< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep

Uitspraak



Parketnummer : 20-000217-18

Uitspraak : 23 juni 2021

TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 8 januari 2018, in de strafzaak met parketnummer 02-187114-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

De officier van justitie heeft op 19 januari 2018 tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor een gevangenisstraf zal opleggen voor de duur van 4 weken en de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering.

Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De raadsvrouw van de verdachte heeft verzocht dat het hof de officier van justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep. Daartoe heeft de raadsvrouw – kort weergegeven – aangevoerd dat de originele appelakte bij de strafgriffie van de rechtbank Zeeland-West-Brabant in het ongerede is geraakt. Voorts blijkt uit de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 maart 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:1867), dat een digitale handtekening niet volstaat ter vervanging van een bijzondere schriftelijke volmacht ten behoeve van het instellen van hoger beroep. Weliswaar bevindt zich in het dossier een appelschriftuur d.d. 2 februari 2018 maar deze is buiten de termijn voor het instellen van het hoger beroep ingediend, waardoor deze appelschriftuur de ontbrekende appelakte niet kan herstellen. Derhalve kan niet gecontroleerd worden of het hoger beroep op de juiste wijze is ingesteld. Dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in het hoger beroep, aldus de verdediging.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het openbaar ministerie ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, nu uit het e-mailbericht van de griffie blijkt dat de officier van justitie in kwestie, in persoon hoger beroep heeft ingesteld.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt vast dat zich in het dossier geen appelakte bevindt. Gelet hierop is ter terechtzitting d.d. 16 december 2020 een onderzoek bevolen naar de appelakte. Navraag van de griffier van het hof heeft uitgewezen dat de originele appelakte in het ongerede is geraakt en de strafgriffie van de rechtbank Zeeland-West-Brabant noch de originele appelakte noch een kopie daarvan heeft weten te bemachtigen. Navraag van de advocaat-generaal heeft uitgewezen dat de officier van justitie L.J. den Braber, die hoger beroep heeft ingesteld, niet (meer) beschikt over een kopie van de appelakte.

Vooropgesteld moet worden dat een appelakte een belangrijk document is voor de behandeling van een strafzaak in hoger beroep. Echter, het feit dat de appelakte in het ongerede is geraakt, noopt niet zonder meer tot het uitspreken van de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in het hoger beroep.

Hoewel de appelakte niet (meer) beschikbaar is, bevinden zich in het dossier andere stukken aan de hand waarvan het hof zich een oordeel heeft kunnen vormen over de ontvankelijkheid van de officier van justitie in het door hem ingestelde appel.

In de eerste plaats bevinden zich in het dossier twee schermafdrukken van het Geïntegreerd Processysteem Strafrecht (GPS), waarvan de eerste reeds onderdeel uitmaakte van het dossier ten tijde van de behandeling ter terechtzitting op 16 december 2020, en de tweede op 17 mei 2021 aan het hof is toegezonden door de strafgriffie van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda. Hieruit is het hof gebleken dat er in de zaak met het parketnummer 02-187114-17 in persoon hoger beroep is ingesteld op 19 januari 2018 door L.J. den Braber en wel aan de “Sluissingel Breda (Rb)”, aldus deze schermafdrukken. Den Braber was, blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg, ook de desbetreffende zaaksofficier. Ten tweede bevindt zich in het dossier een aanzegging hoger beroep van de officier van justitie d.d. 19 januari 2018, te weten de datum waarop het hoger beroep is ingesteld. Ten slotte bevindt zich in het dossier een appelschriftuur d.d. 2 februari 2018, welke getekend is door de desbetreffende officier van justitie en waarin bevestigd wordt dat er op 19 januari 2018 hoger beroep is ingesteld.

Gelet op de voornoemde stukken uit het dossier, gaat het hof ervan uit dat de officier van justitie daadwerkelijk hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de politierechter d.d. 8 januari 2018.

De jurisprudentie die de raadsvrouw naar voren heeft gebracht ter onderbouwing van het standpunt van de vereniging, ziet op de situatie waarin het hoger beroep is ingesteld bij bijzondere schriftelijke volmacht. Nu in de onderhavige zaak het hoger beroep in persoon is ingesteld door officier van justitie L.J. den Braber, is het hof van oordeel dat sprake is van een andere situatie.

Ook overigens zijn geen feiten en omstandigheden gebleken op grond waarvan de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in het hoger beroep. Het hof verwerpt derhalve het verweer van de verdediging en verklaart de openbaar ministerie ontvankelijk in het hoger beroep.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 september 2017 tot en met 22 september 2017 te Loon op Zand met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (telkens) heeft weggenomen een hoeveelheid lood, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan de verdachte, waarbij de verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op tijdstippen in de periode van 21 september 2017 tot en met 22 september 2017 te Loon op Zand met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening telkens heeft weggenomen een hoeveelheid lood, toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , waarbij de verdachte die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

1

Het proces-verbaal van aangifte d.d. 30 september 2017 inclusief bijlage goederen (pg. 3-6), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [benadeelde 1] :

(pagina 3)

Ik [benadeelde 1] doe aangifte namens de [benadeelde 2] van de appartementen en de winkels gelegen aan het [adres 3] . Ik ben hiervan mede bestuurslid. Ik woon aan het [adres 3] te Loon op Zand. Dit is onderdeel van het appartementencomplex. Mijn berging bevindt zich aan de [locatie] .

(pagina 4)

De zijkanten van het dak van de berging zijn afgewerkt met loden loketten c.q. loodstrook. Dit zijn loodslabben die in het metselwerk zijn opgenomen. De berging en het lood zijn onderdeel van het appartementencomplex. Ik sprak op donderdag 21 september 2017 omstreeks 17.30 uur een overbuurman en -vrouw; [getuigen] [het hof begrijpt: getuige [getuigen]] en [getuigen] . Zij wonen aan de [adres 2] . Dit echtpaar zei tegen mij dat zij zagen, dat een voor hen onbekende man, het lood van het dak van mijn berging haalde. Dit was omstreeks 04.00 uur in de nacht. Later hoorde ik dat dit die avond, vrijdag 22 september 2017, omstreeks 22.00 uur, wederom gebeurde. Wederom was dit gezien door hetzelfde echtpaar [getuigen] . Zij hebben ook gelijk 112 gebeld, en hebben ook mij gelijk benaderd. De politie is ook geweest. Ikzelf was die avond niet thuis. Ik weet dus dat er lood van het dak van mijn berging is weggenomen.

(…)

Hierbij werd het goed, zoals genoemd op de bijlage goederen, weggenomen.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

(pagina 6)

Bijlage goederen

(…)

Object : Lood

2

Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 23 september 2017 (pg. 7-8), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuigen] :

(pagina 7)

Ik woon tegenover de achterzijde van het [adres 3] te Loon op Zand. Op vrijdag 22 september 2017, omstreeks 22.00 uur, ging ik naar mijn bed. Ik weet dat het 22.00 uur was omdat ik dit op de klok zag weergegeven. Mijn slaapkamer ligt aan de zijde van het [adres 3] . Ik hoorde vanuit mijn bed een klap afkomstig van buiten, het [adres 3] . Dit was een doffe dreun. Dit was hetzelfde geluid als wat ik hoorde op donderdag 21 september 2017, omstreeks 04.00 uur. Ik liep vanavond, vrijdag 22 september 2017 omstreeks 22.00 uur, vanuit mijn slaapkamer naar mijn woonkamer. Ik zag door het raam van mijn woonkamer dat er een man in de nis stond van de schuur behorende bij het [adres 3] . De afstand tussen mij en de schuur bedroeg ongeveer 10 meter. Het was op dat moment donker buiten maar ik had goed zicht. Ik droeg op dat moment mijn bril. (…)

Ik zag dat de man een plastic boodschappentas vol stopte met iets. Ik zag niet wat hij hier in deed. Ik zag duidelijk dat hij een beweging maakte richting de tas en dat de tas voller werd. Ik zag dat hij daarna richting de [locatie] reed met zijn fiets.

Ik kan de man als volgt beschrijven:

- Man

- Blanke huidskleur (…)

- Tenger postuur

- Ongeveer 30 jaar oud

- Donkere kleding

(pagina 8)

De fiets waar hij op reed kan ik als volgt beschrijven:

- Zwarte dames fiets

- Ossenvormig stuur, lomp haaks stuur

- Grijze fietstassen aan beide kanten aan de achterzijde van zijn fiets

- Grote witte plastic boodschappen tas aan stuur

Op donderdag 21 september 2017, omstreeks 04.00 uur, hoorde ik vanuit mijn bed hetzelfde geluid als dat ik vanavond hoorde. Ik liep naar mijn huiskamer en keek uit mijn raam richting de schuur van het [adres 3] . Ik zag dat er een man, dezelfde man als die ik vanavond zag, op de schuur zat van het [adres 3] . Ik zag dat hij een zwart T-shirt droeg met korte mouwen. Hij liet zich langs de muur naar beneden glijden. Ik zag dat hij beide fietstassen van zijn fiets vol deed met iets. Ik zag hij de spullen die hij vasthield samen vouwde. Ik vermoed dat dit lood geweest is. Ik zag dat hij richting de [locatie] fietste.

Ik weet dat dit dezelfde man is omdat ik hem vanavond herkende aan zijn bouw en de structuur van zijn lichaam. Daarnaast zag ik dat het dezelfde fiets betrof. Ik herkende de fiets aan de fietstassen en aan het stuur.

Op vrijdag 21 september 2017, omstreeks 08.00 uur, zag ik dat er lood, van het dak van de schuur behorende bij het [adres 3] , was weggenomen.

3

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 september 2017 (pg. 9-10), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

(pagina 9)

Op vrijdag 22 september 2017 omstreeks 22.10 uur reed ik op de Rijksweg ter hoogte van Hulten. Ik hoorde via de mobilofoon dat de centralist van het Operationeel Centrum een melding deed betreffende diefstal van lood van een dak nabij de EMTE te Loon op Zand. Ik hoorde dat de centralist het volgende signalement van de verdachte doorgaf:

- 1 man

- volledig in het donker gekleed

- damesfiets met licht grijze tot witte fietstassen, witte plastic tas

Ik ben hierop met spoed naar Loon op Zand gereden. Ik kwam daar enkele minuten later aan.

Ik reed vanaf de [locatie] de [locatie] op, in de richting van het centrum van Loon op Zand. Na enkele tientallen meters zag ik op het fietspad, voor mij gezien links van de rijbaan, een fietser voorbij rijden (in tegenovergestelde richting). Ik zag dat aan beide zijden van de bagagedrager een fietstas bevestigd was. Ik kan het signalement van de fietser als volgt omschrijven:

Geslacht : man

Uiterlijk : blank

Postuur : slank - normaal

Geschatte leeftijd : 25-30 jaar

Kleur haar : donker

Haardracht : kort krullend

Kleding : blauwe spijkerbroek, lichtgrijs t-shirt

Ik heb de man staande gehouden. (…) De man gaf mij een hand en stelde zich voor als [verdachte] . (…) Ik zag dat de fietstassen van de man lichtgrijs van kleur waren. Ik vroeg aan [verdachte] of ik in zijn fietstassen mocht kijken. Ik hoorde dat [verdachte] mij toestemming gaf om in zijn fietstassen te kijken. Ik vroeg aan [verdachte] of hij nog iets bijzonders in zijn fietstassen had zitten. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat hij er lood in had zitten. Ik zag dat de fietstassen niet afgesloten waren. Ik keek in de fietstassen en zag dat beiden tassen gevuld waren met stukken daklood.

Mij is ambtshalve bekend dat de [locatie] uitkomt op het [adres 3] (zie bijlage). (…) Ik zag dat het shirt van [verdachte] niet lichtgrijs was maar lichtrood van kleur was. Door de lichtval op het fietspad leek het shirt eerder echter grijs van kleur. (…)

(pagina 10)

De fiets die [verdachte] bij zich had kan ik als volgt omschrijven:

Merk : Batavus

Type : Florence

Kleur : groen

Bijzonderheden : Damesfiets, lichtgrijze fietstassen aan beide kanten van bagagedrager, handremmen, gebogen stuur (model omafiets)

(…)

Ik heb op de website www.looptijden.nl/route opgezocht wat de afstand is van het

[adres 3] ( [locatie] ) naar de [locatie] (ter hoogte van locatie van aanhouding). Volgens deze website betreft de afstand tussen deze twee locaties 0.9 kilometer. Een schermafdruk van deze route wordt bij dit proces-verbaal gevoegd.

4

Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 januari 2018 (inclusief fotobijlagen) met proces-verbaalnummer PL2000-2017229l43-18 (19 pagina’s), los toegevoegd aan het dossier, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

(pagina 1)

Ik stelde een onderzoek in op deze locatie om te bekijken of het lood wat op 22 september 2017 in beslag werd genomen bij verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1984 te [geboorteplaats] , woonachtig aan het [adres 4] , afkomstig is van het dak van voornoemd adres ( [adres 3] ).

(…)

Het betreft een plat dak boven [locatie] , [adres 5] , en een schuin pannendak boven de berging van [locatie] . Ik zag dat de er langs verschillende delen van de dakrand lood was weggesneden.

Ik had het inbeslaggenomen lood meegenomen naar de locatie (zie foto 1). Ik zag dat er op één van deze stukken lood een groen etiket geplakt zat. Ik zag dat er op dit etiket met zwarte letters gedrukt stond: UM UNION MINIERE.

Ik ben vervolgens op het dak boven de [locatie] geklommen en ben langs de dakrand gelopen om te kijken of ik eenzelfde soort etiket tegen kwam. Ongeveer halverwege zag ik op een stuk lood precies hetzelfde groene etiket.

Ik heb het stuk lood met het groene etiket wat bij de verdachte in beslag was genomen erbij gepakt en heb de etiketten met elkaar vergeleken. Ik zag dat het om precies dezelfde etiketten ging. Ik zag dat de etiketten dezelfde afmeting (breedte), kleur, opdruk, en logo hadden (zie foto 13).

Bewijsoverwegingen

Algemene bewijsoverweging

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Bijzondere bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde, nu een alternatief scenario, inhoudende dat een ander het daklood heeft weggenomen, niet kan worden uitgesloten. Daartoe is – kort weergegeven – aangevoerd dat het signalement dat getuige [getuigen] heeft gegeven met betrekking tot de kleding van de persoon die hij heeft waargenomen, niet overeenkomt met de kleding van de verdachte bij zijn aanhouding. Ook de witte fietstassen aan het stuur van de fiets, waarover getuige [getuigen] heeft verklaard, zijn niet aangetroffen bij de aanhouding van de verdachte. Bovendien heeft getuige [getuigen] verklaard dat hij een zwarte fiets heeft gezien terwijl de fiets van de verdachte groen is. Ten slotte is er bij de verdachte geen gereedschap aangetroffen, aldus de verdediging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof is van oordeel dat het van de verdachte gegeven signalement door getuige [getuigen] in overwegende mate overeenkomt met het signalement van de verdachte bij diens aanhouding. Zo was de verdachte een blanke man van ongeveer 30 jaar oud met een tenger postuur en reed hij op een fiets met lomp haaks stuur met aan de achterzijde grijze fietstassen (een omafiets).

Dat getuige [getuigen] heeft verklaard dat de verdachte donkere kleding droeg en een zwarte fiets had, terwijl bij de aanhouding van de verdachte bleek dat de verdachte naast een blauwe spijkerbroek een lichtrood t-shirt droeg en een groene fiets had, doet daar niet aan af. Het hof is van oordeel dat dit slechts ondergeschikte verschillen zijn. Immers, zowel de kleur van de kleding als de kleur van de fiets van de verdachte, kunnen anders lijken dan de daadwerkelijke kleuren, omdat het ten tijde van de diefstal donker was, terwijl getuigen in het algemeen niet alles correct waarnemen en/of zich niet alles kunnen herinneren.

Het verweer dat bij de verdachte geen witte plastic tas aan het stuur van zijn fiets is aangetroffen, alsmede dat hij geen gereedschap bij zich had, acht het hof eveneens geen beletsel voor de vaststelling dat de verdachte dezelfde persoon is als de persoon waarover getuige [getuigen] heeft verklaard. Getuige [getuigen] heeft verklaard dat hij op 22 september 2017 omstreeks 22.00 uur de persoon heeft waargenomen die hij iets in een tas zag stoppen. De verdachte is uiteindelijk rond 22.26 aangehouden. Niet uitgesloten is dat de verdachte tussentijds de tas en/of eventueel gereedschap heeft weggebracht naar zijn huis. De verdachte woont immers zelf ook aan het [adres 3] . Bovendien werd hij – zoals verbalisant [verbalisant 1] verklaard heeft – op slechts 900 meter van de plaats van het misdrijf aangehouden. Die afstand kan per fiets in enkele minuten worden afgelegd, zodat de verdachte voldoende tijd heeft gehad om langs huis te gaan.

De verdachte heeft in het politieverhoor d.d. 23 september 2017 verklaard dat hij het bij hem aangetroffen lood thuis opgespaard had van zijn werk en dat hij het naar een vriend van hem bracht om daar geld voor te krijgen. Verdachte heeft de naam van deze vriend echter niet willen noemen. Ook kan de verdachte niet vertellen waar hij gewerkt heeft, anders dan dat hij via een uitleenbureau heeft gewerkt. Het hof is gelet hierop van oordeel dat het alternatieve scenario niet concreet en verifieerbaar is, terwijl het dat heel gemakkelijk had kunnen zijn, zodat het – mede in het licht van de bewijsmiddelen – ongeloofwaardig is.

De hiervoor vermelde feiten en omstandigheden acht het hof redengevend voor het oordeel dat de verdachte het daklood heeft weggenomen.

Het hof verwerpt het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

De verdediging heeft verzocht dat het hof bij de strafoplegging rekening zal houden met de volgende – kort weergegeven – omstandigheden. Het betreft een oud feit en er is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Ook is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht meermalen van toepassing in verband met eerder aan de verdachte opgelegde straffen sinds de pleegdatum van het onderhavige feit. Ten slotte staat de verdachte onder bewind, is hij zijn baan verloren en is hij bereid om een taakstraf uit te voeren, aldus de verdediging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van daklood op twee verschillende momenten. Hiermee heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op andermans eigendomsrecht en overlast en hinder veroorzaakt voor de eigenaren. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij slechts oog heeft gehad voor zijn eigen financiële gewin en dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.

Het hof heeft bij de strafoplegging ten nadele van de verdachte acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 april 2021, betreffende het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij meermalen eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van (gekwalificeerde) diefstal.

Voorts heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en hetgeen dienaangaande ter terechtzitting is aangevoerd.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Gelet op het vorengaande is het hof dan ook van oordeel dat in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken passend en geboden is.

Ten slotte heeft het hof in aanmerking genomen dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is, onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

In dat kader heeft het hof het volgende geconstateerd.

De redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op 19 januari 2018 met het instellen van hoger beroep door de officier van justitie. Het hof wijst arrest op 23 juni 2021. De behandeling in hoger beroep is daarom niet afgerond met een einduitspraak binnen 24 maanden na aanvang van de redelijke termijn. Gelet hierop stelt het hof vast dat de redelijke termijn met ongeveer 17 maanden is overschreden. Van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding kunnen rechtvaardigen is niet gebleken.

Zonder schending van de redelijke termijn zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken passend en geboden zijn geweest. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, zal het hof de verdachte echter veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.

Vordering benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 1]

Het hof is van oordeel dat de behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 1] , elk ter zake van € 3.932,50 aan materiële schade, een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, reeds omdat de desbetreffende vorderingen een nadere onderbouwing behoeven. Voorts is het hof niet duidelijk geworden welke benadeelde partij haar vordering in hoger beroep heeft gehandhaafd, nu slechts één wensenformulier ingevuld is geretourneerd terwijl in eerste aanleg zowel het wensenformulier voor [benadeelde 1] als het wensenformulier voor de [benadeelde 2] , is getekend door [benadeelde 1] . Ten slotte is ter zake van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] , niet vast komen te staan dat de heer [benadeelde 1] bevoegd is de [benadeelde 2] te vertegenwoordigen. Gelet op het vorengaande kunnen de benadeelde partijen niet in hun respectievelijke vorderingen worden ontvangen en kunnen zij hun vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde 1] in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde 2] in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door:

mr. S.V. Pelsser, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. Ch.N.G.M. Starmans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. Vulto, griffier,

en op 23 juni 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, district Hart van Brabant, basisteam Leijdal, registratienummer PL2000-2017229143, afgesloten d.d. 29 december 2017 door verbalisant [verbalisant 2] , hoofdagent van politie Eenheid Zeeland-West-Brabant (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 36). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

Dossierpagina 25.

Dossierpagina 25.

Dossierpagina 25.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature