< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Medeplegen van poging tot doodslag. Verdachte heeft welbewust en doelgericht meermalen heel hard tegen het hoofd en lichaam van het slachtoffer geslagen en geschopt. Het meermalen heel hard slaan en schoppen tegen het hoofd doet naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op de dood ontstaan. Het hof is van oordeel dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden en het opzet van de verdachte is minst genomen in voorwaardelijke zin daarop gericht geweest. De enkele omstandigheid dat het slachtoffer een fietshelm droeg, leidt niet tot een ander oordeel.

Uitspraak



Parketnummer : 20-001390-19

Uitspraak : 5 februari 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 30 april 2019 in de strafzaak met parketnummer 03-659154-18 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans verblijvende in Huis van Bewaring Roermond te Roermond.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken ter zake van feit 2 primair, openlijke geweldpleging in vereniging tegen personen, en ter zake van feit 1 primair, het medeplegen van een poging tot doodslag, en feit 2 subsidiair, mishandeling, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden met aftrek van voorarrest. Verder is de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 9.249,08, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2018, met veroordeling van de verdachte in de proceskosten van de benadeelde partij. De benadeelde partij is met betrekking tot twee posten niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en de vordering is voor het overige afgewezen.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Van de zijde van de verdachte is vrijspraak bepleit van het onder feit 1 primair ten laste gelegde en is een verweer met betrekking tot de strafmaat gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de verdediging zich met betrekking tot de gevorderde immateriële schade gerefereerd aan het oordeel van het hof en met betrekking tot de materiële posten naar voren gebracht dat de verdediging zich verenigt met de beslissingen van de rechtbank te dien aanzien.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

feit 1 primair hij op of omstreeks 23 mei 2018 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet genoemde [slachtoffer 1] meermalen tegen het hoofd en/of lichaam heeft geslagen en/of getrapt, ook terwijl genoemde [slachtoffer 1] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;feit 1 subsidiairhij op of omstreeks 23 mei 2018 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten diverse fracturen in het gezicht en/of een of meer littekens in het gezicht, heeft toegebracht, door genoemde [slachtoffer 1] meermalen tegen het hoofd en/of lichaam te slaan en/of te trappen, ook terwijl genoemde [slachtoffer 1] op de grond lag;

feit 1 meer subsidiair hij op of omstreeks 23 mei 2018 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet genoemde [slachtoffer 1] meermalen tegen het hoofd en/of lichaam heeft geslagen en/of getrapt, ook terwijl genoemde [slachtoffer 1] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;feit 2 primairhij op of omstreeks 23 mei 2018 in de gemeente Venlo openlijk, te weten, op de Eindhovenseweg, in elk geval op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen (een) pers(o)on(en) te weten [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] door voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te duwen en/of (meermalen) tegen het hoofd en/of lichaam te slaan en/of te trappen;

feit 2 subsidiair

hij op of omstreeks 23 mei 2018 in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging, althans alleen:

a.

[slachtoffer 2] heeft mishandeld door genoemde [slachtoffer 2] te slaan/omver te duwen, waardoor die [slachtoffer 2] op de grond terecht kwam, en/of

b.

[slachtoffer 3] heeft mishandeld door genoemde [slachtoffer 3] tegen diens hoofd/gezicht te slaan.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak feit 2 primair

Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat, nu niet is gebleken dat [medeverdachte] en/of de onbekend gebleven derde op enige wijze door verbale of fysieke handelingen de geweldshandelingen van de verdachte jegens [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben ondersteund of anderszins hebben bijgedragen in het ontstaan of het voortduren daarvan, niet is komen vast te staan dat de andere verdachte(n) een voldoende significante of wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan het door de verdachte gepleegde geweld. Daardoor schiet het bewijs voor de onder feit 2 primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging in vereniging tegen personen te kort en zal de verdachte daarvan worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring feit 1 primair en feit 2 subsidiair

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

feit 1 primair hij op 23 mei 2018 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet genoemde [slachtoffer 1] meermalen tegen het hoofd en lichaam heeft geslagen en getrapt, ook terwijl genoemde [slachtoffer 1] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2 subsidiair hij op 23 mei 2018 in de gemeente Venlo [slachtoffer 2] heeft mishandeld door genoemde [slachtoffer 2] omver te duwen, waardoor die [slachtoffer 2] op de grond terecht kwam, en [slachtoffer 3] heeft mishandeld door genoemde [slachtoffer 3] tegen diens hoofd/gezicht te slaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdediging heeft vrijspraak van het onder feit 1 primair ten laste gelegde bepleit en heeft daartoe kort gezegd gesteld dat opzet op de dood niet bewezen kan worden. Aangezien het slachtoffer een fietshelm droeg, was er geen sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood, aldus de verdediging.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier op de dood – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

A.

In het strafdossier bevinden zich de volgende redengevende verklaringen en overige stukken over de op 23 mei 2018 jegens [slachtoffer 1] in de gemeente Venlo verrichte geweldshandelingen en de omstandigheden waaronder deze geweldshandelingen zijn verricht:

Aangifte [slachtoffer 1] d.d. 23 mei 2018 (politiedossier pagina 31 en volgende):

Ik doe aangifte van poging tot doodslag, gepleegd op 23 mei 2018 om 16:44 uur op de Eindhovenseweg te Venlo. (…)

Vandaag reed ik met mijn fiets over het fietspad. Mijn aandacht ging naar de rechterkant van de weg. Naar de auto’s die naar Venlo rijden. De auto’s stopten. Ik zie daar een gast uitstappen. Ik zag deze gast naar een andere auto lopen, welke voor hem stond. Hij was verbaal heel gewelddadig, met zijn armen. Hij was heel gewelddadig naar die vrouw. Ik riep naar deze persoon “moet dan nu zo?” en riep “Is dat nu de manier waarop dat moet”. Ik zag dat deze man, met zijn hand, tegen het hoofd van de vrouw sloeg. Hij sloeg haar tussen de ogen, net boven de neus. Ik ben de weg overgestoken. Ik zag dat hij op me af kwam lopen. Ik zag dat hij doorstapte. Hij was heel agressief, ik zag dit aan zijn gezichtsuitdrukking en aan zijn gebaar met zijn handen. Voordat ik het wist had ik al een harde klap onder mijn rechteroog te pakken (van die man). Hij sloeg me met gebalde vuist, echt heel hard. Toen kwamen de andere twee mannen erbij. De mannen begonnen me met zijn drieën tegelijk te schoppen en te slaan. Zeg maar boksen, met volle geweld. Ze sloegen me met gebalde vuist tegen mijn gezicht. Alle drie de mannen stonden tijdens het slaan erg dicht op me, nagenoeg tegen mijn lichaam aan. De eerste klap was echt verschrikkelijk.

De andere slagen deden ook pijn. Ik kwam toen om een of andere reden op de grond terecht en toen begonnen ze me heel hard te schoppen. Ze schopten me zeker vijf of zes keer. Ik lag in de foetushouding op de grond. Ik kreeg haast geen lucht meer. Ze schopten me tegen mijn gezicht; meer dan één keer. Ze schopten me in mijn ribben en ook tegen de linker zijkant van mijn hoofd, net achter het oor. Dit deed allemaal erg pijn.

Verklaring [getuige 1] d.d. 23 mei 2018 (politiedossier pagina 50 en volgende):

Ik zag dat de man, die daar stond, door drie jongens werd aangevallen. Ik zag dat de man door de aanval van de jongens op de grond viel. Ik zag dat de man die op de grond gevallen was hierna nog mishandeld werd. Ik zag dat er door de jongens op hem ingeslagen en geschopt werd. De jongen met de afro pruik, een afro-kapsel met zwart flink krullend haar tot de schouders, schopte meerdere malen echt hard tegen de man. Het leek net of hij tegen de man aan het voetballen was. De man gebruikte hij als bal. De man met het afro kapsel schopte de man ter hoogte van zijn hoofd.

Verklaring [getuige 1] d.d. 14 februari 2019 bij de rechter-commissaris:

Ik kan mij herinneren dat wij aansloten bij het stilstaand verkeer en dat wij een en ander zagen gebeuren; ik hoorde mijn zoontje heel hard gillen, omdat mijn man en ik de auto wilden uitstappen. In eerste instantie zagen we er twee mannen bij die op de man aan het inschoppen waren. Daarna kwam er een derde persoon bij. Het waren met name de eerste twee mannen die aan het schoppen waren. De linker (vanuit mijn kant gezien) was aan het schoppen. De andere man had als het waren opstaand haar – ik heb dat volgens mij eerder een ‘afro kapsel’ genoemd – en die haalde echt uit door behoorlijk te schoppen alsof hij aan het voetballen was. Zijn haar zag je als het ware op en neer gaan, dat kan ik mij nog goed herinneren. Degene die geschopt werd, de fietser, lag op de grond. Het zicht was goed, het was zonnig die dag.

Aangifte [slachtoffer 2] d.d. 23 mei 2018 (politiedossier pagina 22 en volgende)

De derde persoon kwam nagenoeg gelijk mijn richting op gelopen. Deze persoon had lange krullende haren en droeg een zwarte broek en een zwart T-shirt. Ik zag en hoorde dat hij al scheldend naar mij toe liep met zwaaiende armen. Ik zag en voelde dat hij, toen hij bij mij stond, mij met beide armen met vlakke hand duwde of sloeg. Het ging heel snel. (…)

Ik hoorde dat een buitenstaander op de fiets riep: “Doe eens rustig”, of woorden van gelijke strekking. Ik zag dat de fietser al bij ons stond. Ik zag dat de drie personen zich meteen op deze man richtten. Ik zag dat zij direct op deze man afgingen en hem aanvielen. Toen dit gebeurde stond deze man op het gras in de middenberm van de Eindhovenseweg.

Ik stond op een afstand van ongeveer 2 meter toen ik zag dat alle drie de personen deze man zwaar mishandelden. Ik zag dat ze de man tegen zijn hoofd, ribben en gehele lichaam opzettelijk en met kracht begonnen te schoppen en te slaan. Zij sloegen de man tegen de grond en bleven hem schoppen en slaan toen hij op de grond lag. Ik hoorde die man schreeuwen van de pijn en dat ze moesten stoppen. Ik heb ook geroepen dat ze moesten stoppen maar ze bleven de man mishandelen. Ik zag direct dat de man een bebloed gezicht had en dat hij in elkaar kroop van de pijn. Ik zag dat ze hem in de rug en maag bleven schoppen. Ik zag dat de derde persoon [het hof begrijpt: de persoon met de lange krullende haren, die een zwarte broek en een zwart T-shirt droeg, die ook [slachtoffer 2] had geduwd] het grootste aandeel had. Ik zag dat hij echt over de man heen ging en dat hij zijn best deed om de man zo hard mogelijk te raken. Het ging er echt heel hard aan toe.

Verklaring [getuige 2] (politiedossier pagina 60 en volgende):

Dader 1 had lang dun gekruld zwart haar en droeg donkere kleding. Ik hoorde een fietser aan de overzijde roepen naar dader 1. Het waren woorden in de zin van: “Doe eens normaal”. Hij sprak dader 1 aan op zijn gedrag. Ik zag dat dader 1 flink geïrriteerd raakte. Ik zag dat hij weer een agressieve houding aannam en keek in de richting van de fietser. Ik zag dat dader 1 vervolgens over de middenberm liep. Ik zag dat de fietser met zijn fiets overstak vanaf het fietspad schuin naar de middenberm. Toen de fietser ter hoogte van de berm kwam, zag ik dat dader 1 op hem af liep en direct, zonder ook maar iets te zeggen, doelgericht met zijn tot vuist gebalde rechterhand op het hoofd sloeg van de fietser. Ik zag dat dit erg hard ging. Inmiddels waren dader 2 en dader 3 ook toegesneld. Ik zag vervolgens dat de fietser van dader 1 wederom een klap op het hoofd kreeg met zijn tot vuist gebalde rechterhand.

Het ging toen allemaal erg snel. Ik zag de fietser op de grond liggen. Ik zag dat de drie daders vervolgens veelvuldig trapten en sloegen naar de fietser. Ik zag dat de fietser daarbij meerdere keren tegen het hoofd werd getrapt. De fietser kreeg de volle lading van alle drie de daders. Ik zag dat de fietser zich niet weerde en stil bleef liggen terwijl de drie daders op hem in bleven slaan en trappen.

Ik zag dat de drie daders op een gegeven moment stopten met het slaan en trappen, terug liepen naar de auto en instapten. Ik keek nog naar de fietser. Ik zag dat de fietser helemaal onder het bloed zat, tegen het levenloze aan.

Verklaring [getuige 2] d.d. 14 februari 2019 bij de rechter-commissaris:

Ik sloot aan de linkerkant aan, kort achter de auto met die drie personen. Mijns inziens waren ze van Noord-Afrikaanse afkomst. Toen ontstond er een bizar tafereel. Uit de auto voor mij stapte een persoon, zijn hele houding straalde agressie uit. Hij had fijn krullend haar, een ‘Ali B.-kapsel’. (…)

Ik heb de fietser horen zeggen: “Doe eens normaal”. De fietser stak de weg over richting de berm. Op het moment dat de persoon door had dat de fietser zich met de situatie ging bemoeien, vloog de persoon regelrecht op hem af. De fietser werd zonder pardon doelbewust en gericht klein geslagen. Hij kreeg meerdere klappen op zijn gezicht met de vuist. De fietser kon echt helemaal niks; hij werd met de klap kleiner. Bij de eerste klap was enkel de eerste persoon betrokken, maar de tweede persoon is ook al snel klappen gaan geven: hij droeg ook volop zijn steentje bij, hij sloeg ook en raakte hierbij ook de fietser; dit heb ik zelf gezien. Beide personen schopten even hard. De eerste persoon was begonnen, maar daarbij hebben ze allebei als wilde honden er op los geslagen. De fietser lag op de grond. Het ging erg snel. Op het eind was de derde persoon er ook bij gekomen. Er werd hard getrapt op voornamelijk het hoofd en op de zijkant van het lichaam.

Dit alles gebeurde links voor mij, op een meter of twee/drie voor mij. Ik had er volop zicht op. Er zat geen auto tussen.

Verklaring [slachtoffer 3] d.d. 14 februari 2019 bij de rechter-commissaris:

De drie mannen die de fietser op de grond attaqueerden, handelden als een stel wilde honden. Ze schopten en sloegen hem. Ik kon zien dat er doelbewust op zijn hoofd werd geschopt door alle drie de personen. Ze gingen echt als wilde beesten tekeer.

Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van het hof d.d. 22 januari 2019:

De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof bij het zien van de daar getoonde videobeelden, die ten tijde van het voorval zijn gemaakt, verklaard dat hij zichzelf op de beelden herkent als de persoon die in het zwart gekleed is. Verder heeft hij verklaard dat hij het slachtoffer [slachtoffer 1] als eerste en meermalen in het gezicht geslagen heeft.

Eigen waarnemingen van het hof ter terechtzitting d.d. 22 januari 2019:

Het hof heeft op de ter terechtzitting getoonde beelden onder meer waargenomen dat de persoon met zwarte boven- en onderkleding lang krullend zwart haar heeft. Op de beelden zijn drie mannen te zien ter hoogte van de middenberm. Een persoon op de grond is niet te zien, het zicht is belemmerd door meerdere auto’s. Te zien is dat met name twee mannen meerdere bewegingen maken met hun onderlichaam. Eén van die twee mannen is een man met zwarte boven- en onderkleding (het hof begrijpt: verdachte). De andere twee mannen zijn niet (geheel) in het zwart gekleed. Bij het maken van bewegingen door de in het zwart geklede man is te zien dat zijn haar ‘opzwiept’ en dat hij bij één van die bewegingen ook een springende beweging maakt.

B.

Ten aanzien van de gevolgen voor aangever [slachtoffer 1] slaat het hof acht op de volgende dossierstukken:

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 mei 2018 van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

Op 23 mei 2018, omstreeks 18:05 uur, kwamen wij verbalisanten op de afdeling eerste hulp van het ziekenhuis Viecuri in Venlo. Aldaar zagen wij op kamer 6 het slachtoffer liggen. Wij zagen dat het slachtoffer flink aangezichtsletsel had. Wij zagen dat het slachtoffer een dik opgezwollen rechter oog had en dat eroverheen een flinke bandage zat. De bandage was doordrenkt met bloed. Verder zagen wij dat hij net boven zijn wenkbrauwen flinke hoofdwonden had. Achter op zijn hoofd had hij ter hoogte van zijn linkeroor een enorme bult zitten.

Geneeskundige verklaring (politiedossier pagina 39 en volgende):

Op 24 mei 2018 is [slachtoffer 1] door forensisch arts [arts 1] van de GGD Limburg-Noord gezien in het kader van letselonderzoek. De diagnose van de Spoedeisende Hulp, na lichamelijk onderzoek van [slachtoffer 1] op 23 mei 2018 (zie dossierpagina’s 46-47), luidt als volgt:

een forse zwelling en bloeduitstorting rondom de oogkas rechts;

een barstwond op de rechter wang, vier tot vijf centimeter lang met wijkende wondranden;

een klein scheurwondje net opzij van de rechter ooghoek van het rechter oog;

mogelijk wat verminderde sensibiliteit in het verzorgingsgebied van de nervus infraorbitalis (deze verzorgt het huidgedeelte onder het oog);

Als klachten (het hof begrijpt: op dat moment) zijn vermeld: pijn in aangezicht rechts, pijn ter hoogte van de onderste ribben rechts, drukpijn rechter bovenbuik in rechter flank.

Er is een vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel.

Op de CT-scan van het aangezicht van [slachtoffer 1] blijkt dat sprake is van een fractuur in de zijwand van zowel de linker als de rechter bovenkaakholte, met bloed in de rechter bovenkaakholte, alsmede van een fractuur in de bodem van de oogkas rechts.

Er bestond een vermoeden van blijvende beperking van fysieke functies. Volgens de forensisch arts is het duidelijk dat de aangezichtsletsels zeer waarschijnlijk veroorzaakt zijn door herhaaldelijk stomp geweld, uitgeoefend op het gelaat.

De schatting van de duur van de verdere genezing van de zichtbare letsels en de overige letsels is maanden.

Een geschrift, als bijlage 9 gevoegd bij het voegingsformulier van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

Op 5 april 2019 heeft [arts 2] , als bedrijfsarts verbonden aan Incentivo Medical Consultancy, een medische verklaring met betrekking tot [slachtoffer 1] opgesteld. Hij heeft geconcludeerd dat [slachtoffer 1] als gevolg van de mishandeling op 23 mei 2018 onder meer heeft opgelopen:

een breuk van de oogkas (orbita fractuur);

nekpijn die uitstraalt naar de arm, links (cervicobrachialgie) met op MRI een nekhernia (HNP C6-C7).

C.

Conclusies hof:

Uit het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting, in het bijzonder het bovenstaande, leidt het hof af dat de verdachte samen met anderen welbewust en doelgericht meermalen heel hard tegen het hoofd en lichaam van het slachtoffer heeft geslagen en geschopt, ook toen het slachtoffer op de grond lag. Het tegen het slachtoffer gepleegde geweld ving aan door het geven door de verdachte van een hele harde vuistslag onder het rechteroog van het slachtoffer, door het slachtoffer ervaren als een echt verschrikkelijke klap. Tijdens de geweldshandelingen die zijn verricht toen het slachtoffer op de grond lag kreeg het slachtoffer haast geen lucht meer.

Dat het door de verdachte in vereniging gepleegde geweld aanzienlijk was en met veel kracht is gepleegd, volgt uit de woorden waarmee de aangever en getuigen het voorval beschrijven en wordt verder bevestigd door de aard en zwaarte van de verwondingen die het slachtoffer hierdoor heeft opgelopen, te weten onder andere drie breuken in het gezicht (in de zijwand van de linker bovenkaakholte, in de zijwand van de rechter bovenkaakholte en in de bodem van de oogkas rechts), net boven de wenkbrauwen flinke hoofdwonden, achter op het hoofd ter hoogte van het linkeroor een enorme bult en een nekhernia.

Het meermalen heel hard slaan en schoppen tegen het hoofd, ook toen het slachtoffer op de grond lag, doet naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op de dood ontstaan.

Het hoofd is een kwetsbaar lichaamsdeel, met daarin vitale onderdelen, zoals de hersenen en vitale bloedvaten.

Het hof is van oordeel dat de verdachte, gelet ook op voornoemde feiten en omstandigheden waaronder de geweldshandelingen zijn verricht, met zijn in vereniging gepleegde gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer hierdoor zou komen te overlijden en het opzet van de verdachte is minst genomen in voorwaardelijke zin daarop gericht geweest.

Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer.

De enkele omstandigheid dat het slachtoffer een fietshelm droeg, leidt niet tot een ander oordeel. Het dragen van een fietshelm is niet onverenigbaar met de voor een poging tot doodslag toereikende vaststelling dat het meermalen met veel kracht slaan en schoppen tegen het hoofd, ook terwijl het slachtoffer op de grond ligt, waardoor het slachtoffer forse letsels heeft bekomen in zijn gezicht en ook een enorme bult achter op het hoofd ter hoogte van het linkeroor heeft opgelopen, een aanmerkelijke kans op de dood doet ontstaan.

Het verweer wordt verworpen.

D.

Met betrekking tot het ten laste gelegde medeplegen overweegt het hof het volgende.

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof over de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde af, dat de verdachte, [medeverdachte] en de onbekend gebleven derde samen gelijktijdig fors geweld gebruikt hebben tegen het slachtoffer. Zij hebben alle drie het slachtoffer geslagen en getrapt.

Met de rechtbank komt het hof aldus tot het oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte, [medeverdachte] en de onbekend gebleven derde, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het ten laste gelegde medeplegen bewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van poging tot doodslag.

Het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. In het bijzonder is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag op een bijna 50-jarige man en de mishandeling van een 64-jarige vrouw en een 68-jarige man. Boos geworden om een verkeersfout die medeweggebruiker [slachtoffer 3] zou hebben gemaakt, is de verdachte, die achter de bestuurder in een auto zat, uit de auto gestapt. Hij is vervolgens op de bijrijder van die [slachtoffer 3] , aangeefster [slachtoffer 2] , afgegaan en heeft haar geduwd, waardoor zij ten val kwam op haar rug en kont en veel pijn heeft bekomen.

Daarna is verdachte in de richting van [slachtoffer 3] gelopen, die zich nog op de bestuurdersplaats bevond. Door het openstaande raam aan de bestuurderszijde heeft de verdachte vervolgens [slachtoffer 3] tegen diens hoofd/gezicht geslagen. Vervolgens heeft de verdachte samen met de twee mededaders een passerende fietser, aangever [slachtoffer 1] , die de verdachte aansprak op zijn gedrag, heel hard geslagen en geschopt tegen het hoofd en het lichaam, ook terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag. De verdachte heeft [slachtoffer 1] als eerste een heel harde klap met de vuist gegeven in het gezicht. Getuigen hebben verklaard dat er tegen [slachtoffer 1] is geschopt, ter hoogte van diens hoofd, als ware het een voetbal. Dit extreme geweld is gepleegd op de openbare weg en op klaarlichte dag. De getuigen hiervan hebben zich zeer geschokt getoond door wat zij zagen. De fietser heeft onder meer drie breuken in zijn gezicht (in de zijwand van de linker bovenkaakholte, in de zijwand van de rechter bovenkaakholte en in de bodem van de oogkas rechts) en een nekhernia opgelopen.

Ter terechtzitting van het hof is door aangever [slachtoffer 1] een slachtofferverklaring voorgelezen. Hij heeft naar voren gebracht dat hij alleen de dame wilde helpen (het hof begrijpt: aangeefster [slachtoffer 2]). Het tegen hem gepleegde geweld heeft zowel lichamelijk als psychisch gevolgen voor hem (gehad). Privé kon/kan hij niet meer functioneren als voorheen en tot op heden kan hij maximaal 32 uur per week werken, terwijl hij daarvoor een workaholic was. Hij wordt dagelijks geconfronteerd met wat er op 23 mei 2018 is gebeurd. Op zijn gezicht zit een litteken, dat regelmatig ontstoken is. Hij heeft fysieke klachten, heeft de hele tijd een stijve nek en schouder en pijn door een verschoven nekwervel. Hij moet nu antidepressiva slikken. Hij is niet meer de oude, zoals hij zichzelf kent, en dat is heel moeilijk om te aanvaarden. Hij is blijvend een ander mens geworden. Vele therapiebehandelingen hebben daar niets aan veranderd.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het volgende:

het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 december 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van geweld gerelateerde delicten, openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen, diefstal waarbij is gedreigd met geweld en mishandeling, onherroepelijk is veroordeeld;

het reclasseringsadvies (beknopt) van Reclassering Nederland d.d. 6 juni 2018;

het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 23 augustus 2018, waarin wordt opgemerkt dat de verdachte weinig probleembesef en zelfinzicht laat zien, waardoor inzet van reclassering of een gedragsinterventie (vooralsnog) niet haalbaar lijkt en geadviseerd wordt aan de verdachte een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden;

de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting van het hof is gebleken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 54 maanden met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft, onder verwijzing naar uitspraken van een aantal rechtbanken en gerechtshoven, bepleit een gevangenisstraf van kortere duur op te leggen.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en de persoon van de verdachte, niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Bij de bepaling van de hoogte van de gevangenisstraf heeft het hof in straf verzwarende zin rekening gehouden met de hiervoor omschreven omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, waardoor gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving zijn opgewekt, met het leed dat de slachtoffers is aangedaan en de gevolgen die aangever [slachtoffer 1] nog steeds ondervindt, met het feit dat sprake is van recidive en dat het de verdachte is geweest die als eerste geweld gepleegd heeft jegens alle drie de slachtoffers. In straf verminderende zin heeft het hof rekening gehouden met het feit dat de verdachte pas achttien jaar was toen hij de feiten pleegde en hij ter terechtzitting van het hof spijt heeft betuigd voor zijn gedragingen.

Alles afwegende acht het hof, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 67.198,55 aan materiële en immateriële schade.

De vordering valt uiteen in de volgende posten:

€ 2.750,52 aanschaf alarmcentrale en abonnement

€ 738,52 eigen risico zorgverzekering 2018 en 2019

€ 48,07 medicatie

€ 320,95 fietsaccessoires

€ 150,49 reis- en parkeerkosten

€ 62,00 fysiotherapie (niet vergoed)

€ 55.128,00 verlies inkomsten nevenarbeid

€ 59.198,55 totaal materiële schade

€ 8.000,00 immateriële schade

€ 67.198,55 totaal

De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 9.249,08, bestaande uit een bedrag van € 8.000,00 aan immateriële schade en een bedrag van € 1.249,08 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering wat betreft de post ‘aanschaf alarmcentrale en abonnement’ en de post ‘verlies inkomsten nevenarbeid’. De rechtbank heeft de vordering voor het overige afgewezen.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.

De verdediging heeft zich met betrekking tot de immateriële schade gerefereerd aan het oordeel van het hof en met betrekking tot de materiële posten naar voren gebracht dat de verdediging zich verenigt met de beslissingen van de rechtbank te dien aanzien.

Immateriële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, die niet in vermogensschade bestaat. De benadeelde partij heeft lichamelijk letsel opgelopen en maakt op die grond aanspraak op vergoeding van immateriële schadevergoeding zoals bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek .

Gelet op de aard en ernst van het bewezen verklaarde, de aard en ernst van de gevolgen voor de benadeelde partij en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen, zal het hof het smartengeld naar billijkheid begroten op € 8.000,00. Verdachte en zijn mededaders zijn tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering van € 8.000,00 zal worden toegewezen.

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, bestaande uit vermogensschade. De verdediging heeft de posten ‘eigen risico zorgverzekering 2018 en 2019’, medicatie, reis- en parkeerkosten en fysiotherapie (niet vergoed)’ niet betwist. Het hof acht de voor deze posten gevorderde bedragen voor toewijzing vatbaar. Evenals de rechtbank begroot het hof de post ‘fietsaccessoires’ op een bedrag van € 250,00, rekening houdend met de afschrijving. Verdachte en zijn mededaders zijn tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van € 1.249,08.

Het gevorderde restbedrag van € 70,95 aan ‘fietsaccessoires’ zal het hof afwijzen.

Met betrekking tot de post ‘aanschaf alarmcentrale en abonnement’ en de post ‘verlies inkomsten nevenarbeid’ is het hof van oordeel dat de benadeelde partij thans in de vordering niet kan worden ontvangen, omdat de behandeling nadere onderbouwing vergt en daarom een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Wettelijke rente

De ingangsdatum van de wettelijke rente ter zake de immateriële schade zal het hof bepalen op 23 mei 2018, de datum waarop de poging tot doodslag heeft plaatsgehad en die schade is ontstaan.

De ingangsdatum van de wettelijke rente ter zake van de materiële schade zal het hof bepalen op 14 april 2019, de datum waarop het verzoek tot schadevergoeding is ingevuld en ondertekend.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer, [slachtoffer 1] , is toegebracht tot een bedrag van € 9.249,08. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht samen met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte hoofdelijk de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 9.249,08, te vermeerderen met de wettelijke rente, op de wijze zoals hiervoor is overwogen, tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Het hof zal daarbij de duur van de gijzeling bepalen die toegepast kan worden indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht , zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair en feit 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het onder 1 primair en 2 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 (veertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , ter zake van het onder feit 1 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 9.249,08 (negenduizend tweehonderdnegenenveertig euro en acht cent), bestaande uit € 1.249,08 (duizend tweehonderdnegenenveertig euro en acht cent) als vergoeding van materiële schade en € 8.000,00 (achtduizend euro) als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente ter zake de immateriële schade vanaf 23 mei 2018 en te vermeerderen met de wettelijke rente ter zake de materiële schade vanaf 14 april 2019 tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat de verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 70,95 (zeventig euro en vijfennegentig cent) aan materiële schade af;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 9.249,08 (negenduizend tweehonderdnegenenveertig euro en acht cent), bestaande uit € 1.249,08 (duizend tweehonderdnegenenveertig euro en acht cent) materiële schade en € 8.000,00 (achtduizend euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente ter zake de immateriële schade vanaf 23 mei 2018 en te vermeerderen met de wettelijke rente ter zake de materiële schade vanaf 14 april 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden toegepast op 81 (eenentachtig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen heeft/hebben voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door:

mr. J.J.M. Gielen-Winkster, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. P.J. Hödl, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Martens, griffier,

en op 5 februari 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature