< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

bekrachtiging verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging uithuisplaatsing; onderzoek op grond van art. 810a lid 2 Rv afgewezen

Uitspraak



GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 16 december 2021

Zaaknummer : 200.298.086/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/290025 / JE RK 21-554

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] (België),

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. A. van den Eshoff,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),

en

[de pleegvader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de pleegvader.

Deze zaak gaat over:

[minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] , België.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 11 mei 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 juli 2021, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) als deskundige te benoemen om onderzoek te verrichten en te rapporteren, waarbij het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling zal worden toegewezen voor de duur van drie maanden en voor het overige zal worden aangehouden en het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing zal worden afgewezen en in plaats daarvan een machtiging tot uithuisplaatsing zal worden afgegeven voor plaatsing van [minderjarige 1] bij haar tante of bij een neutraal pleeggezin.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 september 2021, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, eventueel onder aanvulling en/of verbetering van de gronden.

2.3.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 oktober 2021, heeft de pleegvader verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 november 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. Van den Eshoff en een tolk, H. Ajdid;

- namens de pleegvader, mr. Jansen;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] , jeugdzorgwerkers, en [vertegenwoordiger van de GI 3] ;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

2.5.

De pleegvader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2.6.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

3 De beoordeling

De feiten

3.1.

Uit het huwelijk van de vader en [de moeder] (hierna: de moeder) is op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] , België, [minderjarige 1] geboren. De ouders zijn gescheiden op 19 april 2011.

De moeder is daarna opnieuw getrouwd met en vervolgens gescheiden (op 29 maart 2016) van de pleegvader. Uit het huwelijk van de moeder en de pleegvader is op [geboortedatum] 2012 [minderjarige 2] geboren.

[minderjarige 1] had het hoofdverblijf bij de moeder tot het overlijden van de moeder op [datum] 2020. De pleegvader verbleef op dat moment in het gezin.

3.2.

De vader oefent het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] uit.

3.3.

Bij beschikking van 19 mei 2020 heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI en een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een netwerkpleeggezin (bij de pleegvader) tot 19 mei 2021.

Het hof heeft bij beschikking van 11 maart 2021 die beschikking van de rechtbank, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigd.

3.4.

Bij de – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 11 mei 2021 heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd tot 19 mei 2022 en de aan de GI verleende machtiging verlengd om [minderjarige 1] tot uiterlijk 19 november 2021 uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. Daarnaast heeft de rechtbank de raad verzocht onderzoek te doen naar het woonperspectief van [minderjarige 1] op middellange en lange termijn met daarbij de beantwoording van de in overweging 5.5 van die beschikking opgenomen vragen en het rapport uiterlijk 30 september 2021 bij de rechtbank in te dienen, waarna de rechtbank partijen zal berichten over de verdere voortgang van de procedure. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

3.5.

De raad heeft bij rapport van 26 juli 2021 gerapporteerd en geadviseerd. De raad komt op grond van de beantwoording van de onderzoeksvragen tot het volgende advies:

1. Het woonperspectief van [minderjarige 1] op de middellange en lange termijn dient, op basis van de informatie welke verkregen is binnen het voorliggende onderzoek/de huidige omstandigheden, te liggen bij de pleegvader. De raad merkt daarbij op dat de perspectiefbepaling van [minderjarige 1] primair een taak is van de GI, aangezien dit onderdeel uitmaakt van de ondertoezichtstelling.

2. De raad acht een contactregeling met de vader in het belang van [minderjarige 1] . Wat betreft de vorm en frequentie adviseert de raad één keer in de maand begeleid persoonlijk contact. Dit dient ondersteund te worden door een tolk.

3.6.

Het is het hof ambtshalve bekend dat de rechtbank bij – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 15 november 2021 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg heeft verlengd tot 19 februari 2022. De behandeling van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] voor de duur van de ondertoezichtstelling is voor het overige aangehouden tot 9 februari 2022. De advocaten van partijen is verzocht de beslissing van het hof in onderhavige zaak aan de kinderrechter te doen toekomen en bij de kinderrechter een schriftelijke reactie in te dienen, in die zin dat duidelijk wordt wat die beslissing van het hof betekent voor de verzoeken in de lopende procedure bij de rechtbank.

De omvang van het geschil

3.7.

De vader kan zich met de beslissing van 11 mei 2021 niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.8.

De vader voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – kort samengevat – het volgende aan.

De GI biedt niet de juiste steun en hulp om de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige 1] weg te nemen, maar houdt die bedreigingen in stand. Alle inspanningen van de GI zijn gericht op hulpverlening voor de pleegvader, in plaats van op hulp aan de vader om hem zoveel mogelijk de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] te laten dragen. De vader heeft als gezaghebbend ouder het recht en de plicht om [minderjarige 1] te verzorgen en op te voeden. Aan die doelstelling moet in het kader van de ondertoezichtstelling gewerkt worden. Er is echter nimmer onderzocht in hoeverre de vader in staat is [minderjarige 1] op te voeden. Daarbij geldt dat er grote twijfels zijn over de draagkracht van de pleegvader om [minderjarige 1] op te voeden.

De ontwikkelingsbedreiging, die inhoudt dat er sprake is van een strijd tussen de vader en de pleegvader waardoor [minderjarige 1] klem komt te zitten, is weg te nemen door aan de pleegvader zijn pleegvaderschap te ontnemen. Er ontstaat dan, eventueel vanuit een neutraal pleeggezin, ruimte om te werken aan het contactherstel met de vader én aan het (onderzoek naar het) lange termijn perspectief van [minderjarige 1] . De vader heeft van meet af aan hulp en zorg geaccepteerd. De pleegvader heeft het contact tussen de vader en [minderjarige 1] gedurende een lange periode in de weg gestaan. Het huidige contact van de vader met [minderjarige 1] , dat onder begeleiding plaatsvindt, is goed. In het verleden heeft de vader ook goed contact met [minderjarige 1] gehad.

De rechtbank heeft ten onrechte het verzoek van de vader om op grond van artikel 810a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een NIFP-onderzoek te gelasten, afgewezen. Een onderzoek door een onafhankelijke deskundige zou mede tot een beslissing van de zaak kunnen leiden en het belang van [minderjarige 1] verzet zich niet tegen een dergelijk onderzoek. Het NIFP kan onderzoek verrichten over de gehele breedte van de problematiek en een goed tegenwicht bieden aan het eerdere onderzoek van de raad. De vader acht het uiterst vreemd dat de rechtbank de raad het onderzoek naar het perspectief van [minderjarige 1] heeft laten uitvoeren, terwijl de raad eerder onderzoek naar [minderjarige 1] heeft verricht dat ten grondslag heeft gelegen aan de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. Daardoor is de onafhankelijkheid van een dergelijk onderzoek niet gewaarborgd.

3.9.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling

– kort samengevat – het volgende aan.

Aan de ontwikkelingsbedreigingen van [minderjarige 1] moet binnen het gedwongen kader gewerkt worden. Door middel van opvoedondersteuning wordt zicht gehouden op de bestaande veiligheid voor [minderjarige 1] en is er ruimte om met de pleegvader aan de slag te gaan met zijn opvoedvragen. Er wordt ook toegezien op een gezonde identiteitsontwikkeling bij [minderjarige 1] , waarbij er ruimte voor haar is om op een onbelaste wijze contact te hebben met de vader en de familie van de moeder. Na een periode waarin geen omgang heeft plaatsgevonden omdat [minderjarige 1] rust wilde, is er gestart met begeleide omgangsmomenten tussen de vader en [minderjarige 1] . De omgang vindt nu één keer per maand plaats in het bijzijn van een begeleider die ook kan tolken, en waarbij de vader en [minderjarige 1] iets gaan ondernemen.

Het perspectief van [minderjarige 1] ligt bij de pleegvader, bij wie ook haar halfzus [minderjarige 2] woont. Het is niet in het belang van [minderjarige 1] om haar elders te plaatsen. Dit zou een nieuwe traumatische gebeurtenis zijn, waarbij zij gescheiden wordt van de voor haar belangrijke hechtingsfiguren. Voorts geldt dat in het geval dat [minderjarige 1] bij de vader zou wonen, de communicatie tussen hen door een taalbarrière wordt bemoeilijkt.

De strijd tussen de vader en de pleegvader en de lopende procedures leiden tot onrust en hebben invloed op de thuissituatie van de pleegvader en [minderjarige 1] , en ook op de omgang tussen de vader en [minderjarige 1] . Het zou voor [minderjarige 1] helpend zijn als het perspectief van [minderjarige 1] bij de pleegvader door de vader ondersteund wordt. Daarnaast vraagt de GI van de pleegvader de ruimte voor het opbouwen van contact tussen [minderjarige 1] en de vader.

Zeer recent is er een diagnostisch onderzoek gestart ten behoeve van [minderjarige 1] . Dit onderzoek wordt, op verzoek van vader, niet uitgevoerd door de GI maar door Family Supporters. De vader had namelijk aangegeven dit onderzoek liever door een onafhankelijke instantie te laten uitvoeren. De vader gaf daarbij aan vertrouwen te hebben in Family Supporters. De GI heeft het verzoek van de vader gehonoreerd. Het zwaarwegend belang van [minderjarige 1] verzet zich tegen het benoemen van nog een deskundige. Een dergelijk extra onderzoek leidt tot veel onrust en is belastend van [minderjarige 1] .

3.10.

De pleegvader voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – kort samengevat – het volgende aan.

[minderjarige 1] was zes maanden oud op het moment dat hij in haar leven kwam. Zij heeft vanaf dat moment samen met de pleegvader, de moeder en [minderjarige 2] gewoond. De pleegvader zorgt al bijna haar hele leven voor [minderjarige 1] . [minderjarige 1] wil in haar eigen omgeving, bij de pleegvader en [minderjarige 2] blijven wonen. Als [minderjarige 1] uit haar vertrouwde omgeving zou worden weggehaald, dan zou zij opnieuw moeten omgaan met een verlieservaring en dat is niet in haar belang. Bovendien staan de GI en de raad achter de plaatsing bij de pleegvader. Met de pleegvader zelf gaat het steeds beter. Het raadsrapport geeft hem meer rust, maar door de lopende procedures ervaart hij nog veel stress. Voor een gesprek met de vader is het op dit moment nog te vroeg.

Er is sprake van een ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] , onder andere doordat [minderjarige 1] tot op heden geen zekerheid over haar woonplek heeft. Daarbij heeft [minderjarige 1] het idee dat de vader haar bij de pleegvader wil weghalen. Deze zaken brengen veel onrust mee voor [minderjarige 1] en het gezin van de pleegvader. Inmiddels is er onder begeleiding contact tussen [minderjarige 1] en de vader. De pleegvader stimuleert dit contact, maar hij merkt dat het op dit moment in voornoemde omstandigheden moeilijk is voor [minderjarige 1] om onbelast contact te hebben met de vader en om dit contact op te bouwen.

3.11.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling – kort samengevat – geadviseerd als volgt.

Zowel de ondertoezichtstelling als de uithuisplaatsing bij pleegvader moeten voortduren. De geschiedenis van [minderjarige 1] maakt dat zij, ook al is het op wat zwakkere ondergrond, geworteld is in de omgeving van de pleegvader en haar halfzus [minderjarige 2] . [minderjarige 1] heeft al het nodige meegemaakt. Het is niet in haar belang dat zij elders geplaatst wordt. Het zou [minderjarige 1] helpen als de vader het perspectief bij de pleegvader ondersteunt.

Nu het diagnostisch onderzoek naar [minderjarige 1] reeds is gestart, dient daarnaast niet nog een onderzoek plaats te vinden ook al zou het accent van dat onderzoek anders zijn. De onderzoekgegevens van het diagnostisch onderzoek zouden door een extra onderzoek, vanwege de belasting voor [minderjarige 1] , minder betrouwbaar worden. De raad staat daarom niet achter het verzochte NIFP-onderzoek.

3.12.

Het hof overweegt het volgende.

Verlenging van de ondertoezichtstelling

3.12.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW , in staat zijn te dragen.

3.12.2.

Op grond van artikel 1:260 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste één jaar.

3.12.3.

Geen van partijen betwist dat er nog steeds sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige 1] . Gebleken is dat de GI werkt aan de doelstellingen van de ondertoezichtstelling. Naast de opvoedondersteuning die in het gezin van de pleegvader wordt geboden, wordt ook ondersteuning geboden bij het realiseren van onbelast contact tussen [minderjarige 1] en de vader, wat voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige 1] van belang is. Voorts wordt door diagnostisch onderzoek, dat recentelijk is gestart, zicht gekregen op de vraag in hoeverre de traumatische ervaringen van [minderjarige 1] invloed hebben op haar ontwikkeling en wat zij nodig heeft van haar omgeving. De vader stelt dat hij van meet af aan hulp en zorg heeft geaccepteerd, maar mede gezien de voortdurende strijd tussen de pleegvader en de vader is het kunnen geven van sturing in het kader van de ondertoezichtstelling nog steeds nodig. Het is in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk dat door middel van de ondertoezichtstelling voor haar belangen wordt opgekomen en wordt gewaarborgd dat de voor haar vereiste hulpverlening wordt ingezet en gecontinueerd. Voor een verkorting van de termijn van de ondertoezichtstelling ziet het hof geen aanleiding.

Het door de vader gedane verzoek om in het kader van de ondertoezichtstelling een onafhankelijke deskundige te benoemen, zal het hof hierna afzonderlijk beoordelen.

3.12.4.

Op grond van het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking, voor zover het betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] tot 19 mei 2022, bekrachtigen.

Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing

3.12.5.

De periode waarvoor de bestreden machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg is verlengd, is verstreken op 19 november 2021. Dit brengt mee dat enkel de rechtmatigheid van die beslissing ter beoordeling staat.

3.12.6.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet , die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.12.7.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste één jaar.

3.12.8.

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is het hof van oordeel dat de gronden voor de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing in de ter beoordeling staande periode aanwezig waren. Het hof heeft bij zijn oordeel het volgende in aanmerking genomen.

De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de uithuisplaatsing op zichzelf niet ter discussie staat, maar dat hij het niet eens is met de plaatsing van [minderjarige 1] bij de pleegvader. Vast staat dat de pleegvader in het eerste levensjaar van [minderjarige 1] in haar leven is gekomen. De pleegvader heeft met de moeder, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een gezin gevormd en hij is voor [minderjarige 1] een belangrijke hechtingsfiguur. Het hof acht het niet in het belang van [minderjarige 1] dat zij (in de ter beoordeling staande periode) uit haar vertrouwde omgeving zou worden gehaald terwijl zij zich in een kwetsbare situatie bevindt. [minderjarige 1] heeft mogelijk onverwerkte trauma’s. Het diagnostisch onderzoek om daarop zicht te krijgen, loopt.

De uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de pleegvader wordt daarom noodzakelijk geacht in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en/of tot onderzoek van haar geestelijke of lichamelijk gesteldheid.

3.12.9.

Op grond van het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking, voor zover het betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg tot 19 november 2021, bekrachtigen.

Verzoek om een NIFP-onderzoek

3.12.10.

In artikel 810a tweede lid Rv is bepaald, voor zover thans van belang, dat in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen de rechter op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Een voldoende concreet en ter zake dienend verzoek tot toepassing van artikel 810a tweede lid Rv , dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, zal in beginsel moeten worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.

3.12.11.

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat Family Supporters is gestart met een diagnostisch onderzoek van [minderjarige 1] om meer zicht te krijgen op de vraag in hoeverre zij onverwerkte trauma’s heeft. Duidelijk moet worden of [minderjarige 1] , naast het overlijden van de moeder, kampt met andere trauma’s als gevolg van de instabiele opvoedsituatie waarin zij is opgegroeid. Gezien de kwetsbaarheid van [minderjarige 1] én de extra belasting die een nieuw onderzoek naast voornoemd diagnostisch onderzoek voor haar zou meebrengen, is het hof van oordeel dat het verzochte onderzoek door een onafhankelijk deskundige niet in het belang van [minderjarige 1] is. Daarbij geldt dat die extra belasting van [minderjarige 1] gevolgen zou kunnen hebben voor de onderzoekgegevens van het diagnostisch onderzoek, zoals de raad naar voren heeft gebracht. Dit maakt ook dat toewijzing van het verzoek niet in het belang van [minderjarige 1] is.

Het hof zal het verzoek van de vader om een NIFP-onderzoek te gelasten daarom afwijzen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 11 mei 2021, voor zover het betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] tot 19 mei 2022 en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg tot 19 november 2021;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.J.F. Manders, C.D.M. Lamers en H. van Winkel en is op 16 december 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature