< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

De heffingsambtenaar heeft niet in strijd met artikel 131 Waterschapswet gehandeld. De uitspraak op bezwaar met betrekking de aanslag watersysteemheffing staat in hetzelfde geschrift als de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de WOZ-beschikking.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 20/00351

Uitspraak op het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant,

hierna: de heffingsambtenaar,

en het incidenteel hoger beroep van

[belanghebbende] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 april 2020, nummers SHE 19/271 en 19/1251, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] in [vestigingsplaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen en de aanslag watersysteemheffing voor het jaar 2018 bekendgemaakt.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag watersysteemheffing.

1.3.

De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.

1.5.

De heffingsambtenaar heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.

1.7.

De zitting heeft digitaal via een beeld- en geluidverbinding plaatsgevonden op 30 maart 2021 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .

Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld, maar niet gevoegd, de onderhavige zaak en de zaak met nummer 20/00348.

1.8.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak, een winkelpand in [vestigingsplaats] . De onroerende zaak, met bouwjaar 1930, bestaat uit één bouwlaag op de begane grond en een heeft een brutovloeroppervlakte (BVO) van 56 m2

2.2.

De waarde van de onroerende zaak is door de heffingsambtenaar per de waardepeildatum 1 januari 2017 vastgesteld op € 62.000.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak

en de aanslagen gehandhaafd.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard voor zover het is gericht tegen handhaving van de aanslag watersysteemheffing, de uitspraak op bezwaar vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de aanslag watersysteemheffing en de zaak in zoverre teruggewezen naar de heffingsambtenaar.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

Is de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de aanslag watersysteemheffing in strijd met artikel 131 Waterschapswet?

Is voldaan aan de inzageplicht?

Heeft de heffingsambtenaar tijdig inzage in de geraamde baten en lasten verstrekt?

Heeft de rechtbank tot een juist bedrag de heffingsambtenaar veroordeeld tot het vergoeden van het griffierecht?

Heeft de rechtbank ten onrechte geen immateriële schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn?

3.2.

De heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en ongegrondverklaring van het beroep. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover een te laag griffierecht dient te worden vergoed en geen immateriële schadevergoeding is toegekend, toekenning van een immateriële schadevergoeding en bevestiging van de uitspraak voor het overige.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag 1

4.1.

De rechtbank heeft ambtshalve geoordeeld dat de heffingsambtenaar in strijd met artikel 131 Waterschapswet heeft gehandeld door te beslissen op het bezwaar tegen de aanslag watersysteemheffing, voordat de WOZ-beschikking ten aanzien van de onroerende zaak [adres] onherroepelijk vaststond.

4.2.

Naar het oordeel van het hof is geen sprake van strijd met artikel 131 Waterschapswet , omdat in dit geval de uitspraak op bezwaar in hetzelfde geschrift staat waarin de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de WOZ-beschikking staat. Artikel 131 Waterschapswet strekt ertoe te voorkomen dat afzonderlijke procedures worden gevoerd bij de belastingrechter over feiten en omstandigheden die van belang zijn voor zowel de heffing van de watersysteemheffing als voor de vaststelling van de WOZ-waarde. Deze situatie doet zich hier niet voor. Bij de rechtbank is het beroep tegen de aanslag watersysteemheffing immers tegelijk ingesteld en behandeld met het beroep tegen de WOZ-beschikking.

4.3.

Het hoger beroep van de heffingsambtenaar is gegrond en de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd.

4.4.

Uit het vorenstaande volgt dat het voorwaardelijk incidentele hoger beroep van belanghebbende moet worden behandeld.

Vraag 2 en vraag 3

4.5.

Belanghebbende heeft gesteld dat het inzagerecht is geschonden en dat de heffingsambtenaar niet tijdig inzicht heeft verschaft in de geraamde baten en lasten met betrekking tot de watersysteemheffing.

4.6.

Het hof stelt voorop dat, voor zover belanghebbende er vanuit gaat dat voorafgaand aan de hoorzitting inlichtingen en/of stukken dienen te worden verstrekt, toezending van stukken in de bezwaarfase niet verplicht is. In de bezwaarfase geldt uitsluitend een inzagerecht.

4.7.

Uit de stukken blijkt dat de heffingsambtenaar niet heeft vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage hebben gelegen en daarmee heeft de heffingsambtenaar het voorschrift van artikel 7:4, lid 3, Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschonden. Het hof is echter van oordeel dat belanghebbende door deze schending niet is benadeeld. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door een professionele gemachtigde. Van een dergelijke gemachtigde mag worden verwacht dat hij bekend is met het gegeven dat de op de zaak betrekking hebbende stukken een week voorafgaand aan het hoorgesprek ter inzage liggen op het kantoor van de heffingsambtenaar.

4.8.

Nu voorts gesteld noch gebleken is dat belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting gebruik heeft willen maken van het inzagerecht, is het hof van oordeel dat belanghebbende, voor zover niet alle stukken ter inzage hebben gelegen, reeds daarom niet in zijn belangen is geschaad. Nog daargelaten dat ook bij een eventuele schending van artikel 7:4, lid 2, Awb , deze schending met toepassing van artikel 6:22 van de Awb , kan worden gepasseerd, indien een belanghebbende daardoor niet in zijn belangen is geschaad.

Belanghebbende is naar het oordeel van het hof ook in de situatie van een schending van artikel 7:4, lid 2 Awb echter niet in haar belangen geschaad. Belanghebbende stelt immers dat zij eerder kennis had willen nemen van de Programmabegroting 2018 om het standpunt dat de opbrengstlimiet is overschreden te onderbouwen, maar ook nadat in de uitspraak op bezwaar is verwezen naar de vindplaats van deze begroting op de website van het Waterschap Aa en Maas heeft belanghebbende de door haar gestelde overschrijding van de opbrengstlimiet in de beroepsgronden bij rechtbank niet nader onderbouwd.

Ook de stelling dat belanghebbende beroep heeft moeten instellen om de volledige informatie te verkrijgen slaagt niet. Naar het oordeel van het hof is de verwijzing in de uitspraak op bezwaar naar de vindplaats van de Programmabegroting 2018 in dit geval voldoende, nu gesteld noch gebleken is dat (de gemachtigde van) belanghebbende niet over een computer beschikt waarmee hij toegang heeft tot het internet.

Vraag 4

4.9.

Nu de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en er geen aanleiding meer is voor vergoeding van het bij de rechtbank betaalde griffierecht, behoeft deze vraag geen beantwoording.

Vraag 5

4.10.

Belanghebbende stelt dat de rechtbank ten onrechte geen immateriële schadevergoeding heeft toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.

4.11.

Het bezwaarschrift is ontvangen op 11 april 2018 en de uitspraak op bezwaar is gedaan op 10 december 2018. Met de uitspraak van de rechtbank van 14 april 2020 is de redelijke termijn overschreden. Naar het oordeel van het hof zijn er geen omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn moet worden verlengd.

4.12.

Belanghebbende heeft niet (tijdig) verzocht om een immateriële schadevergoeding, maar op de zitting van de rechtbank was de termijn nog niet overschreden en ook zes weken na de zitting, 19 maart 2020, zou geen sprake zijn overschrijding van de termijn.

Naar het oordeel van het hof is dan sprake van een situatie waarin de rechtbank ambtshalve een immateriële schadevergoeding had moeten toekennen. Een verzoek om vergoeding van schade is in een dergelijk geval niet nodig. Dat de rechtbank bij brief van 19 maart 2020 de uitspraaktermijn heeft verlengd betekent evenmin dat alsnog een dergelijk verzoek is vereist.

4.13.

Uit het vorenstaande volgt dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 500. De overschrijding dient geheel te worden toegerekend aan de heffingsambtenaar. Dit geldt ook in een geval waarin de termijn waarbinnen de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar moet doen, als gevolg van het bepaalde in artikel 236, lid 2, Gemeentewet of artikel 30, lid 9, Wet WOZ , langer is dan een half jaar.

Naar het oordeel van het hof is ten aanzien van de zowel in bezwaar- als in de beroepsfase gezamenlijk behandelde zaak 20/00348 sprake van in hoofdzaak betrekking hebbend op één onderwerp.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2012 volgt dat sprake is van één bezwaar indien dit is gericht tegen meerdere op één aanslagbiljet vermelde besluiten. Deze beslissing is genomen voor de toepassing van artikel 7:15, lid 2, Awb . Het hof ziet geen reden om voor de toepassing van de toekenning van een immateriële schadevergoeding anders te oordelen. Dit betekent dat slecht éénmaal een schadevergoeding is verschuldigd en in dit geval de vergoeding moet worden vastgesteld op € 250.

Tussenconclusie

4.14.

Het hoger beroep van de heffingsambtenaar is gegrond. Het voorwaardelijk incidentele hoger beroep van belanghebbende is ongegrond en het incidentele hoger beroep is gegrond, voor zover door de rechtbank geen immateriële schadevergoeding is toegekend.

De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd.

Ten aanzien van de proceskosten

4.15.

Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het incidentele hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde incidentele hoger beroep gegrond is

4.16.

Het hof stelt deze tegemoetkoming op 2 (punten) x € 534 (waarde per punt) x 0,5 (factor gewicht van de zaak) is € 534.

4.17.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

4.18.

Vanwege de samenhang met de zaak 20/00348, waarin het hoger beroep ook alleen gegrond is vanwege het niet de immateriële schadevergoeding, wordt de tegemoetkoming in deze zaak vastgesteld op € 267.

5 Beslissing

Het hof:

verklaart het hoger beroep gegrond;

verklaart het voorwaardelijk incidentele hoger beroep ongegrond;

verklaart het incidentele hoger beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 250;

veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het hof van € 267.

De uitspraak is gedaan door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en M. Harthoorn, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2021 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

de naam en het adres van de indiener;

de dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Hoge Raad 15 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:B00411

Hoge Raad 8 maart 2019, ECLI:NL:HR:2091:322

Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.13.2

Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.11.2

ECLI:NL:HR:2012:BX0892.

1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature