U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van de primair tenlastegelegde zware mishandeling. De verdachte is terzake van de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek van voorarrest.

Tot slot heeft het hof de schadevergoedingsmaatregel opgelegd voor een bedrag van 3.500 euro.

Uitspraak



Parketnummer : 20-001788-21

Uitspraak : 9 december 2022

TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 7 juli 2021, in de strafzaak met parketnummer

03-167276-21 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

BRP-adres: [adres verdachte] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling, het subsidiair tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘mishandeling’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 dagen met aftrek van voorarrest. Tevens heeft de politierechter het jegens de verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] de schadevergoedingsmaatregel tot het bedrag van € 10.805,82 zal opleggen.

Door de raadsvrouw van de verdachte is vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair tenlastegelegde. Voorts is partiële vrijspraak bepleit van het meer subsidiair tenlastegelegde, te weten ten aanzien van de onder het derde gedachtestreepje tenlastegelegde handelingen, alsmede van het strafverzwarende gevolg (zwaar lichamelijk letsel). Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht af te zien van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] .

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 26 juni 2021 in de gemeente Venlo, althans in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten:

een ruptuur van de flexor pollicis longus pees en/of

een zenuwbeschadiging/zenuwletsel

heeft toegebracht door [slachtoffer] met een of meer glasscherven, althans met glas, in de arm(en) en/of hand(en) te snijden/slaan/steken, althans te raken,

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 juni 2021 in de gemeente Venlo, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met voornoemd opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,

met gebalde vuist (in het gezicht) heeft geslagen en/of

(vervolgens) die [slachtoffer] (met geschoeide voet) tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, heeft geschopt/getrapt en/of

(vervolgens) tegen/op die [slachtoffer] is gesprongen en/of

(vervolgens) die [slachtoffer] met een of meer glasscherven, althans met glas, in de arm(en) en/of hand(en) heeft gesneden/heeft geslagen/heeft gestoken, althans heeft geraakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

meer subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 juni 2021 in de gemeente Venlo, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,

met gebalde vuist (in het gezicht) te slaan en/of

(vervolgens) die [slachtoffer] (met geschoeide voet) tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, te schoppen/trappen en/of

(vervolgens) tegen/op die [slachtoffer] te springen en/of

(vervolgens) die [slachtoffer] met een of meer glasscherven in de arm(en) en/of hand(en) te snijden/slaan/steken, althans te raken

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten:

een ruptuur van de flexor pollicis longus pees en/of

een zenuwbeschadiging/zenuwletsel

ten gevolge heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het primair tenlastegelegde

De verdachte staat ingevolge hetgeen primair aan hem ten laste is gelegd terecht ter zake van zware mishandeling, door het slachtoffer met glasscherven, althans met glas, in de arm(en) en/of hand(en) te snijden/steken/slaan, althans te raken, als gevolg waarvan letsel aan een pees in de hand van het slachtoffer en/of een zenuwbeschadiging/zenuwletsel is toegebracht.

Uit het onderzoek ter terechtzitting en het procesdossier volgt dat op 26 juni 2021 een ruzie heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en het slachtoffer, de heer [slachtoffer] .

Getuige [getuige 1] heeft over deze ruzie verklaard dat zij zag dat het slachtoffer [slachtoffer] op de grond lag, en de verdachte omhoog sprong en met zijn voeten op het slachtoffer landde. Zij zag ook dat de verdachte het slachtoffer schopte. Ze kon niet zien waar de verdachte het slachtoffer raakte, omdat er tussen haar en het slachtoffer een container stond. Toen zij vervolgens naar buiten liep, zag zij dat het slachtoffer op de grond lag en hevig bloedde.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij zag dat de verdachte op het slachtoffer af liep en hem met zijn rechtervuist drie keer hard tegen het hoofd sloeg. Het slachtoffer viel hierdoor op de grond, waarna de verdachte met geschoeide voeten op het hoofd van het slachtoffer sprong. Ook zag hij dat de verdachte met zijn schoen hard op het hoofd van het slachtoffer intrapte. Vervolgens zag hij dat de verdachte een fles pakte en deze op de grond kapot sloeg. Getuige [getuige 2] zag niet wat de verdachte met de fles deed, maar zag wel dat het slachtoffer kort hierna hevig bloedde.

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij zag dat de verdachte het slachtoffer uit het niets begon te slaan en hem twee tot drie keer met gebalde vuist in het gezicht sloeg. Zij zag dat het slachtoffer hierdoor op de grond viel, en de verdachte vervolgens twee tot drie keer met geschoeide voet tegen het hoofd van het slachtoffer schopte. Vervolgens zag ze dat de verdachte een glazen potje pakte, het potje kapot sloeg op de grond en vervolgens met het potje een slaande beweging maakte richting het slachtoffer. Het slachtoffer probeerde het potje af te weren met zijn handen, ten gevolge waarvan hij gewond raakte aan zijn linkerarm en hand.

De verdachte heeft bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie verklaard dat hij het slachtoffer drie keer met zijn vuist heeft geslagen. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij het slachtoffer twee keer tegen het hoofd, en een keer met een vuist in zijn gezicht heeft geslagen, en dat hij het slachtoffer een keer hard in zijn gezicht heeft geschopt. De verdachte ontkent dat hij het slachtoffer met glas heeft verwond en weet niet hoe het slachtoffer aan zijn verwonding is gekomen.

Het slachtoffer [slachtoffer] heeft in eerste instantie te kennen gegeven geen aangifte te willen doen. Nadat de onderhavige strafzaak in eerste aanleg was behandeld, heeft het slachtoffer op 3 september 2021 alsnog aangifte gedaan. Aangever [slachtoffer] heeft toen verklaard dat hij op 26 juni 2021 van achteren aangevallen werd door de verdachte. Hij voelde een harde klap tegen de rechterzijde van zijn hoofd en tegen zijn rechterzij. De verdachte was erg boos en sloeg hem meerdere keren. Aangever is vervolgens gevallen en zag dat hij met zijn linkerhand in een bierglas was gevallen, dat hij voor zijn val in zijn linkerhand vasthad.

Het hof is op grond van voornoemde feiten en omstandigheden, anders dan de advocaat-generaal maar met de verdediging, van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het slachtoffer met glas heeft verwond, ten gevolge waarvan het letsel aan de hand van het slachtoffer is ontstaan. Naar het oordeel van het hof biedt het procesdossier hiertoe onvoldoende aanknopingspunten. Het hof heeft daarbij in het bijzonder in aanmerking genomen dat het slachtoffer zelf heeft verklaard dat hij met zijn linkerhand in het bierglas, dat hij in zijn linkerhand vasthad, is gevallen.

Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van de primair aan hem tenlastegelegde zware mishandeling.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 26 juni 2021 in de gemeente Venlo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met voornoemd opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,

met gebalde vuist in het gezicht heeft geslagen en

die [slachtoffer] met geschoeide voet tegen het hoofd heeft geschopt en getrapt en

op die [slachtoffer] is gesprongen

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Het hof is, anders dan de verdediging, van oordeel dat op grond van de hiervoor bedoelde bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg inhoudende dat hij het slachtoffer twee keer tegen het hoofd en een keer met de vuist tegen het gezicht heeft geslagen en een keer hard in zijn gezicht heeft geschopt – waarbij het hof tevens in haar afwegingen betrekt dat de verdachte bij de politie heeft verklaard al geruime tijd aan kickboxing en K1-vechten te doen – wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair aan hem tenlastegelegde poging tot zware mishandeling. Het hof wijst daarbij op het volgende.

Op grond van artikel 45, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is een poging tot misdrijf strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Het voornemen van de dader behelst een opzetvereiste waarbij het opzet betrekking moet hebben op de voltooiing van het tenlastegelegde misdrijf. De openbaring van het voornemen moet geschieden doordat met de uitvoering van het voorgenomen misdrijf een begin is gemaakt. De maatstaf die daarbij geldt, is of de bewezenverklaarde feitelijke handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf (vgl. Hoge Raad 24 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6373, NJ 1979/52 en Hoge Raad 8 september 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC0501, NJ 1998/612). De gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm op voltooiing zijn gericht, moeten wel uitvoeringshandelingen zijn die tot het plegen van het misdrijf behoren en in voldoende concrete mate gericht zijn op de voltooiing van het tenlastegelegde (vgl. Hoge Raad 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:575).

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte in het onderhavige geval door het latere slachtoffer – terwijl beiden onder invloed van alcohol waren – als getrainde vechtsporter onverhoeds met de vuist in het gezicht te slaan, met de geschoeide voet tegen het hoofd te schoppen en trappen en op het latere slachtoffer te springen, gezien de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, getracht het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Het hof acht, zoals hiervoor reeds onder het kopje ‘vrijspraak primair tenlastegelegde’ is overwogen, niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het slachtoffer met glas(scherven) heeft gesneden/geslagen/gestoken, althans heeft geraakt, zodat hij van dit onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

poging tot zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling, door het slachtoffer meermalen met gebalde vuist in het gezicht te slaan, hem met geschoeide voet tegen het hoofd te schoppen en trappen en eenmaal op het slachtoffer te springen. Door zijn handelen heeft de verdachte op gewelddadige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft hierdoor letsel aan zijn hoofd bekomen en pijn ondervonden. Voorts heeft het door verdachte veroorzaakte geweldsincident ertoe geleid dat het slachtoffer ernstig letsel aan zijn arm heeft opgelopen. Het hof rekent het de verdachte ernstig aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie

d.d. 7 oktober 2022, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Uit het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en het procesdossier komt naar voren dat de verdachte sinds ongeveer zes jaar in Nederland woont en werkt en dat hij sinds zijn jeugd vechtsport beoefent.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en in verband met een juiste normhandhaving, niet worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht passend en geboden.

Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Door het slachtoffer [slachtoffer] is in eerste aanleg geen vordering tot schadevergoeding ingediend. Bij schrijven d.d. 28 september 2021, gericht aan het hof, heeft het slachtoffer verzocht voor de door hem geleden schade ten bedrage van € 8.767,06 (bestaande uit een bedrag van € 5.267,06 aan materiële schade en een bedrag van € 3.500,00 aan immateriële schade) de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr op te leggen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Bij schrijven d.d. 1 juli 2022 is een tweede versie van bovengenoemd verzoek ingediend, omdat ten tijde van het eerste verzoek nog niet alle schadeposten geheel inzichtelijk waren. In de tweede versie van het verzoek wordt verzocht de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr op te leggen voor een bedrag van € 10.805,82, bestaande uit een bedrag van

€ 7.305,82 en een bedrag van € 3.500,00 aan immateriële schade.

De materieel gevorderde schade bestaat uit de volgende posten:

eigen risico ziektekostenverzekering ad € 385,00;

kosten fysiotherapie in 2021 ad € 441,09;

kosten fysiotherapie in 2022 ad € 203,58;

reiskosten ad € 32,20;

inkomstenderving ad € 6.243,95.

Zowel de gevorderde materiële schade, als de gevorderde immateriële schade is met producties onderbouwd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen tot het verzochte bedrag van € 10.805,82.

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich, in het verlengde van de door haar bepleite (partiële) vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat de schadevergoedingsmaatregel niet opgelegd dient te worden, nu onvoldoende kan worden vastgesteld dat de geleden schade is veroorzaakt door het handelen van de verdachte.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat blijkens het bepaalde in artikel 421, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een benadeelde partij die zich niet overeenkomstig artikel 51g, eerste of derde lid, Sv , in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, daartoe onbevoegd is in het geding in hoger beroep.

Dat laat echter onverlet dat het hof (ambtshalve) op de voet van artikel 36f Sr aan de verdachte de verplichting tot betaling van een schadevergoeding aan de Staat der Nederlanden kan opleggen ten behoeve van een slachtoffer. De schadevergoedingsmaatregel is immers een strafrechtelijke sanctie die los van de beslissing in een voegingsprocedure kan worden opgelegd, indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is veroorzaakt.

Met betrekking tot het verzoek tot vergoeding van immateriële schade overweegt het hof als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet uit vermogensschade bestaat, maar in een ‘aantasting van de persoon op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106, lid 1, onder b van het Burgerlijk Wetboek tot het verzochte bedrag van € 3.500,00. Het hof acht dit bedrag billijk, gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de bedragen die in vergelijkbare gevallen plegen te worden opgelegd. Bovendien is de hoogte van het bedrag door de verdediging niet betwist.

Het hof zal derhalve aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , een bedrag van € 3.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum van 26 juni 2021, te betalen.

Ten aanzien van het verzoek tot vergoeding van materiële schade is het hof van oordeel dat de berekening van de hoogte van de geleden materiële schade, gelet op alle aspecten die daarbij komen kijken, te complex is om hiervoor middels de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel een vergoeding toe te kennen. Het hof zal derhalve voor materiële schade de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr niet opleggen. Het slachtoffer kan zich voor vergoeding van de materiële schade wenden tot de civiele rechter.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat der Nederlanden, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 juni 2021 tot aan de dag der voldoening bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 45 (vijfenveertig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door:

mr. A.R. Hartmann, voorzitter,

mr. W.F. Koolen en mr. C.A. van Roosmalen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A. van Kaathoven, griffier,

en op 9 december 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. A.R. Hartmann is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature