< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Uitleg testament, geslaagd beroep op verjaring vordering op vader met betrekking tot het bedrag dat de erfgenamen uit de nalatenschap van moeder dienen te ontvangen na het hertrouwen van vader. Verdeling huwelijksgoederengemeenschap hertrouwde vader en nalatenschap tweede echtgenote.

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.274.497/01

arrest van 8 februari 2022

in de zaak van

1 [appellant 1] ,wonende te [woonplaats] ,

2. [appellant 2], wonende te [woonplaats] ,

beiden in hoedanigheid van erfgenaam van [erflaatster 1] ,

appellanten in principaal hoger beroep,

geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant 1] en [appellant 2] ,

advocaat: mr. C.G.A. Mattheussens te Roosendaal,

tegen

[executeur q.q.] , handelend in de hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [erflaatster 2] , wonende te [woonplaats] ,

[geintimeerde 2] , wonende te [woonplaats] ,in hoedanigheid van erfgenaam van [erflaatster 2] ,

[geintimeerde 3] ,

in hoedanigheid van erfgenaam van [erflaatster 2] ,wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

appellanten in incidenteel hoger beroep,

hierna ieder afzonderlijk aan te duiden als [executeur q.q.] , [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] en gezamenlijk als [geïntimeerden] ,

advocaat: mr. A.M.C.J. Dekkers-de Jong te Tilburg,

op het bij exploot van dagvaarding van 20 januari 2020 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 23 oktober 2019, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellanten] als eisers in conventie, verweerders in reconventie en [geïntimeerden] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/352488 / HA ZA 18-778)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep;

de memorie van grieven met een productie;

de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;

de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties;

de meervoudige mondelinge behandeling gehouden op 29 september 2021, waarbij partijen een pleitnota hebben overgelegd;

de bij H12-formulier van 15 september 2021 door mr. Dekkers-de Jong overgelegde brief van 14 september 2021 met schriftelijke toelichting betreffende de daarbij gevoegde producties 11 tot en met 16, die zij bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht;

de bij brief van 20 september 2021 door mr. Mattheussens toegezonden bijlagen 1 tot en met 11 en de bij H16-formulier van 23 september 2021 toegezonden ondertekende versie van bijlage 11, die hij bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding heeft gebracht.

Mr. Dekkers-de Jong heeft de door haar in het geding gebrachte producties 11 tot en met 16 met de schriftelijke toelichting op voorhand tijdig aan het hof en de wederpartij toegezonden en mr. Mattheussens heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. Mr. Dekker-de Jong heeft wel bezwaar gemaakt tegen de door mr. Mattheussens op voorhand niet tijdig aan het hof en haar toegezonden bijlagen 1 tot en met 11. Het hof verwerpt dat bezwaar omdat de aard en de omvang van deze bijlagen klaarblijkelijk geen beletsel vormden om daarvan binnen de beschikbare tijd kennis te nemen en daarop tijdens de mondelinge behandeling adequaat te reageren. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

Inleiding

3.1

Deze zaak betreft de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van de vader van [appellant 1] en [appellant 2] en de moeder van [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] , en de verdeling de nalatenschap van de moeder van [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] . De vader van [appellant 1] en [appellant 2] is na het overlijden van hun moeder hertrouwd met de moeder van [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] . De moeder van [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] is overleden in 2016 en de vader van [appellant 1] en [appellant 2] is overleden in 2018. [appellant 1] en [appellant 2] maken onder meer aanspraak op de vordering op hun vader met betrekking tot het bedrag dat zij als erfgenaam uit de nalatenschap van hun moeder dienen te ontvangen. Verder vordert [appellant 1] overdracht van de vordering die [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] op hun vader zouden hebben. [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] vorderen te verklaren voor recht dat [appellant 1] recht heeft op een bedrag van € 56.561,62. Het hof zal al deze vorderingen afwijzen en licht dat hierna toe.

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.2

De rechtbank heeft in het vonnis van 23 oktober 2019 onder 3.2 vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de rechtbank gestelde feiten, die niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Verder staan nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze relevante feiten.

3.2.1

[appellant 1] en [appellant 2] zijn kinderen van de heer [persoon A] (hierna: [vader 1] ) en [erflaatster 1] (hierna: [moeder 1] ). Zij waren gehuwd. [moeder 1] is overleden op [datum] 1987.

3.2.2

[moeder 1] heeft laatstelijk bij testament van 4 augustus 1978 over haar nalatenschap beschikt. Dit testament bevat een ouderlijke boedelverdeling (art. 4:1167 BW oud) en in het testament staat:

‘(…) Ik bepaal voorts:1. dat de aan mijn overige erfgenamen toegedeelde vorderingen ten laste van mijn echtgenoot te allen tijde geheel of gedeeltelijk aflosbaar zijn, doch eerst opeisbaar zijn zes maanden na het overlijden van mijn genoemde echtgenoot danwel onmiddellijk in de gevallen als bedoeld in artikel 160 Boek 1 Burgerlijk Wetboek, alsmede wanneer hij mocht worden failliet verklaard of surseance van betaling mocht aanvragen; (…)’.

3.2.3

[vader 1] is op [datum] 1988 getrouwd met [erflaatster 2] (hierna: [moeder 2] ). [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] zijn kinderen van [moeder 2] en de heer [persoon B] (hierna: [vader 2] ).

3.2.4

[vader 2] heeft op 17 december 1975 een schuldbekentenis getekend, waarin staat dat hij een bedrag heeft geleend en verschuldigd is aan [moeder 2] van

 45.000,00 (€ 20.240,11).

3.2.5

[vader 1] heeft bij testament van 2 september 2010 [appellant 1] aangewezen als enig erfgenaam. [vader 1] is vanaf 6 mei 2013 opgenomen in een verzorgingshuis.

3.2.6

[moeder 2] heeft bij testament van 28 oktober 2016 [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] benoemd tot enige en algehele erfgenamen, tezamen en voor gelijke delen, met benoeming van [executeur q.q.] tot executeur van haar nalatenschap. Als gevolg hiervan is [vader 1] van de erfopvolging uitgesloten. [moeder 2] is op [datum] 2016 overleden.

3.2.7

[vader 1] is bij beschikking van de kantonrechter te Rotterdam van 24 januari 2017 onder curatele gesteld met benoeming van [appellant 1] tot curator.

3.2.8

[vader 1] is overleden op [datum] 2018. [appellant 1] heeft de nalatenschap van [vader 1] zuiver aanvaard.

3.2.9

Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over de afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap van [vader 1] en [moeder 2] en afwikkeling van de nalatenschap van [moeder 2] . [appellant 1] en [appellant 2] zijn vervolgens deze procedure gestart.

De procedure bij de rechtbank

3.3.1

In de onderhavige procedure vorderden [appellant 1] en [appellant 2] (in conventie), na wijziging van eis om, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, verkort weergegeven:

I.a te verklaren voor recht dat het kindsdeel van [appellant 1] en het kindsdeel van [appellant 2] ieder afzonderlijk € 14.665,15 beloopt, te vermeerderen met rente;

I.b [executeur q.q.] althans [geïntimeerden] te veroordelen tot betaling van de kindsdelen en de verschuldigde rente aan [appellant 1] en [appellant 2] , althans [executeur q.q.] te veroordelen de vordering te plaatsen op de lijst van bezittingen en schulden ter zake afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap van [vader 1] en [moeder 2] ;

II te verklaren voor recht dat de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap dient te worden vastgesteld op een wijze als aangegeven in de conclusie van antwoord, met veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling aan [appellant 1] en [appellant 2] van de bedragen als door de rechtbank vastgesteld vermeerderd met de wettelijke rente, althans de wijze waarop partijen met elkaar dienen over te gaan tot verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap in goede justitie te bepalen;

III [geïntimeerden] te veroordelen om binnen veertien dagen na de datum van het vonnis het aandeel van de erven betreffende de vordering op de heer [persoon B] voor een bedrag van € 1,00 over te dragen aan [appellant 1] ;

IV [geïntimeerden] te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.3.2.

[geïntimeerden] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. [geïntimeerden] hebben (in reconventie), verkort weergegeven, gevorderd om te verklaren voor recht dat [appellant 1] , als enig erfgenaam in de nalatenschap van [vader 1] , recht heeft op een bedrag van

€ 56.561,62 en dat de overige gelden die zich in depot bevinden bij de executeur testamentair toebehoren aan de erven van [moeder 2] , dan wel subsidiair de wijze waarop partijen met elkaar dienen over te gaan tot verdeling van de boedel in goede justitie te bepalen.

3.3.3.

In het beroepen vonnis heeft de rechtbank de vordering van [appellant 1] en [appellant 2] onder I.a en I.b afgewezen (onder 4.1) en de vordering onder II toegewezen zoals hierna vermeld en vordering III toegewezen, in die zin dat [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] zijn veroordeeld om binnen veertien dagen na de datum van het vonnis hun aandeel betreffende de vordering op [vader 2] voor een bedrag van € 1,00 over te dragen aan [appellant 1] (onder 4.2).

3.3.4

De rechtbank heeft (in conventie en in reconventie) de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van [vader 1] en [moeder 2] vastgesteld zoals weergegeven in de rechtsoverwegingen 3.17 tot en met 3.18.4 van het beroepen vonnis (onder 4.3). Daarin staat, voor zover in hoger beroep van belang:

‘3.17. (…) ten aanzien van de samenstelling van de huwelijksgoederengemeenschap [behoren] de navolgende posten tot de activa (…):

- waarde aan [appellant 1] toebedeelde boedel € 517,00

- waarde inboedel dochters [erflaatster 2] € 3.840,00 (…)

3.18.

Tot de passiva behoren de navolgende posten:

- kosten testament € 785,90 (…)

- ontruimingskosten woning € 1.493,69 (…)

3.18.2.

Bij de te nog te bewerkstelligen verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap komt (…) het totaalsaldo van de bankrekeningen ad € 33.172,55, aan zowel [appellant 1] als de erven [erflaatster 2] toe (…)

3.18.3.

Daarentegen geldt dat bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tevens betrokken dient te worden dat de dochters van [erflaatster 2] wegens de aan hen gedane schenkingen ad € 10.600,-- én sieraden ad

€ 5.796,-- alsmede de waarde van de inboedel ad € 3.840,-- de helft hiervan – zijnde een bedrag van € 10.118,00 – wegens overbedeling aan [appellant 1] verschuldigd zijn. Daarnaast dienen de erven [erflaatster 2] een bedrag van € 20.084,00 in verband met uitvaartkosten, gedenksteen, onderhoudskosten graf aan de gezamenlijke bankrekeningen van [erflaatster 2] en erflater terug te betalen, nu deze kosten geheel ten laste van de nalatenschap van [erflaatster 2] komen. (…)’.

3.3.5

[executeur q.q.] c.q. [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] zijn veroordeeld tot betaling aan [appellant 1] van het saldo zoals voortvloeit uit deze rechtsoverwegingen, te betalen binnen 14 dagen na datum van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente daarover met ingang van 14 dagen na de datum van het vonnis (onder 4.4). De proceskosten zijn gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt (onder 4.5), het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard (onder 4.6) en het meer of anders gevorderde is afgewezen (onder 4.7).

De procedure in hoger beroep

3.4

[appellant 1] en [appellant 2] hebben in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [appellant 1] en [appellant 2] hebben geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en gevorderd om bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, verkort weergegeven:

I alsnog toe te wijzen de vorderingen zoals geformuleerd in de inleidende dagvaarding sub 1 tot en met 3 [het hof begrijpt: de vorderingen sub I.a, I.b en III zoals hiervoor weergegeven onder 3.3.1];

II - te verklaren voor recht dat de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap dient te worden vastgesteld op een wijze als in het vonnis waarvan beroep aangegeven ente bepalen dat wat betreft de samenstelling van de huwelijksgoederengemeenschap de schenkingen/onttrekkingen in 2013 ad € 8.800,00 en in 2014 ad € 14.100,00 eveneens tot de activa behoren; - [executeur q.q.] te veroordelen aan [appellant 1] te betalen € 11.450,00 vermeerderd met de wettelijke rente; en - te bepalen dat de kosten van de notaris betreffende het opmaken van het testament van € 785,90 voor rekening van [executeur q.q.] komt en [executeur q.q.] te veroordelen om dat bedrag aan [appellant 1] te betalen;

III [executeur q.q.] te veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep.

3.5

[geïntimeerden] hebben geconcludeerd tot verwerping van de grieven van [appellant 1] en [appellant 2] . Zij hebben in incidenteel hoger beroep acht grieven aangevoerd, geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis voor zover de grieven zich daartegen richten en gevorderd om bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, verkort weergegeven:

- de vorderingen zoals geformuleerd in eerste aanleg alsnog integraal toe te wijzen, dan wel in goede justitie enige andere beslissing te nemen met inachtneming van hetgeen [geïntimeerden] in de grieven I tot en met VIII hebben aangevoerd; en

- mocht een terugbetalingsverplichting ontstaan, dan te bepalen dat door [appellant 1] en [appellant 2] binnen veertien dagen na de datum van dit arrest deze geldsom aan [geïntimeerden] moet zijn voldaan, bij gebreke waarvan zij veroordeeld worden tot betaling van de wettelijke (handels)rente; - met veroordeling van [appellant 1] en [appellant 2] in de kosten van de procedure in beide instanties en in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente.

3.6

[appellant 1] en [appellant 2] hebben in incidenteel hoger beroep, samengevat, geconcludeerd tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten.

Omvang van het hoger beroep

3.7

Naar het hof begrijpt procedeert [appellant 1] mede in zijn hoedanigheid van erfgenaam van [vader 1] , te weten ten aanzien van de in 3.3.1 onder II en III vermelde vorderingen. Ook [geïntimeerden] hebben [appellant 1] naar het hof begrijpt ten aanzien van hun vorderingen in die hoedanigheid aangesproken. De geschillen die partijen in hoger beroep hebben voorgelegd hebben betrekking op het volgende:in principaal hoger beroep:

- de vordering van [appellant 1] en [appellant 2] ter zake het erfdeel van [moeder 1] (grief I);

- de vordering van [appellant 1] en [appellant 2] betreffende de bedragen van € 8.800,00 en € 14.100,00 wegens onttrekkingen door [moeder 2] in 2013 en 2014 (grief II);

- de kosten voor het opmaken van het testament van € 785,90 (grief III); in incidenteel hoger beroep:

- de waarde van de inboedelgoederen van € 517,00 (grief I);

- de sieraden van € 3.000,00 en de waarde van de inboedelgoederen van € 840,00 (grief II);

- de ontruimingskosten (grief III);

- de schenkingen van € 10.600,00 en cadeaus (sieraden) van € 5.796,00 (grief IV);

- de kosten voor het graf, de gedenksteen, het onderhoud van het graf en de aan de uitvaart van [moeder 2] gerelateerde kosten (grief V);

- de overdracht van de vordering op [vader 2] voor € 1,00 (grief VI);- het saldo van de bankrekeningen van [vader 1] en [moeder 2] (grief VII);

- een verklaring voor recht dat [appellant 1] recht heeft op een bedrag van € 56.561,62 (grief VIII).

in principaal hoger beroep

de vordering van [appellant 1] en [appellant 2] ter zake het erfdeel van [moeder 1]

3.7.1

Grief I van [appellant 1] en [appellant 2] richt zich tegen de afwijzing van hun vordering op [vader 1] met betrekking tot hun erfdeel in de nalatenschap van [moeder 1] . Volgens [appellant 1] en [appellant 2] hebben zij hierop tijdig aanspraak gemaakt, zodat het beroep op verjaring van [geïntimeerden] had moeten worden verworpen. Primair volgt dit uit de letterlijke tekst van het testament, subsidiair uit de aard en de strekking daarvan en meer subsidiair geldt dat [vader 1] en [appellant 1] op 25 juni 2005 zijn overeengekomen dat [appellant 1] en [appellant 2] hun vorderingen pas zouden kunnen opeisen na het overlijden van [vader 1] , aldus [appellant 1] en [appellant 2] . Het hof volgt [appellant 1] en [appellant 2] hierin niet.

3.7.2

[moeder 1] is overleden in 1987, zodat haar testament moet worden uitgelegd aan de hand van het vóór 1 januari 2003 geldende recht (art. 4:932 en 933 (oud) BW en art. 68a jo 69 Overgangswet Nieuw BW). Dat betekent dat bij de beantwoording van de vraag of de bewoordingen van een uiterste wilsbeschikking duidelijk zijn, dat wil zeggen als verklaring van hetgeen de erflater wil dat na zijn dood met zijn vermogen zal geschieden een duidelijke zin hebben, mede dient te worden gelet op de verhoudingen die de erflater bij zijn wilsbeschikking heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder deze is gemaakt (HR 3 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR0196).

3.7.3

[moeder 1] heeft in haar testament bepaald dat de aan [appellant 1] en [appellant 2] toegedeelde vorderingen ten laste van [vader 1] ‘opeisbaar zijn zes maanden na het overlijden van mijn genoemde echtgenoot danwel onmiddellijk in de gevallen als bedoeld in artikel 160 Boek 1 Burgerlijk Wetboek, alsmede wanneer hij mocht worden failliet verklaard of surseance van betaling mocht aanvragen’ (zie onder 3.2.2).

3.7.4

In art. 1:160 BW zoals dat gold ten tijde van het maken van het testament door [moeder 1] is bepaald dat een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij eindigt wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt. [appellant 1] en [appellant 2] hebben geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het hertrouwen van [vader 1] met [moeder 2] geldt als een situatie zoals bedoeld in dit artikel. Het hof gaat daar ook van uit.

3.7.5

Ten tijde van het opstellen van het testament van [moeder 1] was onbekend welke situatie zich als eerste zou voordoen: het overlijden van [vader 1] of zijn hertrouwen. Het hertrouwen van [vader 1] kon voor [appellant 1] en [appellant 2] nadelige gevolgen hebben voor de verhaalbaarheid van hun vorderingen op [vader 1] . [moeder 1] heeft het risico op deze nadelige gevolgen beperkt door in haar testament te bepalen dat de aan [appellant 1] en [appellant 2] toegedeelde vorderingen ten laste van [vader 1] in het geval van zijn hertrouwen onmiddellijk opeisbaar waren. [moeder 1] heeft er zo voor gekozen om [vader 1] met opeisbare vorderingen van [appellant 1] en [appellant 2] te confronteren voor het geval hij als langstlevende zou hertrouwen. [appellant 1] en [appellant 2] hoefden in dat geval niet meer met het opeisen van hun vorderingen te wachten tot zes maanden na zijn overlijden. [appellant 1] en [appellant 2] hebben dit onderkend, volgens hen zou op die manier worden voorkomen dat de kinderen hun kindsdelen in rook zouden zien opgaan.

3.7.6

Vast staat dat [vader 1] op [datum] 1998 is hertrouwd met [moeder 2] . Dat betekent dat de vorderingen van [appellant 1] en [appellant 2] op dat moment onmiddellijk opeisbaar zijn geworden. Vanzelfsprekend gaat het hertrouwen van [vader 1] vooraf aan zijn overlijden. Daarom wordt aan de bepaling in het testament met betrekking tot de opeisbaarheid in geval van overlijden niet meer toegekomen. Deze bepaling is immers logischerwijs ondergeschikt aan de opeisbaarheid in geval van hertrouwen. Het betoog van [appellant 1] en [appellant 2] dat het testament hun een keuzemogelijkheid biedt in de zin dat zij mogen kiezen wanneer zij hun kindsdeel zouden opeisen, wordt daarom verworpen. Het hof heeft bij dit oordeel betrokken dat [appellant 1] en [appellant 2] niets hebben aangevoerd over de omstandigheden waaronder het testament van [moeder 1] is gemaakt en dat niet gebleken is van relevante daden of verklaringen van haar die buiten de uiterste wil voor de uitleg kunnen worden gebruikt.

3.7.7

Het betoog van [appellant 1] en [appellant 2] dat [vader 1] in een gesprek op 25 juni 2005 met [appellant 1] is overeengekomen dat zij hun kindsdelen niet eerder zouden opeisen totdat [moeder 2] én [vader 1] zouden zijn overleden, baat hen niet. Al zou dit zijn overeengekomen, dan nog geldt dat daardoor niet kan worden afgeweken van de andersluidende bepalingen in het testament van [moeder 1] en de wettelijke verjaringstermijnen. Dat [appellant 1] en [appellant 2] er in de gegeven omstandigheden voor hebben gekozen om de opeisbaarheid te laten ingaan op het moment van overlijden van [vader 1] komt derhalve voor hun rekening en risico. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.

3.7.8

De rechtsvordering van [appellant 1] en [appellant 2] op [vader 1] met betrekking tot hun erfdeel in de nalatenschap van [moeder 1] verjaart door verloop van twintig jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Nu [vader 1] op [datum] 1988 met [moeder 2] is hertrouwd, zouden de vorderingen van [appellant 1] en [appellant 2] op 15 oktober 2008 zijn verjaard (art. 3:306 en 3:313 BW en art. 73 Overgangswet NBW).

3.7.9

Volgens [appellant 1] en [appellant 2] is de verjaring van hun vorderingen gestuit door een brief van [appellant 1] aan [vader 1] van 28 juni 2005. Al zouden [appellant 1] en [appellant 2] hierin gevolgd moeten worden, dan geldt dat een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaren is gaan lopen vanaf de dag volgende op die van de stuiting. Gesteld noch gebleken is dat deze nieuwe verjaringstermijn is gestuit. Dat betekent dat de rechtsvordering van [appellant 1] en [appellant 2] in elk geval op 29 juni 2010 is verjaard (art. 3:319 BW).

3.7.10

Voor het geval ook het hof van oordeel is dat sprake is van verjaring, hebben [appellant 1] en [appellant 2] zich erop beroepen dat de gegrondverklaring van het verjaringsverweer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

3.7.11

De onderhavige verjaringstermijn heeft een objectief en in beginsel absoluut karakter, dat wil zeggen dat het beginsel van rechtszekerheid dat deze absolute termijn beoogt te dienen en de billijkheid jegens de wederpartij meebrengen dat hieraan strikt de hand moet worden gehouden. Dit wil evenwel niet zeggen dat deze termijn nooit op grond van art. 6:2 lid 2 BW buiten toepassing zou kunnen blijven. Gelet op de belangen die deze termijn beoogt te dienen, waaronder in het bijzonder het belang van de rechtszekerheid, zal echter van onaanvaardbaarheid als in art. 6:2 lid 2 BW bedoeld slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kunnen zijn (HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:649).

3.7.12

Op grond van hetgeen [appellant 1] en [appellant 2] hebben aangevoerd kan niet worden geconcludeerd dat hier sprake is van een zodanig uitzonderlijk geval. Niet gebleken is dat [appellant 1] en [appellant 2] niet in staat waren om hun rechtsvorderingen tijdig in te dienen. Dat zij dit niet tijdig hebben gedaan omdat zij in juni 2005 ermee in hebben gestemd dat zij de kindsdelen pas zouden opeisen na het overlijden van [vader 1] én [moeder 2] , dat zij dus ook het belang van [moeder 2] hebben gediend en deze goedheid hen nu wordt tegengeworpen, komt voor hun rekening en risico. Zoals hiervoor is overwogen kan door deze overeenkomst niet worden afgeweken van het testament van [moeder 1] en de wettelijke verjaringstermijnen. Ook blijkt uit de hiervoor weergegeven overwegingen niet dat zich hier anderszins een uitzonderlijk geval voordoet dat ertoe leidt dat het beroep van [geïntimeerden] op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

3.7.13

Uit het voorgaande volgt dat grief I niet slaagt.

de vordering van [appellant 1] en [appellant 2] van € 8.800,00 en € 14.100,00 wegens onttrekkingen door [moeder 2] in 2013 en 2014

3.8.1

Grief II van [appellant 1] en [appellant 2] is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de bedragen van € 8.800,00 en € 14.100,00 buiten beschouwing moeten worden gelaten bij het bepalen van de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap wegens een gebrek aan onderbouwing en/of specificatie.

3.8.2

Volgens [appellant 1] en [appellant 2] heeft [moeder 2] in 2013 en 2014 deze bedragen opgenomen van de gezamenlijke rekening van haar en [vader 1] . Uit de door hen in hoger beroep in het geding gebrachte bankafschriften blijkt dat het gaat om maandelijkse geldopnames, variërend van € 300,00 tot en met € 2.000,00. [geïntimeerden] betwisten dit niet. Volgens [appellant 1] en [appellant 2] zijn dit eenzijdige onttrekkingen aan het vermogen van [vader 1] waarvoor hij geen toestemming had gegeven en zijn deze bedragen uitsluitend ten nutte van [moeder 2] aangewend, zodat sprake is van een onrechtmatige daad van haar jegens [vader 1] . Het hof verwerpt dit standpunt.

3.8.3

[geïntimeerden] hebben onweersproken naar voren gebracht dat [vader 1] en [moeder 2] , na opheffing van de tussen hen geldende huwelijkse voorwaarden, met elkaar in gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Dat betekent dat [vader 1] en [moeder 2] beiden rechthebbenden waren met betrekking tot het gehele vermogen en ten aanzien van alle goederen gelijke rechten hadden (art. 1:94 BW). Toestemming van [vader 1] om geld op te nemen van de gezamenlijke bankrekening was dus niet nodig, ook niet voor de geldopnames in 2013 en 2014 variërend van € 300,00 tot en met € 2.000,00.

3.8.4

Niet gebleken is dat [vader 1] in 2013 en 2014 wilsonbekwaam was of op een andere manier beperkt was om zijn financiën te voeren en/of op enig moment om uitleg aan [moeder 2] heeft gevraagd met betrekking tot de geldopnames. Uit een brief van twee specialisten ouderengeneeskunde van 11 november 2016 blijkt weliswaar dat [vader 1] vanaf 6 mei 2013 was opgenomen op een psychogeriatrische afdeling in een verpleeghuis in verband met zorgbehoefte bij zijn dementie en dat hij niet in staat was om zijn handtekening te zetten en een bankfiliaal te bezoeken, maar van wilsonbekwaamheid in 2013 en 2014 blijkt hier niet uit. [vader 1] is op 24 januari 2017 onder curatele gesteld wegens een lichamelijke of geestelijke toestand. Niet gebleken is dat hij in 2013 en 2014 niet in staat was om de handelingen van [moeder 2] te (kunnen) overzien. Gesteld noch gebleken is dat hij destijds haar financiële handelingen heeft afgekeurd.

3.8.5

Alles wat [appellant 1] en [appellant 2] verder nog hebben aangevoerd leidt in de geven omstandigheden niet tot een ander oordeel. Zij hebben geen gespecificeerd bewijsaanbod gedaan, althans geen bewijs aangeboden van feiten die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden leiden. Bewijslevering is niet aan de orde. Grief II slaagt niet.

de kosten voor het opmaken van het testament van € 785,90

3.9.1

Grief III van [appellant 1] en [appellant 2] richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de kosten voor het opmaken van het testament van [moeder 2] van € 785,90 een schuld van de huwelijksgoederengemeenschap is. Volgens hen rechtvaardigen de redelijkheid en billijkheid dat dat [vader 1] en [moeder 2] niet voor gelijke delen draagplichtig zijn voor deze gemeenschapsschuld, maar moet deze worden toebedeeld aan [geïntimeerden] Het hof volgt [appellant 1] en [appellant 2] hierin niet.

3.9.2

Vaststaat dat het testament is opgemaakt op 28 oktober 2016. Dat is dus voor de ontbinding van de huwelijksgemeenschap, want die is door het overlijden van [erflaatster 2] op [datum] 2016 van rechtswege ontbonden. Aldus is sprake van een gemeenschapsschuld, voor de vaststelling van de samenstelling en omvang van de huwelijksgoederengemeenschap geldt namelijk de datum van [datum] 2016 als peildatum. Dit betekent dat art. 1:100 en 1:103 BW op de vaststelling daarvan van toepassing zijn, zoals die artikelen tot 1 januari 2018 golden. Ingevolge art. 1:100 BW (oud) hebben de echtgenoten een gelijk aandeel in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, zodat de ontbonden gemeenschap bij helfte dient te worden verdeeld. Een afwijking van deze regel is echter niet geheel uitgesloten; zij kan evenwel niet dan in zeer uitzonderlijke gevallen worden aangenomen (HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749 onder 3.5).

3.9.3

Anders dan [appellant 1] en [appellant 2] naar voren hebben gebracht zijn de omstandigheden dat [vader 1] in het testament van [moeder 2] is onterfd, [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] volgens hen daarom een aanzienlijk financieel voordeel hebben genoten en de kosten voor het opmaken van het testament vlak voor het overlijden van [moeder 2] zijn gemaakt, niet een zeer uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld. Het stond [moeder 2] vrij om haar testament in de week voorafgaand aan haar overlijden te laten opmaken zoals zij heeft gedaan, tegen betaling van een bedrag van € 785,90. Hoewel [vader 1] volgens [appellant 1] en [appellant 2] door het testament financieel is benadeeld en zij nu moeten meebetalen aan het opmaken van dit testament, is het benoemen van kinderen tot enig erfgenaam niet een zeer uitzonderlijke omstandigheid. Ook overigens is hiervan niet gebleken. Grief III slaagt ook niet.

in incidenteel hoger beroep

de inboedel en sieraden

3.10.1

De grieven I en II van [geïntimeerden] lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Zij richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de aan [appellant 1] toebedeelde inboedel

€ 517,00 bedraagt, waarvan hij wegens overbedeling de helft aan [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] moet betalen (grief I) en dat aan [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] een bedrag van € 3.840 is toebedeeld, zijnde een bedrag van € 840,00 aan inboedel en een bedrag van € 3.000,00 aan sieraden € 3.000,00, waarvan zij wegens overbedeling de helft aan [appellant 1] verschuldigd zijn (grief II). Volgens [geïntimeerden] zijn primair geen bedragen te verrekenen. Subsidiair gaat om de lijfsieraden van [moeder 2] die niet in de gemeenschap van goederen vielen en niet in de verdeling betrokken hoeven worden, aldus [geïntimeerden] . Het hof volgt hen hierin niet.

3.10.2

Het hof overweegt met betrekking tot de sieraden als volgt. Vast staat dat [moeder 2] tijdens de laatste jaren van haar leven sieraden aan [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] heeft gegeven. In een e-mail van 20 juli 2017 heeft [geintimeerde 2] aan [appellant 1] geschreven: ‘M.b.t. de sieraden, deze heeft onze moeder bij diverse gelegenheden, zoals kerst, verjaardagen etc., de laatste paar jaren al verdeeld aan ons. M.a.w. de meeste sieraden zijn bij leven al verdeeld dus hoeven naar onze mening niet op de lijst genoteerd te worden.’

Vaststaat ook dat [moeder 2] nog andere sieraden had. Deze sieraden zijn na haar overlijden in opdracht van [geintimeerde 2] door een juwelier getaxeerd voor in totaal € 1.195,45.

3.10.3

De rechtbank is in het beroepen vonnis met betrekking tot alle sieraden, dus niet alleen die al aan [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] waren gegeven maar ook de andere sieraden, uitgegaan van een waarde van in totaal € 3.000,00. Dat betekent dat de aan [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] gegeven sieraden in de huwelijksgoederengemeenschap zijn meegenomen voor

€ 1.804,55 (namelijk € 3.000,00 minus € 1.195,45). [appellant 1] en [appellant 2] gaan hier in hoger beroep ook vanuit. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden] de hoogte van deze bedragen niet, althans onvoldoende hebben betwist.

3.10.4

[geïntimeerden] hebben slechts in algemene bewoordingen betoogd dat het bedrag van

€ 3.000,00 geenszins reëel is. Met betrekking tot de al door [moeder 2] aan [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] gegeven sieraden kan echter, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet worden geconcludeerd dat het bedrag van € 1.804,55 geen reële waarde is. [geïntimeerden] hebben niet betwist dat deze sieraden in het bezit zijn van [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] . [appellant 1] heeft in een e-mail van 14 juli 2017 aan [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] geschreven dat hij diverse malen heeft verzocht om hiervan de waarde op te geven, maar dat deze uitbleef en dat hij daarom zelf hier een bedrag voor zou opvoeren. Het had van [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] mogen worden verwacht om [appellant 1] de verzochte informatie te geven, ondanks dat zij van mening waren dat deze sieraden buiten de verdeling vielen. Dat hebben zij niet gedaan.

Het had in deze procedure op de weg van [geïntimeerden] gelegen dat zij de door de rechtbank vastgestelde waarde van deze sieraden van € 1.804,55 gemotiveerd en concreet hadden betwist, bijvoorbeeld door toe te benoemen om hoeveel sieraden en welke sieraden het gaat en wat de waarde daarvan volgens hen is. Dit hebben zij niet gedaan. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de waarde van de al aan [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] gegeven sieraden € 1.804,55 is. Met betrekking tot de andere sieraden verwijzen [geïntimeerden] zelf naar de taxatie van € 1.195,45 Deze bedragen wijken niet in grote mate van elkaar af. Daarbij komt dat vaststaat dat [moeder 2] vlak voor haar overlijden sieraden heeft gekocht ter waarde van € 1.600,00, € 2.400,00 en € 1.796,00 (in totaal € 5.796,00) en die als afscheidscadeau aan [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] heeft gegeven. Het hof is dan ook met de rechtbank van oordeel dat de waarde van de al eerder aan hen gegeven en de getaxeerde sieraden in de gegeven omstandigheden dient te worden vastgesteld op € 3.000,00.

3.10.5

Het hof overweegt met betrekking tot de inboedel als volgt. In de door [appellant 1] gemaakte laatste lijst van de te verdelen inboedel (versie 5e) heeft hij een waarde voor de aan hem toekomende inboedel opgenomen van € 517,00 en een waarde voor de aan [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] toekomende inboedel van € 840,00 (inclusief € 150,00 wegens ‘taxatie naderhand gevonden sierraden’). Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerden] destijds hiertegen bezwaar hebben gemaakt, integendeel. Volgens [geïntimeerden] is de inboedel destijds in goede harmonie verdeeld. Tijdens de zitting in hoger beroep is namens [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] toegelicht dat de verdeling van de inboedel vrij vlot ging, dat partijen de precieze bedragen vrij snel zijn overeengekomen en dat zij het eens waren over de kosten van de inboedel. Het betoog van [appellant 1] dat deze waarde van de inboedel aldus samen met [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] is overeengekomen, slaagt.

3.10.6

De wijze van toedeling van de inboedel aan [appellant 1] enerzijds en [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] anderzijds is niet in geschil.

3.10.7

[geïntimeerden] hebben wel verweer gevoerd tegen de toedeling van de sieraden ter waarde van € 3.000,00 aan hen. Dit verweer slaagt niet. Volgens [geïntimeerden] gaat het om lijfsieraden die buiten de verdeling vallen, maar niet gebleken is van een verknochtheid die zich ertegen verzet dat de sieraden in de huwelijksgoederengemeenschap zouden vallen. De enkele omstandigheid dat [moeder 2] de enige was die deze sieraden droeg, is daartoe onvoldoende. Van een uitzondering op de hoofdregel dat de huwelijksgoederengemeenschap alle goederen van beide echtgenoten omvat is dan ook geen sprake (art. 1:94 lid 2 en lid 3 (oud) BW). Daarbij komt het volgende.

3.10.8

Uit een e-mail van [geintimeerde 3] van 14 juli 2017 aan [appellant 1] volgt dat het de wens van [moeder 2] was dat haar spullen in haar familie bleven. [geintimeerde 3] heeft in een e-mail van 17 juli 2017 aan [appellant 1] geschreven dat het voorstel van haar en [geintimeerde 2] was dat de artikelen van hun moeder naar hen zouden gaan. In de door [appellant 1] gemaakte lijst van de te verdelen boedel (versie 5e) zijn de sieraden van [moeder 2] dienovereenkomstig en dus terecht aan [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] toegedeeld. Dat [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] de na het overlijden van [moeder 2] getaxeerde sieraden niet zelf wilden behouden maar wilden verkopen, maakt dit niet anders. Evenmin leidt de omstandigheid dat deze sieraden op enig moment door [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] op het aanrecht in het appartement van [moeder 2] en [vader 1] zijn neergelegd en daarna zijn verdwenen, niet tot een ander oordeel. Uit een e-mail van [geintimeerde 2] van 31 juli 2017 aan [appellant 1] volgt dat zij en/of [geintimeerde 3] de sieraden op het aanrecht in het appartement hebben neergelegd. [appellant 1] en [appellant 2] hebben gemotiveerd betwist dat zij deze aan [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] toegedeelde sieraden hebben meegenomen, volgens [appellant 1] lagen de sieraden niet meer op het aanrecht toen hij op of omstreeks 13 september 2017 in het appartement kwam. In de gegeven omstandigheden komt het dan ook voor rekening en risico van [geïntimeerden] dat deze sieraden zijn verdwenen.

3.10.7

Uit het voorgaande volgt dat grieven I en II niet slagen.

de ontruimingskosten

3.11.1

Met grief III betogen [geïntimeerden] dat de rechtbank de door [appellant 1] opgevoerde ontruimingskosten ten onrechte heeft aangemerkt als een schuld van de gemeenschap omdat deze kosten zijn gemaakt zonder enig overleg en instemming. Het hof verwerpt dit betoog.

3.11.2

[appellant 1] heeft in een e-mail van 26 juni 2017 aan [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] geschreven: ‘Voor de duidelijkheid. Ik ga me niet bezig houden met leegruimen huis (…) Wat daarna niet verkoopbaar blijkt mag wat mij betreft met de afvalcontainer worden afgevoerd. Ook dat ga ik niet zelf doen. Ik kan hiervoor mensen inhuren maar het staat vrij dat jullie dat doen’. [appellant 1] heeft in een e-mail van 17 juli 2017 aan [geintimeerde 3] geschreven: ‘Tenslotte, mochten er kosten voor restant weghalen zijn gelden dit als algemene kosten welke separaat gelijk met de overige kosten woning, welke gemaakt zijn na overlijden van je moeder, afgehandeld dienen te worden.’ Uit deze e-mails volgt dat het voor [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] duidelijk was dat [appellant 1] kosten zou maken als zij niet zelf tot ontruiming van de woning zouden overgaan en dat die kosten volgens hem tot de gemeenschap zouden behoren.

3.11.3

Volgens [appellant 1] moest de woning in verband met de verkoop leeg worden opgeleverd en moesten daartoe een zware kluis, zware meubels en twee grote wandmeubels worden afgevoerd en tapijt worden verwijderd. Omdat [appellant 1] herstellende was van een enkelbreuk en [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] aangaven deze werkzaamheden in verband met lichamelijke klachten niet te kunnen uitvoeren, zijn derden ingehuurd, aldus [appellant 1] .

3.11.4

[geïntimeerden] hebben dit niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Evenmin hebben zij weersproken dat deze kosten noodzakelijkerwijs en mede in hun belang zijn gemaakt. [geïntimeerden] hebben tijdens de zitting in hoger beroep de hoogte van de door [appellant 1] gestelde ontruimingskosten van € 1.493,69 betwist. Het hof gaat aan deze nieuwe grief voorbij, omdat deze in strijd met de twee-conclusieregel pas na de memorie van grieven naar voren is gebracht en van een uitzondering op deze twee-conclusieregel geen sprake is. Grief III slaagt niet.

de schenkingen en cadeaus

3.12.1

Grief IV richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de door [moeder 2] vlak voor haar overlijden aan vijf familieleden gedane schenkingen van € 2.100,00 (in totaal € 10.600,00) en aan [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] gegeven cadeaus (sieraden) van € 1.600,00,

€ 2.400,00 en € 1.796,00 (in totaal € 5.796,00) gelden als ongebruikelijke en bovenmatige schenkingen. Volgens [geïntimeerden] is hiervan geen sprake, zodat deze bedragen niet in aanmerking kunnen worden genomen als vernietigbare giften. Het hof volgt hen hierin niet.

3.12.2

In art. 1:88 BW is bepaald dat een echtgenoot de toestemming behoeft van de andere echtgenoot voor giften, met uitzondering van de gebruikelijke, niet bovenmatige giften.

3.12.3

[moeder 2] heeft op 28 oktober 2016, vlak voor haar overlijden op [datum] 2016, haar testament laten opmaken en [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] tot haar enige erfgenamen benoemd. Uit de verklaringen van [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] tijdens de zitting bij de rechtbank volgt dat [moeder 2] op dat moment bekend was met haar overlijdensdatum. [geïntimeerden] hebben in hoger beroep erkend dat moeder met het oog op haar overlijden bedragen heeft overgemaakt naar een aantal familieleden, terwijl niet per se sprake was van een jaarlijkse schenkingstraditie. Vast staat dat deze bedragen zijn voldaan vanaf een gezamenlijke bankrekening van [moeder 2] en [vader 1] .

3.12.4

[executeur q.q.] heeft in een e-mail van 6 december 2017 aan de advocaat van [appellant 1] geschreven: ‘Voorop is gesteld dat mevrouw [erflaatster 2] bevoegd was tot het doen van schenkingen. Zij was immers – in tegenstelling tot haar echtgenoot – wilsbekwaam.’. [geïntimeerden] hebben geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat hieruit volgt dat tussen partijen niet in geschil is dat [vader 1] ten tijde van de gedane giften niet wilsbekwaam was. Hiervan dient in hoger beroep dan ook te worden uitgegaan. Daarbij komt dat [vader 1] in oktober 2016 al ruim drie jaar was opgenomen in een verpleeghuis in verband met zorgbehoefte bij zijn dementie, waaruit volgt dat zijn dementie zich niet meer in het beginstadium bevond en hij op 24 januari 2017, nog geen drie maanden na de gedane giften, onder curatele is gesteld met benoeming van [appellant 1] tot curator.

3.12.5

Uit het voorgaande volgt dat [moeder 2] geen toestemming van [vader 1] heeft gekregen of heeft kunnen krijgen voor de door haar gedane giften.

Maar ook al zou dit anders zijn, dan nog geldt dat [geïntimeerden] hun standpunt dat [vader 1] bij tijd en wijlen nog wel degelijk aanspreekbaar was en met de desbetreffende schenkingen heeft ingestemd niet, althans volstrekt onvoldoende hebben onderbouwd. Zo is niet duidelijk gemaakt op welk moment en op welke wijze [moeder 2] zo kort voor haar overlijden met [vader 1] hierover van gedachten heeft gewisseld en wat zijn reactie was. Het had op de weg van [geïntimeerden] gelegen om hier duidelijkheid over te geven, mede omdat zij in hoger beroep hebben toegelicht dat [moeder 2] voor haar overlijden tijdelijk in een zorghotel verbleef en graag thuis wilde overlijden, dat zij de laatste drie weken voor haar overlijden naar huis is teruggekeerd, het toen ineens ‘heel hard’ ging en zij de nalatenschap heeft kunnen regelen en zich heeft voorbereid op haar afscheid.

3.12.6

Dat de geschonken bedragen waren bedoeld als cadeau voor familieleden omdat [moeder 2] verjaardagen, afstuderen of huwelijk van de betreffende familieleden niet meer zou kunnen bijwonen en het ging om afscheidscadeaus, neemt niet weg dat het in dit geval gaat om ongebruikelijke en bovenmatige schenkingen. [appellant 1] en [appellant 2] hebben onweersproken naar voren gebracht dat [vader 1] en [moeder 2] tijdens hun huwelijk geen grote uitgaven meer deden. Niet gebleken is dat [moeder 2] en/of [vader 1] eerder dergelijke grote bedragen gelijk aan de jaarlijkse vrijstelling voor de schenkingsbelasting aan familieleden hebben geschonken. In geval van [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] ging het niet om jaarlijks terugkerende bedragen, maar om dure sieraden die [moeder 2] kort voor haar overlijden eenmalig aan hen als afscheidscadeau heeft gegeven. Vaststaat dat [moeder 2] deze bedragen en (afscheids)cadeaus alleen aan haar eigen familieleden heeft geschonken.

3.12.7

Nu [moeder 2] voor deze ongebruikelijke en bovenmatige giften toestemming nodig had van [vader 1] en hiervan geen sprake is geweest, zijn deze giften vernietigbaar (art. 1:88 lid 1 onder b BW en art. 1:89 lid 1 BW). [geïntimeerden] heeft erkend dat [appellant 1] als curator tijdig een beroep op vernietiging heeft gedaan. Dat betekent dat de bedragen van € 10.600,00 en € 5.796,00 tot de huwelijksgemeenschap behoren en tussen partijen dienen te worden verdeeld. Grief IV slaagt ook niet.

3.12.8

Aan het door [geïntimeerden] gedane verzoek om in dat geval te bepalen dat [appellant 1] en [appellant 2] slechts voor de helft een vordering hebben op de familieleden aan wie de bedragen zijn geschonken, wordt na de bespreking van de overige grieven teruggekomen.

de kosten voor (het onderhoud van) het graf, de gedenksteen en de aan de uitvaart van [moeder 2] gerelateerde kosten

3.13.1

Grief V richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerden] een bedrag van € 20.084,00 in verband met de uitvaartkosten, een gedenksteen en onderhoudskosten van het graf aan de gezamenlijke bankrekeningen van [moeder 2] en [vader 1] dienen terug te betalen omdat deze kosten geheel ten laste van de nalatenschap van [moeder 2] komen.

3.13.2

Volgens [geïntimeerden] komt het aan de begrafenis van [moeder 2] besteedde bedrag van € 9.722,00 wel voor hun rekening, maar zijn de kosten voor het graf, de gedenksteen en het onderhoud van het graf een gemeenschapsschuld omdat overeengekomen was dat een familiegraf zou worden aangeschaft. Het hof verwerpt dit standpunt.

3.13.3

Volgens [geïntimeerden] was het de wens van [vader 1] om na zijn overlijden begraven te worden naast [moeder 2] . [geintimeerde 2] is op 2 juni 2011 met hen naar een aantal begraafplaatsen gaan kijken en samen is toen besloten dat zij naast elkaar begraven wilden worden. Daarom is door [geïntimeerden] na het overlijden van [moeder 2] een familiegraf aangeschaft, aldus [geïntimeerden]

3.13.4

[appellant 1] heeft dit gemotiveerd betwist. In het testament van [vader 1] staat niet dat hij naast [moeder 2] begraven wenste te worden. In een ondertekende e-mail van [persoon C] , een dochter van de zus van [vader 1] , van 14 september 2021 aan [appellant 1] en/of [appellant 2] , staat: ‘Circa 12 jaar geleden heeft mijn oom [vader 1] (wijlen de heer [persoon A] ) tijdens een bezoek aan mijn moeder en mij meegedeeld dat hij graag op [begraafplaats] begraven wilde worden.’. Hieruit volgt dat vader in de nabijheid van zijn ouders en twee zussen zou worden begraven, zoals hij ook in diverse gesprekken had aangegeven. Daarom is besloten om [vader 1] in een eigen graf te begraven, aldus [appellant 1] .

3.13.5

Gelet op deze gemotiveerde betwisting van [appellant 1] had het op de weg van [geïntimeerden] gelegen om hun standpunt dat [vader 1] naast [moeder 2] begraven had willen worden nader te onderbouwen. Dat hebben zij niet, althans onvoldoende gedaan.

Dat destijds op het kantoor van [executeur q.q.] mondeling is bevestigd dat [appellant 1] en [appellant 2] akkoord waren met de aanschaf van een familiegraf is op geen enkele wijze onderbouwd. De enkele e-mail van [geïntimeerden] van 6 december 2017 aan de advocaat van [appellant 1] , waarin staat dat het graf/de grafsteen ook is aangeschaft ten behoeve van [vader 1] , maakt dit niet anders. Anders dan [geïntimeerden] betogen is op 31 januari 2017 geen offerte voor een familiegraf per WhatsApp aan [appellant 1] verzonden, maar een offerte voor een gedenkteken voor [moeder 2] . Los van het feit dat hierop volgens [geïntimeerden] geen reactie van [appellant 1] is gekomen, kan ook hieruit niet worden afgeleid dat is ingestemd met een familiegraf. Al hetgeen [geïntimeerden] overigens nog hebben aangevoerd, waaronder begrepen het WhatsAppbericht van [appellant 1] van 22 mei 2017 aan [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] waarin hij schrijft dat de grafsteen van [moeder 2] er mooi uitziet, leidt niet tot een ander oordeel. Grief V slaagt niet.

3.14

Het hof bespreekt grief VI na de overige grieven.

het saldo van de bankrekeningen van [vader 1] en [moeder 2]

3.15.1

Met grief VII betogen [geïntimeerden] dat het door [appellant 1] toegeëigende saldo van de gezamenlijke bankrekeningen van € 13.088,55 ten onrechte door de rechtbank buiten beschouwing is gelaten bij de opsomming van de huwelijksgoederengemeenschap. Het hof volgt hen hierin niet.

3.15.2

Anders dan [geïntimeerden] hebben betoogd, heeft de rechtbank in het beroepen vonnis het saldo van alle bankrekeningen van [vader 1] en [moeder 2] meegenomen bij de activa van de huwelijksgoederengemeenschap en overwogen dat het totaalsaldo aan zowel [appellant 1] als aan [geïntimeerden] toekomt (onder 3.17 en 3.18.2).

3.15.3

Daarbij komt dat [appellant 1] gemotiveerd heeft betwist dat aan hem een bedrag van

€ 13.088,55 is toegekomen als resterende saldo van de bankrekeningen omdat het saldo nihil was. Na het overlijden van [moeder 2] heeft [appellant 1] het gehele saldo gebruikt om de kosten van de gezamenlijke woning te betalen tot aan de verkoop daarvan, circa acht maanden later (o.a. hypotheek, verzekeringen, makelaar, Eneco , WOZ, VVE en notariskosten). [appellant 1] heeft zelfs ruim € 4.000,00 meer moeten betalen dan het saldo van de gezamenlijke bankrekeningen, hij heeft hiervoor de AOW- en pensioengelden van [vader 1] aangewend. [appellant 1] heeft ter onderbouwing hiervan verwezen naar een specificatie (prod. G in hoger beroep). Deze specificatie is in de procedure bij de rechtbank overgelegd en dienovereenkomstig meegenomen, aldus [appellant 1] .

3.15.4

Gelet op deze gemotiveerde betwisting van [appellant 1] hadden [geïntimeerden] hun stelling dat een saldo van de gezamenlijke bankrekeningen van € 13.088,55 aan [appellant 1] is toegevloeid nader moeten onderbouwen. Dat hebben zij niet gedaan. De enkele verwijzing naar het in eerste aanleg door hen overgelegd ‘overzicht van de ontbonden gemeenschap van goederen / nalatenschap’ waarin dit door hen berekende bedrag staat is hiertoe onvoldoende, nu uit hun eigen stellingen volgt dat dit overzicht is gemaakt toen zij nog geen inzicht hadden in de bankrekeningen (cva prod. 8). Uit het voorgaande volgt dat grief VII niet slaagt.

een verklaring voor recht dat [appellant 1] recht heeft op een bedrag van € 56.561,62

3.16.1

Met grief VIII betogen [geïntimeerden] dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten om een concrete beslissing te nemen over hun vordering om voor recht te verklaren dat [appellant 1] , als enig erfgenaam in de nalatenschap van [vader 1] , recht heeft op een bedrag van

€ 56.651,62 en dat de overige gelden die zich in depot bevinden bij [executeur q.q.] toebehoren aan [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] , althans de wijze te bepalen waarop partijen dienen over te gaan tot verdeling van de boedel. Dit betoog baat [geïntimeerden] niet.

3.16.2

[geïntimeerden] baseren het bedrag van € 56.651,62 mede op het hiervoor genoemde ‘overzicht van de ontbonden gemeenschap van goederen / nalatenschap’ (cva prod. 8). Volgens hen maakt [appellant 1] slechts aanspraak op dit bedrag, omdat geen correctie dient plaats te vinden op basis van de inboedel en sieraden (grieven I en II) en dat geen sprake is van vernietiging van een gift (grief IV). Nu deze grieven falen, kan [geïntimeerden] niet worden gevolgd in hun standpunt dat [appellant 1] recht heeft op een bedrag van € 56.651,62. De rechtbank heeft deze vordering dan ook terecht afgewezen. De rechtbank heeft de vordering van [geïntimeerden] om de wijze te bepalen waarop partijen dienden over te gaan tot verdeling van de boedel toegewezen. De enkele omstandigheid dat de rechtbank hierbij in het dictum heeft verwezen naar overwegingen in het beroepen vonnis betekent niet dat geen concrete beslissing is genomen. Grief VIII slaagt niet.

Tussenconclusie

3.17

De tussenconclusie is dat de grieven in incidenteel hoger beroep, gericht tegen verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van [vader 1] en [moeder 2] en haar nalatenschap, niet slagen. Het beroepen vonnis dient wat betreft het oordeel van de rechtbank hierover te worden bekrachtigd.

de overdracht van de vordering van [vader 2] en vorderingen op familieleden

3.18.1

Het hof komt nu toe aan de bespreking van grief VI. Deze grief richt zich tegen de veroordeling van [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] om hun aandeel betreffende de vordering op [vader 2] voor een bedrag van € 1,00 over te dragen aan [appellant 1] . Deze grief slaagt.

3.18.2

Volgens [appellant 1] en [appellant 2] hebben [geïntimeerden] inmiddels uitvoering gegeven aan het beroepen vonnis in die zin dat aan [appellant 1] is betaald wat op grond van het vonnis betaald diende te worden. Namens [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] is tijdens de zitting in hoger beroep erkend dat is voldaan aan de betaling. Zij hebben zich gehouden aan het beroepen vonnis, aldus [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] .

3.18.3

Uit het voorgaande volgt dat [appellant 1] geen belang meer heeft bij zijn vordering om [geïntimeerden] te veroordelen om het aandeel van [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] betreffende de vordering op [vader 2] aan hem over te dragen. Het hof zal het beroepen vonnis in zoverre vernietigen en deze vordering alsnog afwijzen.

3.18.4

Nu [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] voldaan hebben aan de betaling, hebben [geïntimeerden] geen belang meer bij hun verzoek om te bepalen dat [appellant 1] en [appellant 2] een vordering hebben op vijf familieleden aan wie [moeder 2] de bedragen van € 2.100,00 (in totaal € 10.600,00) heeft geschonken. Het hof zal dit verzoek daarom ook afwijzen.

Bewijs

3.19

[geïntimeerden] hebben in hoger beroep geen bewijsaanbod gedaan. Zij hebben naar voren gebracht dat zij niet beschikken over aanvullende bewijsstukken, behoudens verklaringen van henzelf. Aan bewijslevering wordt alleen daarom al niet toegekomen.

In principaal en incidenteel hoger beroep

3.20

De slotsom is dat alle grieven falen, behoudens grief VI van [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] . Het hof zal het beroepen vonnis vernietigen voor zover [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] zijn veroordeeld om hun aandeel betreffende de vordering op [vader 2] over te dragen aan [appellant 1] (beroepen vonnis onder 4.2). Het hof zal deze vordering alsnog afwijzen. Het beroepen vonnis zal voor het overige worden bekrachtigd.

3.21

Het beroep van [appellant 1] en [appellant 2] op niet-ontvankelijkheid van [geïntimeerden] in hun incidenteel hoger beroep jegens [appellant 2] treft geen doel. Het stond [geïntimeerden] vrij om ook [appellant 2] in het incidenteel hoger beroep te betrekken.

3.22

Nu partijen over en weer in overwegende mate in het ongelijk zijn gesteld zullen de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt. Het arrest zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zoals gevorderd.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover [geintimeerde 2] en [geintimeerde 3] in conventie zijn veroordeeld om binnen veertien dagen na de datum van het vonnis hun aandeel betreffende de vordering op de heer [persoon B] voor een bedrag van € 1,00 (zegge: één euro) over te dragen aan [appellant 1] (vonnis waarvan beroep onder 4.2);

in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering van [appellant 1] en [appellant 2] om [executeur q.q.] en de erven te veroordelen om binnen veertien dagen na de datum van het te wijzen vonnis het aandeel van de erven betreffende de vordering op de heer [persoon B] voor een bedrag van € 1,00 (zegge: één euro) over te dragen aan [appellant 1] alsnog af;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het door partijen meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.W. Vermeulen, M.E. Smorenburg en P.S. Kamminga en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 februari 2022.

griffier rolraadsheer


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature