< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Hoger beroep van ECLI:NL:RBLIM:2019:235

Een inmiddels 68-jarige man stelt in het schooljaar 1964-1965 seksueel te zijn misbruikt door een pater van het Kleinseminarie en hij heeft de Congregatie aansprakelijk gesteld voor de gevolgen hiervan wegens onrechtmatige daad. De man stelt zich op het standpunt dat de Congregatie al in 1960-1961 ervan op de hoogte was dat de pater een minderjarige had misbruikt en dat, indien de Congregatie toen maatregelen had getroffen, het misbruik van de man zelf voorkomen had kunnen worden. Door na te laten maatregelen te treffen heeft de Congregatie volgens de man onrechtmatig jegens hem gehandeld. De Congregatie heeft een beroep op verjaring gedaan. Dat beroep slaagt ook in hoger beroep. De vordering is daarom ook in hoger beroep afgewezen.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.267.947/01

arrest van 13 juli 2021

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. L. Zegveld te Amsterdam,

tegen

Nederlandse Provincie van de Congregatie van de Heilige Geest,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de Congregatie,

advocaat: mr. A.G.W. Verstraten te Tilburg,

op het bij exploot van dagvaarding van 9 april 2019, hersteld bij exploot van 9 oktober 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 16 januari 2019, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellant] als eiser en de Congregatie als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/245398 / HA ZA 18-42, ECLI:NL:RBLIM:2019:235)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep;

de memorie van grieven met producties tevens eiswijziging;

de memorie van antwoord met producties;

het pleidooi, waarbij (de raadslieden van) beide partijen pleitnotities hebben overgelegd. Aan de pleitnota van mr. Zegveld is gehecht een “laatste woord” van [appellant] , door hem uitgesproken ter zitting;

de akte houdende wijziging van eis, door [appellant] in het geding gebracht ter gelegenheid van het pleidooi.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1

In dit hoger beroep kan, overeenkomstig het vonnis van de rechtbank, worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1

[appellant] , geboren in 1953, bezocht in het schooljaar 1964-1965 het Kleinseminarie van de Paters van de Heilige Geest te [plaats] (hierna: het Kleinseminarie). Hij volgde daar de voorbereidende klas van de lagere school op het seminarie. Het Kleinseminarie was een schoolinstelling die werd gedreven binnen de organisatie van de Congregatie.

3.1.2

[appellant] is op enig moment naar buiten gekomen met de mededeling dat hij in het schooljaar 1964-1965 slachtoffer is geworden van seksueel misbruik door de binnen het Kleinseminarie werkzame [pater 1] . [pater 1] is overleden in 2002.

3.1.3

[appellant] heeft het seksueel misbruik voorgelegd aan de commissie die zich binnen de R.-K. Kerk heeft beziggehouden met seksueel misbruik binnen haar eigen organisatie. [appellant] heeft deze interne procedure doorlopen en daarin is zijn klacht gegrond verklaard en is aan hem - in het kader van die procedure en een daarop volgende mediation - uiteindelijk een compensatiebedrag toegekend van € 100.000. Een en ander is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW van 6 september 2017, met de aantekening dat partijen elkaar geen volledige kwijting verlenen.

3.1.4

Bij brief van 6 december 2015 heeft [appellant] de Congregatie aansprakelijk gesteld voor onrechtmatig handelen.

3.2.1

In deze procedure vordert [appellant] , na vermindering van eis bij akte ter zitting in hoger beroep, bij arrest zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

i. te verklaren voor recht dat de Congregatie jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld;

ii. de Congregatie te veroordelen tot vergoeding van de door [appellant] geleden schade, begroot op € 667.435,- aan materiële schade en € 50.000,- aan immateriële schade, derhalve in totaal € 717.435,-, dan wel tot betaling van een door de rechter in goede justitie vast te stellen bedrag, te verminderen met de reeds ontvangen compensatie van € 100.000,- en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf twee weken na datum arrest,

met veroordeling van de Congregatie in de kosten van beide instanties.

3.2.2

In eerste aanleg heeft [appellant] aan zijn vorderingen (welke een gelijke strekking hadden als de vorderingen in hoger beroep) ten grondslag gelegd dat de Congregatie in de periode van de schooljaren 1960/1961 tot 1964/1965 onrechtmatig heeft gehandeld als bedoeld in de artikelen 1401 en 1402 BW (oud). Wetend dat [pater 1] reeds in 1960-1961 was betrapt bij het misbruiken van een minderjarige, heeft de Congregatie nagelaten adequate maatregelen te treffen om misbruik van [appellant] in het schooljaar 1964/1965 te voorkomen. [appellant] stelt als gevolg daarvan materiële schade te hebben geleden bestaande uit inkomensverlies als beginnend tandarts in de jaren 1980 tot 1984, veroorzaakt door opgelopen studievertraging als gevolg van het misbruik, alsmede inkomensverlies in de jaren 2014 tot 2023, veroorzaakt door verminderd arbeidsvermogen als gevolg van PTSS. Voorts stelt [appellant] immateriële schade te hebben geleden.

3.2.3

Na daartoe door de Congregatie gevoerd verweer heeft de rechtbank het verjaringsverweer van de Congregatie gehonoreerd en de vorderingen van [appellant] jegens haar afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de kosten. Volgens de rechtbank is er geen sprake van een uitzonderlijk geval in verjaringsrechtelijke zin. Het uitzonderlijke van het te beoordelen geval moet, aldus de rechtbank, blijkens de HR-arresten inzake Van Hese/De Schelde en Rouwhof/Eternit niet worden gezocht in de feitelijke omstandigheden van dat geval maar in het antwoord op de vraag of sprake is van een uitzonderlijk geval in verjaringsrechtelijke zin.

Het gaat hier in essentie om het antwoord op de objectieve vraag of een vordering bestaat en niet om de subjectieve vraag of degene aan wie de vordering toekomt zich daarvan bewust is of dient te zijn. De stelling van [appellant] dat hij pas in 2015 bekend is geworden met de Congregatie als aansprakelijke partij maakt dan ook niet dat er sprake is van een dergelijke uitzonderlijke situatie. Deze stelling speelt een rol bij het aanvangen van de vijfjaarstermijn als bedoeld in artikel 3:310 lid 1 BW , maar speelt geen rol meer bij de absolute verjaringstermijn van twintig jaar uit datzelfde lid, aldus de rechtbank. Terzijde: het hof begrijpt dat de rechtbank met de “absolute” verjaringstermijn aanduidt de in de rechtspraak en literatuur wel als lange of objectieve verjaringstermijnen (artikel 3:306 of 3:310 BW ) aangeduide termijnen van 20 jaar.

3.3

[appellant] heeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen.

3.4.1

Het hof ziet aanleiding voorafgaande aan de behandeling van de grieven het volgende voorop te stellen.

Als vermeld in 3.1.2 is [appellant] op enig moment naar buiten gekomen met de mededeling dat hij in het schooljaar 1964-1965 slachtoffer is geworden van seksueel misbruik door de binnen het Kleinseminarie werkzame [pater 1] . [appellant] heeft het volgens hem plaatsgevonden seksueel misbruik vervolgens ten grondslag gelegd aan zijn vorderingen jegens de Congregatie. De Congregatie heeft in rechte betwist dat [pater 1] [appellant] heeft misbruikt. Op het daartoe strekkende verzoek van [appellant] hebben hangende zijn hoger beroep getuigenverhoren plaatsgevonden, waarmee de bewijslevering (voorshands) is afgerond.

3.4.2

Bij deze stand van zaken is het thans aan het hof het aanwezige bewijs te beoordelen. Daarbij dient het hof eerst vast te stellen dat in de uitlating van [pater 2] geciteerd in nr 33 van de pleitnota in hoger beroep - dat de Congregatie “de feiten niet betwist maar zich wel op verjaring daarvan beroept” - geen gerechtelijke erkenning besloten ligt van het door [appellant] gestelde seksueel misbruik. In de hoofdprocedure heeft de Congregatie de feiten aangaande dat gestelde misbruik bovendien onmiskenbaar betwist.

3.4.3

Voorts geldt ten aanzien van de verklaring van [appellant] dat deze als partijgetuigenverklaring als bedoeld in artikel 164 lid 1 Rv , dat de partijgetuigenverklaring als bewijsmiddel toelaat, dient te worden aangemerkt. Een partijgetuigenverklaring heeft in beginsel vrije bewijskracht, zoals andere getuigenverklaringen, zodat de rechter overeenkomstig artikel 152 lid 2 Rv in beginsel vrij is in de waardering van die verklaring. Daarop brengt het bepaalde in artikel 164 lid 2 Rv in zoverre een beperking aan dat, met betrekking tot de feiten die dienen te worden bewezen door de partij die de verklaring heeft afgelegd, aan die verklaring slechts bewijs ten voordele van die partij kan worden ontleend, indien aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken. Dit brengt mee dat de rechter ter beantwoording van de vraag of een partij in het door haar te leveren bewijs geslaagd is, alle voorhanden bewijsmiddelen met inbegrip van de getuigenverklaring van die partij zelf, in zijn bewijswaardering dient te betrekken, doch dat hij zijn oordeel dat het bewijs is geleverd niet uitsluitend op die verklaring mag baseren.

Terecht voert [appellant] aan dat de verklaring van zijn echtgenote geen partijgetuigenverklaring als hiervoor bedoeld is. Dat neemt evenwel niet weg dat haar verklaring voor wat betreft het misbruik van [appellant] zelf volledig steunt op wat [appellant] haar heeft verteld. In zoverre levert die verklaring geen steunbewijs op.

3.4.4

Er is zeker materiaal in het dossier dat [pater 1] aanwijst als kindermisbruiker. Het hof gebruikt dit woord omdat naar het oordeel van het hof uit de getuigenverklaringen lijkt te volgen dat [pater 1] zich bij herhaling aan kinderen heeft vergrepen. [appellant] stelt dat [pater 1] “een groot aantal” leerlingen heeft misbruikt en houdt het niet zonder grond op 9 kinderen. Maar géén van de getuigen verklaart uit eigen wetenschap over misbruik van [appellant] door [pater 1] (in het schooljaar 1964-1965); de getuigen(verklaringen) volgen veeleer de lijn dat het hun bekend is dat [pater 1] kinderen heeft misbruikt en het daarom wel zo moet zijn dat, nu [appellant] dat zegt, [pater 1] zich ook aan [appellant] heeft vergrepen.

Uit het rapport van [psycholoog] van 29 april 1965 zijn geen bevindingen te destilleren die seksueel misbruik (door [pater 1] ) aannemelijk maken. Ook de stukken van [psychiater] voegen te weinig toe. Haar bevindingen zijn namelijk geheel gebaseerd op de anamnese: “het seksueel misbruik dat betrokkene op 11-jarige leeftijd in het internaat heeft ondergaan,” aldus de brief van 15 september 2015. De overige door [appellant] in dit kader aangevoerde omstandigheden – waaronder een brief van [appellant] aan zijn moeder, het vertrek van [appellant] van het internaat na het schooljaar 1964-1965 en latere gebeurtenissen in het leven van [appellant] – leiden het hof niet tot een andere conclusie.

Bij deze – kort geschetste – stand van zaken met betrekking tot het door [appellant] te leveren bewijs kan het hof er niet met een voldoende mate van zekerheid vanuit gaan dat [appellant] (in het schooljaar 1964-1965) door [pater 1] is misbruikt. Een ander oordeel zou zich ook niet verdragen met de in 3.4.3 weergegeven criteria. Bij deze stand van zaken behoeft de vraag naar wetenschap van het gestelde misbruik bij de Congregatie geen verdere bespreking. Met het voorgaande staat vast dat [appellant] geen belang (meer) heeft bij zijn grieven, die alle zien op doorbreking van de verjaring. Het hof ziet echter desalniettemin aanleiding om de grieven 1 t/m 3 te bespreken.

3.4.5

Aan nadere bewijslevering wordt reeds daarom niet toegekomen, nu het bewijsaanbod van [appellant] niet ter zake dienend is. Het ziet namelijk, voor zover voldoende gespecificeerd, enkel op de stelling dat de Congregatie wetenschap had van misbruik door [pater 1] en niet op de stelling dat [appellant] door [pater 1] is misbruikt.

3.5.1

Als in 3.2.3 reeds aangehaald, heeft de rechtbank het beroep op verjaring van de Congregatie gehonoreerd. De rechtbank overwoog:

“4.11 Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de hierboven genoemde arresten van de Hoge Raad niet dat in dit geval een beroep op verjaring naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Uit de genoemde arresten blijkt immers dat een dergelijk beroep alleen aan de orde kan zijn in een uitzonderlijk geval. Het moet daarbij gaan om een uitzonderlijk geval in verjaringsrechtelijke zin; het uitzonderlijke van het te beoordelen geval - zo blijkt uit de aangehaalde passages uit de genoemde arresten - moet niet worden gezocht in de feitelijke omstandigheden van dat geval. Anders gezegd: het gaat bij de beoordeling er niet om of sprake is van een uitzonderlijk geval in feitelijke zin - zoals bijvoorbeeld seksueel misbruik, oorlogsomstandigheden e.d. - maar het gaat er om of sprake is van een uitzonderlijk geval in verjaringsrechtelijke zin. Daarvan is sprake indien - kort samengevat - toepassing van het verjaringsrecht zou leiden tot het op enig moment tenietgaan van een vordering die in wezen pas na dat moment volledig zou ontstaan. In de hierboven aangehaalde jurisprudentie van de Hoge Raad was daarvan sprake nu de schade daar - de ziekte - eerst was ontstaan althans gebleken nadat de toepasselijke verjaringstermijn was verlopen. In een dergelijk geval zou als het ware een vordering tenietgaan nog voordat deze ontstaat. Een volledige vordering uit onrechtmatige daad ontstaat immers eerst als aan alle elementen van een actie uit onrechtmatige daad is voldaan, dat wil zeggen dat voordat schade is ontstaan althans gebleken een vordering uit onrechtmatige daad per definitie niet in rechte met succes kan worden ingesteld. Tenietgaan van een vordering voor het ontstaan van die vordering is een logische ongerijmdheid en als zodanig een onredelijke uitkomst van een strikte toepassing van het verjaringsrecht in dat geval: in die zin is sprake van een uitzonderlijk geval.

4.12.

Een dergelijke situatie is hier evenwel niet aan de orde. In dit geval is sprake van een (gestelde) onrechtmatige gedraging die zich heeft voorgedaan in de periode 1960/1961-1964/1965. Het (gestelde) gevolg van de verweten onrechtmatige gedraging is dat eiser slachtoffer is geworden van seksueel misbruik. Dit betekent dat op het moment dat het seksueel misbruik heeft plaatsgevonden zowel de verweten onrechtmatige daad als de daaruit voortvloeiende schade zijn ontstaan. In beginsel waren derhalve op dat moment alle elementen aanwezig die nodig zijn voor het in rechte kunnen instellen van een vordering uit onrechtmatige daad. Of eiser daartoe in staat was of zich daarvan bewust was, is voor het bestaan van de vordering niet van belang. Het gaat hier in essentie om het antwoord op de objectieve vraag of een vordering bestaat en niet om de subjectieve vraag of degene aan wie de vordering toekomt zich daarvan bewust is of dient te zijn. De stelling van eiser dat hij pas in 2015 bekend is geworden met gedaagde als aansprakelijke partij maakt dan ook niet dat er sprake is van een dergelijke uitzonderlijke situatie. Deze stelling speelt een rol bij het aanvangen van de vijfjaarstermijn als bedoeld in artikel 3:310 lid 1 BW , maar speelt geen rol meer bij de absolute verjaringstermijn van twintig jaar uit datzelfde lid.

4.13.

Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat het onderhavige geval niet kan worden gekwalificeerd als een uitzonderlijk geval in de zin van de hierboven aangehaalde jurisprudentie van de Hoge Raad. Reeds op die grond moet worden geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld dat een beroep op verjaring in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Aan een toetsing aan de hand van de in die jurisprudentie genoemde gezichtspunten komt de rechtbank derhalve niet toe.”

3.5.2

Tegen deze overwegingen keren zich de grieven 1 en 2, welke luiden als volgt:

Grief 1: Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat er enkel sprake kan zijn van een uitzonderlijk geval, wanneer dit een uitzonderlijk geval is in verjaringsrechtelijke zin, inhoudende dat de toepassing van het verjaringsrecht zou leiden tot het op enig moment tenietgaan van een vordering die in wezen pas na dat moment volledig zou ontstaan.

Grief 2: Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat, omdat het geval van [appellant] niet zou kwalificeren als een uitzonderlijk geval in de zin van de door de rechtbank aangehaalde jurisprudentie, reeds op die grond niet kan worden vastgesteld dat een beroep op verjaring in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn en de rechtbank derhalve niet meer aan een toetsing van de gezichtspunten toe hoeft te komen.

Volgens grief 3 is onjuist het oordeel van de rechtbank dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is in het geval van [appellant] .

3.5.3

Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

De grieven 1 en 2 zijn gegrond. Niet in geschil is dat in deze de objectieve verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1BW aan de orde is: de aansprakelijkheid vestigende gebeurtenis - het gestelde seksueel misbruik door [pater 1] - heeft zich volgens [appellant] in het schooljaar 1964-1965 voorgedaan.

Vooropgesteld dat de (derogerende) werking van redelijkheid en billijkheid in beginsel iedere verbintenisrechtelijke verhouding kan raken (vgl. artikel 6:2 BW en in verbinding met de artikelen 3:12 en 3:15 BW zelfs buiten het vermogensrecht ), blijkt uit rov. 3.1.2 en 3.1.4 van het Legatenarrest expliciet dat, overeenkomstig hetgeen is overwogen in Van Hese/De Schelde, “een beroep op het verstrijken van de verjaringstermijn van art. 3:306 BW in een uitzonderlijk geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (kan) zijn (….).”

De termijn van 20 jaar volgens de hoofdregel van artikel 3:306 BW wijkt niet af van de termijn van artikel 3:310 BW geldend voor een rechtsvordering als de onderhavige tot vergoeding van schade, die “(…) in ieder geval (verjaart) door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor schade is veroorzaakt (…).” Niet valt in te zien dat de hiervoor geciteerde zin uit het Legatenarrest en de doorbrekingsleer van Van Hese/De Schelde niet ook op de objectieve termijn van artikel 3:310 BW zou zien.

De grieven treffen doel voor zover ze beogen aan te voeren dat niet zonder meer is uitgesloten dat een beroep op verjaring ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn als in die zin sprake is van ‘verborgen schade’ dat de eisende partij, vanwege de aard van de schade, geacht moet worden niet in staat te zijn geweest binnen de verjaringstermijn een rechtsvordering in te stellen, als gevolg waarvan de verjaring geacht moet worden het ontstaan van een rechtsvordering te hebben verhinderd. Evenmin is doorbreking van de verjaring op voorhand uitgesloten als anderszins sprake is van een uitzonderlijk geval dat maakt dat de eisende partij geacht moet worden niet in staat te zijn geweest binnen de verjaringstermijn een rechtsvordering in te stellen, als gevolg waarvan de verjaring geacht moet worden het ontstaan van een rechtsvordering te hebben verhinderd.

Het gegrond zijn van deze grieven leidt evenwel, naar uit het vervolg van dit arrest blijkt, en bij een verondersteld bewezen zijn van het gestelde misbruik van [appellant] door [pater 1] , niet tot vernietiging van het bestreden vonnis van de rechtbank.

3.5.4

Voor de verdere beoordeling is het volgende van belang. [appellant] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat de Congregatie jegens hem aansprakelijk is, zowel uit hoofde van artikel 1403 oud BW, als uit een zelfstandig jegens hem gepleegde onrechtmatige daad, daarin bestaande dat de Congregatie heeft nagelaten - toen zij bekend werd met seksueel misbruik van één of meer leerlingen door [pater 1] - adequate maatregelen te nemen ter voorkoming van seksueel misbruik van (andere leerlingen onder wie) [appellant] .

Voor beide grondslagen geldt dat zij betrekking hebben op feiten - het misbruik door [pater 1] van (een) andere leerling(en) dan [appellant] , de ontdekking daarvan en de gestelde bekendheid van de Congregatie daarmee, als het misbruik van [appellant] zelf - die zich in de eerste helft van de 60-er jaren van de vorige eeuw hebben afgespeeld. De Congregatie heeft terecht opgeworpen dat deze vorderingen (daarom) verjaard zijn: de onrechtmatige daad/daden van [pater 1] vonden, aldus [appellant] , in het schooljaar 1964-1965 plaats en hebben toen reeds tot schade voor [appellant] geleid. Daarmee staat de opeisbaarheid vast. Eerst in 1998, meer dan 30 jaar later dus, heeft [appellant] erover verteld aan zijn vrouw en daarna aan zijn serviceclub (Kiwanis, zo begrijpt het hof), aldus zijn getuigenverklaring. [appellant] , geboren in 1953, was toen dus ook al meer dan 20 jaar meerderjarig. Naar het oordeel van het hof volgt noch uit het feit dat [appellant] pas in 1998 over het gestelde misbruik met zijn vrouw heeft gesproken, noch uit de overige in dit kader door [appellant] aangevoerde omstandigheden, dat [appellant] , gelet op de aard van de gestelde schade of anderszins, pas toen geacht moet worden in staat te zijn geweest enige vordering in te stellen tegen [pater 1] en/of de Congregatie. [appellant] heeft zijn vorderingen ook niet binnen redelijke tijd daarna ingesteld, immers deze procedure is pas eind 2017 ingeleid. [appellant] had zijn vorderingen eerder kunnen en in het stelsel van de wet ook móeten instellen. Dat [appellant] heeft gesteld dat hem tot voor kort onbekend was dat de Congregatie wist van het misbruik door [pater 1] van (een) andere leerling(en) dan [appellant] en de ontdekking daarvan, maakt het voorgaande reeds daarom niet anders nu [appellant] zelf, met verwijzing naar de rapportage van [psychiater] , stelt dat de in 2014 bij hem geconstateerde PTSS niet het gevolg is van de verkregen wetenschap van het gestelde nalaten van de Congregatie, maar van het gestelde misbruik door [pater 1] . Ook anderszins maakt het betoog van [appellant] , indien al juist, nog niet dat hij als gevolg van eerdere onzekerheid of onwetendheid over de gestelde wetenschap bij de Congregatie geacht moet worden niet in staat te zijn geweest daar binnen de verjaringstermijn onderzoek naar te doen, om in het verlengde daarvan eventueel tegen de Congregatie een rechtsvordering in te stellen.

3.6

In het Legatenarrest heeft de Hoge Raad voorts, onder verwijzing naar Van Hese/De Schelde en een ander mesothelioomarrest het volgende overwogen:

“3.1.2: “(…) De verjaringstermijn van twintig jaar heeft een objectief en in beginsel absoluut karakter, dat wil zeggen dat het beginsel van rechtszekerheid dat deze absolute termijn beoogt te dienen en de billijkheid jegens de wederpartij meebrengen dat hieraan strikt de hand moet worden gehouden. Dit wil evenwel niet zeggen dat deze termijn nooit op grond van art. 6:2 lid 2 BW buiten toepassing zou kunnen blijven. Gelet op de belangen die deze termijn beoogt te dienen, waaronder in het bijzonder het belang van de rechtszekerheid, zal echter van onaanvaardbaarheid als in art. 6:2 lid 2 BW bedoeld slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kunnen zijn.

3.1.3

Met betrekking tot een rechtsvordering tot vergoeding van schade (…) heeft de Hoge Raad overwogen dat een zodanig uitzonderlijk geval zich kan voordoen wanneer onzeker is of de gebeurtenis die de schade kan veroorzaken inderdaad tot schade zal leiden, die onzekerheid zeer lange tijd is blijven bestaan en de schade in die zin naar haar aard verborgen is gebleven dat zij daadwerkelijk is ontstaan en dus pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken. Of in een dergelijk geval toepassing van de objectieve verjaringstermijn inderdaad naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zal met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval moeten worden beoordeeld. In dit verband heeft de Hoge Raad zeven gezichtspunten genoemd, waarvan de rechter blijk moet geven deze in zijn beoordeling te hebben betrokken.”

3.7

Met dit arrest is geenszins gegeven dat ook in onderhavig geval geoordeeld kan worden dat zich een “uitzonderlijk geval” als bedoeld in Van Hese/De Schelde voordoet. Immers, anders dan vaak bij mesothelioom-zaken speelt en waarop de hiervoor geciteerde r.o. 3.1.3 van het Legatenarrest is geënt, ligt in dit geval in de aard van de aan [pater 1] verweten gedragingen, die volgens [appellant] ook tot actie van de Congregatie ter voorkoming van misbruik van andere kinderen had moeten leiden, besloten dat van aanvang af duidelijk is dat er sprake is van een onrechtmatige daad en dat er sprake is van schade. Dat de grootte van de schade nog niet meteen volledig vast staat, maakt dat niet anders. Evenmin kan, zoals reeds overwogen in r.o. 3.5.4, worden gezegd dat [appellant] , gelet op de aard van de schade of anderszins, geacht moet worden binnen de lopende verjaringstermijn niet in staat te zijn geweest een vordering tot schadevergoeding in te stellen tegen [pater 1] en/of de Congregatie.

[A-G] in zijn conclusie voor het Legatenarrest:

“Uit dit citaat (i.e.: uit het in noot 9 genoemde arrest) is duidelijk hoezeer de ruimte voor toepassing van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid op de lange verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW door uw Raad beperkt bedoeld is. Die ruimte ziet op schade die naar haar aard verborgen is gebleven tot en met het moment dat de verjaring intrad, met als gevolg dat de verjaring in feite het ontstaan van de rechtsvordering verhindert.”

Daar komt bij dat ingevolge het overgangsrecht artikel 3:310 lid 5 BW alleen geldt voor gebeurtenissen die na de inwerkingtreding per 1 februari 2004 hebben plaatsgevonden. Daardoor is het van artikel 3:310 BW lid 1 en 2 afwijkende regime van artikel 3:310 lid 5 BW voor wat betreft schade door letsel of overlijden niet van toepassing. En dit is een zaak van vóór 1 februari 2004.

3.8.1

Voor de volledigheid en aansluitend bij grief 3, loopt het hof de gezichtspunten genoemd in rov. 3.3.3 in Van Hese/De Schelde na. De gezichtspunten zijn hierna gecursiveerd. Ook toepassing van die gezichtspunten leidt het hof niet tot het oordeel dat toepassing van de objectieve verjaringstermijn in het onderhavige geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

(a) of het gaat om vergoeding van vermogensschade dan wel van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, en - mede in verband daarmede - of de gevorderde schadevergoe-ding ten goede komt aan het slachtoffer zelf, diens nabestaanden dan wel een derde.

Het gaat in dit geval zowel om immateriële als materiële schade. Als vermeld in 3.2.1 vordert [appellant] € 667.435 aan materiële schade en € 50.000 aan immateriële schade. Van het bedrag van € 667.435 maakt blijkens de brief van De Bureaus ruim € 300.000 wettelijke rente uit.

Het hof acht dit laatste aspect een relevante factor, voorshands bestaat grote twijfel of die rente, naar het aan het hof voorkomt niet-aangezegd zijnde naar oud recht, wel voor vergoeding in aanmerking zou komen. Van het resterende deel is een substantieel bedrag, immers € 100.000, betaald (3.1.3). Dat neemt niet weg dat een eventuele schadevergoeding voor [appellant] zelf zou zijn.

De Congregatie heeft de schade(omvang) betwist. Volgens haar heeft de terugval in brutowinst van de tandartsenpraktijk van [appellant] niets te maken met de klachten die [appellant] vanaf 2014 stelt te hebben.

(b) in hoeverre voor het slachtoffer respectievelijk zijn nabestaanden ter zake van de schade een aanspraak op een uitkering uit anderen hoofde bestaat

De gestelde schade bestaat voor een belangrijk deel uit arbeidsvermogensschade. Volgens de in noot 10 genoemde brief beschikte [appellant] over een arbeidsongeschiktheidsverzekering bij Movir met uitkeringen tot 65-jarige leeftijd. Door Movir zijn ook daadwerkelijk uitkeringen onder de polis gedaan ter zake van PTSS. Deze accentuering heeft daarop betrekking dat Movir kennelijk ook uitkeringen heeft gedaan ter zake van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van [appellant] als gevolg van een ongeval, volgens de Congregatie tot een bedrag van € 160.139 terwijl er ook door Interpolis ter zake van dit ongeval uitkeringen zijn gedaan. Het komt het hof voorshands aannemelijk voor dat die laatste uitkering (mede) strekte als vergoeding voor gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van [appellant] tot 65-jarige leeftijd.

(c) de mate waarin de gebeurtenis de aangesprokene kan worden verweten

“[D]e gebeurtenis”, oftewel: het gestelde misbruik van [appellant] door [pater 1] en daarmee het gestelde nalaten van de Congregatie in te grijpen, staat i.c. niet vast, zoals geconcludeerd in 3.4.4. Daarmee is evenmin komen vast te staan dat de Congregatie ten aanzien van [appellant] een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

(d) in hoeverre de aangesprokene reeds vóór het verstrijken van de verjaringstermijn rekening heeft gehouden of had behoren te houden met de mogelijkheid dat hij voor de schade aansprakelijk zou zijn

en

( e) of de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering te verweren

Het hof stelt vast dat de gestelde feiten zich reeds ten tijde van de inleidende dagvaarding al meer dan 50 jaar daarvoor zouden hebben voorgedaan. Dit heeft de bewijslevering aan beide zijden onmiskenbaar beïnvloed, niet in de laatste plaats door het overlijden van [pater 1] in 1992, m.a.w. nog vóór [appellant] naar buiten kwam met zijn verhaal. Ook de leden van de congregatieleiding en [naam] zijn, aldus de Congregatie, overleden. Het lag bovendien in de invloedsfeer van [appellant] de zaak (veel) eerder aan te kaarten. En zoals [A-G] in zijn conclusie voor het Legatenarrest ook terecht benadrukt, zou het honoreren van een aanspraak gegrond op feiten van meerdere decennia oud een sterke inbreuk zijn op de individuele rechtszekerheid van de wederpartij, die met een dergelijke vordering doorgaans in het geheel geen rekening meer zal hebben gehouden. Dat dat in dit geval anders zou liggen, is het hof niet gebleken.

(f) of de aansprakelijkheid (nog) door verzekering is gedekt.

De Congregatie heeft “met nadruk” gesteld dat haar eventuele aansprakelijkheid niet onder een verzekering is gedekt. Het hof heeft uit de stukken niet kunnen afleiden dat dat anders is.

(g) of na het aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijn een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is ingesteld.

Het hof volstaat er hier mee te verwijzen naar hetgeen in 3.5.4 is overwogen.

3.8.2

Het voorgaande leidt het hof ertoe onvoldoende aanleiding te zien om het beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid te honoreren. Ook anderszins zijn het hof geen feiten of omstandigheden gebleken die maken dat toepassing van de objectieve verjaringstermijn in het onderhavige geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Grief 3 faalt. De vorderingen van [appellant] zijn verjaard.

3.9

De overige grieven behoeven geen behandeling, de vorderingen behoren te worden afgewezen. Het hof zal het vonnis van de rechtbank bekrachtigen onder verbetering van gronden.

3.10

Als in hoger beroep in het ongelijk te stellen partij behoort [appellant] in de kosten van de Congregatie in hoger beroep te worden veroordeeld.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond van 16 januari 2019, onder aanvulling en verbetering van de gronden zoals hiervoor is overwogen;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van de Congregatie op € 5.382,-- aan griffierecht en op € 14.553,-- aan salaris advocaat;

bepaalt dat deze bedragen van € 5.382,-- en € 14.553,-- binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak dienen te zijn voldaan, en voor wat betreft de nakosten op € 163,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 248,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden; alsmede de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de bedragen van € 5.382,-- en € 14.553,-- vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. van Rijkom, J.M.H. Schoenmakers en T. van Malssen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 juli 2021.

griffier rolraadsheer

ECLI:NL:HR:2000:AA5635. Dit HR-arrest wordt ook hierna slechts aangeduid als Van Hese/De Schelde.

ECLI:NL:HR:2000:AA5634.

HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1057.

HR 31 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7933.

prod. 42 inl. dagvaarding.

prod. 15 inl. dagvaarding.

HR 23 april 2021, ecli:nl:HR:2021:649, ook hierna: Legatenarrest.

MvG randnummer 261.

HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3138.

Brief van 19 december 2019, prod. 87


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature