< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

leaseauto geen onvoorwaardelijke arbeidsvoorwaarde, geen reden aanvullende vergoeding

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.278.684/01

arrest van 12 oktober 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. D.C.W.J. Verstraten te Breda,

tegen

Vodafone Libertel B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Vodafone,

advocaat: mr. C. Nekeman te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 17 april 2020 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 22 januari 2020, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellant] als eiser en Vodafone als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 7712711 CV EXPL 19-3051)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep;

de memorie van grieven met een productie;

de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In de kern gaat deze zaak om het volgende. [appellant] heeft in 2005 een leaseauto ter beschikking gekregen van zijn werkgever. Per 1 januari 2019 heeft hij de leaseauto op verzoek van Vodafone ingeleverd. [appellant] stelt dat hij de auto ten onrechte moest inleveren.

3.2.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. [appellant] is op 1 april 1985 met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst getreden van de rechtsvoorganger van Vodafone, Ericsson.

b. In het personeelshandboek van Ericsson werd over het ter beschikking stellen van leaseauto's onder art. 2.8.1. - voor zover hier relevant - het volgende vermeld:

“toekenning van een bedrijfsauto (hieronder wordt verstaan; bestelauto, bestelbus, standaardwagen) vindt uitsluitend plaats indien voldaan wordt aan een van de onderstaande normen:

1. De functie vereist een dermate grote hoeveelheid aan materiaal en gereedschappen, dat deze niet in een standaard personenwagen passen. In dit geval zal op functionele basis (voorwaarde FF of voorwaarde FB) een bedrijfswagen worden toegekend:

2. Op jaarbasis wordt er meer dan 20.000 zakelijke kilometers gereden (exclusief woon-werk verkeer). Hiervan dient een specificatie te worden overgelegd zowel bij aanvraag als tijdens gebruik. In dit geval zal op kilometer basis (voorwaarde KM) een bedrijfswagen worden toegekend;

3. Op basis van individuele afspraken welke nadrukkelijk zijn opgenomen in het arbeidscontract. kan het gebruik van een bedrijfswagen worden overeengekomen. In dit geval zal op arbeidsvoorwaardelijke basis (voorwaarde A.) een bedrijfswagen worden toegekend.

Indien een medewerker niet meer aan een van de bovengenoemde toekenningscriteria voldoet, komt de bedrijfsauto te vervallen. Hierbij geldt een overgangsregeling van 1 jaar. Gedurende deze periode heeft medewerker recht op een vergelijkbare bedrijfswagen.”

c. Daarnaast waren op [appellant] de zogeheten Aanvullende Regelingen ENN-ETM (van Ericsson) van toepassing, waarvan artikel 4.2. - voor zover relevan t - als volgt luidt:

“4.2. Leaseregeling

Dit artikel is in aanvulling op artikel 2.8. 1 uit het Personeelshandboek ENN.

Deze leaseregeling is van toepassing op de medewerkers welke een lease-auto mee overnemen vanuit ETM en is van toepassing op desbetreffende lease-auto. Voor nieuwe lease-auto's geldt de regeling zoals beschreven in het Personeelshandboek ENN.

4.2.1

Toekenningscriteria

Toewijzing van een bedrijfsauto vindt, met goedkeuring van de werkgever plaats op basis van één van de volgende 3 criteria:

1. Functiefamilie en aanvullende criteria, of

2. 12.000 zakelijke kilometers of meer per jaar, of

3. Loopbaanontwikkeling.”

d. [appellant] heeft bij Ericsson verschillende functies vervuld. Sinds 1 juli 2005 is hij werkzaam als RAN Engineer. Een paar weken later, vanaf 29 juli 2005, heeft hij van Ericsson de beschikking gekregen over een leaseauto. Ericsson heeft [appellant] schriftelijk bevestigd dat hij een eigen bijdrage zou gaan betalen in verband met privégebruik van de leaseauto met daarbij de vermelding van het toekenningscriterium: 12.000 zakelijke kilometers of meer per jaar (zie hierboven onder c).

e. Op 1 april 2013 is Ericsson overgenomen door Vodafone. Voorafgaand aan de overname heeft Ericsson [appellant] geschreven dat door de overgang naar Vodafone alle bestaande rechten en plichten automatisch mee overgaan. Ericsson heeft daarbij [appellant] toegestuurd: een overzicht “ter verificatie van de individuele arbeids-voorwaarden voordat wij deze definitief naar Vodafone sturen. Wij verzoeken je dan ook deze goed door te nemen en ons voortijdig te wijzen op eventuele misverstanden.”. Op dit overzicht stond: “Leasewagen criterium KM”. [appellant] heeft hierop niets laten weten aan Ericsson. In de daaropvolgende schriftelijke arbeidsovereenkomst met Vodafone staat dat [appellant] als gevolg van overgang van onderneming in dienst is gekomen. Over de leaseauto is het volgende opgenomen: “Werknemer heeft thans de beschikking over een leaseauto, werknemer zal voor de duur van zijn huidige leasecontract deze leaseauto behouden. Na afloop van dit contract wordt opnieuw bepaald of werknemer in aanmerking komt voor een leaseauto. Voor de regeling wordt verwezen naar de Arbeidsvoorwaarden.”

f. Per 1 januari 2015 is de functie van [appellant] gewijzigd naar Access Transmission Design Engineer met behoud van zijn arbeidsvoorwaarden.

g. In 2017 is Vodafone gaan samenwerken met Ziggo . Bij brief van 13 april 2018, met briefhoofd van Vodafone én Ziggo, is aan [appellant] medegedeeld dat zijn formele werkgever Vodafone Libertel B.V. blijft en dat er een besluit is genomen over de voorgenomen wijziging in de organisatiestructuur en het locatiebeleid. Verder is medegedeeld dat zijn huidige arbeidsvoorwaarden vooralsnog ongewijzigd blijven en dat de verwachting is dat er later in het jaar harmonisatie zal plaatsvinden.

h. In de brief van 12 november 2018 van Vodafone aan [appellant] staat het volgende:

“Conform de gemaakte afspraken bevestigen wij jou de volgende wijzigingen in jouw arbeidsovereenkomst (…) met ingang van 1 november 2018.

In de verschillende e-mails en interne berichten op intranet heb je kunnen lezen dat VodafoneZiggo vanaf oktober 2018 een nieuw mobiliteitsbeleid heeft. Daarbij is duidelijk gekozen voor meer OV en wordt het recht op een leaseauto beperkt tot mensen met een ambulante functie. Vastgesteld is dat jouw functie niet ambulant is. volgens de vanaf nu geldende criteria zoals je hieronder in de toelichting kunt lezen.

Toelichting

De toekenning van een leaseauto gebeurt op basis van noodzakelijkheid voor de uitoefening van jouw functie. Je komt in aanmerking voor een leaseauto als jouw functie aan een van onderstaande criteria voldoet. Dit is het geval als:

• Je een buitendienstfunctie hebt waarbij je (zware. grote) materialen en/of

gereedschappen vervoert: of,

• Je een functie hebt die vanuit de bedrijfsvoering met zich meebrengt dat jij,

op meerdere dagen per week, verschillende locaties op één dag bezoekt. Dit

betreft externe locaties en/of andere VodafoneZiggo locaties dan je

standplaats; of,

• Je een functie hebt waarin je op onverwachte momenten op technische

locaties of in het veld aanwezig moet zijn om de bedrijfscontinuïteit te

waarborgen. De Executive Director HR en de Director Reward bepalen

welke functies in deze categorie vallen.

Er is door HR, in overleg met het management van de verschillende teams een lijst samengesteld met de functies die als ambulant beschouwd worden op basis van deze criteria. Jouw functie staat niet op deze lijst.

Wat betekent dit voor jou?

Jij rijdt nu een leaseauto die je op functionele gronden hebt gekregen. Als onderdeel van het nieuwe mobiliteitsbeleid is voor jou een overgangsregeling van toepassing. De overgangsregeling houdt het volgende in: Jij rijdt het contract van je huidige leaseauto uit tot het einde van de looptijd, in jouw geval officieel tot 1 november 2018. Echter met jou is afgesproken dat je tot 1 januari 2019 de lease-auto mag uitrijden. Mocht je de huidige lease-auto niet kunnen behouden, dan mag je gebruik maken van een huur/poolauto tot 1 januari 2019.”

i. Op grond van de nieuwe mobiliteitsregeling van Vodafone is aan [appellant] de navolgende drie keuzemogelijkheden geboden:

Optie 1 Volledig OV. De medewerker krijgt een 1e klas NS Businesscard, die ook privé gebruikt mag worden. Voor zakelijke reizen die slecht met OV bereikbaar zijn, mag een deelauto gebruikt worden en worden parkeerkosten vergoed;

Optie 2 Vooral OV. De medewerker krijgt een NS Businesscard voor het woon-werktraject op basis van 2e klas, die op dat traject ook privé gebruikt mag worden. Voor het deel van het woon-werkverkeer dat de medewerker met eigen vervoer reist krijgt de medewerker € 0,19 per kilometer vergoed plus eventuele kosten van parkeren bij de P+R. Voor zakelijke reizen mag 1e klas per OV gereisd worden of wordt voor eigen vervoer € 0,19 per kilometer vergoed.

Optie 3 Flexibel OV. De medewerker reist met het OV met de NS Businesscard op basis van 2e klas. Woon­werkverkeer dat per eigen vervoer wordt afgelegd, wordt vergoed tegen € 0,19 per kilometer. Zakelijk reizen mag per OV 1e klas of per eigen vervoer tegen € 0,19 per kilometer.

j. Als onderdeel van de nieuwe mobiliteitsregeling ontvangt [appellant] tot uiterlijk 15 oktober 2025 maandelijks een mobiliteitsvergoeding van € 800,00 bruto.

k. [appellant] heeft zijn leaseauto per l januari 2019 ingeleverd.

3.3.1.

In de onderhavige procedure vordert [appellant] primair voor recht te verklaren dat - kort gezegd - het ter beschikking stellen van een leaseauto een arbeidsvoorwaarde is en dat het eenzijdig wijzigen van die voorwaarde niet rechtsgeldig is en Vodafone te veroordelen binnen 48 uur na betekening van dit vonnis weer een vergelijkbare leaseauto ter beschikking te stellen.

Voor het geval geoordeeld wordt dat geen sprake is van een arbeidsvoorwaarde vordert [appellant] subsidiair veroordeling van Vodafone tot betaling van een billijke structurele vergoeding ter compensatie van het verlies van de leaseauto tot aan het moment dat het dienstverband eindigt.

In beide gevallen vermeerderd met een vergoeding van buitengerechtelijke kosten en betaling van de proceskosten en nakosten met rente.

3.3.2.

Aan deze vordering heeft [appellant] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Volgens [appellant] is het ter beschikking stellen van een leaseauto een arbeidsvoorwaarde geworden. Hij heeft gerechtvaardigd erop mogen vertrouwen dat de leaseauto een (onvoorwaardelijke) arbeidsvoorwaarde was. Die voorwaarde had Vodafone niet eenzijdig mogen wijzigen. Er is volgens hem geen sprake van een zodanig zwaarwichtig belang aan de zijde van Vodafone dat het belang van [appellant] bij gebruik van de leaseauto daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.

3.3.3.

Vodafone heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.3.4.

In het eindvonnis heeft de rechtbank - samengevat - geoordeeld dat de leaseauto aan [appellant] is verstrekt onder de specifieke en functionele voorwaarde dat er voldoende zakelijke kilometers worden gereden. Dat Ericsson alleen in 2009 en in 2010 gecontroleerd heeft of [appellant] aan dat criterium heeft voldaan, brengt op zichzelf nog niet de conclusie met zich dat reeds daarmee bij [appellant] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat het ter beschikking stellen van een leaseauto een onvoorwaardelijke arbeidsvoorwaarde is geworden. [appellant] had redelijkerwijs moeten begrijpen dat aan de verstrekking van de leaseauto op enig moment een einde aan kon komen. Dat Vodafone er op enig moment voor heeft gekozen de toekenning van een leaseauto af te laten hangen van de noodzakelijkheid daarvan voor de uitoefening van iemands functie is geenszins onredelijk en onweersproken staat vast dat [appellant] niet aan de criteria zoals genoemd in de brief van 12 november 2018 voldoet. De primaire vordering komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking. Ook de subsidiaire vordering wordt niet toegewezen omdat daar geen separate grondslag voor is gesteld, nog daargelaten dat Vodafone met haar mobiliteitsregeling [appellant] een alleszins redelijk alternatief heeft geboden voor zowel zijn zakelijke als privéreizen en daarnaast aan [appellant] maandelijks een mobiliteitsvergoeding van € 800,00 bruto heeft toegekend. Op grond daarvan heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen, tot terugbetaling van hetgeen reeds is betaald uit hoofde van het vonnis en betaling van de proceskosten in beide instanties (waaronder de nakosten).

3.5.1.

Het hof zal eerst grief I behandelen. [appellant] betoogt daarbij dat hij gerechtvaardigd erop heeft mogen vertrouwen dat het ter beschikking stellen van een leaseauto een (onvoorwaardelijke) arbeidsvoorwaarde was. Ook nadat Ericsson door Vodafone werd overgenomen, per 1 april 2013, heeft [appellant] de beschikking gehad over een leaseauto. Echter, vanaf de ingangsdatum van deze arbeidsovereenkomst voldeed [appellant] al niet aan de betreffende toekenningsgronden. Ondanks dat [appellant] niet aan deze criteria voldeed, heeft Vodafone [appellant] altijd een leaseauto ter beschikking gesteld. In de praktijk werd hier dan ook niet aan getoetst. Ook bij Ericsson werd in de praktijk niet getoetst of [appellant] voldeed aan gestelde criteria en op basis daarvan recht zou hebben op een leaseauto. Ter controle heeft [appellant] twee keer zijn aantal kilometers op moeten geven, hetgeen beide keren een formaliteit was. Omwille van het voorgaande zijn de voorgaande toekenningsgronden niet (meer) van belang. In dit kader heeft [appellant] (onder meer) de volgende omstandigheden aangevoerd: (1) sinds 29 juli 2005 heeft [appellant] onafgebroken de beschikking gehad over een leaseauto; (2) [appellant] heeft de leaseauto altijd privé gebruikt; (3) [appellant] heeft een groot financieel belang bij een leaseauto; (4) [appellant] heeft, zonder vragen over het zakelijke gebruik, altijd een leaseauto toegekend gekregen.

3.5.2.

Het hof overweegt dat de vraag wanneer uit een door de werkgever jegens de werknemer gedurende een bepaalde tijd gevolgde gedragslijn voortvloeit dat sprake is van een tussen partijen geldende (de arbeidsovereenkomst aanvullende) arbeidsvoorwaarde, zich niet in algemene zin laat beantwoorden. Het komt aan op de zin die partijen aan elkaars gedragingen (en in verband daarmee staande verklaringen) hebben toegekend en in de gegeven omstandigheden daaraan redelijkerwijs mochten toekennen. In dit verband komt betekenis toe aan gezichtspunten als (i) de inhoud van de gedragslijn, (ii) de aard van de arbeidsovereenkomst en de positie die de werkgever en de werknemer jegens elkaar innemen, (iii) de lengte van de periode gedurende welke de werkgever de desbetreffende gedragslijn heeft gevolgd, (iv) hetgeen de werkgever en de werknemer in verband met deze gedragslijn jegens elkaar hebben verklaard of juist niet hebben verklaard, (v) de aard van de voor- en nadelen die voor de werkgever en de werknemer uit de gedragslijn voortvloeien, en (vi) de aard en de omvang van de kring van werknemers jegens wie de gedragslijn is gevolgd (ECLI:NL:HR:2018:976, rov. 4.3.3. FNV/Pontmeyer).

3.5.3.

Het hof constateert allereerst dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij een relatief grote werkgever. Of in het voordeel van [appellant] is dat hij gedurende lange tijd - 13,5 jaar - de beschikking heeft gehad over een leaseauto die hij ook privé mocht gebruiken, is afhankelijk van de overige omstandigheden van het geval en is in belangrijke mate afhankelijk van de inhoud van de gedragslijn ten aanzien van de leaseauto en hetgeen de werkgever en de werknemer daarover hebben verklaard. Ten aanzien van deze inhoud van de gedragslijn overweegt het hof dat duidelijk is dat [appellant] de leaseauto toegekend heeft gekregen, omdat hij meer zakelijke kilometers reed dan 12.000 km per jaar. Ericsson heeft deze kilometers gedurende de eerste jaren van het dienstverband twee keer gecontroleerd. Daarna heeft geen controle meer plaatsgevonden. Anders dan [appellant] verbindt het hof daar echter niet de conclusie aan dat daarmee de voorwaarde van de zakelijke kilometers is vervallen. Verder is van belang dat Ericsson voor de overname door Vodafone aan [appellant] heeft bevestigd dat het leaseauto-criterium gebaseerd was op kilometers. Vodafone heeft vervolgens bevestigd dat de arbeidsvoorwaarden zijn overgegaan en tevens medegedeeld dat [appellant] voor de duur van zijn huidige leasecontract deze leaseauto zal behouden. Tevens is medegedeeld dat na afloop van dit contract opnieuw wordt bepaald of hij in aanmerking komt voor een leaseauto. [appellant] heeft hiertegen niet geprotesteerd. In april 2018 heeft Vodafone in het kader van het samengaan met Ziggo aan [appellant] medegedeeld dat zijn huidige arbeidsvoorwaarden vooralsnog ongewijzigd blijven en dat de verwachting is dat er later in het jaar harmonisatie zal plaatsvinden. Deze harmonisatie in het nieuwe mobiliteitsbeleid en de gevolgen daarvan zijn vervolgens kenbaar gemaakt aan [appellant] bij voornoemde brief van november 2018 (zie rov. 3.2. onder h). Uit dit alles trekt het hof de conclusie dat Vodafone bij herhaling heeft gecommuniceerd dat het verstrekken van de leaseauto aan voorwaarden was gebonden. [appellant] heeft naar aanleiding van die communicatie niet aan Vodafone laten weten dat hij daarover een andere mening had, hoewel hij daartoe – in één geval zelfs uitdrukkelijk door Ericsson – wel is uitgenodigd (zie rov. 3.2. onder e). Hierbij hecht het hof ook belang aan het feit dat de ondernemingsraad heeft ingestemd met het nieuwe mobiliteitsbeleid, waarbij dit beleid evenzeer voor [appellant] gold als voor alle andere werknemers van Vodafone, waaronder ook collega’s afkomstig van Ericsson.

Partijen twisten over de omvang van het nadeel voor [appellant] door de beleidswijziging. Het hof overweegt dat de precieze omvang van het nadeel in het midden kan blijven. Als het hof er veronderstellenderwijs van uitgaat dat [appellant] zijn nadeel goed heeft becijferd, dan constateert het hof dat Vodafone zijn nadeel voldoende heeft gecompenseerd door de toegekende overgangsregeling (zie rov 3.2.onder i en j). Immers niet is vereist dat een werknemer al het nadeel vergoed krijgt in de onderhavige omstandigheden.

Alles afwegende komt het hof dan ook tot dezelfde conclusie als de kantonrechter dat geen sprake is van een onvoorwaardelijke of (in de woorden van de Hoge Raad:) de arbeidsovereenkomst aanvullende arbeidsvoorwaarde ten aanzien van de leaseauto voor [appellant] . Dit betekent dat grief I niet slaagt.

3.6.1.

Met grief II heeft [appellant] betoogd dat de compensatie die hij heeft gekregen van Vodafone geen redelijk alternatief vormt voor zijn financiële verlies. De bruto mobiliteitsvergoeding dekt de kosten die [appellant] momenteel moet maken slechts gedeeltelijk.

3.6.2.

Zoals het hof al heeft overwogen bij de behandeling van de eerste grief, is niet vereist dat [appellant] volledig wordt gecompenseerd voor zijn verlies. Naar het oordeel van het hof is de door Vodafone aangeboden compensatie passend. Als onderdeel van de nieuwe mobiliteitsregeling ontvangt [appellant] immers tot uiterlijk 15 oktober 2025 maandelijks een mobiliteitsvergoeding van € 800,00 bruto. Nu [appellant] niet nader heeft onderbouwd waarom verdere compensatie in zijn geval toch noodzakelijk is, faalt ook deze grief.

3.7.

De derde grief heeft naast de vorige grieven geen zelfstandige betekening en behoeft daarom geen bespreking.

3.8.

Het bewijsaanbod van [appellant] wordt gepasseerd omdat dit niet is toegesneden op een of meer stellingen die tot een ander oordeel kunnen leiden.

3.9.

De slotsom luidt dat de grieven tevergeefs zijn voorgedragen, dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd, en dat [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep van Vodafone. Deze kosten zullen worden begroot voor het salaris advocaat op een bedrag van € 1.114,00 (1 punt x tarief II € 1.114,00).

4 De uitspraak

Het hof:

4.1.

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Limburg, locatie Maastricht van 22 januari 2020;

4.2.

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Vodafone vastgesteld op € 1.114,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief,

4.3.

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 163,00, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 85,00 in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

4.4.

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het betreft de hierin vermelde proceskostenveroordelingen;

4.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.K.N. Vos, O.G.H. Milar en A. van Zanten-Baris en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 oktober 2021.

griffier rolraadsheer


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature