< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bekrachtiging beschikking waarbij het verzoek van verzoekster om haar te benoemen in de nalatenschap van haar moeder is afgewezen en een externe vereffenaar is benoemd.

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 25 maart 2021

Zaaknummer: 200.284.379/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/274768 / HA RK 20-41

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

hierna te noemen: [verzoekster] ,

advocaat: mr. S. Smeets te Venlo,

tegen

mr. [de vereffenaar] , in haar hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van [erflaatster],

verweerster,

kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

hierna te noemen: de vereffenaar,

zelf tevens als haar eigen advocaat verschenen.

belanghebbenden:

[belanghebbende 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [belanghebbende 1] ,

en

[belanghebbende 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [belanghebbende 2] ,

en

[belanghebbende 3] , handelend in haar hoedanigheid van curator van [betrokkene],

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [belanghebbende 3] ,

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 8 juli 2020, waarbij - zakelijk weergegeven - het verzoek van [verzoekster] om haar te benoemen in de nalatenschap van haar moeder [erflaatster] (hierna: de erflaatster) is afgewezen en [de vereffenaar] is benoemd tot vereffenaar in voornoemde nalatenschap. Daarbij heeft de rechtbank tevens bepaald dat de kosten van het verzoek van [verzoekster] ten laste van de boedel komen en verder de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 oktober 2020 heeft [verzoekster] - kort weergegeven - verzocht voormelde beschikking van 8 juli 2020 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, primair haar te benoemen als vereffenaar in de nalatenschap van erflaatster althans subsidiair te bepalen dat aan vereffenaar [de vereffenaar] geen loon toekomt uit hoofde van haar werkzaamheden als vereffenaar in de nalatenschap van erflaatster.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 11 november 2020, heeft de vereffenaar aangegeven zich te refereren aan het oordeel van het hof voor wat betreft het primaire verzoek van [verzoekster] , met dien verstande dat indien dit verzoek wordt toegewezen de vereffenaar verzoekt de tot op heden door haar verrichte werkzaamheden, inclusief het in onderhavig hoger beroep te voeren verweer en het bijwonen van deze zitting, als kosten van de vereffening ten laste van de nalatenschap worden gebracht en heeft zij met betrekking tot het subsidiaire verzoek verzocht [verzoekster] niet-ontvankelijk te verklaren dan wel dit verzoek als zijnde ongegrond af te wijzen, met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten. ,.

2.3.

Het hof heeft voorts kennis genomen van de indieningsformulieren met bijlagen van de advocaat van [verzoekster] d.d. 2 november 2020, 9 november 2020 (proces-verbaal mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 1 juli 2020), 26 november 2020, 11 januari 2021 en 1 februari 2021 en 9 februari 2021 (op voorhand aan het hof toegezonden pleitnota ten behoeve van onderhavige zitting) alsmede de brief van de curator van [belanghebbende 3] d.d. 20 januari 2021.

2.4.

Op 30 november 2020 is ingekomen een fax van [belanghebbende 2] en [belanghebbende 1] , inhoudende een reactie op het beroepschrift, waartegen van de zijde van (de raadsman van) [verzoekster] bezwaar is gemaakt bij brief van 11 januari 2021.

2.5.

De mondelinge behandeling in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 10 februari 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [verzoekster] , bijgestaan door mr. Smeets,

- de vereffenaar,

- [belanghebbende 1] ,

- [belanghebbende 2] .

3 De beoordeling

3.1.

[verzoekster] heeft de rechtbank verzocht om haar te benoemen in de nalatenschap van haar op [datum] 2019 overleden moeder. Ter onderbouwing van dat verzoek heeft [verzoekster] een getypt codicil overgelegd waarin is opgenomen dat de het de wens van erflaatster is dat [verzoekster] zal optreden als executeur-testamentair. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit codicil niet rechtsgeldig is als bedoeld in artikel 4:97 BW omdat een executeur niet bij codicil benoemd kan worden en het betreffende codicil bovendien ook niet handgeschreven is. Daarnaast heeft [verzoekster] bij haar verzoek aangevoerd dat het benoemen van een derde tot vereffenaar extra kosten met zich zal brengen, waardoor de boedel mogelijk een negatieve waarde zal krijgen. Nu zij als enige de nalatenschap zuiver heeft aanvaard zal zij die extra kosten ook (gedeeltelijk) moeten dragen.

3.2.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in eerste aanleg hebben een zus en halfzus van [verzoekster] , te weten [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] , aangegeven om uiteenlopende redenen geen vertrouwen in [verzoekster] (als vereffenaar) te hebben. De rechtbank heeft overwogen dat het benoemen van [verzoekster] tot vereffenaar de vereffening wellicht onnodig gecompliceerd gaat maken. Vervolgens heeft de rechtbank bij beschikking waarvan beroep een onafhankelijke en onpartijdige derde, in casu mr. [de vereffenaar] , tot vereffenaar benoemd.

3.3.

[verzoekster] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in beroep gekomen. Zij voert daartoe - kort weergegeven - het navolgende aan. [verzoekster] is ermee bekend dat het door haar in eerste aanleg overgelegde codicil niet rechtsgeldig is, maar zij is van mening dat hieruit desondanks de uitdrukkelijke wens van erflaatster kan worden afgeleid.

Voorts geeft [verzoekster] aan dat zij gepoogd heeft om met de andere erfgenamen in goed overleg tot een oplossing met betrekking tot de vereffening van de nalatenschap te komen. Dit is niet gelukt. De nalatenschap kent slechts een gering positief saldo, afgerond ongeveer € 3.700,00, en [verzoekster] vreest dat de kosten van de op 8 juli 2020 benoemde externe vereffenaar hoger zullen zijn dat dit boedelsaldo. Zij zal alsdan, als enige erfgename die de nalatenschap zuiver heeft aanvaard, voor het negatieve boedelsaldo aansprakelijk zijn.

Daar komt bij dat [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] zonder verplichte rechtsvertegenwoordiging in eerste aanleg ter zitting verschenen zijn en daarbij niet alleen mondeling verweer hebben gevoerd, maar tevens een omvangrijk schriftelijk stuk hebben overgelegd dat door de rechtbank ook zonder nadere motivering in ontvangst genomen is.

[verzoekster] is tevens van mening dat de rechtbank onvoldoende gemotiveerd heeft waarom het gebrek aan vertrouwen van [belanghebbende 2] en [belanghebbende 1] de vereffening door [verzoekster] wellicht onnodig gecompliceerd maakt. Niet gebleken is waarom [verzoekster] niet in staat zou zijn om de belangen van alle erfgenamen goed te behartigen, te meer nu er slechts sprake is van een enkele schuld ex artikel 4:7 lid 1 BW en het vermogen van erflaatster bij leven onder bewind stond van een bewindvoerder die ook rekening en verantwoording heeft afgelegd. [verzoekster] geeft aan dat ook zij bereid is om rekening en verantwoording af te leggen indien zij als vereffenaar zou worden benoemd. Zij heeft ook ervaring met het afwikkelen van nalatenschappen en in dat kader verwezen naar eerdere afwikkelingen van nalatenschappen als door haar uitgevoerd.

3.4.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is door en namens [verzoekster] nog het navolgende aangevoerd. Nadat het hof haar heeft voorgehouden dat [belanghebbende 2] en [belanghebbende 1] als belanghebbenden hun schriftelijke inbreng ter zitting in elk geval integraal zouden mogen voorlezen heeft [verzoekster] aangegeven haar bezwaar, dat [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep zonder procesvertegenwoordiging zijn verschenen en dus ook geen stukken zouden moeten hebben kunnen indienen, niet langer te handhaven. Daarbij plaatst zij de kanttekening dat zij deze stukken wel graag voorafgaand aan de zitting in hoger beroep zou hebben ontvangen.

Het feit dat de erfgenamen met elkaar in onmin leven doet niets af aan het feit dat er weinig schulden zijn, het actief van de nalatenschap klein is en niemand er bij gebaat is dat een derde tot vereffenaar wordt benoemd die daarvoor loont krijgt. [verzoekster] heeft de nalatenschap zuiver aanvaard omdat zij wist wat de baten en schulden zijn. Wanneer er een derde tot vereffenaar wordt benoemd zal [verzoekster] derhalve deze kosten of de niet betaalde schulden moeten voldoen. Zij heeft dit geld niet en ook nooit om benoeming van een derde tot vereffenaar verzocht. [verzoekster] heeft verzocht om zichzelf tot vereffenaar te benoemen omdat [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] de bankrekening geblokkeerd hadden en het daarom onmogelijk was om de schulden te voldoen.

[belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] hadden geen of nauwelijks contact meer met erflaatster. Daardoor wisten zij niets van haar leven. Erflaatster stond onder bewind. Indien [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] zich niet kunnen vinden in de uitgaven van erflaatster bij leven dienen zij dus aan te kloppen bij de bewindvoerder. De rekening en verantwoording van de bewindvoerder is door de rechter goedgekeurd. [verzoekster] had nauwelijks een rol bij de financiën van erflaatster. Omdat [verzoekster] wel bij erflaatster kwam en meeging naar zorgverleners kwam het voor dat zij soms bedragen voorschoot die daarna door de bewindvoerder aan haar werden terugbetaald.

[verzoekster] heeft ondanks de houding van [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] moeite gedaan om hen te informeren over de ziekte en het overlijden van erflaatster. Omdat daar niet op werd gereageerd heeft [verzoekster] zelfstandig opdracht gegeven voor de uitvaart.

Er wordt thans gesproken over een bedrag van circa € 2.000,00 dat op de leefgeldrekening van erflaatster stond en dat nu bij [verzoekster] zou zijn. [verzoekster] heeft reeds uitgebreid onderbouwd wat er met dat geld gebeurd is. Dit betreft een voorgeschoten bedrag voor een prothese voor erflaatster en de kosten van de koffietafel na de uitvaart. [verzoekster] verzoekt het hof evenwel om haar middels een tussenbeschikking een termijn te gunnen teneinde [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] , nu dit klaarblijkelijk door hen verlangd wordt, alsnog nader te informeren.

[belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] handelen uit rancune, hetgeen echter niet opweegt tegen hetgeen thans wordt ingezet, te weten een zware vereffening die maakt dat [verzoekster] de kosten of schulden moet voldoen terwijl de nalatenschap maar net positief is. De zuivere aanvaarding door [verzoekster] is de enige reden van verzet tegen een externe vereffenaar.

[verzoekster] zal als vereffenaar verplicht zijn een boedelbeschrijving te maken, rekening en verantwoording af te leggen en een uitdelingslijst te maken. Dit wordt gecontroleerd door de kantonrechter. Voor de erfgenamen staat verzet open. [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] stellen dat er alsdan sprake is van een belangenverstrengeling, maar die is er bij een vereffening altijd. Normaliter voeren erfgenamen de vereffening immers zelf uit.

Voorts meent [verzoekster] dat aan de benoemde vereffenaar geen loon dient te worden toegekend. [verzoekster] heeft direct na de uitspraak waarvan beroep te kennen gegeven in hoger beroep te willen gaan. Door desondanks toch gesprekken met [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] te voeren heeft de vereffenaar onnodig kosten gemaakt. Mocht er toch een vereffenaar worden benoemd dan dient dit ook niet mr. [de vereffenaar] te zijn, want er is bij [verzoekster] geen vertrouwen meer in haar objectiviteit.

Desgevraagd erkent [verzoekster] dat de door haar ter inzage aan [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] gegeven bankafschriften van erflaatster pas beginnen op 1 juli 2019 terwijl erflaatster reeds op [datum] 2019 was overleden. Zij heeft daarbij echter wel verwezen naar ‘de voorlopige inventarisatie nalatenschap’, prod 3 bij beroepschrift, waarop de bedragen die zien op de prothese en de koffietafel wel vermeld staan. [verzoekster] erkent desgevraagd dat zij geen stukken heeft waaruit blijkt dat de bewindvoerder met de overboeking van deze twee specifieke bedragen akkoord is gegaan. .

Voorts geeft [verzoekster] aan dat zij de factuur voor de door haar voorgeschoten prothese van

€ 1.150,00 niet bij de zorgverzekeraar heeft kunnen indienen omdat moeder haar prothese vaker verloren was en de verzekering de nieuwe prothese daarom niet meer zou vergoeden.Desgevraagd blijkt dat [verzoekster] er vanuit is gegaan dat de kosten van de prothese niet (meer) waren verzekerd, dus dit heeft aangenomen.

Tot slot geeft [verzoekster] aan dat de verklaring van het onder curatele staande nichtje [belanghebbende 3] , waarin zij instemt met een benoeming van [verzoekster] tot vereffenaar, wel degelijk door dat nichtje zelf is opgesteld en dat zij hiertoe ook zeker in staat moet worden geacht. Er is dus geen enkele reden om aan de echtheid van deze verklaring te twijfelen.

3.5.

Bij verweerschrift heeft de vereffenaar - kort weergegeven - het navolgende aangevoerd. De tot op heden verrichte werkzaamheden in de vereffening zijn beperkt. Aangezien de administratie ontbreekt en nog niet met alle erfgenamen is gesproken heeft de vereffenaar nog geen zicht op de exacte omvang van de vereffening. Mogelijke schuldeisers zijn nog niet aangeschreven. De vereffenaar refereert zich aan het oordeel van het hof voor wat betreft het verzoek van [verzoekster] om haar als vereffenaar te ontslaan, met dien verstande dat de tot op heden door haar verrichte werkzaamheden, inclusief het in onderhavig hoger beroep te voeren verweer en het bijwonen van deze zitting, ten laste van de nalatenschap worden gebracht. Daarnaast verzoekt de vereffenaar [verzoekster] niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, dan wel dit verzoek als zijnde ongegrond af te wijzen, om de vereffenaar geen loon uit hoofde van haar werkzaamheden als vereffenaar toe te kennen.

3.6.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is door de vereffenaar nog het navolgende aangevoerd. Zij heeft tot nu toe uitsluitend contact met de bank opgenomen, maar nog niet gepubliceerd, nog geen onderzoek naar de administratie gedaan en ook nog geen eventuele schuldeisers aangeschreven. Tot en met 8 februari 2021 heeft zij in totaal 5,9 uur aan deze zaak besteed, te berekenen tegen de Recofa-factor van 1,2, dus ongeveer

€ 240,00 à € 260,00 per uur. Daar komen dan alleen nog de kosten van deze zitting en het verschuldigde griffierecht bij. Het onderzoek naar de achtergronden van het bedrag waarover thans discussie tussen de erfgenamen bestaat zou eventueel in verhouding wel hoge kosten met zich mee kunnen gaan brengen.

3.7.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is door [belanghebbende 1] nog het navolgende aangevoerd. De door [verzoekster] voorgeschoten prothese zal voor 75% door de zorgverzekeraar zijn of worden vergoed. Indien de rekening nog niet door [verzoekster] is ingediend kan dit nog tot drie jaar na factuurdatum. Ook twijfelt [belanghebbende 1] aan de echtheid van de verklaring van [belanghebbende 3] . Zij zou een en ander nimmer als zodanig hebben kunnen verwoorden.

3.8.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is door [belanghebbende 2] nog het navolgende aangevoerd. [belanghebbende 2] wil schriftelijke bewijzen zien met betrekking tot de kosten welke [verzoekster] zegt gemaakt te hebben in verband met de prothese en de koffietafel. Vanaf het begin is hierom gevraagd en deze stukken zijn nimmer door [verzoekster] overgelegd. De stelling van [verzoekster] dat daar nu pas om gevraagd wordt is dan ook pertinent onjuist. Ook is zij, net als [belanghebbende 1] , van mening dat de verklaring van [belanghebbende 3] nooit door haarzelf kan zijn opgesteld en dit roept vragen op. Daarbij schat zij [belanghebbende 3] ook als zijnde erg beïnvloedbaar in.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.10.

Het hof heeft vastgesteld dat de kwestie welke thans tussen [verzoekster] enerzijds en haar zussen [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] anderzijds speelt met name ziet op het bedrag van circa € 2.000,00 waarvan [verzoekster] stelt dat zij dit uit de nalatenschap tegoed heeft omdat zij een bedrag van circa € 1.150,00 voor een prothese voor erflaatster zou hebben voorgeschoten alsmede de kosten van de koffietafel van circa € 700,00 na afloop van de uitvaart zou hebben voldaan. Het betreft hier in totaal een aanzienlijk aandeel van de nalatenschap die, althans volgens [verzoekster] , immers slechts circa pro resto € 3.700,00 zou bedragen.

Het hof is van oordeel dat [verzoekster] de juistheid van deze stelling, onder andere bij gebreke aan onderliggende stukken, onvoldoende aannemelijk heeft weten te maken. Zo heeft zij met betrekking tot de door haar voor haar eigen rekening gestelde gedane betalingen geen betalingsbewijzen overgelegd. Ten aanzien van de prothese heeft bovendien te gelden dat [verzoekster] hieromtrent verklaard heeft dat de kosten hiervan niet meer door de zorgverzekeraar van erflaatster zouden worden vergoed. Een schrijven van de betreffende zorgverzekeraar waaruit zulks genoegzaam afgeleid kan worden is evenwel niet door [verzoekster] overgelegd. [verzoekster] heeft bovendien ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij inzake de vergoeding van voornoemde prothese überhaupt contact met de zorgverzekeraar van erflaatster heeft opgenomen.

3.11.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [verzoekster] verklaard verbaasd te zijn over het feit dat [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] eerst bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep hun bedenkingen ten aanzien de door haar gestelde betalingen ten aanzien van de prothese en de koffietafel kenbaar hebben gemaakt. Dit is naar het oordeel van het hof een onjuiste voorstelling van zaken. Uit de stukken blijkt immers dat [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] reeds in een vroeg stadium hebben aangegeven opheldering te willen over de door [verzoekster] opgestelde rekening en verantwoording. Daarbij zijn reeds in eerste aanleg de door [verzoekster] vanaf de bankrekening van erflaatster naar een tegenrekening overgeboekte bedragen van € 2.013,04 en € 7,75 door [belanghebbende 2] in een schriftelijke reactie zelfs expliciet benoemd. Bovendien laat een en ander onverlet dat [verzoekster] , in haar hoedanigheid van, althans informeel optredende als ‘executeur/ vereffenaar’ van de nalatenschap, de overige erfgenamen uit eigen beweging had dienen te informeren over de achtergronden van deze overboekingen, hetgeen zij niet heeft gedaan. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [verzoekster] verzocht om haar middels de weg van een tussenbeschikking een termijn te verlenen teneinde [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] alsnog met betrekking tot bovengenoemde kwestie, al dan niet onderbouwd middels verificatoire bescheiden, nader te informeren. Het hof wijst dit verzoek af, nu [verzoekster] hiertoe ruimschoots in de gelegenheid geweest is en het bovendien ook nadrukkelijk op haar weg gelegen heeft om zulks uit eigen beweging in een veel eerder stadium te doen. Dit klemt temeer nu [verzoekster] zich beroept op ervaring met de werkzaamheden als vereffenaar, zodat zij wist althans behoorde te weten dat transparant moest worden geopereerd en het hier slechts om enkele bescheiden (plus toelichting) ging als te verstrekken aan de mede-erfgenamen.

3.12.

Daar komt bij dat de door [verzoekster] bij haar rekening en verantwoording overgelegde bankafschriften van de bankrekening van erflaatster aanvangen bij de datum van 1 juli 2019 terwijl erflaatster reeds op [datum] 2019 was overleden. [verzoekster] wist, althans had dienen te onderkennen, dat hierdoor de overige erfgenamen in het ongewisse zouden zijn over de vraag of en zo ja welke financiële transacties gedurende de periode gelegen tussen [datum] 2019 en 1 juli 2019 op de bankrekening van erflaatster hebben plaatsgevonden. Een en ander klemt des te meer nu erflaatster onder bewind stond en er niet gebleken is van een goedkeuring, althans bekendheid van de zijde van de bewindvoerder ten aanzien van de overboekingen van de bankrekening van erflaatster naar de rekening van [verzoekster] voor, aldus [verzoekster] , de bekostiging van de door haar voorgeschoten rekeningen inzake de prothese en de koffietafel, althans dat uit de door de bewindvoerder overgelegde rekening en verantwoording zulks niet is gebleken.

3.13.

Gelet op het vorengaande zal het hof het primaire verzoek van [verzoekster] , haar te benoemen tot vereffenaar in de nalatenschap van erflaatster, dan ook afwijzen.

Het belang van onafhankelijkheid van de vereffenaar als door [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] naar voren gebracht en als hiervoor toegelicht weegt in de gegeven omstandigheden zwaarder dan het financiële belang van [verzoekster] .

3.14.

Ook het subsidiaire verzoek van [verzoekster] , te bepalen dat de vereffenaar geen loon toekomt uit hoofde van haar werkzaamheden als vereffenaar in de nalatenschap van erflaatster, zal door het hof worden afgewezen nu het hof haar benoeming tot vereffenaar niet ongedaan zal maken en de vereffenaar dientengevolge haar werkzaamheden als vereffenaar op een reguliere wijze kan continueren dan wel hervatten. Een geldige reden voor het aan de vereffenaar onthouden van loon voor haar werk is onvoldoende toegelicht en kan naar het oordeel van het hof niet gelegen zijn in de omstandigheid dat [verzoekster] voor deze kosten zal moeten opdraaien in verband met haar zuivere aanvaarding. Die zuivere aanvaarding komt immers voor haar rekening en risico en de vereffenaar heeft daarop geen enkele invloed gehad.

3.15.

Voor zover [verzoekster] nog heeft betoogd dat in de plaats van de huidige vereffenaar een andere vereffenaar benoemd zou moeten worden, omdat [verzoekster] in haar geen vertrouwen meer heeft, gaat het hof hieraan als volstrekt onvoldoende onderbouwd voorbij. Daarbij merkt het hof nog op dat de huidige vereffenaar in elk geval voldoende terughoudend is opgetreden en dat van enige partijdigheid het hof in het geheel niet is gebleken.

3.16.

Het hof bekrachtigt derhalve de beschikking waarvan beroep en zal daarbij tevens bepalen dat elk van erfgenamen in deze procedure de eigen kosten draagt, nu zij als zodanig onderling van mening hebben verschild.De kosten van de vereffenaar als verbonden aan deze procedure, inclusief het door haar betaalde griffierecht ad € 332,=, zal zij als boedelkosten in rekening kunnen brengen aan de nalatenschap.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

compenseert de kosten tussen de erfgenamen, aldus dat ieder der erfgenamen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, R.R.M. de Moor en M.W.M. Souren en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2021.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature