadruk op gelegd dat deze zijn geschied om een "gave afronding" van het plan [plaats] aan de westzijde daarvan tot stand te brengen. Deze stelling van de Gemeente sluit aan op het in de toelichting op grief 2 gestelde, voor zover daarin wordt opgemerkt dat onder andere de bebouwing aan de oostzijde van de [a-straat] tussen de [e-straat] en de [f-straat] is gesloopt mede om een betere aansluiting te krijgen, stedebouwkundig gezien, bij enkele verderop gelegen flatgebouwen, hetgeen in de opvatting van de Gemeente niets afdoet aan het feit dat bedoelde bebouwing gesloopt is mede om de verbreding van de [a-straat] te kunnen verwezenlijken. Het Hof vat deze stellingen zo op dat de onder A bedoelde werkzaamheden mede dienstig zijn geweest in verband met de toekomstige verbreding van de [a-straat] maar dat deze werkzaamheden op zichzelf geen onderdeel hebben gevormd of vormen van de daadwerkelijke verbreding van die weg. Hierop sluiten ook aan de overige stellingen van de Gemeente in de toelichting op grief 2, voor zover daarin uitdrukkelijk onderscheid wordt gemaakt tussen werkzaamheden waardoor het tracé (gedeeltelijk) is vrijgemaakt en de daadwerkelijke verbreding van de [a-straat].21. Wil er voldaan zijn aan de uit artikel 61 van de onteigeningswet (oud) juncto 96 van de onteigeningswet (oud) af te leiden eis dat binnen tien jaar na de onteigening een aanvang is gemaakt met het werk waartoe onteigend werd, dan moet er binnen die periode zijn begonnen met de daadwerkelijke uitvoering van het werk door enige op het tot stand brengen van dat werk gerichte materiële werkzaamheid. De hierboven onder 20 weergegeven stellingen van de Gemeente maken reeds duidelijk dat – voor zover te dezen onder het werk waartoe werd onteigend moet worden verstaan de verbreding van de [a-straat] ten zuiden van de [b-straat] – ook in de opvatting van de Gemeente daarvan geen sprake is geweest. Voor dit oordeel acht het Hof mede van belang de op de verbreding van de [a-straat] betrekking hebbende uitlatingen van de Amsterdamse wethouder Lammers, zoals vermeld in de notulen van de gemeenteraadsvergadering van 29 augustus 1973. ….22. De omstandigheid dat de onder A omschreven werkzaamheden niet zijn werkzaamheden waardoor de daadwerkelijke verbreding van de [a-straat] een aanvang heeft genomen brengt met zich mee dat de Gemeente zich ter ondersteuning van haar verweer niet met vrucht daarop kan beroepen. Geheel los hiervan dient te worden vastgesteld dat, naar de Gemeente mededeelt, de bebouwing aan de oostzijde van de [a-straat] tussen de [b-straat] en de [f-straat] slechts gedeeltelijk is gesloopt. Een en veertig woningen zijn blijven staan, waaronder het ten processe bedoelde pand. Uit deze feiten blijkt voldoende dat ook de onder A omschreven werkzaamheden niet zijn verricht op basis van een mede het onteigende perceel omvattend werkplan, dat als een samenhangend geheel is uitgevoerd. Ook om deze reden kunnen deze werkzaamheden niet worden aangemerkt als een begin van uitvoering van het werk waartoe onteigend werd.23. Het Hof merkt op dat, afgezien van het vorenoverwogene het verweer van de Gemeente ook moet afstuiten op de omstandigheid dat door de Gemeente wel is gesteld dat met het oog op de verbreding van de [a-straat] een reeks werkzaamheden hebben plaatsgevonden – de onder A en B hierboven genoemde werkzaamheden – maar niet dat deze werkzaamheden of enig deel daarvan zijn verricht in de te dezen relevante periode van tien jaren na het van kracht worden van het vonnis van onteigening. Uit de door de Gemeente verschafte gegevens kan ook niet worden afgeleid of de bedoelde werkzaamheden, indien begonnen, al dan niet gedurende tien jaren zijn gestaakt. In hoger beroep heeft de Gemeente nog aangevoerd, zulks in verband met grief 3, dat ophogingswerkzaamheden zijn uitgevoerd ter zake van de verbreding van de [a-straat] tot zes rijstroken tussen de [b-straat] en de [c-straat], maar ook te dier zake heeft de Gemeente niet aangegeven wanneer deze werkzaamheden zijn verricht. Produkties waaruit dit zou kunnen blijken zijn niet overgelegd. De Gemeente is in gebreke gebleven met het verschaffen van gegevens als in deze overweging bedoeld, ook nadat zij op het ontbreken daarvan is gewezen in het vonnis van de Rechtbank en door partijen [verweerders] in eerste instantie zowel als in hoger beroep. Ook om deze reden dient aan de stellingen van de Gemeente met betrekking tot verrichte werkzaamheden in verband met de verbreding van de [a-straat] voorbijgegaan te worden.24. Het bovenstaande overziende komt het Hof tot de conclusie dat grief 1 van de Gemeente ongegrond is. Grief 2 mist feitelijke grondslag. De in grief 2 omschreven subsidiaire stelling heeft de Rechtbank niet verworpen. Tot vernietiging van het vonnis kan in elk geval grief 2 niet leiden. Grief 3 komt niet aan de orde, nu deze uitsluitend betreft de inkleding van de bewijsopdracht en het Hof van oordeel is, dat een bewijsopdracht achterwege dient te blijven.25. Met betrekking tot de in incidenteel appel voorgedragen grieven luidt de conclusie als volgt. Grief A is gegrond in zoverre dat de Rechtbank ten onrechte niet aanstonds de ingestelde vordering heeft toegewezen. Grief B is eveneens gegrond. Voor een bewijsopdracht als door de Rechtbank gegeven is geen plaats. De primaire vordering van partijen [verweerders] ligt in beginsel voor toewijzing gereed.26. Bij toewijzing van de primaire vordering zullen partijen [verweerders] gehouden zijn om in evenredigheid tot de terugontvangen waarde, de destijds ontvangen schadeloosstelling terug te geven. Zij hebben betoogd dat niet het volle bedrag behoeft te worden teruggegeven omdat de Gemeente niet een vrij opleverbaar pand maar een verhuurd pand zal teruggeven. Dit betoog acht het Hof onjuist. Blijkens het overgelegde onteigeningsvonnis is de schadeloosstelling, uit te keren aan [verweerders], gedrukt doordat de Gemeente in de onteigeningsprocedure (in de eerste plaats:) aan [verweerders] het bindende aanbod heeft gedaan, hem in het pand te laten wonen tot 1960 en (in de tweede plaats) op voor haar bindende wijze heeft aangeboden, aan [verweerders], wanneer hij de woning zou verlaten, een gelijkwaardige woning te verhuren. De Gemeente kon derhalve in 1957 slechts daarom volstaan met een betaling van f 32.500,-- omdat zij een woning verkreeg welke weliswaar door deskundigen als "vrij opleverbaar" werd aangeduid, doch ten aanzien waarvan haar gebruiks- en beschikkingsrechten onderhevig waren aan de uit voormelde toezeggingen voortvloeiende beperkingen, welke beperkingen in belangrijke mate overeenkomen met die welke heden ten dage gelden voor een verhuurd pand. Bij teruggave van dit pand in verhuurde staat zullen derhalve partijen [verweerders] het volledige bedrag van de voor het perceel ontvangen schadeloosstelling – f 32.500,-- – moeten teruggeven."; dat het Hof op deze gronden het principaal beroep van de Gemeente ongegrond heeft verklaard, en, op het incidenteel appel het bestreden interlocutoir vonnis vernietigende, de Gemeente onder meer heeft veroordeeld het onderhavige perceel aan partijen [verweerders] in eigendom over te dragen, zulks tegen betaling door partijen [verweerders] van f 32.500,--; Overwegende dat de Gemeente tegen 's Hofs arrest het volgende middel van cassatie heeft voorgesteld: "Schending van het recht en verzuim van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen, doordien het Hof (in het principaal en het incidenteel appel) heeft rechtgedaan als omschreven in het (hier als ingelast te beschouwen) dictum van zijn beroepen arrest, zulks op de gronden in zijn arrest vermeld en hier eveneens als ingelast te beschouwen, ten onrechte om de navolgende, in onderling verband in aanmerking te nemen, redenen: 1. Het Hof heeft, in rechtsoverwegingen 6 en 7 van zijn arrest, ten onrechte – immers op onjuiste en/of onvoldoende gronden – de gemeentelijke appelgrieven 4 en 5 verworpen. Een redelijke wetsinterpretatie en -toepassing brengt, onder meer in verband met de ratio van de artikelen 61 en 96 van de onteigeningswet (in hun te dezen toepasselijke versie), mede dat de onteigende een vordering als in evengenoemde wetsartikelen bedoeld zodra mogelijk, althans (zeer) spoedig na het intreden (en het voor de onteigende kenbaar worden) van de in die wetsartikelen bedoelde situatie, moet instellen;terwijl, indien – zoals in casu – de onteigende zelf, nadat het eindvonnis van onteigening (op of omstreeks 25 december 1957) in kracht van gewijsde was gegaan, het onteigende goed (krachtens met de Gemeente gesloten huurcontract) is blijven bewonen en gebruiken, ook nog ná het verstrijken van de termijn van 10 jaren van artikel 96 van de onteigeningswet en tot aan zijn overlijden op 11 maart 1970, zonder in die tijd een vordering ex artikel 96 geldend te maken of aan te kondigen of zijn rechten dienaangaande op enigerlei wijze te reserveren, de redelijkheid (en/of goede trouw) vergt (respectievelijk kàn vergen) dat – behoudens bijzondere omstandigheden waarvan te dezen niet is gebleken – (ook) de erven van de onteigende zodanige vordering niet meer geldend kunnen en/of mogen maken. 2. Het Hof heeft, in rechtsoverweging 24 van zijn arrest junctis de daaraan voorafgaande overwegingen (in het bijzonder 10-14), ten onrechte – immers op onjuiste en/of onvoldoende gronden – de gemeentelijke appelgrief 1 (zoals die is toegelicht onder meer in de memorie van grieven) ongegrond en vervolgens (rechtsoverweging 25) de incidentele appelgrieven van partijen [verweerders] gegrond geoordeeld. Hetgeen het Hof heeft vastgesteld en hetgeen uit anderen hoofde ten processe vaststaat (respectievelijk door de Gemeente is gesteld en in het midden is gebleven) wettigt met name niet 's Hofs oordeel dat ""het werk, waartoe werd onteigend"" – in de zin van de artikelen 61 en 96 (in de te dezen toepasselijke versie) – in casu niet was (en is), respectievelijk "niet kan zijn", ""de realisering van het plan [plaats]"" ofwel ""de aanleg van de tuinstad [plaats]"". Daarbij moet mede in aanmerking worden genomen dat te dezen, voor de toepassing van de artikelen 61 en 96, in principe beslissend (en in elk geval vóór alles relevant) is en moet zijn de inhoud en omschrijving van het, aan de onderhavige onteigening ten grondslag liggende (en door de Kroon goedgekeurde) raadsbesluit van 6 januari 1954 no. 1210 (1953) tot onteigening; naar ten processe vaststaat (zie ook Ned. Stscrt. van dinsdag 23 november 1954 no. 227 blz. 1 junctis 6 en volgende), respectievelijk door de Gemeente is gesteld en in het midden is gebleven, is bij vorenbedoeld raadsbesluit besloten tot onteigening (in het belang van de volkshuisvesting) van het onderhavige onroerend goed (en 93 andere percelen) ""ter verkrijging van de beschikking over eigendommen, begrepen in het goedgekeurde Algemeen Uitbreidingsplan voor Amsterdam, het zogenaamde plan-in-hoofdzaak, zulks ten einde uitvoering te kunnen geven aan het deel van dat plan, [plaats] genaamd…."" en dit brengt dan, in principe, mede dat – voor de toepassing van de artikelen 61 en 96 – het uitvoering geven aan het-"[plaats]"-genaamde-deel van het bewuste plan-in-hoofdzaak te dezen moet worden aangemerkt als ""het werk waartoe werd onteigend"". Onjuist, immers (veel) te beperkt, is in elk geval 's Hofs (aan zijn verder betoog ten grondslag liggende) opvatting (zie rechtsoverweging 12 in fine) als zoude (ook) bij deze (op het als voormeld geformuleerde onteigeningsbesluit gebaseerde) onteigening onder ""het werk waartoe werd onteigend"" in artikel 61 van de onteigeningswet (oud) in verband met artikel 9 6 (oud) in een geval als het onderhavige, waarin de onteigening geschiedt op basis van een uitbreidingsplan, (moeten) worden verstaan: een concreet werk van materiële, als regel bouwkundige of bodemtechnische aard dat op basis van een mede het onteigende perceel omvattend werkplan als een samenhangend geheel en met inachtneming van de aan het onteigende gegeven bestemming – hetzij de aanvankelijke bestemming, hetzij de bij vaststelling van een nieuw uitbreidingsplan of bestemmingsplan gewijzigde bestemming – wordt uitgevoerd. 3. Het Hof heeft ten onrechte – immers op onjuiste en/of onvoldoende (respectievelijk onvoldoende begrijpelijke) gronden –, in rechtsoverweging 8 van zijn arrest, de 6e gemeentelijke appelgrief (zó als die is toegelicht onder meer in de memorie van grieven verworpen, én (zie onder meer rechtsoverweging 26 en het dictum van 's Hofs arrest) geoordeeld dat partijen [verweerders], tegenover de aan de Gemeente bevolen eigendomsoverdracht van het bewuste onroerend goed, kunnen volstaan met betaling van f 32.500,--, zulks ofschoon ten processe vaststaat (respectievelijk door de Gemeente is gesteld en in het midden is gebleven) dat de aldus door partijen [verweerders] terug te ontvangen "waarde" (te weten van het bewuste onroerend goed), uitgedrukt in Nederlandse guldens, sinds de onteigening van 1957 aanmerkelijk groter is geworden, onder meer en in het bijzonder ten gevolge van de voortschrijdende waardedaling (vermindering in koopkracht) van de Nederlandse gulden. Een redelijke wets-interpretatie en -toepassing van de artikelen 61 en 96 vergt dat onder ""de terugontvangen waarde"" (artikel 61 in fine ) moet worden verstaan (althans in principe) de actuele ("werkelijke") waarde (in Nederlands geld ) van het bewuste onteigende goed ten tijde van het (door de onteigende of diens rechtsopvolgers) terugontvangen van dat goed, zulks in elk geval indien en voor zover die actuele waarde is beïnvloed door veranderingen in de waarde (respectievelijk koopkracht) van de Nederlandse gulden sinds de datum der onteigening (respectievelijk der uitbetaling van de schadeloosstelling). Bovendien heeft het Hof, bij de formulering van zijn eindoordeel en zijn dictum, over het hoofd gezien dat krachtens artikel 55 van de onteigeningswet (in de hier toepasselijke versie) onder "de schadeloosstelling" zijn begrepen de wettelijke interessen daarvan, te rekenen van den dag van het (onteigenings)vonnis, zodat ook dáármede te dezen rekening had moeten worden gehouden."; Overwegende aangaande het eerste onderdeel van het middel: dat aan dit onderdeel in de eerste plaats ten grondslag ligt de opvatting, dat een redelijke toepassing van de artikelen 61 en 96 van de onteigeningswet meebrengt dat de onteigende de in die artikelen bedoelde vordering zodra mogelijk, althans zeer spoedig na het intreden van de in die bepalingen bedoelde situatie, moet instellen; dat echter tekst noch strekking van deze wetsbepalingen de aanvaarding van een algemene regel van deze aard wettigt; dat het mitsdien afhankelijk is van de omstandigheden van het geval of evenbedoelde vordering al dan niet alsnog kan worden ingesteld; dat het onderdeel dus in zoverre geen doel treft; dat daarin voorts tevergeefs een beroep is gedaan op de omstandigheid, dat de onteigende zelf het onteigende goed is blijven bewonen en gebruiken, ook nog na het verstrijken van de termijn van 10 jaren als bedoeld in artikel 96, en tot aan zijn overlijden in 1970, zonder in die tijd een vordering geldend te maken of aan te kondigen, dan wel zijn rechten dienaangaande op enigerlei wijze te reserveren; dat immers het Hof terecht heeft geoordeeld dat vermelde – door de Gemeente ook voor het Hof gestelde – enkele omstandigheid een beroep op rechtsverwerking niet rechtvaardigt; dat het eerste onderdeel van het middel mitsdien niet tot cassatie kan leiden; Overwegende aangaande het tweede onderdeel van het middel: dat in dit onderdeel in het algemeen is gesteld, dat het uitvoering geven aan het uitbreidingsplan voor de toepassing van het bepaalde in de artikelen 61 en 96 van de onteigeningswet moet worden aangemerkt als "het werk waartoe werd onteigend"; dat deze stelling in haar algemeenheid evenwel niet als juist kan worden aanvaard; dat, zo deze stelling juist ware, een onteigende, op wiens voormalige eigendom gedurende meer dan tien jaren na het in kracht van gewijsde gaan van het onteigeningsvonnis niet met enig werk ter uitvoering van het plan een aanvang is gemaakt, van de vordering tot teruggave van het onteigende zou zijn verstoken om de enkele reden, dat op andere in het plan begrepen gronden wel een aanvang is gemaakt met de uitvoering van het plan, van welke aard en omvang deze uitvoering ook moge zijn; dat de strekking van voormelde wetsbepalingen een andere is, en wel deze, dat in het geval het onteigende gedurende meer dan tien jaren door de onteigenaar ongemoeid is gelaten, bij onteigening voor volkshuisvesting zo goed als bij onteigening in de gewone – in titel I bedoelde – gevallen, ter beoordeling of er sprake is van een aanvang met het werk waartoe werd onteigend, steeds dient te worden onderzocht of op de gronden, tot welke het teruggevorderde perceel behoort, werkzaamheden zijn verricht, welke, al moge de onteigenaar met die werkzaamheden binnen voormelde termijn nog niet aan het teruggevorderde perceel zijn toegekomen, niettemin in uitvoering zijn als een samenhangend geheel van werkzaamheden ter verwezenlijking van de voor vorenbedoelde gronden geldende bestemmingen; dat derhalve het Hof in zijn in dit onderdeel bestreden overwegingen 10 – 14 van een juiste opvatting van het bepaalde in de artikelen 61 en 96 is uitgegaan, zodat dit onderdeel vergeefs is voorgesteld; Overwegende aangaande het derde onderdeel van het middel: dat uit het bestreden arrest blijkt, dat aan de rechtsvoorganger van partijen [verweerders] bij het onteigeningsvonnis van 17 december 1957 als schadeloosstelling voor de ontneming van zijn eigendom is toegekend een vergoeding voor de werkelijke waarde van het onteigende perceel ten bedrage van f 32.500,--, alsmede een niet in het geschil betrokken vergoeding voor verhuis- en inrichtingskosten ten bedrage van f 1.000,--; dat het Hof terecht heeft geoordeeld, dat partijen [verweerders] tot niet meer zijn gehouden dan tot teruggave van het door hun rechtsvoorganger ontvangen bedrag van f 32.500,--; dat immers het in dit onderdeel voorgedragen standpunt van de Gemeente niet strookt met de tekst van artikel 61, waarin de woorden "in evenredigheid tot de terugontvangen waarde" en "de schadeloosstelling terug te geven" duiden op een gehoudenheid tot teruggave van de destijds ontvangen schadeloosstelling dan wel van een evenredig deel daarvan; dat ook de strekking van het artikel niet de door de Gemeente voorgestane uitlegging kan rechtvaardigen, aangezien die strekking is de behartiging van het belang van de eigenaar niet eerder dan nodig uit zijn eigendom te worden ontzet, en dat belang juist geheel niet tot zijn recht zou komen, indien van de onteigende een offer zou worden verlangd dat het door hem ontvangen bedrag van de schadeloosstelling te boven gaat; dat dit onderdeel buitendien de klacht bevat, dat het Hof ten onrechte heeft nagelaten rekening te houden met de wettelijke interessen, welke de onteigende destijds ingevolge het bepaalde in artikel 55 van de onteigeningswet heeft ontvangen; dat ook deze klacht ongegrond is, aangezien, ook al moge in artikel 55 zijn bepaald dat onder de schadeloosstelling de wettelijke interessen daarvan te rekenen van de dag van het vonnis zijn begrepen, tot het terug te geven bedrag niet meer behoort dan de ontvangen schadeloosstelling, waaronder in artikel 61 moet worden verstaan het door de Rechtbank vastgestelde bedrag daarvan, en mitsdien niet de som van de wettelijke interessen, welke de onteigenaar aan de onteigende was verschuldigd als gevolg van de omstandigheid, dat tussen de dag van de vaststelling door de Rechtbank en de uitbetaling van die vastgestelde schadeloosstelling enige tijd is verlopen; dat mitsdien ook het derde onderdeel van het middel faalt; Verwerpt het beroep; Veroordeelt de Gemeente in de op het geding in cassatie gevallen kosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van partijen [verweerders] begroot op f 225,-- aan verschotten en op f 1.700,-- voor salaris. Aldus gedaan door Mrs. Telders, Vice-President, Reynders, Stol, Van Vucht en Jansen, Raden, en door de Vice-President voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van de vijfde april 1900 acht en zeventig, in tegenwoordigheid van de Advocaat-Generaal Van Soest.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature