< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Deskundigenbericht over de vraag of werknemer in staat was zijn werk te verrichten; Arbeidsrecht WWZ.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 28 januari 2021

Zaaknummer : 200.267.430/01

Zaaknummer eerste aanleg : 7826956 AZ VERZ 19-59

in de zaak in hoger beroep van:

[werknemer] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [werknemer] ,

advocaat: mr. J.J.M. Goltstein te Kerkrade,

tegen

[B.V.] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna aan te duiden als [werkgever] ,

advocaat: mr. B.J. Bloemendal te Bergeijk,

als vervolg op de tussenbeschikking van 16 juli 2020.

5 Het verdere verloop van de procedure

5.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de akte uitlating van [werknemer] , ingekomen op 8 september 2020;

- de akte uitlating benoemen deskundige van [werkgever] , ingekomen op 1 oktober 2020;

- de antwoordakte van [werknemer] met twee producties, ingekomen op 16 oktober 2020;

- de antwoordakte van [werkgever] , ingekomen op 27 oktober 2020.

5.2.

Het hof heeft vervolgens de uitspraak bepaald op heden.

6 De verdere beoordeling

6.1.

Bij de tussenbeschikking heeft het hof overwogen dat een deskundigenonderzoek noodzakelijk is en dat het hof voornemens is om een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige als deskundigen te benoemen en hen de onder 3.14 in de tussenbeschikking weergegeven vragen voor te leggen.

6.2.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het aantal, de deskundigheid en - bij voorkeur eensluidend – de persoon van de te benoemen deskundigen, alsmede suggesties te doen over de aan de deskundigen te stellen vragen.

6.3.

[werknemer] geeft te kennen dat tenminste een psychiater en een psycholoog tot deskundige benoemd worden.

6.4.

[werkgever] stelt voor om [naam] te benaderen om in overleg met deze organisatie een verzekeringsarts te benoemen die zich specifiek richt op psychiatrische en/of psychologische aandoeningen mede ook gerelateerd aan het gebruik van cannabis. [werkgever] stelt tevens voor om eerst een verzekeringsarts te benoemen en eventueel later pas een arbeidsdeskundige, omdat niet uitgesloten kan worden dat de verzekeringsarts geen benutbare arbeidsmogelijkheden vaststelt.

6.5.

Over de te stellen vragen hebben partijen geen nadere opmerkingen gemaakt.

6.6.

Het hof zal [werkgever] volgen in haar voorstel om allereerst het deskundigenadvies van een verzekeringsarts in te winnen alvorens eventueel een arbeidsdeskundige te benoemen.

Het valt immers niet uit te sluiten dat de verzekeringsarts reeds op grond van de eigen expertise tot de conclusie zou kunnen komen dat er geen benutbare arbeidsmogelijkheden waren voor [werknemer] , zodat kosten voor een arbeidsdeskundige mogelijk onnodig worden gemaakt.

6.7.

Het hof zal het verzoek van [werkgever] om tenminste een psychiater of een psycholoog te benoemen tot deskundige afwijzen. De vraag of iemand (voor een beperkt aantal uur) in staat is zijn eigen werk te verrichten, is een vraag die specifiek behoort tot het vakgebied van verzekeringsartsen. Bij de benoeming van de persoon van de deskundige heeft het hof rekening gehouden met voldoende deskundigheid in psychiatrische problematiek.

6.8.

In de tussenbeschikking heeft het hof de volgende vragen voorgesteld:

Was [werknemer] op 1 maart 2019 in staat zijn eigen werk voor vier uur per dag te verrichten?

Indien deze vraag met nee wordt beantwoord, voor hoeveel uur kon [werknemer] op 1 maart 2019 zijn eigen werk verrichten of was hij volledig arbeidsongeschikt?

Is (de mate van) arbeids(on)geschiktheid gewijzigd in de periode van 2 maart 2019 tot en met 10 juni 2019 en zo ja hoe?

Heeft u voor het overige nog opmerkingen waarvan u het zinvol acht dat het hof daarvan kennis neemt?

6.9.

Het hof heeft deze vragen opgesteld, ervan uitgaande dat een gezamenlijke opdracht zou worden verstrekt aan een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige. Gelet op de terechte opmerking van [werkgever] dat dit wellicht tot onnodige kosten leidt, zal het hof deze vragen handhaven, maar de te benoemen deskundige daarbij het volgende in overweging geven.

De deskundige dient (vooralsnog) de vragen te beantwoorden zonder raadpleging van een arbeidsdeskundige. Het hof ziet daartoe (vooralsnog) mogelijkheid gelet op het feit dat twee beoordelingen van een bedrijfsarts en een deskundigenbeoordeling van het UWV reeds hebben plaatsgevonden. De reden om een deskundige te benoemen is met name daarin gelegen dat bij die beoordelingen geen rekening is gehouden met informatie uit de behandelend sector. Dat zal alsnog moeten gebeuren. De deskundige zal met name moeten bezien of de informatie van de behandelend sector aanleiding had moeten geven voor een ander oordeel door de bedrijfsarts en/of deskundige van het UWV. Wanneer de deskundige het noodzakelijk acht dat een arbeidsdeskundige wordt benoemd, dan dient de deskundige dat in zijn rapport aan te geven.

6.10.

De deskundige wordt gewezen op het in artikel 7:464 lid 2 aanhef en onder sub b BW neergelegde inzage- en blokkeringsrecht van [werknemer] . Dit recht houdt in dat de deskundige [werknemer] in de gelegenheid moet stellen mede te delen of hij de uitslag en de gevolgtrekking van het onderzoek wenst te vernemen en zo ja, of hij daarvan als eerste kennis wenst te nemen teneinde te kunnen beslissen of daarvan mededeling aan anderen wordt gedaan. De deskundige wordt verzocht in het rapport te vermelden of, en zo ja op welke wijze, hij/zij aan deze verplichting heeft voldaan.Voor de goede orde wijst het hof erop dat het krachtens het bepaalde in artikel 198 lid 3 jo. 284 jo. 362 Rv uit een gebrek aan medewerking van één van partijen de gevolgtrekking kan maken die het geraden acht.

6.11.

Voor de volledigheid wijst het hof er voorts op dat gegevens die door de ene partij aan de deskundige worden verschaft, tegelijkertijd in afschrift of ter inzage worden verstrekt aan de wederpartij. Dit geldt echter niet onverkort voor medische gegevens die aan de deskundige worden verstrekt door de partij die eventueel gebruik kan maken van het blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7:464 lid 2, aanhef en onder b, BW. Deze partij is, met het oog op de eventuele uitoefening van haar blokkeringsrecht, in beginsel niet verplicht de door hem aan de deskundige verschafte medische gegevens tegelijkertijd aan de wederpartij in afschrift of ter inzage te verstrekken. Indien de partij die het genoemde blokkeringsrecht heeft, van dit recht geen gebruik maakt en het deskundigenbericht ter beschikking van de wederpartij wordt gesteld, dan is eerstgenoemde partij, indien de wederpartij het verlangt of op bevel van de rechter, alsnog verplicht alle door hem aan de deskundige verschafte medische gegevens aan de wederpartij in afschrift of ter inzage te verstrekken. Weigert hij dit te doen, zonder dat hij daartoe gewichtige redenen als bedoeld in artikel 22 Rv heeft aangevoerd welke door het hof gegrond zijn geoordeeld, dan zal het hof uit die weigering de gevolgtrekking kunnen maken die hij geraden acht.

6.12.

Het hof bepaalt het voorschot op de kosten van de (thans als eerste te benoemen) deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van € 7.840,80 inclusief btw (€ 6.480,- excl btw). Het hof zal het voorschot ten laste van [werkgever] brengen. Het hof verwijst naar r.o. 3.15 van zijn tussenbeschikking van 16 juli 2020. Het hof ziet in het gestelde onder 5 in de akte uitlating benoeming deskundige van [werkgever] onvoldoende aanleiding om anders te beslissen.Indien de deskundige voorziet dat de kosten hoger gaan uitvallen dan het begrote bedrag dient daartoe vooraf, met begroting van de meerkosten, schriftelijk toestemming van het hof te worden verkregen.In de eindbeschikking zal een definitieve beslissing worden genomen over de betaling van de kosten van de deskundigen.

7 De beslissing

Het hof:

7.1.

bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht naar de volgende vragen:

Was [werknemer] op 1 maart 2019 in staat zijn eigen werk voor vier uur per dag te verrichten?

Indien deze vraag met nee wordt beantwoord, voor hoeveel uur kon [werknemer] op 1 maart 2019 zijn eigen werk verrichten of was hij volledig arbeidsongeschikt?

Is (de mate van) arbeids(on)geschiktheid gewijzigd in de periode van 2 maart 2019 tot en met 10 juni 2019 en zo ja hoe?

Heeft u voor het overige nog opmerkingen waarvan u het zinvol acht dat het hof daarvan kennis neemt?

7.2.

benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vragen:

Drs. R. den Hollander, verzekeringsarts,

verbonden aan het DC Expertise Centrum[adres][postcode] [plaats] telefoonnummer [telefoonnummer]

7.3.

bepaalt dat de deskundige in zijn rapport in aanmerking neemt hetgeen in 6.9 is overwogen;

7.4.

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking en de tussenbeschikking van 16 juli 2020 aan de deskundige toezendt;

7.5.

bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van deze beschikking (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

7.6.

bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek begint nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;

7.7.

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek – en ten aanzien van de conceptrapportage – partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;

7.8.

verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;

7.9.

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;

7.10.

wijst de deskundige en partijen op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 6.10 en 6.11 is overwogen met betrekking tot het inzage- en blokkeringsrecht;

7.11.

bepaalt dat de deskundige in het rapport aangeeft welke medische gegevens zijn ontvangen, waaronder ook die welke weliswaar zijn ontvangen maar niet aan het deskundig oordeel ten grondslag zijn gelegd;

7.12.

bepaalt dat de deskundige in het rapport vermeldt of en zo ja op welke wijze is voldaan aan de verplichting om [werknemer] in de gelegenheid te stellen mede te delen of hij van zijn inzage- en blokkeringsrecht gebruik wenste te maken;

7.13.

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van € 7.840,80 inclusief btw, tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;

7.14.

bepaalt dat [werkgever] genoemd voorschot ad € 7.840,80 zal overmaken na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;

7.15.

verzoekt de deskundige, indien de kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten (zie rechtsoverweging 6.12.);

7.16.

benoemt mr. P.P.M. Rousseau tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffier (het Bureau Deskundigen van dit hof) dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

7.17.

bepaalt dat na het uitbrengen van het deskundigenbericht partijen in de gelegenheid zullen worden gesteld op het deskundigenbericht te reageren;

7.18.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.P.M. Rousseau, M. van Ham en R.J. Voorink en is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2021.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature