< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

uitleg testament

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.277.594/01

arrest van 27 juli 2021

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. G.G.J. van Kooten te Veldhoven,

tegen

1 Stichting Vrienden van Zorggroep Noord- en Midden-Limburg,gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als Stichting Vrienden,

advocaat: mr. H.M.P.A. Wolters te Venlo,

2. [executeur] q.q., i.z.h. als executeur in de nalatenschap van wijlen [erflater] ,wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

hierna aan te duiden als executeur,

advocaat: mr. Y.G.M.J. Breukers te Roermond,

3. [geïntimeerde sub 3] ,wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

niet verschenen,

4. [geïntimeerde sub 4] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

niet verschenen,

5. [geïntimeerde sub 5] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

niet verschenen,

6. [geïntimeerde sub 6],

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

niet verschenen,

op het bij exploten van dagvaarding van 2, 3 en 7 april 2020 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 8 januari 2020, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen de Stichting Vrienden als eiseres en [appellante] alsmede geïntimeerden 3 tot en met 6 als gedaagden en de executeur als derde-partij.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/258955 / HA ZA 19-6)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis van 8 januari 2020 en naar het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 31 juli 2019.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaardingen in hoger beroep;

de memorie van grieven met producties;

de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties van de Stichting Vrienden;

de memorie van antwoord van de executeur;

de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep van [appellante] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

Op [sterfdatum] 2018 is te [gemeente] [erflater] (hierna: erflater)

overleden. Erflater heeft bij testament van 15 mei 2012 “de Stichting Ondersteuningsfonds

Maria Auxiliatrix (voorheen genaamd Stichting Ondersteuningsfonds Venlose Verpleeghuizen (...) of diens rechtsopvolger” tot enig erfgenaam benoemd. Voorts heeft hij 10 procent van de saldi van zijn bankrekeningen gelegateerd aan zijn achterneef [achterneef] . Met betrekking tot de executele is in het testament onder meer opgenomen:

“Benoeming executeur

Ik benoem de (kandidaat-)notaris, werkzaam ten kantore van Riverdael Notarissen te

Venlo in de sectie personen- en familierecht, met het meeste aantal jaren praktijkervaring, tot executeur.”

Mr. [executeur] (geïntimeerde sub 2) heeft na het overlijden van erflater de benoeming tot executeur aanvaard.

3.1.2.

De doelstelling van de Stichting Ondersteuningsfonds Maria Auxiliatrix (hierna: stichting OMA), was in de statuten van die stichting (productie 6 bij inleidende dagvaarding) als volgt omschreven:

“De stichting heeft ten doel het verstrekken van uitkeringen casu quo aanvullende uitkeringen ter verwezenlijking van de doelstelling in de ruimste zin van de in de gemeente Venlo gevestigde instellingen: de verpleeghuizen D’n Horstgraaf, de Witte Steen, Blerick en het verzorgingshuis De vorstenheuvel respectievelijk het verstrekken van vermogensbestanddelen, welke tot verwezenlijking van deze doelstellingen bevorderlijk kunnen zijn, en voorts al hetgeen met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords.”

3.1.3.

Het vermogen en de activiteiten van de Stichting OMA zijn op 8 maart 2016 overgedragen aan de Stichting Vrienden die op 23 december 1998 is opgericht.

3.1.4.

De doelstelling van de Stichting Vrienden, is in de statuten van die stichting (productie 7 bij inleidende dagvaarding) als volgt omschreven:

“De stichting heeft ten doel het ondersteunen van de te Venlo gevestigde Stichting Zorggroep Noord- en Midden-Limburg in de meest ruime zin. De stichting tracht door haar activiteiten met name het welzijn en de gezondheid te bevorderen van de personen welke woonachtig zijn in het werkgebied van de Stichting Zorggroep Noord- en Midden-Limburg en voor hun zorg (deels) aangewezen zijn op de Stichting Zorggroep Noord- en Midden-Limburg.”

3.1.5.

Met betrekking tot de overdracht van het vermogen en de activiteiten van de Stichting OMA aan Stichting Vrienden hebben de twee stichtingen een overeenkomst gesloten (productie 9 bij inleidende dagvaarding) met onder meer de volgende inhoud:

“De besturen van bovengenoemde stichtingen verklaren:

- (…)

- dat de geldmiddelen van de Stichting Ondersteuning Maria Auxiliatrix zullen worden overgedragen aan de Stichting Vrienden van de Zorggroep, onder de uitdrukkelijke bepaling dat die geldmiddelen uitsluitend en alleen zullen worden besteed overeenkomstig het doel van de stichting zoals omschreven in de statuten van de stichting.

- dat het doel van de Stichting Ondersteuning Maria Auxiliatrix luidt: het verstrekken van uitkeringen casu quo aanvullende uitkeringen ter verwezenlijking van de doelstelling in de ruimste zin van de in de gemeente Venlo gevestigde instellingen: de verpleeghuizen D’n Horstgraaf, de Witte Steen, Blerick en het verzorgingshuis De vorstenheuvel respectievelijk het verstrekken van vermogensbestanddelen, welke tot verwezenlijking van deze doelstellingen bevorderlijk kunnen zijn, en voorts al hetgeen met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords.

- (…)

- dat het bestuur van de Stichting Vrienden van De Zorggroep zich verplicht de verkregen gelden overeenkomstig dit doel te besteden.

3.1.6.

De Stichting OMA is op 1 oktober 2016 ontbonden.

3.1.7.

[appellante] en geïntimeerden 3 tot en met 6 zijn de kinderen van de broers en zus van erflater en dus zijn neven en nichten.

3.2.

Het geschil tussen partijen komt (samengevat) neer op het volgende.

Stichting Vrienden stelt zich op het standpunt dat zij, als stichting die feitelijk het vermogen en de activiteiten van de Stichting OMA heeft overgenomen, op basis van het testament van erflater aangemerkt moet worden als enige erfgenaam van erflater.

[appellante] daarentegen stelt zich op het standpunt dat het testament van erflater duidelijk is: enig erfgenaam is de Stichting OMA of diens rechtsopvolger en aangezien de Stichting OMA vóór het overlijden van erflater is ontbonden en aangezien de Stichting Vrienden géén rechtsopvolger is van de Stichting OMA, is er geen testamentair erfgenaam en zijn de wettelijke erfgenamen van erflater tot de nalatenschap gerechtigd. Die wettelijke erfgenamen zijn [appellante] en geïntimeerden 3 tot en met 6.

De executeur is het eens met het standpunt van de Stichting Vrienden.

3.3.

Stichting Vrienden heeft [appellante] en geïntimeerden 3 tot en met 6 in eerste aanleg gedagvaard en een verklaring voor recht gevorderd.

Primair baseerde zij haar vordering op artikel 4:46 BW en subsidiair op artikel 4:47 BW .

Zij vorderde dat voor recht wordt verklaard dat de benoeming in het testament van erflater van ‘‘Stichting Ondersteuningsfonds Maria Auxiliatrix (voorheen genaamd Stichting Ondersteuningsfonds Venlose Verpleeghuizen (...) of diens rechtsopvolger" tot enig erfgenaam, moet worden uitgelegd en verstaan als benoeming van de Stichting Vrienden van Zorggroep Noord- en Midden-Limburg, gevestigd te Venlo, tot enig erfgenaam,

althans te verklaren voor recht dat in het testament d.d. 15 mei 2012 van erflater in de plaats van "Stichting Ondersteuningsfonds Maria Auxiliatrix (voorheen genaamd Stichting Ondersteuningsfonds Venlose Verpleeghuizen (...) of diens rechtsopvolger", gelezen dient te worden: Stichting Vrienden van Zorggroep Noord- en Midden-Limburg, gevestigd te Venlo,

met veroordeling van [appellante] en geïntimeerden 3 tot en met 6 in de kosten van het geding, althans kosten rechtens.

3.4.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 31 juli 2019 (onder meer) de Stichting Vrienden in de gelegenheid gesteld om op de voet van artikel 118 Rv de executeur als partij in het geding te roepen. De Stichting Vrienden heeft hieraan gevolg gegeven.

3.5.

[appellante] heeft in eerste aanleg verweer gevoerd tegen de vordering van Stichting Vrienden.

3.6.

De rechtbank heeft in het eindvonnis waarvan beroep de vordering van Stichting Vrienden op de primaire grondslag (artikel 4:46 BW) afgewezen. De rechtbank overwoog in dit verband onder meer dat niet geoordeeld kan worden dat het testament van erflater waarin de Stichting OMA of diens rechtsopvolger tot enig erfgenaam is genoemd, geen duidelijke zin heeft, zodat aan uitleg van de testamentaire beschikking niet wordt toegekomen.

De rechtbank achtte de vordering van Stichting Vrienden wél toewijsbaar op de subsidiaire grondslag (artikel 4:47 BW). Hiertoe overwoog de rechtbank onder meer dat uit het testament van erflater valt af te leiden dat hij, indien hij op de hoogte zou zijn geweest van de ontbinding van de Stichting OMA, zijn testament zou hebben gewijzigd in die zin dat hij de Stichting Vrienden zou hebben benoemd tot enig erfgenaam.

De rechtbank heeft in het dictum van het eindvonnis d.d. 8 januari 2020 voor recht verklaard

dat de benoeming in het testament van erflater van de stichting Stichting Ondersteuningsfonds Maria Auxiliatrix (voorheen genaamd Stichting Ondersteuningsfonds Venlose Verpleeghuizen (...) of diens rechtsopvolger" gelezen dient te worden: de Stichting Vrienden van Zorggroep Noord- en Midden-Limburg.

De rechtbank heeft de kosten van de procedure tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.7.

[appellante] kan zich niet met het eindvonnis van de rechtbank verenigen en heeft in hoger beroep twee grieven tegen dat vonnis aangevoerd. De grieven zijn gericht tegen de toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht op de subsidiaire grondslag. [appellante] heeft in haar memorie van grieven geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot het alsnog (geheel) afwijzen van de vordering van Stichting Vrienden.

[appellante] heeft in haar memorie van grieven tevens een reconventionele vordering ingesteld. Zij vordert voor recht te verklaren dat het wettelijke versterfrecht van toepassing is en dat zij, samen met de overige familieleden (de geïntimeerden 3 tot en met 6) als enige erfgenamen van erflater erven.

Verder heeft [appellante] geconcludeerd tot veroordeling van Stichting Vrienden in de proceskosten van beide instanties, met nakosten en wettelijke rente.

3.8.

Het hof overweegt met betrekking tot de reconventionele vordering van [appellante] dat [appellante] daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Immers: ingevolge artikel 353 lid 1 Rv kan een reconventionele vordering niet voor het eerst in hoger beroep worden ingesteld.

3.9.

Stichting Vrienden heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis van de rechtbank. Zij heeft vier grieven tegen dat vonnis aangevoerd. De grieven 1 tot en met 3 zijn gericht tegen de afwijzing van haar vordering op de primaire grondslag; de vierde grief is gericht tegen de proceskostenbeslissing van de rechtbank.

De Stichting Vrienden heeft als volgt geconcludeerd:

in principaal hoger beroep:

tot bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank van 8 januari 2020, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van de gronden, voor zover het incidenteel appel zich niet daartegen richt, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep, de nakosten daaronder begrepen;

in incidenteel hoger beroep:

tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank van 8 januari 2020 voor zover in incidenteel appel bestreden, en tot het alsnog toewijzen van de vordering van de Stichting Vrienden, met veroordeling van [appellante] in de kosten van beide instanties, de nakosten daaronder begrepen.

3.10.

De executeur is in hoger beroep verschenen en heeft verweer gevoerd tegen de grieven die door [appellante] tegen het eindvonnis van de rechtbank zijn aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden, kosten rechtens.

3.11.

Het hof ziet aanleiding om eerst het incidenteel hoger beroep te beoordelen.

3.12.

Stichting Vrienden kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat (kort gezegd) de testamentaire aanwijzing van de Stichting OMA of diens rechtsopvolger duidelijk is en er geen plaats is voor uitleg van deze testamentaire beschikking, zodat de vordering van Stichting Vrienden op de primaire grondslag niet toewijsbaar is.

3.13.

Naar het oordeel van het hof zijn de tegen dit oordeel van de rechtbank gerichte grieven terecht aangevoerd, gelet op het volgende.

3.13.1.

Ingevolge de in artikel 4:46 BW vastgelegde norm dient bij de beantwoording van de vraag of de bewoordingen van een uiterste wilsbeschikking duidelijk zijn, dat wil zeggen als verklaring van hetgeen de erflater wil dat na zijn dood met zijn vermogen zal geschieden een duidelijke zin hebben, mede te worden gelet op de verhoudingen die de erflater bij zijn wilsbeschikking heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder deze is gemaakt (Hoge Raad 3 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR0196).

3.13.2.

Naar het oordeel van het hof moet uit het testament van erflater worden afgeleid dat hij zijn vermogen wilde nalaten aan een “goed doel” en niet aan zijn neven en nichten met wie hij tijdens zijn leven geen of nauwelijks contact had, dit met uitzondering van een legaat aan een achterneef die hem als mantelzorger heeft ondersteund.

3.13.3.

Concreet koos erflater ervoor om in zijn testament de Stichting OMA als “goed doel” op te nemen, welke stichting financiële ondersteuning gaf aan (bewoners van) een drietal verpleeghuizen en een verzorgingshuis in Venlo, zoals omschreven in de statuten van de stichting.

Weliswaar zijn activiteiten en vermogen van de Stichting OMA nog vóór het overlijden van erflater overgedragen aan de Stichting Vrienden, maar uit de overname-overeenkomst die tussen de besturen van de twee stichtingen is gesloten volgt dat het uitdrukkelijk de bedoeling was dat het vermogen van de Stichting OMA ook ná de overdracht aan de Stichting Vrienden, ten goede zou komen aan (bewoners van) de verpleeghuizen en het verzorgingshuis, genoemd in de statuten van de Stichting OMA.

Zoals de rechtbank heeft vastgesteld, blijkt uit het jaarverslag 2017 van de Stichting Vrienden dat die stichting zich aan de overname-overeenkomst houdt.

3.13.4.

Het hof is van oordeel dat erflater deze situatie in zijn testament heeft willen regelen met de benoeming tot enig erfgenaam van de Stichting OMA “of diens rechtsopvolger”. Net als de rechtbank (in rechtsoverweging 3.11 van het vonnis waarvan beroep) neemt ook het hof aan dat erflater zeer waarschijnlijk geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat er geen (formele) rechtsopvolger zou zijn, temeer omdat hij niet juridisch geschoold was en naar alle waarschijnlijkheid de juridische betekenis van het begrip rechtsopvolger niet kende.

Dat de notaris bij gelegenheid van het opmaken van het testament aan erflater het verschil zal hebben uitgelegd tussen rechtsopvolging en feitelijke opvolging en dat erflater uitsluitend de rechtsopvolger heeft willen bevoordelen en uitdrukkelijk niet (ook) de feitelijke opvolger van de Stichting OMA, zoals [appellante] stelt, acht het hof onwaarschijnlijk en op geen enkele wijze onderbouwd, zodat het hof hieraan voorbij gaat.

3.13.5.

[appellante] heeft ook nog aangevoerd dat erflater aan het eind van zijn leven te kennen heeft gegeven dat hij (alsnog) zijn vermogen aan zijn familie wilde nalaten.

3.13.6.

Het hof overweegt hieromtrent allereerst dat bepalend voor de uitleg van het testament is wat erflater ten tijde van het opmaken van het testament (in dit geval: 15 mei 2012) heeft willen regelen. Verder overweegt het hof dat de hier bedoelde stelling van [appellante] onvoldoende is onderbouwd. De (niet ondertekende) verklaring van de heer en mevrouw [getuigen] (productie 5 bij memorie van grieven) kan niet als een toereikende onderbouwing worden aangemerkt, temeer nu de notaris die door de familie van erflater was ingeschakeld voor een eventuele wijziging van het testament, heeft geconstateerd dat erflater niet meer in staat was zijn wil te bepalen.

3.14.

De conclusie uit het voorgaande is dat de grieven 1 tot en met 3 van Stichting Vrienden in incidenteel hoger beroep slagen en dat het vonnis waarvan beroep in zoverre niet in stand kan blijven. Het hof zal – opnieuw rechtdoende – de vordering van Stichting Vrienden alsnog toewijzen op de primaire grondslag.

De grieven van [appellante] in het principaal hoger beroep behoeven na het voorgaande geen bespreking meer.

3.15.

[appellante] heeft weliswaar bewijs aangeboden van haar stellingen, maar er zijn door haar geen concrete feiten of omstandigheden te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden dan hiervoor is vermeld. Om die reden passeert het hof het bewijsaanbod van [appellante] .

3.16.

De vierde grief van Stichting Vrienden in het incidenteel hoger beroep richt zich tegen de beslissing van de rechtbank om de proceskosten in eerste aanleg te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten moet dragen.

Ook deze grief is terecht voorgedragen; naar het oordeel van het hof is er in de onderhavige zaak onvoldoende grond voor compensatie van proceskosten. Het hof zal, opnieuw rechtdoende, [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij alsnog veroordelen in de kosten van de eerste aanleg zoals hierna zal worden vermeld.

3.17.

[appellante] zal op dezelfde grond ook veroordeeld worden in de kosten van het hoger beroep zoals hierna zal worden vermeld.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat de benoeming in het testament d.d. 15 mei 2012 van de heer [erflater] (geboren op [geboortedatum] 1931 en overleden op [sterfdatum] 2018) van de stichting “Stichting Ondersteuningsfonds Maria Auxiliatrix (voorheen genaamd Stichting Ondersteuningsfonds Venlose Verpleeghuizen) (…) of diens rechtsopvolger” tot enig erfgenaam, aldus moet worden uitgelegd en verstaan als benoeming van de stichting Stichting Vrienden van Zorggroep Noord- en Midden-Limburg, gevestigd te Venlo, tot enig erfgenaam;

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar reconventionele vordering in hoger beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van beide instanties en begroot die kosten tot op heden als volgt:

- aan de zijde van de Stichting Vrienden in eerste aanleg: op € 182,05 voor

deurwaardersexploten, op € 626,- voor griffierecht en op € 1.357,50 voor advocaatkosten;

- aan de zijde van de Stichting Vrienden in hoger beroep: op € 760,- voor griffierecht en op

€ 2.506,50 voor advocaatkosten;

- aan de zijde van de Stichting Vrienden aan nakosten: op € 163,-- indien geen betekening

plaatsvindt, dan wel op € 248,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen

veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken

veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

- aan de zijde van de executeur in eerste aanleg: op € 291,- voor griffierecht en op € 543,-

voor advocaatkosten;

- aan de zijde van de executeur in hoger beroep: op € 332,- voor griffierecht en op

€ 1.114,- voor advocaatkosten;

verklaart de voormelde proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, E.J. van Sandick en Ph.A.J. Raaijmaakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 27 juli 2021.

griffier rolraadsheer


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature