< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Hoofdverblijf

Zorgregeling

Partneralimentatie

Kinderalimentatie

Verdeling

Uitspraak



GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 2 december 2021

Zaaknummers: 200.288.605/01 en 200.288.609/01

Zaaknummers eerste aanleg: C/02/272430 / FA RK 19-4595 en C/03/272429 / FA RK 19-4594

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in principaal appel,

verweerster in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J.B.G. Gelissen,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in principaal appel,

verzoeker in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. J.P.H.J. Hermans.

Deze zaak gaat over:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ;

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] en

[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuid-Oost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 16 oktober 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 januari 2021, heeft de vrouw – na wijzigingen van haar verzoeken– verzocht voormelde beschikking, althans de onderdelen waartegen beroep, te vernietigen, althans opnieuw rechtdoende voornoemde beschikking te wijzigen en, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad:

- ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] :

Primair:

[naar het hof begrijpt] het hoofdverblijf van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de man te bepalen en de volgende zorgregeling met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] vast te stellen:

[minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven één middag per veertien dagen bij de vrouw, inhoudende van zondag 12.00 uur tot zondag 18.30 uur, waarbij de vrouw zorgdraagt dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tijdig bij de man zijn en de man ervoor zorgdraagt dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tijdig bij de vrouw zijn;

de man de volledige verantwoordelijkheid voor de zorg voor en opvoeding van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] toe te kennen, waarbij de vrouw reeds nu wordt opgedragen schriftelijk toestemming te verlenen wanneer bepaalde situaties en/of besluiten haar handtekening en/of haar toestemming vereisen;

Subsidiair:

aan de vrouw de volledige verantwoordelijkheid voor de zorg voor en opvoeding van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] toe te kennen, waarbij de man reeds nu wordt opgedragen schriftelijk toestemming te verlenen wanneer bepaalde situaties en/of besluiten zijn handtekening en/of zijn toestemming vereisen;

tussen de man en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] een omgangsregeling vast te stellen, waarin [minderjarige 2] en [minderjarige 3] één volledig weekend per twee weken bij de man verblijven, van vrijdag 18.30 uur tot zondag 18.30 uur, waarbij de vrouw zorgdraagt dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tijdig bij de man zijn en de man ervoor zorgdraagt dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tijdig bij de vrouw zijn;

dat het [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , zowel gezamenlijk als onafhankelijk van elkaar, vrij staat welk contact dan ook te hebben met hun man, op de wijze welke zij passend achten en te bepalen dat contacten tussen [minderjarige 2] en/of [minderjarige 3] en de man slechts op basis van de vrije wil van de kinderen zullen plaatsvinden;

- de volgende zorgregeling met [minderjarige 1] vast te stellen:

Primair en subsidiair:

aan de vrouw de volledige verantwoordelijkheid voor de zorg voor en opvoeding van [minderjarige 1] toe te kennen, waarbij de man reeds nu wordt opgedragen schriftelijk toestemming te verlenen wanneer bepaalde situaties en/of besluiten zijn handtekening en/of zijn toestemming vereisen;

te bepalen dat het [minderjarige 1] vrij staat contacten met de man te hebben, op de wijze welke zij passend acht en te bepalen dat contacten tussen [minderjarige 1] en de man slechts op basis van [minderjarige 1] ’s vrije wil zullen plaatsvinden;

Subsidiair:

aan de vrouw de volledige verantwoordelijkheid voor de zorg voor en opvoeding van [minderjarige 1] toe te kennen, waarbij de man reeds nu wordt opgedragen schriftelijk toestemming te verlenen wanneer bepaalde situaties en/of besluiten zijn handtekening en/of zijn toestemming vereisen;

te bepalen dat het [minderjarige 1] vrij staat contacten met de man te hebben, op de wijze welke zij passend acht en te bepalen dat contacten tussen [minderjarige 1] en de man slechts op basis van [minderjarige 1] ’s vrije wil zullen plaatsvinden;

te bepalen dat [minderjarige 1] het BOR-traject zal moeten blijven volgen, in de hoop dat uiteindelijk hieruit voortvloeit dat zij op enige wijze contact met haar man zal kunnen hebben;

met betrekking tot [minderjarige 2] en [minderjarige 3] :

te bepalen dat de man, vanaf het moment van het indienen van het beroepschrift tot en met oktober 2021, althans vanaf een door het hof in goede justitie te bepalen termijn, ten behoeve van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] een bedrag van € 203,75 per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, dient te betalen als bijdrage in de kosten van hun [naar het hof begrijpt] verzorging en opvoeding;

te bepalen dat de man vanaf 1 november 2021, althans vanaf een door het hof in goede justitie te bepalen termijn, ten behoeve van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] een bedrag van € 226,-- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, dient te betalen als bijdrage in de kosten van hun [naar het hof begrijpt] verzorging en opvoeding.;

de man gehouden is om naar rato bij te dragen in buitengewone kostenposten, waaronder maar niet uitsluitend, kosten voor een beugel, andere hoge, niet voor vergoeding in aanmerking komende ziektekosten, en overige onvoorzienbare hoge kosten, ten behoeve van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ;

met betrekking tot [minderjarige 1] :

te bepalen dat de man met terugwerkende kracht gehouden is om tot en met oktober 2021, althans vanaf een door het hof in goede justitie te bepalen termijn, zolang tussen de man en [minderjarige 1] geen omgang tot stand is gekomen, een bedrag van € 242,-- (geïndexeerd € 249,26) [naar het hof begrijpt per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] ] bij vooruitbetaling te voldoen;

te bepalen dat de man, vanaf 1 november 2021, althans vanaf een door het hof in goede justitie te bepalen termijn, zolang tussen de man en [minderjarige 1] geen omgang tot stand is gekomen, een bedrag van € 356,--, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, dient te betalen als bijdrage in de kosten van [naar het hof begrijpt] verzorging en opvoeding;

deze verplichting in te laten gaan per 16 december 2019, althans op een door het hof in goede justitie te bepalen termijn;

te bepalen dat de man hetgeen te weinig is betaald binnen een door het hof te bepalen termijn aan de vrouw dient te voldoen;

de man gehouden is om naar rato bij te dragen in buitengewone kostenposten, waaronder, maar niet uitsluitend, hoge, niet voor vergoeding in aanmerking komende ziektekosten, en overige onvoorzienbare hoge kosten, ten behoeve van [minderjarige 1] ;

de man gehouden is om, binnen een maand na de beschikking van het hof, dan wel binnen een door het hof in goede justitie te bepalen termijn, een bedrag van € 2.474,90 bij te dragen in de kosten van [minderjarige 1] ’s beugel;

met betrekking tot de vrouw:

te verklaren voor recht dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw met ingang van 16 december 2019 is ingegaan;

te verklaren voor recht dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de kinderen eveneens met ingang van 16 december 2019 is ingegaan;

te bepalen dat de man over de periode 16 december 2019 – 14 januari 2020 een bedrag van € 1.102,75 aan de vrouw verschuldigd is als bijdrage in de kosten van [naar het hof begrijpt] de kosten van levensonderhoud van de vrouw;

te bepalen dat de man, vanaf 1 november 2021, althans vanaf een door het hof in goede justitie te bepalen termijn, ten behoeve van de vrouw een bedrag van € 675,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, dient te betalen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud;

en voorts:

te bepalen dat de vaste lasten van de echtelijke woning volledig voor rekening van de man behoren te komen, ook nadat hij is verhuisd wegens verkoop van de woning aan derden;

te bepalen dat man gehouden is een bedrag van € 917,-- aan de vrouw te betalen als compensatie voor hetgeen zij te weinig heeft mogen ontvangen van de bankrekening met het nummer [nummer 1] ;

primair te bepalen dat de man gehouden is aan de vrouw het volledige bedrag dat hij aan kinderbijslag heeft ontvangen in het eerste kwartaal van 2020 (zijnde een bedrag van € 798,--) binnen een door het hof in goede justitie te bepalen termijn, aan de vrouw te voldoen;

subsidiair te bepalen dat de man gehouden is de vrouw de helft van het bedrag dat hij aan kinderbijslag heeft ontvangen in het eerste kwartaal van 2020 (zijnde een bedrag van € 798,--), aldus een bedrag van € 399,--, binnen een door het hof in goede justitie te bepalen termijn, aan de vrouw te voldoen;

te verklaren voor recht dat partijen in 2019 fiscaal partner waren;

te bepalen dat de man zijn belastingaangifte over het jaar 2019 binnen vier weken na de datum van de beschikking van het hof, althans binnen een door het hof in goede justitie te bepalen termijn, dient aan te passen door de vrouw als fiscaal partner te vermelden;

te bepalen dat de man gehouden is de helft van de te verwachten belastingteruggave binnen een door het hof in goede justitie te bepalen termijn aan de vrouw te voldoen, onder overlegging van de stukken waaruit de hoogte van desbetreffend bedrag blijkt;

te verklaren voor recht dat de man op grond van art. 1:81 BW in samenhang gezien met art. 1:82 BW, in de periode 16 december 2019 – 15 januari 2020 wel degelijk gehouden was tot het verschaffen van het nodige aan de vrouw en de kinderen;

te bepalen dat, indien het hof zou besluiten dat de man over voornoemde periode niet gehouden zou zijn tot betaling van kinder- en partneralimentatie , de man gehouden is om over voornoemde termijn, binnen een door het hof in goede justitie te bepalen termijn, een bedrag van € 1.102,75 aan de vrouw te voldoen op grond van art. 1:81 jo. 1:82 BW.

Met veroordeling van de man in de volledige kosten die door en/of namens de vrouw ten behoeve van het hoger beroep zijn gemaakt en nog worden gemaakt (p.m.) een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van de beschikking van het hof, dan wel binnen een door het hof in goede justitie te bepalen termijn en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – deze kosten te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf verstrijking van voornoemde termijn tot aan de dag van voldoening.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 maart 2021 heeft de man verzocht om de vrouw in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoeken af te wijzen.

Tevens heeft de man incidenteel appel ingesteld en verzocht:

de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft hetgeen onder 3.10 (met verwijzing naar 2.9) is bepaald betreffende de hypothecaire lasten en opnieuw rechtdoende te bepalen, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw de helft van de hypotheeklasten aan de man dient te voldoen over de maanden januari en februari 2020 zijnde een bedrag van € 700,--;

voor recht te verklaren dat de bij de bestreden beschikking genoemde onderhoudsbijdrage inclusief verblijfsoverstijgende kosten (te weten in ieder geval kledij en schoeisel, kosten openbaar vervoer, sportcontributies, sportbenodigdheden, sportkledij, muziekinstrumenten, abonnementen waaronder telefoon, kapper, schoolgeld, schoolexcursies/schoolreisjes, fiets, niet vergoede medische kosten) is en de vrouw derhalve al deze kosten dient te voldoen;

Met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

2.2.1.

Bij verweerschrift in incidenteel appel met productie, ingekomen ter griffie op 13 april 2021, heeft de vrouw verzocht:

Met betrekking tot grief 1:

Primair: de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek(en);

Subsidiair: de grief van de man af te wijzen als zijnde ongegrond.

Met betrekking tot grief 2: de grief van de man af te wijzen als zijnde ongegrond.

Met veroordeling van de man in de volledige kosten die door en/of namens de vrouw ten behoeve van het incidenteel hoger beroep zijn gemaakt en nog gemaakt worden (p.m.) een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van de beschikking, dan wel binnen een door het hof in goede justitie te bepalen termijn, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – deze kosten te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vaan verstrijking van voornoemde termijn tot aan de dag van voldoening.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

de vrouw, (digitaal) bijgestaan door mr. Gelissen;

de man, bijgestaan door mr. Hermans.

2.3.1.

De raad is, met bericht van verhindering, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

2.3.2.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

Zij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 20 oktober 2021. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

de brief van de raad d.d. 26 januari 2021;

de akte aanvullende gronden en producties (22 tot en met 34) tevens houdende akte wijziging van verzoek in principaal hoger beroep van de advocaat van de vrouw, ingekomen ter griffie op 15 oktober 2021;

de fax van de advocaat van de vrouw d.d. 25 oktober 2021;

de pleitnota van de advocaat van de vrouw.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel:

3.1.

Partijen zijn op 7 oktober 2008 met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geboren.

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.

De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de vrouw.

Het verzoekschrift tot echtscheiding is op 16 december 2019 ingekomen bij de rechtbank.

3.2.

Bij de bestreden beschikking van 16 oktober 2020 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 21 december 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang:

- bepaald dat voorlopig de contacten tussen [minderjarige 1] en de man zullen plaatsvinden in het kader van een begeleide omgangsregeling (BOR II) waarbij aXnaga de professionele jeugdhulpverlener is die de contacten gaat begeleiden en die de regie daarbij in handen heeft;

- bepaald dat de raad het eindverslag van de BOR II aan de rechtbank zal doen toekomen, waarna eerst de GI om een schriftelijke reactie wordt gevraagd in het kader van de vast te stellen zorgregeling tussen [minderjarige 1] en de man, waarna partijen om een schriftelijke reactie zal worden gevraagd;

- een zorgregeling tussen de man en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] vastgesteld zoals in die beschikking is weergegeven;

- bepaald dat de man € 152,75 per kind per maand voor zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 3] en € 229,25 per maand voor [minderjarige 1] dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding met ingang van 16 oktober 2020;

- bepaald dat de man € 568,-- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;

- bepaald dat de voormalige echtelijke woning dient te worden verkocht aan een derde door tussenkomst van een makelaar;

- bepaald dat de opbrengst van de verkochte woning tussen partijen 50/50 moet worden verdeeld (verkoopsom plus waarde/afkoopsom van beide polissen minus de kosten van de makelaar, de notaris en de schuld aan [wonen] Wonen);

- het saldo van de spaarrekening met nummer [nummer 2] op 16 december 2019 toegedeeld aan de man en bepaald dat hij de helft van dit saldo aan de vrouw moet betalen en het saldo van de spaarrekening met nummer [nummer 3] op 16 december 2019 toegedeeld aan de vrouw en bepaald dat zij de helft van dit saldo aan de man moet betalen en bepaald dat deze bedragen bij de financiële afwikkeling van de woning dienen te worden betaald;

- het verzoek van de vrouw ten aanzien van de door de man over het eerste kwartaal 2020 ontvangen kinderbijslag afgewezen.

3.3.

Partijen kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De grieven van de vrouw zien op de zorgregeling met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (grief 1), de kinder- en partneralimentatie (grief 2), de verdeling van de echtelijke woning, banksaldi en kinderbijslag (grief 3), het fiscaal partnerschap 2019 (grief 4) en het verzoek als bedoeld in art. 1:81 BW (grief 5).

3.5.

De grieven van de man zien op de woonlasten (grief I) en de kinderalimentatie (grief II).

Hoofdverblijf en zorgregeling (grief 1 van de vrouw)

3.6.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe behoort ook, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub b BW, het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen.

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.7.

De vrouw heeft haar verzoek in hoger beroep gewijzigd en verzoekt thans het hoofdverblijf van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de man te bepalen en een contractregeling ten behoeve van haar vast te stellen, in die zin dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gedurende een weekend per veertien dagen op zondag van 12.00-18.30 uur bij de vrouw verblijven. De vrouw vindt dat de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling niet in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is. Evenmin vindt de vrouw het in het belang van de kinderen dat partijen hierover nog langer strijden omdat dit leidt tot stress bij haar en de kinderen. Het (gewijzigde) verzoek van de vrouw doet het meest recht aan de behoefte van de kinderen aan rust en regelmaat nu zij minder vaak op en neer hoeven te reizen tussen hun ouders en daardoor minder worden blootgesteld aan strijdige opvattingen over de wijze van opvoeden en de kans op een loyaliteitsconflict wordt gereduceerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw nog aangevoerd dat partijen het niet met elkaar eens kunnen worden over de opvoedsstijl en overleg voortdurend uitloopt op een impasse. Het is voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] beter dat één van partijen de volledige verantwoordelijkheid voor hen neemt. De vrouw ervaart dat de kinderen kapot worden gemaakt. Zij kan daar zelf niets aan veranderen, maar kan het niet meer aanzien. De vrouw krijgt kinderen thuis die niet meer van haar zijn. Van hoe [minderjarige 2] en [minderjarige 3] oorspronkelijk waren, is niet veel meer over. Zij herkent haar eigen zoons niet meer.

De vrouw wil dat het [minderjarige 1] vrij staat contact met de man te hebben op de wijze die zij passend acht.

3.8.

De man kan instemmen met het gewijzigde verzoek van de vrouw in hoger beroep. Hij verzoekt het hof dienovereenkomstig te beslissen. Het daaraan gekoppelde verzoek van de vrouw over de volledige verantwoordelijkheid kan de man niet plaatsen. Als de vrouw daarmee doelt op eenhoofdig gezag, dan kan hij daar niet mee instemmen.

De man kan eveneens instemmen met het verzoek van de vrouw om te bepalen dat [minderjarige 1] omgang met de man kan hebben naar eigen inzicht en als zij dat wil. Ook ten aanzien van [minderjarige 1] stemt de man niet in met een eventueel door de vrouw gewenst eenhoofdig gezag.

3.9.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof dient, ook al heeft de man ingestemd met de door de vrouw verzochte wijziging van hoofdverblijf en de zorgregeling voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , ambtshalve te beoordelen of een dienovereenkomstige beslissing, hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

Het hof heeft, gelet op het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij een goed en frequent contact met beide ouders, ernstige zorgen over de recente gewijzigde verzoeken van de vrouw over het hoofdverblijf van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de man en de beperkte zorgregeling waarin zij slechts gedurende één zondagmiddag per veertien dagen bij de vrouw zijn.

Het hof acht zich op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen welke recht doet aan het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Het hof zal dan ook de raad verzoeken om een onderzoek in te stellen en te rapporteren en adviseren omtrent de volgende vragen:

Is een wijziging in de hoofdverblijfplaats, conform het verzoek van de vrouw in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ?

Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie te worden vormgegeven?

Is hulpverlening nodig? Zo ja, welke, ten behoeve van wie en met welk doel?

3.10.

Het hof zal de verdere behandeling van de zaak vier maanden aanhouden, teneinde de resultaten van het onderzoek en het advies van de raad af te wachten. Partijen zullen vervolgens door het hof in de gelegenheid worden gesteld binnen twee weken schriftelijk te reageren op het rapport en het advies van de raad.

Ten aanzien van [minderjarige 1] overweegt het hof dat de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 28 juli 2021 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] heeft verlengd tot 14 augustus 2022. Het is aan de GI om, met inachtneming van de recente rapportage van Xonar, te bezien of en welke stappen ten aanzien van de zorgregeling moeten worden ondernomen. Voor zover het hof het verzoek van de moeder zo moet begrijpen dat zij alleen met het gezag over [minderjarige 1] wordt belast, wordt die beslissing aangehouden.

Kinder- en partneralimentatie, verzoek als bedoeld in art. 1:81 BW (grieven 2 en 5 van de vrouw, grief II van de man)

3.11.

Het hof zal de beslissingen over de kinder- en partneralimentatie alsmede het verzoek van de vrouw als bedoeld in art. 1:81 BW aanhouden in afwachting van het advies van de raad over het hoofdverblijf van en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .

Woonlasten echtelijke woning (grief 3 van de vrouw, grief I van de man)

3.12.

De vrouw stelt dat het onnodig lang heeft geduurd voordat de woning te koop is aangeboden en het daardoor ook onnodig lang heeft geduurd/zal duren tot de woning verkocht zal zijn. De vrouw acht het in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat zij aan de vaste lasten van de echtelijke woning dient mee te betalen als de man in verband met de verkoop aan een derde verhuist. Eventuele dubbele woonlasten zijn de eigen schuld van de man en dienen voor zijn rekening en risico te blijven.

3.13.

De man voert verweer. De woning is verkocht en de woning is op 1 juni 2021 geleverd aan een derde. De discussie over de lasten van de woning na afloop van het voortgezet gebruik van de woning door de man is niet meer aan de orde. Subsidiair weerspreekt hij dat enige vertraging met betrekking tot de verkoop van de woning aan hem te wijten zou zijn. Het is juist de vrouw die voor vertraging heeft gezorgd, door niet in te stemmen met de taxatie c.q. de voorgestelde taxateurs door de man.

3.14.

Het hof overweegt als volgt.

De man heeft op grond van de bestreden beschikking tegenover de vrouw het recht om in de woning te blijven wonen tot zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. De echtscheidingsbeschikking is op 21 december 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De termijn van zes maanden is derhalve op 21 juni 2021 afgelopen. De woning is inmiddels verkocht en de levering heeft op 1 juni 2021 plaatsgevonden, derhalve binnen de termijn van zes maanden.

Dat de verkoop van de woning onnodig lang heeft geduurd is het hof – mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – niet gebleken. Grief 3 van de vrouw faalt. Het door de vrouw verlangde wordt afgewezen.

De man heeft zijn incidenteel appel ten aanzien van de hypothecaire lasten over de maanden januari en februari 2020 ingetrokken, zodat het hof niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling daarvan.

De banksaldi (grief 3 van de vrouw)

3.15.

De vrouw stelt dat het saldo op de spaarrekening met nummer [nummer 1] moet worden verrekend. Het saldo op deze rekening bedroeg op 1 november 2019 € 15.666,--. De man heeft op 1 november 2019 zonder overleg een bedrag van € 8.500,-- van de rekening opgenomen, waardoor een saldo van € 6.666,-- resteerde. Dit bedrag heeft de vrouw veilig gesteld. De man heeft zichzelf een bedrag van € 917,-- te veel toegeëigend. Hij moet de vrouw dit bedrag als compensatie betalen.

3.16.

De man voert verweer. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat ten aanzien van deze rekening niets meer te verdelen viel, nu op de peildatum geen saldo meer aanwezig was. Het saldo op deze rekening bedroeg op 20 september 2019 € 16.000,--. De vrouw heeft op 31 oktober 2019 zonder overleg haar auto laten repareren voor € 1.330,-- en een bedrag van € 6.500,-- naar de rekening eindigend op [nummer 3] overgeboekt. Voorafgaand aan de verdeling van de inboedel heeft de vrouw een nieuwe bank gekocht ad € 500,-- en heeft de man een bedrag van € 8.500,-- naar zijn bankrekening overgeboekt. De vrouw heeft dan ook geen recht meer op betaling.

3.17.

Het hof overweegt als volgt.

Voorafgaand aan de peildatum, op 16 december 2019, zijn door beide partijen opnames gedaan van de spaarrekening eindigend op * [nummer 1] . Uit het rekeningafschrift van de spaarrekening (productie 9 bij de akte inclusief producties d.d. 25 september 2020) blijkt dat het saldo op de rekening op 1 november 2019 € 15.406,-- bedroeg. Door de vrouw is op die dag een bedrag van € 260,-- bijgeschreven onder de vermelding “sparen”. Het saldo bedroeg daarna € 15.666,--. Dit saldo dient naar het oordeel van het hof te worden verdeeld bij helfte.

Partijen hebben het saldo in het zicht van de echtscheiding “veilig gesteld”. De man heeft op 1 november 2019 een bedrag van € 8.500,-- van de rekening opgenomen. De vrouw heeft die dag een bedrag van € 500,-- overgeboekt naar de rekening eindigend op * [nummer 4] . Zij heeft daarnaast op 2 november 2019 het op dat moment resterende saldo van € 6.666,-- opgenomen.

Partijen hadden ieder recht op de helft van het saldo van € 15.666,--, ofwel ieder € 7.833,--. De vrouw heeft een bedrag van € 7.166,-- (€ 500,-- + € 6.666,--) ontvangen, terwijl de man een bedrag van € 8.500,-- heeft ontvangen. De man heeft € 667,-- te veel ontvangen en de vrouw € 667,-- te weinig. De man is gehouden een bedrag van € 667,-- aan de vrouw te betalen.

Met de opname van de vrouw op 31 oktober 219 van € 1.330,-- houdt het hof geen rekening. De vrouw heeft voor dit bedrag haar auto laten repareren. Omdat partijen op dat moment nog gehuwd waren en de huwelijksgemeenschap nog niet was ontbonden dienen die kosten te worden beschouwd als kosten van de huishouding waarvoor beide partijen in hun onderlinge verhouding draagplichtig zijn

Grief 3 van de vrouw slaagt gedeeltelijk.

Kinderbijslag (grief 3 van de vrouw)

3.18.

De vrouw stelt dat de kinderen de facto reeds vóór 12 februari 2020 (de datum van de beschikking voorlopige voorzieningen) bij haar woonden. De vrouw is dan ook de meest gerede partij om aanspraak te kunnen maken op de kinderbijslag, te meer nu zij in de verblijfoverstijgende kosten van de kinderen voorzag. Subsidiair maakt zij aanspraak op de helft van de kinderbijslag over het eerste kwartaal 2020.

3.19.

De man voert verweer. Hij weerspreekt dat de kinderen voor 12 februari 2020 reeds bij de vrouw zouden hebben gewoond. Partijen hebben vanaf september 2019 tot en met 1 maart 2020 de kinderen permanent in de echtelijke woning laten verblijven en zij hebben het verblijf in de echtelijke woning tot en met 1 maart 2020 afgewisseld (“birdnesting”). De man heeft de ontvangen kinderbijslag gebruikt om kosten voor de kinderen te voldoen, waaronder zwemles, de verblijfskosten en de premie voor Monuta. De vrouw heeft daarom geen recht op de volledige kinderbijslag of de helft daarvan.

3.20.

Het hof is van oordeel dat de kinderbijslag over het eerste kwartaal 2020 door partijen bij helfte moet worden verdeeld. Partijen hebben ieder – afzonderlijk van elkaar – geld besteed aan de kinderen nu de kinderen gelijkelijk bij beide ouders verbleven (in de echtelijke woning waarin de ene week de man voor de kinderen zorgde en de andere week de vrouw). De man dient dan ook de vrouw de helft van het door hem ontvangen bedrag te betalen.

Fiscaal partnerschap 2019 (grief 4 van de vrouw)

3.21.

De vrouw stelt dat de man in zijn belastingaangifte 2019 vermeldt dat partijen geen fiscaal partner meer waren. Dit betekent dat de belastingaangifte van de man incorrect is en opnieuw moet worden ingediend zodat de vrouw kan zien of zij aanspraak kan maken op een teruggave. De rechtbank heeft hierover ten onrechte geen beslissing genomen. De vrouw heeft recht op de helft van de belastingteruggave 2019.

3.22.

De man voert verweer. Hij heeft in de belastingaangifte 2019 niet vermeld dat hij geen fiscaal partner van de vrouw meer zou zijn. De vrouw dient wel haar eigen aangifte over 2019 te verzorgen.

3.23.

Het hof overweegt dat uit de door de man overgelegde belastingaangifte 2019 volgt dat het fiscaal partnerschap tussen partijen nog niet was geëindigd. . De grief van de vrouw treft dus geen doel. Ter zitting heeft de man toegezegd dat hij de helft van de ontvangen belastingteruggave over het jaar 2019 aan de vrouw zal betalen. Het hof zal hem daartoe veroordelen.

Proceskosten

3.24.

De man heeft zijn verzoek om de vrouw te veroordelen in de proceskosten in beide instanties tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep ingetrokken zodat dit geen bespreking behoeft.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

verzoekt de raad een onderzoek in te stellen conform hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 3.9 is overwogen;

verzoekt de raad tijdig vóór de hierna te noemen pro forma datum rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 2 mei 2022.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, P.P.M. van Reijsen en K.A. Boshouwers en in het openbaar uitgesproken is op 2 december 2021 door mr. J.C.E. Ackermans-Wijn in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature