< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

BPM. Weigering van gemachtigde. Diverse (formele) grieven. Hoger beroep ongegrond.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 19/00598 tot en met 19/00600

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West Brabant (hierna: de rechtbank) van 18 september 2019, nummers BRE 18/526, 18/527 en 18/528, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur,

en

de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),

hierna: de minister.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft op eigen aangifte BPM voldaan ter zake van de registratie in het kentekenregister van personenauto’s met voertuigidentificatienummers (hierna: VIN) eindigend op [VIN 1] , [VIN 2] en [VIN 3] (hierna: auto [VIN 1] , [VIN 2] en [VIN 3] ).

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte.

1.3.

Belanghebbende heeft de inspecteur in gebreke gesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar. Naar aanleiding van de ingebrekestellingsprocedure zijn dwangsombeschikkingen van nihil afgegeven (hierna: de dwangsombeschikkingen).

1.4.

De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan. De inspecteur heeft de bezwaren gegrond verklaard en BPM-teruggaven verleend. Met betrekking tot deze teruggaven zijn beschikkingen belastingrente van nihil afgegeven (hierna: de belastingrentebeschikkingen).

1.5.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de navolgende nummers aan de beroepen toegekend:

VIN

Nummer beroep

[VIN 1]

BRE 18/526

[VIN 2]

BRE 18/527

[VIN 3]

BRE 18/528

De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard.

1.6.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Het hof heeft de navolgende nummers aan het hoger beroep toegekend:

VIN

Nummer beroep

Nummer hoger beroep

[VIN 1]

BRE 18/526

19/00598

[VIN 2]

BRE 18/527

19/00599

[VIN 3]

BRE 18/528

19/00600

1.7.

Naar aanleiding van het door de toenmalige gemachtigde, [A] (hierna: [A] ), in het hoger beroepschrift gebezigde onbetamelijke taalgebruik heeft het hof [A] , [B BV] (hierna: [B BV] ) en [C BV] (hierna: [C BV] ), bij tussenuitspraak van 13 maart 2020 (hierna: de tussenuitspraak), geweigerd om nog langer bijstand te verlenen in de onderhavige zaken, dan wel belanghebbende te vertegenwoordigen, en heeft belanghebbende de gelegenheid gekregen om binnen vier weken een andere gemachtigde aan te wijzen. Belanghebbende heeft binnen deze termijn geen gemachtigde aangewezen. Belanghebbende heeft op 3 september 2020 alsnog een nieuwe gemachtigde aangewezen.

1.8.

De zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2021 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaken met de nummers 19/00556 tot en met 19/00565, 19/00579 tot en met 19/00585, 19/00587, 19/00588, 19/00589, 19/00590, 19/00607 en 19/00608.

1.9.

Belanghebbende heeft op deze zitting een wrakingsverzoek ingediend. Het hof heeft vervolgens het onderzoek geschorst en het wrakingsverzoek in handen gesteld van de wrakingskamer.

1.10.

De wrakingskamer heeft op 10 maart 2021 het wrakingsverzoek afgewezen. Vervolgens heeft het hof het onderzoek heropend.

1.11.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.12.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft ter zake van de registratie in het kentekenregister van auto’s [VIN 1] , [VIN 2] en [VIN 3] op eigen aangifte € 918, € 31 respectievelijk € 4.630 aan BPM voldaan. Bij het doen van aangifte ter zake van auto [VIN 1] is gebruikgemaakt van koerslijst Autotelex Pro. Bij het doen van aangifte ter zake van auto [VIN 2] is gebruikgemaakt van koerslijst XRay, met dien verstande dat geen correctie is toegepast wegens het hebben van een huurverleden en bij auto [VIN 3] is gebruik gemaakt van de koerslijst Eurotaxglass’s.

2.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoeningen op eigen aangifte. De inspecteur heeft de bezwaarschriften ontvangen op 15 november 2011, 18 oktober 2011 respectievelijk 26 oktober 2011.

2.3.

De inspecteur heeft de bezwaren bij uitspraken op bezwaar van 10 mei 2012 niet-ontvankelijk verklaard (hierna: de eerste uitspraken op bezwaar respectievelijk de eerste uitspraak op bezwaar).

2.4.

Belanghebbende heeft tegen de eerste uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij rechtbank Gelderland. Rechtbank Gelderland heeft de beroepen ongegrond verklaard.

2.5.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij hof Arnhem-Leeuwarden. Hof Arnhem-Leeuwarden heeft de hoger beroepen ongegrond verklaard.

2.6.

Belanghebbende heeft cassatie ingesteld tegen de uitspraak van hof Arnhem-Leeuwarden. De Hoge Raad heeft, voor zover in de onderhavige procedure relevant, de cassatieberoepen gegrond verklaard, de uitspraak van hof Arnhem-Leeuwarden, de uitspraak van rechtbank Gelderland en de eerste uitspraken op bezwaar vernietigd en de inspecteur opgedragen om opnieuw uitspraken op bezwaar te doen. Op 13 oktober 2017 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden.

2.7.

Belanghebbende heeft de inspecteur in gebreke gesteld wegens het te laat doen van nieuwe uitspraken op bezwaar. De dwangsombeschikkingen zijn vastgesteld op nihil.

2.8.

De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 15 december 2017 teruggaaf verleend van € 160 (personenauto [VIN 1] ), € 5 (personenauto [VIN 2] ) respectievelijk € 811 (personenauto [VIN 3] ) (hierna: de tweede uitspraken op bezwaar respectievelijk de tweede uitspraak op bezwaar). Met betrekking tot deze teruggaven zijn belastingrentebeschikkingen van nihil afgegeven. De inspecteur heeft per bezwaar een forfaitaire kostenvergoeding van € 492 toegekend.

2.9.

Belanghebbende heeft tegen de tweede uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank.

2.10.

De rechtbank heeft het beroep met het nummer BRE 18/526 gegrond verklaard, de tweede uitspraak op bezwaar vernietigd met uitzondering van de beslissing over de kostenvergoeding, de eerder verleende BPM-teruggaaf van € 160 verhoogd met € 16, de vergoeding van belastingrente ter zake van die teruggaven vastgesteld op bedragen berekend over de perioden 1 april 2012 tot en met 29 december 2017 respectievelijk 1 april 2012 tot en met 2 oktober 2019, zich onbevoegd verklaard om in deze procedure uitspraak te doen over de verzochte rentevergoeding ter zake van teruggaaf van BPM voor zover de vaststelling daarvan tot de bevoegdheid van de ontvanger hoort, de dwangsombeschikking vastgesteld op € 1.260, beslist dat, indien het bedrag van de door de inspecteur toegekende kostenvergoeding in bezwaar niet tijdig is vergoed, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum van de tweede uitspraak op bezwaar, de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade van € 1.478, de minister veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade van € 522, het verzoek om toekenning van een materiële schadevergoeding afgewezen, de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende in beroep van € 1.024, gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 170 aan hem vergoedt en beslist dat, voor zover de immateriële schadevergoeding, de in beroep toegekende proceskostenvergoeding en/of de vergoeding van griffierecht niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover in zoverre is gaan lopen vier weken na de datum waarop de rechtbank uitspraak heeft gedaan.

2.11.

De rechtbank heeft het beroep met het nummer BRE 18/527 gegrond verklaard, de tweede uitspraak op bezwaar vernietigd met uitzondering van de beslissing over de kostenvergoeding, de eerder verleende BPM-teruggaaf van € 5 verhoogd met € 1, de vergoeding van belastingrente ter zake van die teruggaven vastgesteld op bedragen berekend over de perioden 1 april 2012 tot en met 29 december 2017 respectievelijk 1 april 2012 tot en met 2 oktober 2019, zich onbevoegd verklaard om in deze procedure uitspraak te doen over de verzochte rentevergoeding ter zake van teruggaaf van BPM voor zover de vaststelling daarvan tot de bevoegdheid van de ontvanger hoort, de dwangsombeschikking vastgesteld op € 1.260, beslist dat, indien het bedrag van de door de inspecteur toegekende kostenvergoeding in bezwaar niet tijdig is vergoed, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum van de tweede uitspraak op bezwaar, het verzoek om toekenning van een materiële schadevergoeding afgewezen, gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 170 aan hem vergoedt en beslist dat, voor zover de vergoeding van griffierecht niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover in zoverre is gaan lopen vier weken na de datum waarop de rechtbank uitspraak heeft gedaan.

2.12.

De rechtbank heeft het beroep met het nummer BRE 18/528 gegrond verklaard, de tweede uitspraak op bezwaar vernietigd met uitzondering van de beslissing over de kostenvergoeding, de eerder verleende BPM-teruggaaf van € 811 verhoogd met € 77, de belastingrentebeschikking ter zake van die teruggaven vastgesteld op bedragen berekend over de perioden 1 april 2012 tot en met 29 december 2017 respectievelijk 1 april 2012 tot en met 2 oktober 2019, zich onbevoegd verklaard om in deze procedure uitspraak te doen over de verzochte rentevergoeding ter zake van teruggaaf van BPM voor zover de vaststelling daarvan tot de bevoegdheid van de ontvanger hoort, de dwangsombeschikking vastgesteld op € 1.260, beslist dat, indien het bedrag van de door de inspecteur toegekende kostenvergoeding in bezwaar niet tijdig is vergoed, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum van de tweede uitspraak op bezwaar, het verzoek om toekenning van een materiële schadevergoeding afgewezen, gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 170 aan hem vergoedt en beslist dat, voor zover de vergoeding van griffierecht niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover in zoverre is gaan lopen vier weken na de datum waarop de rechtbank uitspraak heeft gedaan.

2.13.

De rechtbank is er bij berekening van de immateriële schadevergoeding en de proceskostenvergoeding vanuit gegaan dat de onderhavige zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp respectievelijk samenhang vertonen.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Is het verdedigingsbeginsel en/of de hoorplicht geschonden?

2. Heeft belanghebbende recht op hogere teruggaven van op aangifte voldane BPM dan door de rechtbank is vastgesteld?

3. Heeft belanghebbende met betrekking tot de teruggaven van op aangifte voldane BPM recht op vergoeding van een hoger bedrag aan rente dan door de rechtbank is vastgesteld; is artikel 28c Invorderingswet 1990 (hierna: IW) in strijd met het Unierecht?

4. Levert naheffing na het belastbare feit strijd op met artikel 110 VWEU?

5. Is van belanghebbende terecht respectievelijk naar het juiste bedrag griffierecht geheven?

6. Dient op een verzoek tot immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn te worden beslist in een andere formatie dan die de hoofdzaak heeft beslist?

7. Heeft de rechtbank de vergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn op een te laag bedrag vastgesteld?

8. Heeft de rechtbank de proceskostenvergoeding op een te laag bedrag vastgesteld?

9. Heeft belanghebbende recht op een hogere rentevergoeding over het griffierecht?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot het verlenen van hogere teruggaven (vermeerderd met rente) dan door de rechtbank zijn toegekend. Bovendien concludeert belanghebbende tot toewijzing van diverse nevenvorderingen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1.

[A] alsmede [B BV] en [C BV] , zijn bij tussenuitspraak van 13 maart 2020 geweigerd om nog langer bijstand te verlenen aan belanghebbende dan wel hem te vertegenwoordigen in de onderhavige procedures.

4.2.

Uit het arrest van 29 januari 2021 volgt dat de weigering van [B BV] en [C BV] ten onrechte is, en het hof komt in zoverre terug op de beslissing in de tussenuitspraak van 13 maart 2020. Wat betreft de weigering van [A] komt het hof niet terug op de tussenuitspraak. De tussenuitspraak wordt, met uitzondering van de overwegingen met betrekking tot [B BV] en [C BV] , als hier ingelast aangemerkt.

Ten aanzien van het geschil

Vraag 1 (verdedigingsbeginsel/hoorplicht)

4.3.

De stelling van belanghebbende dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden, faalt. In de onderhavige zaken is geen sprake van een situatie waarin BPM is nageheven, doch betreft het de voldoening van BPM op aangifte. Niet valt in te zien op welke wijze het verdedigingsbeginsel in dergelijke situaties een rol zou kunnen spelen.

4.4.

Voor zover deze stelling mede opgevat dient te worden als een verwijzing naar de hoorplicht faalt ook deze stelling. Uit de gedingstukken valt op te maken dat een hoorgesprek heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2017.

4.5.

Het hof beantwoordt vraag 1 ontkennend.

Vraag 2 (verschuldigde BPM)

4.6.

Belanghebbende stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geweigerd om rekening te houden met de, zogenoemde, “ex-rentalcorrectie”.

4.7.

Met betrekking tot auto’s [VIN 1] en [VIN 3] faalt dit betoog reeds, aangezien belanghebbende bij het doen van aangifte BPM gebruik heeft gemaakt van koerslijsten (van Autotelex Pro respectievelijk Eurotaxglass’s) die geen mogelijkheid bieden om rekening te houden met een huurverleden.

4.8.

Bij het doen van aangifte BPM ter zake van auto [VIN 2] is gebruikgemaakt van een koerslijst van XRay, met dien verstande dat bij het doen van aangifte geen rekening is gehouden met een ex-rentalcorrectie. De Hoge Raad heeft in het arrest van 28 februari 2020 geoordeeld dat de omstandigheid dat in de handel aan het verhuurverleden van een personenauto een waardedrukkende invloed wordt verbonden, niet meebrengt dat met die waardedrukkende invloed ook rekening moet worden gehouden bij personenauto’s zonder huurverleden. Nu in hoger beroep niet is gesteld of gebleken dat deze auto een huurverleden heeft, bestaat ook met betrekking tot deze auto geen recht op toepassing van voornoemde correctie.

4.9.

Belanghebbende betoogt bovendien dat de wijze van berekening van de rest-BPM bij binnenlandse voertuigen in strijd is met het Unierecht. Belanghebbende voert hiertoe aan dat de rest-BPM wordt berekend volgens een forfaitaire afschrijvingstabel, terwijl bij ingevoerde auto’s BPM wordt geheven op basis van de werkelijke waardevermindering. Een dergelijk verschil in heffingsmodaliteit is niet in de Wet BPM 1992 terug te vinden. Ook bij ingevoerde auto’s kan, in tegenstelling tot hetgeen belanghebbende lijkt te betogen, ervoor gekozen worden om de afschrijving te bepalen aan de hand van de forfaitaire tabel zoals bedoeld in artikel 10, lid 6, Wet BPM 1992 juncto artikel 8, lid 5, Uitvoeringsregeling BPM.

4.10.

Het hof beantwoordt vraag 2 ontkennend.

Vraag 3 (rentevergoeding over teruggaaf)

4.11.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat recht bestaat op vergoeding van rente in verband met de vermindering van het op aangifte verschuldigde bedrag aan BPM. Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van artikel 30ha Algemene wet inzake rijksbelastingen recht bestaat op belastingrente over de bij de tweede uitspraken op bezwaar verleende teruggaven en de door de rechtbank verleende aanvullende teruggaven. Voor zover belanghebbende stelt dat hij recht heeft op toepassing van een hoger rentepercentage respectievelijk vergoeding van belastingrente over een langere periode dan door de rechtbank is vastgesteld, faalt dit betoog. Belanghebbende kan dit recht ook niet ontlenen aan het Unierecht.

4.12.

De vraag of belanghebbende in aanvulling op de door de rechtbank vastgestelde belastingrente recht heeft op vergoeding van invorderingsrente op grond van artikel 28c IW , dan wel rechtstreeks op grond van het arrest Mariana Irimie, kan in de onderhavige procedure niet aan de orde komen, nu het bedrag aan invorderingsrente op grond van artikel 30 IW bij beschikking wordt vastgesteld en tegen een dergelijke beschikking een eigen rechtsgang open staat. Het hof is dan ook niet bevoegd in de onderhavige procedure hierover een oordeel te geven.

4.13.

Ten overvloede wijst het hof op het arrest van de Hoge Raad 28 september 2018, waarin, kort gezegd, is geoordeeld dat artikel 28c IW niet in strijd is met het Unierecht.

4.14.

Het hof beantwoordt vraag 3 ontkennend.

Vraag 4 (naheffing na het belastbaar feit)

4.15.

Aangezien in de onderhavige zaken geen sprake is van naheffing gaat het hof niet in op de door belanghebbende opgeworpen vraag of naheffing na het belastbare feit strijd oplevert met artikel 110 VWEU .

Vraag 5 (griffierecht)

4.16.

Belanghebbende heeft zich met verwijzing naar het Unierecht tegen de heffing van griffierecht respectievelijk de hoogte van het geheven griffierecht verzet.

4.17.

Het Unierecht, meer in het bijzonder de arresten Kantarev en Orizzonte, leidt er niet toe dat belanghebbende (gedeeltelijk) vrijgesteld dient te worden van de verplichting tot betaling van griffierecht. Het hof merkt voorts op dat belanghebbende geen beroep op (gedeeltelijke) vrijstelling wegens betalingsonmacht heeft gedaan. Dat het griffierecht vooraf betaald dient te worden, levert ook geen strijd op met het Unierecht.

4.18.

Vraag 5 wordt bevestigend beantwoord.

Vraag 6 (behandeling verzoek tot vergoeding van immateriële schade)

4.19.

Belanghebbende heeft gesteld dat de beslissing op het verzoek om immateriële schadevergoeding moet worden genomen door andere rechters dan degenen die over de hoofdzaak beslissen.

4.20.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 19 april 2019 geoordeeld dat de wijze waarop verzoeken tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn worden behandeld op zichzelf niet tot een inbreuk op de Unierechtelijke grondrechten leidt. Het hof ziet geen aanleiding om in het onderhavige geval anders te beslissen.

4.21.

Vraag 6 wordt ontkennend beantwoord.

Vraag 7 (hoogte immateriële schadevergoeding)

4.22.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de onderhavige zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp en gezamenlijk zijn behandeld. De rechtbank heeft, gelet op deze omstandigheden, in alle zaken gezamenlijk slechts éénmaal een immateriële schadevergoeding van € 500 per half jaar toegekend bij overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft, in totaal, een immateriële schadevergoeding van € 2.000 toegekend, met dien verstande dat de rechtbank de inspecteur heeft veroordeeld tot vergoeding van € 1.478 en de minister tot vergoeding van € 522.

4.23.

De rechtbank heeft ter onderbouwing van het oordeel dat de zaken in hoofdzaak op hetzelfde onderwerp betrekking hebben, verwezen naar overwegingen 2.22 en 2.24 van de uitspraak van 5 september 2019. Deze overwegingen luiden als volgt:

“ (…) 2.22. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat van ‘samenhang’ sprake is indien meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld en die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien daarvan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd. Anders dan belanghebbende bepleit, staat het unierecht hieraan niet in de weg. De jurisprudentie van de Hoge Raad over ISV is immers gebaseerd op artikel 6 EVRM, en artikel 47 van het Handvest is op zijn beurt ge ïnspireerd op artikel 6 EVRM . De Hoge Raad heeft in zijn jurisprudentie over ISV ook geen uitzondering gemaakt voor zaken die onder de werkingssfeer van het unierecht vallen.

Bij BPM-zaken zoals hier, gaat het om een verschillende feitencomplexen (verschillende auto’s), maar kan niettemin toch sprake zijn van ‘hetzelfde onderwerp’ indien het bijvoorbeeld gaat om dezelfde (overwegend) rechtskundige geschilpunten waarbij de individuele kenmerken van de auto’s geen (noemenswaardige) rol spelen.

Voor samenhang is niet noodzakelijk dat alle onderwerpen die in de ene zaak spelen ook in de andere zaak aan de orde zijn. Indien in zaak A minder onderwerpen aan de orde zijn dan in zaak B maar (in hoofdzaak) die onderwerpen wel ook in zaak B spelen, dan is sprake van samenhang. Er is dan sprake van dat zaak A als het ware ‘opgaat’ in zaak B voor de toepassing van de ISV. De veronderstelling is dat de lange duur van de procedure in zaak A geen extra spanning en frustratie oplevert ten opzichte van de (veronderstelde) spanning en frustratie opgeroepen door de lange duur van de procedure in zaak B.

Tegen de achtergrond van het voorgaande oordeelt de rechtbank als volgt.

(…)

2.24.

Bij de vier terugwijzingszaken is wel sprake van ‘samenhang’, gelet op het volgende:

- Afgaande op de processtukken in het dossier waren bij alle vier zaken zowel in de eerste bezwaarfase als in de tweede bezwaarfase (na terugwijzing) in hoofdzaak een of meer van dezelfde rechtskundige onderwerpen aan de orde (btw/marge, 12%-regeling, tussentijdstarief, Irimie-rente, werkelijke proceskosten);

- In het eerste rechterlijke traject (Rechtbank; Hof; Hoge Raad) stond hetzelfde onderwerp centraal: de kwestie of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk was verklaard.

- In de huidige beroepsfase gaat het in hoofdzaak om dezelfde rechtskundige onderwerpen.

- De zaken zijn gelijktijdig behandeld in de verschillende fases: eerste uitspraak op bezwaar op 10 mei 2012, zitting en uitspraak rechtbank Gelderland (hierna: de 1e rechtbank) op 31 oktober 2013 en 9 januari 2014, zitting en uitspraak Hof Arnhem-Leeuwarden op 27 november 2014 en 6 januari 2015, arrest Hoge Raad op 15 januari 2016, horen in bezwaar op 13 oktober 2017, tweede uitspraak op bezwaar op dagen in de periode tussen 7 en 14 december 2017, en gelijktijdige behandeling in de onderhavige beroepsfase.”

4.24.

De rechtbank heeft op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het hof neemt de hierboven opgenomen overwegingen van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne. Het hof voegt hier aan toe dat de enkele omstandigheid dat de onderhavige procedure ziet op drie verschillende voertuigen onvoldoende is om tot een andersluidend oordeel te komen.

4.25.

Belanghebbende verzet zich bovendien tegen de berekening van de immateriële schadevergoeding. De rechtbank heeft, volgens belanghebbende, de totale overschrijding van de redelijke termijn te laag vastgesteld.

4.26.

Bij de berekening van de immateriële schadevergoeding is de rechtbank er terecht vanuit gegaan dat de redelijke termijn is aangevangen op 18 oktober 2011. Dit is immers de datum waarop het eerste bezwaarschrift is ontvangen (zie onder 2.2.). De rechtbank heeft de datum waarop de redelijke termijn is beëindigd terecht vastgesteld op 18 september 2019. Op deze datum heeft de rechtbank uitspraak gedaan. Naar het oordeel van het hof is de rechtbank er echter ten onrechte vanuit gegaan dat de, in totaal, als redelijk te achten termijn zes jaar bedraagt. Voor de fasen bezwaar, beroep, hoger beroep, cassatie en de verwijzingsprocedure geldt, in totaal, een redelijke termijn van (bezwaar en beroep tezamen; twee jaar, hoger beroep; twee jaar, cassatie; twee jaar en verwijzingsprocedure; één jaar =) zeven jaar. Uit het Unierecht volgt niet dat een kortere termijn gehanteerd dient te worden. De rechtbank heeft de totale overschrijding derhalve ten onrechte vastgesteld op 1 jaar en 11 maanden in plaats van op 11 maanden. De rechtbank heeft de immateriële schadevergoeding, om deze reden, eerder te hoog dan te laag vastgesteld. De inspecteur respectievelijk de minister heeft zich echter niet tegen de door de rechtbank uitgesproken veroordeling tot vergoeding van immateriële schade verzet. Het hof ziet om deze reden af van het naar beneden bijstellen van de immateriële schadevergoeding.

4.27.

Het hof beantwoordt vraag 7 ontkennend.

Vraag 8 (proceskostenvergoeding)

4.28.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van werkelijke proceskosten.

4.29.

Het hof is van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die toekenning van een hogere kostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase, dan die volgt uit het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit), rechtvaardigen. Bovendien heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 Besluit. Het Unierecht noopt niet tot het toekennen van een hogere kostenvergoeding.

4.30.

Voorts vat het hof de in het hoger beroepschrift opgenomen verwijzing naar geleden materiële schade, bij gebrek aan een specificatie van die kosten, op als een verzoek om vergoeding van werkelijke kosten waarvoor eveneens geldt dat geen sprake is van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan een hogere kostenvergoeding dan de forfaitaire vergoeding op basis van het Besluit kan worden toegekend.

4.31.

Het hof beantwoordt vraag 8 ontkennend.

Vraag 9 (rente over griffierecht)

4.32.

De rechtbank heeft beslist dat, voor zover de vergoeding van griffierecht niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover in zoverre is gaan lopen vier weken na de datum waarop zij uitspraak heeft gedaan.

4.33.

Belanghebbende stelt dat het griffierecht moet worden terugbetaald met vergoeding van rente vanaf het tijdstip waarop het griffierecht is voldaan.

4.34.

Voor een rentevergoeding over de periode vanaf de datum van betaling van het griffierecht aan de rechtbank, ziet het hof geen reden. Voorts ziet het hof geen aanleiding om te oordelen dat het Unierecht noopt tot het toekennen van een hogere rentevergoeding dan waarvan de rechtbank is uitgegaan.

4.35.

Het hof beantwoordt vraag 9 ontkennend.

Tussenconclusie

4.36.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.37.

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.38.

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht .

5 Beslissing

Het hof:

verklaart het hoger beroep ongegrond; en

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, T.A. Gladpootjes en M.H.P. Groenland, in tegenwoordigheid van J.M.A. van Rooij-Beckers, als griffier.

De uitspraak is ondertekend door de griffier, en door T.A. Gladpootjes, aangezien de voorzitter is verhinderd deze te ondertekenen.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2021 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

de naam en het adres van de indiener;

de dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Hof ’s-Hertogenbosch 13 maart 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:892.

Rechtbank Gelderland 9 januari 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:67.

Hof Arnhem-Leeuwarden 6 januari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:21.

Hoge Raad 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:53.

Hoge Raad 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:141.

Vgl. Hoge Raad 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331.

Hoge Raad 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331.

HvJ EU 18 april 2013, ECLI:EU:C:2013:250.

Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1790, onderdeel 5.

HvJ EU 4 oktober 2018, Kantarev, ECLI:EU:C:2018:807.

HvJ EU 6 oktober 2015, Orizzonte, ECLI:EU:C:2015:655.

Hoge Raad 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, r.o. 2.2.1 tot en met 2.2.5.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 5 september 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:3946.

Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.

Vgl. Hof 14 december 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:5592.

Vgl. Hof 14 december 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:5592, r.o. 4.4.

Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.10.2.

Hof ’s-Hertogenbosch 17 oktober 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3825 en Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.10.2.

Hoge Raad 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, en Hoge Raad 24 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8049.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature