< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep.

Uitspraak



Parketnummer : 20-001640-16

Uitspraak : 17 september 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van

18 mei 2016 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 04-804180-11 en 04-850428-12, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboorteplaats] 1984,

domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman,

[adres van raadsman] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is verdachte ter zake de navolgende feiten

- ter zake parketnummer 04/804180-11:

- feit 1 (hennepkwekerijen te Horn, Haelen, Sint Odiliënberg, gemeente Roermond),

- feit 3 (deelneming criminele organisatie/Opiumwetdelicten),

- feit 4 primair (witwassen geld ),

en

- ter zake parketnummer 04/850428-12:

- feit 2 (diefstal van stroom te Horn)

- feit 3 (diefstal van stroom te Haelen)

- feit 4 (diefstal van stroom te Sint Odiliënberg)

- feit 5 (diefstal van stroom te Gemeente Roermond)

- feit 8 (valsheid in geschrift)

- feit 9 (oplichting)

- feit 10 (verduistering boxer-automaat)

- feit 13 primair (asbest in bodem en lucht brengen),

- feit 14 (handelen met asbest in strijd met milieuregels)

- feit 15 (handelen met asbest in strijd met arbeidsomstandigheden)

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Tevens heeft de rechtbank bij voormeld vonnis beslist op vorderingen van benadeelde partijen en heeft ter zake hoofdelijke schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van:

- ter zake parketnummer 04/804180-11:

- feit 1 (derde gedachtestreepje hennepkwekerij te Susteren)

- feit 2 (levering hennep te Roermond)

en

- ter zake parketnummer 04/850428-12:

- feit 1 (kwekerij te Maasbree)

- feit 6 (diefstal van stroom te Maasbree)

- feit 7 (deelneming criminele organisatie witwassen)

- feit 8 (derde gedachtestreepje: gebruik vals Europees Schadeformulier)

- feit 11 (valsheid in geschrift)

- feit 12 (oplichting)

- feit 16 (asbest)

Nu verdachte ten aanzien van voormelde feiten van de gehele tenlastelegging is vrijgesproken, is verdachte gelet op het bepaalde in artikel 404, tweede lid, Wetboek van Strafvordering in zoverre niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Witwassen pand [adres 1] te Horn

Onder parketnummer 04/804180-11, feit 4 is verdachte vrijgesproken van het gewoontewitwassen van een pand gelegen aan de [adres 1] te Horn.

Ten aanzien van deze vrijspraak overweegt het hof het volgende.

Onder feit 4 is aan verdachte als gronddelict ten laste gelegd: gewoontewitwassen, zijnde witwassen onder de strafverzwarende omstandigheid van het plegen daarvan als gewoonte. Daarbij heeft de steller van de tenlastelegging het bestanddeel ‘gewoonte’ verfeitelijkt door de tenlastelegging van onder meer het witwassen van voornoemd pand. Naar het oordeel van het hof worden door deze wijze van ten laste leggen (de strafverzwarende omstandigheid van gewoontewitwassen) de genoemde voorwerpen, zijnde het pand en een hoeveelheid geld, niet gezien als afzonderlijk vernoemde strafbare feiten. Hierdoor is er geen sprake van een of meer gevoegde feiten als bedoeld in artikel 407, tweede lid, Sv . Er is derhalve geen sprake van een beschermde vrijspraak op dit onderdeel. Hierdoor is gezien het – overigens onbeperkt – ingestelde appel, feit 4 geheel aan het oordeel van het hof onderworpen.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 3 jaren met aftrek van voorarrest.

Ten aanzien van de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen alsmede de opgelegde hoofdelijke schadevergoedingsmaatregelen heeft de advocaat-generaal de bevestiging gevorderd van het vonnis van de rechtbank.

De verdediging heeft verweren gevoerd met betrekking tot:

- de bewezenverklaring onder parketnummer 04/804180-11 van feit 1;

- de bewezenverklaring onder parketnummer 04/850428-12 van de feiten 2, 3, 4, 5, feit 10 en de feiten 13, 14 en 15;

- de strafoplegging;

- de vorderingen van de benadeelde partijen en de opgelegde hoofdelijke schadevergoedingsmaatregelen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na een nadere omschrijving ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg en voor zover in hoger beroep nog aan de orde – tenlastegelegd dat:

Parketnummer 04-804180-11:

1 hij in of omstreeks de periode van 9 maart 2011 tot en met 29 augustus 2011, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen,

- te Horn, in elk geval in de gemeente Leudal, (in een pand gelegen aan de [adres 2] )

een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1285, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan en/of,

- te Haelen, in elk geval in de gemeente Leudal, (in een pand gelegen aan de [adres 3]

) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 781, althans een groot aantal hennepplanten

en/of delen daarvan en/of

- te Sint Odiliënberg, in elk geval in de gemeente Roerdalen, (in een pand gelegen aan de

[adres 4] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1050, althans een groot aantal

hennepplanten en/of delen daarvan en/of

- in de gemeente Roermond, (in een pand gelegen aan de [adres 5] ) een hoeveelheid

van (in totaal) ongeveer 1110, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen

daarvan,

in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende

hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk

aanwezig heeft gehad;

3

hij in of omstreeks de periode van 13 augustus 2010 tot en met 8 november 2011 in de

gemeente Roermond en/of elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te

weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, bestaande uit [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2]

en/of een of meer ander(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van

misdrijven als bedoeld in art. 11, derde, vierde en/of vijfde lid, namelijk het (meermalen)

(telkens) bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of het aanwezig hebben van middelen of een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende

lijst II;

4

hij in of omstreeks de periode van 31 augustus 2009 tot en met 8 november 2011, in de

gemeente Roermond en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers

heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) van (een) voorwerp(en), te

weten een pand gelegen aan de [adres 1] te Horn en/of (een) hoeveelhe(i)d(en) geld (afkomstig uit de handel in verdovende middelen), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft hij (telkens) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op (een) voorwerp(en), te weten een pand gelegen aan de [adres 1] te Horn en/of (een) hoeveelhe(i)d(en) geld (afkomstig uit de handel in verdovende middelen), was,

en/of

heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) (een) voorwerp(en), te weten

een pand gelegen aan de [adres 1] te Horn en/of (een) hoeveelhe(i)d(en) geld (afkomstig uit de handel in verdovende middelen), verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van (een) voorwerp(en), te weten een pand gelegen aan de [adres 1] te Horn en/of (een) hoeveelhe(i)d(en) geld (afkomstig uit de handel in verdovende middelen), gebruik gemaakt,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat dat pand en/of dat geld –onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

althans indien ter zake het vorenstaande onder 4 geen veroordeling zou volgen:

hij in of omstreeks de periode van 31 augustus 2009 tot en met 8 november 2011, in de

gemeente Roermond en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen,

(telkens) van (een) voorwerp(en), te weten een pand gelegen aan de [adres 1] te Horn en/of (een) hoeveelhe(i)d(en) geld (afkomstig uit de handel in verdovende middelen), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans (telkens) heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op (een) voorwerp(en), te weten een pand gelegen aan de [adres 1] te Horn en/of (een) hoeveelhe(i)d(en) geld (afkomstig uit de handel in verdovende middelen),

was,

en/of

(telkens) (een) voorwerp(en), te weten een pand gelegen aan de [adres 1] te Horn en/of (een) hoeveelhe(i)d(en) geld (afkomstig uit de handel in verdovende middelen), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet, althans van (een) voorwerp(en), te weten een pand gelegen aan de [adres 1] te Horn en/of (een) hoeveelhe(i)d(en) geld (afkomstig uit de handel in verdovende middelen), gebruik heeft gemaakt.

Parketnummer 04/850428-12

2

hij in of omstreeks de periode van 15 februari 2011 tot en met 19 april 2011 te Horn, in elk

geval in de gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektrische energie (stroom), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] ., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

3

hij in of omstreeks de periode van 2 maart 2011 tot en met 9 maart 2011 te Haelen, in elk

geval in de gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

hoeveelheid elektrische energie (stroom), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [benadeelde 1] ., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

4

hij in of omstreeks de periode van 18 mei 2011 tot en met 20 juli 2011 te Sint Odiliënberg,

in elk geval in de gemeente Roerdalen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

hoeveelheid elektrische energie (stroom), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [benadeelde 1] ., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

5

hij in of omstreeks de periode van 25 april 2011 tot en met 29 augustus 2011 in de gemeente Roermond, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektrische energie (stroom), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] ., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

8

hij in of omstreeks de periode van 31 augustus 2009 tot en met 8 november 2011 in de

gemeente Roermond en/of elders in Nederland,

- een werkgeversverklaring en/of

- een salarisspecificatie van [bedrijf 1] en/of

althans enig(e) document(en), – (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers

- heeft verdachte valselijk op genoemde werkgeversverklaring en/of salarisspecificatie van

[bedrijf 1] de handtekening en/of naam van [gemachtigde bedrijf 1] , althans een ander,

geplaatst en/of

- heeft verdachte in strijd met de waarheid op voornoemde werkgeversverklaring en/of

salarisspecificatie vermeld dat [medeverdachte 1] werknemer was en/of

zulks met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door

anderen te doen gebruiken;

9

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2011 tot en met 8 november 2011 te Horn,

in elk geval in de gemeente Leudal, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een)

ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

- [benadeelde 2] heeft/hebben bewogen tot het verlenen van (een) dienst(en), te weten

bestratingswerkzaamheden en/of,

- [benadeelde 3] heeft/hebben bewogen tot de afgifte van goederen, te weten

lichtbakken, en/of het verlenen van (een) dienst(en), te weten het ontwerpen en afhangen

van lichtbakken en/of,

- [benadeelde 4] heeft/hebben bewogen tot de afgifte van goederen,

te weten dakbevestigingsmaterialen en/of het verlenen van (een) dienst(en), te weten

dakbedekkingswerkzaamheden en/of,

- [benadeelde 5] heeft/hebben bewogen tot het verlenen van (een) dienst(en), te

weten het aanleggen van een gazon en/of bekiezeling en/of,

- [benadeelde 7] heeft/hebben bewogen tot het verlenen van (een) dienst(en), te

weten het leggen van waterleiding en gasleiding, electrowerkzaamheden en/of het

aansluiten van een heater en/of,

- [benadeelde 6] heeft/hebben bewogen tot het verlenen van (een)

dienst(en), te weten het aanleggen van een gazon met beregeningsinstallatie en/of het

aanleggen van een grindvlakte,

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven

oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd

met de waarheid zich voorgedaan als bonafide koper(s) en/of opdrachtgever(s), waardoor

voornoemde

- [benadeelde 2] en/of,

- [benadeelde 3] en/of,

- [benadeelde 4] en/of,

- [benadeelde 5] en/of,

- [benadeelde 7] en/of,

- [benadeelde 6] ,

(telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte en/of het bovenomschreven

verlenen van (een) dienst(en);

10.

hij op of omstreeks 1 juli 2011 tot en met 8 november 2011 te Horn, in elk geval in de

gemeente Leudal en/of in de gemeente Roermond en/of elders in Nederland tezamen en in

vereniging met [medeverdachte 1] en/ of een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een boxerautomaat, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s), welk goed verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten als huurder, onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

13.

hij in of omstreeks de periode van 7 november 2011 tot en met 12 december 2011 in de

gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, bij de

sloop van het dak van een loods aan de [adres 1] opzettelijk en wederrechtelijk een stof

op de bodem en/of in de lucht heeft/hebben gebracht, te weten asbest, immers heeft/hebben

hij en/of zijn medeverdachte(n) ondeskundig en/of onvoorzichtig asbesthoudende platen van

het dak verwijderd en/of zijn deze platen (vervolgens) gebroken en/of beschadigd waarna

reststukken asbest in en rondom het gehele pand zijn aangetroffen, terwijl daarvan gevaar

voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander of anderen te duchten was;

althans indien ter zake het vorenstaande onder 13 geen veroordeling zou volgen:

hij in of omstreeks de periode van 7 november 2011 tot en met 12 december 2011 in de

gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

grovelijk althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig en/of

ondeskundig heeft/hebben gehandeld, immers heeft/hebben hij en/of zijn medeverdachte(n)

bij de sloop van het dak van een loods aan de [adres 1] asbesthoudende platen van het

dak verwijderd en/of zijn deze platen (vervolgens) gebroken en/of beschadigd waarna

reststukken asbest in en rondom het gehele pand zijn aangetroffen, waardoor het aan zijn

schuld en/of die van zijn medeverdachte(n) te wijten is dat wederrechtelijk een stof te weten

asbest en/of asbestvezels, op de bodem en/of in de lucht werd(en) gebracht, terwijl daarvan

gevaar voor de volksgezondheid of levensgevaar voor een ander of anderen te duchten was;

14

hij in of omstreeks de periode van 7 november 2011 tot en met 12 december 2011 in de

gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan

niet opzettelijk, als degene(n) bij wie afvalstoffen ontstonden, handelingen met betrekking

tot die afvalstoffen heeft/hebben verricht of nagelaten waarvan hij/zij wist of redelijkerwijs

had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of konden

ontstaan, immers heeft/hebben hij en/of zijn medeverdachte(n) bij de sloop van het dak van

een loods aan de [adres 1] asbesthoudende platen van het dak verwijderd en/of zijn deze platen (vervolgens) gebroken en/of beschadigd waarna reststukken asbest in en rondom het gehele pand zijn aangetroffen;

15.

hij in op of omstreeks de periode van 7 november 2011 tot en met 12 december 2011 in

de gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, het

geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van een bouwwerk of een object, te

weten de sloop van een dak van een loods aan de [adres 1] , waarin asbest of een

asbesthoudend product was verwerkt, terwijl de concentratie van asbeststof was ingedeeld in

risicoklasse 2 of 3 als bedoeld in art. 4.48 onderscheidenlijk art. 4.53a van het

Arbeidsomstandighedenbesluit, al dan niet opzettelijk, niet heeft laten verrichten door een

bedrijf dat in het bezit was van een certificaat als bedoeld in art. 4.54d, eerste lid, van het

Arbeidsomstandighedenbesluit;

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraken

Parketnummer 04/804180-11

Feit 1:

Hennepkwekerij te Horn, [adres 2]

Het hof spreekt verdachte vrij van betrokkenheid bij een op 9 maart 2011 te Horn aan de [adres 2] aangetroffen hennepkwekerij. Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen volgt niet dat verdachte als pleger of medepleger ten aanzien van deze kwekerij kan worden aangemerkt.

Hennepkwekerij te Roermond, [adres 5]

Het hof spreekt verdachte vrij van betrokkenheid bij een op 29 augustus 2011 te Roermond aan de [adres 5] aangetroffen hennepkwekerij. Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen volgt niet dat verdachte als pleger of medepleger ten aanzien van deze kwekerij kan worden aangemerkt.

Feit 4:

Witwassen pand [adres 1] te Horn

Overeenkomstig het vonnis van de rechtbank zal het hof verdachte vrijspreken van het witwassen van een pand gelegen aan de [adres 1] te Horn nu uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen onvoldoende is gebleken van betrokkenheid van verdachte bij dat feit.

Parketnummer 04/850428-12

Feit 2: Diefstal stroom gepleegd te Horn

Anders dan de rechtbank en de vordering van de advocaat-generaal spreekt het hof verdachte vrij van de diefstal van stroom gepleegd te Horn. Deze diefstal hangt samen met de onder parketnummer 04/804180-11 onder feit 1 ten laste gelegde hennepkwekerij in Horn, waarvan verdachte – zie hiervoor – is vrijgesproken

Feit 5: Diefstal stroom gepleegd te Roermond

Anders dan de rechtbank en de vordering van de advocaat-generaal spreekt het hof verdachte vrij van de diefstal van stroom gepleegd te Roermond. Deze diefstal hangt samen met de onder parketnummer 04/804180-11 onder feit 1 ten laste gelegde hennepkwekerij in Roermond, waarvan verdachte – zie hiervoor – is vrijgesproken

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Parketnummer: 04/804180-11

1

in de periode van 9 maart 2011 tot en met 29 augustus 2011, in de uitoefening van een

beroep of bedrijf, tezamen en in vereniging met anderen,

- te Haelen, (in een pand gelegen aan de [adres 3] ) een hoeveelheid van (in

totaal) ongeveer 781 hennepplanten,

- te Sint Odiliënberg. (in een pand gelegen aan de [adres 4] ) een hoeveelheid van

(in totaal) ongeveer 1050 hennepplanten,

zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, opzettelijk heeft geteeld;

3

hij in de periode van 13 augustus 2010 tot en met 8 november 2011 in de gemeente Roermond en elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, bestaande uit [medeverdachte 1] en een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in art. 11, derde en vijfde lid, namelijk het meermalen telkens bewerken, telen, verwerken en afleveren van een middel als bedoeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

4.

hij in de periode van 31 augustus 2009 tot en met 8 november 2011, in de gemeente

Roermond, tezamen en in vereniging met een ander, voorwerpen, te weten hoeveelheden

geld, heeft omgezet, terwijl hij en zijn mededader wisten dat dat geld – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf;

Parketnummer: 04/850428-12

3

hij in de periode van 2 maart 2011 tot en met 9 maart 2011 te Haelen, tezamen en in vereniging met een anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektrische energie (stroom) toebehorende aan [benadeelde 1] .;

4

hij in de periode van 18 mei 2011 tot en met 20 juli 2011 te Sint Odiliënberg, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektrische energie (stroom), toebehorende aan [benadeelde 1] .;

8

hij in de periode van 31 augustus 2009 tot en met 8 november 2011 in de gemeente

Roermond of elders in Nederland, een werkgeversverklaring en een salarisspecificatie van

[bedrijf 1] , – elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig

feit te dienen – valselijk heeft opgemaakt, immers

- heeft verdachte valselijk op genoemde werkgeversverklaring van [bedrijf 1]

de handtekening en naam van [gemachtigde bedrijf 1] , geplaatst en

- heeft verdachte in strijd met de waarheid op voornoemde werkgeversverklaring en

salarisspecificatie vermeld dat [medeverdachte 1] werknemer was,

zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door

anderen te doen gebruiken;

9.

hij in de periode van 1 september 2011 tot en met 8 november 2011 te Horn, tezamen en in vereniging met een ander, telkens met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door een of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,

- [benadeelde 2] heeft bewogen tot het verlenen van diensten, te weten bestratingswerkzaamheden en,

- [benadeelde 3] heeft bewogen tot de afgifte van goederen, te weten lichtbakken en het verlenen van diensten, te weten het ontwerpen en afhangen van lichtbakken en,

- [benadeelde 4] heeft bewogen tot de afgifte van goederen, te weten dakbevestigingsmaterialen en het verlenen van diensten, te weten dakbedekkingswerkzaamheden en,

- [benadeelde 5] heeft bewogen tot het verlenen van diensten, te weten het aanleggen van een gazon en bekiezeling en,

- [benadeelde 7] heeft bewogen tot het verlenen van diensten, te weten het leggen van waterleiding en gasleiding, elektro werkzaamheden en het aansluiten van een heater en,

- [benadeelde 6] heeft bewogen tot het verlenen van diensten, te weten het aanleggen van een gazon met beregeningsinstallatie en het aanleggen van een grindvlakte,

hebbende verdachte en zijn mededader toen aldaar telkens met vorenomschreven oogmerk –zakelijk weergegeven – valselijk en bedrieglijk en/ in strijd met de waarheid zich voorgedaan als bonafide koper(s) en opdrachtgever(s), waardoor voornoemde

- [benadeelde 2] en,

- [benadeelde 3] en,

- [benadeelde 4] en,

- [benadeelde 5] en,

- [benadeelde 7] en,

- [benadeelde 6] ,

werden bewogen tot bovenomschreven afgifte en het bovenomschreven verlenen van diensten.

10

hij in de periode van 1juli 2011 tot en met 8 november 2011 in de gemeente Leudal en/of in

de gemeente Roermond, opzettelijk een boxer-automaat, toebehorende aan

[bedrijf 2] , welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten als huurder, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

13 primair

hij in de periode van 7 november 2011 tot en met 12 december 2011 in de gemeente Leudal.

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, bij sloop van het dak van een loods aan

de [adres 1] opzettelijk en wederrechtelijk een stof op de bodem en in de lucht heeft

gebracht, te weten asbest, immers hebben hij en zijn medeverdachte(n) ondeskundig en/of

onvoorzichtig asbesthoudende platen van het dak verwijderd en zijn deze platen vervolgens

gebroken en beschadigd waarna reststukken asbest in en rondom het pand zijn aangetroffen,

terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid te duchten was;

14.

hij in de periode van 7 november 2011 tot en met 12 december 2011 in de gemeente Leudal,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk, als degene(n) bij wie

afvalstoffen ontstonden, handelingen met betrekking tot die afvalstoffen heeft verricht of

nagelaten waarvan hij wist dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of

konden ontstaan, immers hebben hij en zijn medeverdachten bij de sloop van het dak van een loods aan de [adres 1] asbesthoudende platen van het dak verwijderd en zijn deze platen vervolgens gebroken en beschadigd waarna reststukken asbest in en rondom het pand zijn aangetroffen;

15.

hij in de periode van 7 november 2011 tot en met 12 december 2011 in de gemeente Leudal,

tezamen en in vereniging met een andér of anderen, het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van een bouwwerk of een object, te weten de sloop van een dak van een loods aan de [adres 1] , waarin asbest was verwerkt, terwijl de concentratie van asbeststof was ingedeeld in risicoklasse 2 als bedoeld in art. 4.48 onderscheidenlijk art. 4.53a van het Arbeidsomstandighedenbesluit, opzettelijk, niet heeft laten verrichten door een bedrijf dat in het bezit was van een certificaat als bedoeld in art. 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Standpunten verdediging

Parketnummer 04/804180-11

Feit 1: de hennepkwekerijen

De verdediging heeft zich ten aanzien van de kwekerijen te Haelen en Sint Odiliënberg op het standpunt gesteld dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken nu verdachte als pleger, noch als medepleger kan worden aangemerkt.

Daartoe is aangevoerd dat de intellectuele en/of materiële bijdrage van verdachte aan deze kwekerijen niet zodanig is geweest dat van medeplegen kan worden gesproken. In dit verband heeft de verdediging gewezen op de bescheiden rol die verdachte vervulde als bemiddelaar van de panden waarin de kwekerijen werden gevestigd. Eveneens zou verdachte slechts een geringe vergoeding voor zijn werkzaamheden hebben ontvangen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat bij medeplegen sprake moet zijn van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen bij het plegen van het strafbare feit. Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De vraag of die samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen kan worden gesproken, vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (het bevorderen en/of vergemakkelijken van door een ander begaan misdrijf), kan de rechter bij de beoordeling hieromtrent rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip, hoewel aan dat laatste op zichzelf geen al te grote betekenis toekomt.

Uit de in het procesdossier aanwezige bewijsmiddelen blijkt onder meer – zakelijk weergegeven – het navolgende.

[adres 3] te Haelen

Verdachte heeft verklaard dat hij het pand aan de [adres 3] te Haelen heeft gehuurd voor zijn zus (hof: [medeverdachte 2]). Samen met [medeverdachte 1] en zijn zus heeft er overleg plaatsgevonden om in die woning een kwekerij in te richten. Verdachte heeft bemiddeld bij dit pand, [medeverdachte 1] verzorgde de plantjes en verdachte en zijn zus zouden samen 15% van de opbrengst krijgen. [medeverdachte 1] was de investeerder en de eigenaar van de kwekerij.

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat de kwekerij van [medeverdachte 1] en verdachte was. [medeverdachte 1] ging binnen de plantjes water geven en zij moest dan buiten vegen, net alsof ze er woonde. [medeverdachte 2] ging vaak samen met [medeverdachte 1] naar de kwekerij, soms ging verdachte ook mee. De kwekerij was van verdachte en [medeverdachte 1] en zij hadden een sleutel van het pand. [medeverdachte 2] heeft de boete (hof: boete van [benadeelde 1] voor het illegaal wegnemen van stroom) aan verdachte gegeven, die deze dan aan [medeverdachte 1] zou doorgeven en tot betaling ervan zou overgaan.

Verder heeft de directe buurman, wonende [adres 6] in Haelen, bij het pand op nummer 45 in de tenlastegelegde periode drie personen gezien (hof: gelet op voormelde verklaringen van [medeverdachte 2] en verdachte: hoogstwaarschijnlijk [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en verdachte). Meestal kwamen zij in de middaguren naar de woning [adres 3] .

[adres 4] te Sint Odiliënberg

Ten tijde van het aantreffen deze kwekerij verbleef [medeverdachte 1] in Turkije.

Verdachte heeft verklaard op verzoek van [medeverdachte 1] dit pand te hebben gehuurd. [medeverdachte 1] betaalde de huur. [betrokkene 2] heeft de kwekerij aangelegd. [medeverdachte 1] heeft alles gefinancierd.

Uit tapgesprekken tussen verdachte en [medeverdachte 3] die de kwekerij moest bewaken, blijkt dat er contact is opgenomen met [medeverdachte 1] in Turkije op het moment dat er een probleem is ontstaan over de bezichtiging van dit pand door een makelaar. Later is er ook rechtstreeks contact door verdachte met [medeverdachte 1] en ook na de ruiming van de kwekerij wordt [medeverdachte 1] telefonisch geïnformeerd door verdachte.

Daarnaast blijkt uit de tapgesprekken eveneens de betrokkenheid van [betrokkene 2] bij deze kwekerij, onder meer als de makelaar het pand wil komen bezichtigen.

Conclusie

Het hof is van oordeel dat uit het bovenstaande volgt dat het handelen van verdachte verder ging dan enkel het bemiddelen in panden voor de hennepkwekerijen.

Ten aanzien van de kwekerij te Haelen ging verdachte met [medeverdachte 2] mee naar de kwekerij, had hij een sleutel van het pand waarin de kwekerij was gevestigd en ontving hij een deel van de opbrengst. Zijn rol was dermate groot dat [medeverdachte 2] verdachte samen met [medeverdachte 1] als eigenaar van de kwekerij zag.

Ten aanzien van de kwekerij te Sint Odiliënberg was verdachte zelfs ‘bedrijfsleider’ van de kwekerij, omdat in die periode [medeverdachte 1] in Turkije verbleef. Er vond in die periode regelmatig overleg tussen verdachte en [medeverdachte 1] plaats met betrekking tot het reilen en zeilen van deze kwekerij.

Gelet hierop is het hof van oordeel dat de bijdrage van verdachte aan beide kwekerijen van zodanig (voldoende) gewicht is geweest dat zijn handelen als medeplegen dient te worden gekwalificeerd. Aan dit oordeel doet niet af de stelling van de verdediging dat verdachte slechts een geringe vergoeding voor zijn werkzaamheden zou hebben gekregen. Blijkbaar was de vergoeding zodanig dat verdachte zijn werkzaamheden bleef voortzetten.

Parketnummer 04/850428-12 feiten 2 t/m 5 (stroomdiefstallen)

De verdediging heeft zich ten aanzien van de feiten 2 t/m 5 op het standpunt gesteld dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken nu verdachte geen wetenschap had van de diefstal van elektriciteit.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit de in het procesdossier aanwezige bewijsmiddelen blijkt onder meer – zakelijk weergegeven - het navolgende.

Ten aanzien van de kwekerijen te Haelen en St. Odiliënberg is vastgesteld dat elektriciteit illegaal is weggenomen.

Het hof stelt voorop dat niet vastgesteld kan worden dat het verdachte zelf is geweest die handelingen heeft verricht waardoor de elektriciteit werd weggenomen. Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte desalniettemin als medepleger van de diefstal van die elektriciteit kan worden aangemerkt.

Het hof stelt bij de beantwoording van die vraag voorop dat voor het bewijs van het plegen of het medeplegen van diefstal van elektriciteit bij hennepteelt niet zonder meer voldoende is dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte betrokken is geweest bij hennepteelt (vgl. HR 7 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6922, HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:508 en HR 3 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3218). Als sprake is van medeplegen, behoeft niet bewezen te worden dat de verdachte zelf een wegnemingshandeling heeft verricht. Wel is nodig dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking met degene die dat wel heeft verricht. Vereist is dan dat de verdachte wist dat de hennepkwekerij op illegale stroom draaide en dat de verdachte een bijdrage aan de hennepteelt heeft geleverd die van voldoende gewicht is om van medeplegen te kunnen spreken.

Het hof heeft ten aanzien van de hennepkwekerijen te Haelen en St. Odiliënberg geoordeeld dat verdachte bij de hennepteelt zo nauw met anderen heeft samengewerkt dat van medeplegen sprake is. Tevens is bewezen verklaard dat verdachte deelnemer was van een criminele organisatie die zich bezighield met opiumwetdelicten. Uit de daartoe in het procesdossier aanwezige bewijsmiddelen volgt dat er bij de opiumwetdelicten sprake was van een zekere taakverdeling. Deze taakverdeling kwam erop neer dat [medeverdachte 1] de anderen aanstuurde en de kwekerijen financierde. [medeverdachte 1] was de spin in het web. De anderen, waaronder verdachte, hielpen hem. Zo regelde verdachte de panden waarin de kwekerijen werden gevestigd en nam hij [medeverdachte 1] waar bij diens afwezigheid. Daarnaast waren er anderen die de kwekerijen opbouwden en de stroomvoorziening verzorgden en bewaakten. Ten aanzien van de kwekerij te Haelen heeft [medeverdachte 2] verklaard dat de boete die ze had gekregen (hof: vanwege de illegale afname van elektriciteit) aan verdachte had gegeven en dat deze op zijn beurt de boete weer doorgaf aan [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] zorgde vervolgens voor de betaling.

Gelet op de rol die verdachte vervulde als medepleger bij de hennepteelt en als deelnemer in de criminele organisatie – te weten als de tweede man die niet alleen de panden voor de kwekerijen regelde, maar ook diegene was die [medeverdachte 1] verving bij diens afwezigheid – kan het niet anders zijn dan dat hij wetenschap had van de diefstal van elektriciteit ten behoeve van de kwekerijen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de diefstal van de elektriciteit onderdeel vormde van de nauwe samenwerking en dat de verdachte die diefstal derhalve heeft medegepleegd.

Het andersluidende standpunt van de verdediging wordt verworpen.

Parketnummer 04/850428-12 feit 10 (verduistering)

Onder feit 10 van parketnummer 04/850428-12 is aan verdachte ten laste gelegd – kort gezegd – de verduistering van een boxer-automaat.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat verdachte geen rol heeft gehad in het wegmaken van dit apparaat en daartoe ook geen reden had. Verdachte had dit apparaat in opdracht van [medeverdachte 1] gehuurd, die aan verdachte op enig moment aangaf dat het apparaat was gestolen. Pas na zijn aanhouding vernam verdachte dat het apparaat in de woning van [medeverdachte 1] was aangetroffen.

Het hof stelt ter zake van de tenlastegelegde verduistering het volgende voorop.

Voor strafbaarheid ingevolge verduistering (art. 321 Sr) is vereist dat de verdachte zich de goederen, welke hij anders dan door misdrijf onder zich heeft, wederrechtelijk toe-eigent en dat het opzet van de verdachte op die wederrechtelijke toe-eigening is gericht. Het bestanddeel ‘dat hij anders dan door misdrijf onder zich heeft’ moet worden uitgelegd dat niet enig door de verdachte begaan misdrijf ertoe heeft geleid dat hij het desbetreffende goed onder zich heeft gekregen (vgl. HR 13 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4573; HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:246 en HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2343)

Voor opzet op de wederrechtelijkheid van de toe-eigening dient bewezen te worden verklaard dat verdachte het opzet had – al dan niet in voorwaardelijk zin – op het wederrechtelijke van zijn gedraging. Voorwaardelijk opzet op, zoals bij verduistering de wederrechtelijkheid, is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zijn handelen onrechtmatige toe-eigening tot gevolg zal hebben.

Van wederrechtelijke toe-eigening is sprake als de verdachte zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een aan een ander toebehorend goed (vgl. HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3620; HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:32 en HR 30 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1771). De enkele omstandigheid dat de verdachte een gehuurd/geleased of geleend goed niet heeft teruggebracht of de verschuldigde geldsom niet heeft betaald (en op aanmaningen daartoe niet heeft gereageerd), is niet voldoende voor het bewijs van wederrechtelijke toe-eigening (vgl. HR 13 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:57 en HR 30 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1771). De toe-eigening is wederrechtelijk wanneer de gedragingen van de verdachte verder gaan dan is toegestaan krachtens het recht op grond waarvan de verdachte het goed onder zich heeft (vgl. HR 24 februari 1913, NJ 1913, p. 669). Er is echter niet vereist dat de verdachte het goed dat hij zich heeft toegeëigend op grond van een rechtsverhouding, onder zich had. Immers, de opvatting dat art. 321 Sr vereist dat de verdachte het goed dat hij zich heeft toegeëigend, op grond van een rechtsverhouding onder zich had, vindt geen steun in het recht (vgl. HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1972).

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Verdachte heeft een boxer-automaat van [verhuurbedrijf] gehuurd op naam van [bedrijf 5] voor de periode van 24 t/m 26 juni 2011. Het apparaat is afgeleverd aan de [adres 1] te Horn aan verdachte, die daarvoor € 350,- contant betaalde. Vervolgens heeft verdachte aan de verhuurder gevraagd of de huurperiode kon worden verlengd, hetgeen ook is gebeurd. Na afloop van de huurperiode heeft verdachte jegens de verhuurder gemeld dat de boxer-automaat was gestolen en heeft gezegd dat hij daarvan aangifte zou doen en de schade zou betalen.

De boxer-automaat is tijdens een zoeking teruggevonden in de woning van [medeverdachte 1] . Verdachte heeft verklaard de boxer-automaat te hebben gehuurd in opdracht van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] zou deze op enig moment naar zijn woning aan de [adres 7] hebben gebracht. Verdachte heeft bevestigd dat hij tegen de aangever heeft gezegd dat hij aangifte van de diefstal zou gaan doen, maar dat hij dat uiteindelijk niet heeft gedaan.

Ter zitting in eerste aanleg heeft verdachte verklaard dat [medeverdachte 1] had gezegd dat het apparaat was gestolen, maar dat hij toen al wel aan die mededeling twijfelde.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat verdachte als huurder van de boxer-automaat verantwoordelijk is voor wat daarmee gebeurt. Verdachte heeft zich ook zodanig als verantwoordelijke gedragen door het contact met de verhuurder te onderhouden, zowel wat de verlenging van de huurperiode betreft, als met betrekking tot de vermeende diefstal van de automaat. De verdachte heeft geen aangifte gedaan, terwijl dat wel in de rede had gelegen. De verdachte heeft op geen enkel moment duidelijk gemaakt waarom hij dat heeft nagelaten. Voorts wist verdachte dat de boxer-automaat op enig moment naar de woning van [medeverdachte 1] was verplaatst. Als verdachte zich inderdaad van geen kwaad bewust was geweest, had hij de verhuurder naar [medeverdachte 1] kunnen verwijzen. Dat heeft hij niet gedaan. Nu verdachte vermoedde dat de boxer-automaat niet gestolen was, mede gelet op verdachtes verklaring dat hij twijfelde aan het waarheidsgehalte van de mededeling van [medeverdachte 1] dat het apparaat zou zijn gestolen, had het op zijn weg gelegen actie in de richting van [medeverdachte 1] te ondernemen. Ten slotte heeft de verdachte de ontstane schade waarvoor hij conform het door hem ondertekende contract verantwoordelijk is, niet vergoed en ook niet aangeboden deze te vergoeden.

Al deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang en verband gezien maken volgens het hof dat verdachte bewust de aanmerkelijk kans heeft aanvaard dat de gehuurde boxer-automaat niet zou worden geretourneerd en hij deze automaat wederrechtelijk zich heeft toegeëigend door over deze automaat als heer en meester te beschikken en aldus zich als eigenaar te gedragen. Daarmee zijn de gedragingen van de verdachte verder gegaan dan is toegestaan krachtens het recht op grond waarvan de verdachte het goed onder zich heeft. Dat het goed zich daarbij niet meer onder verdachte bevond, maakt dat niet anders.

Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat verdachte zich aan verduistering heeft schuldig gemaakt.

Het andersluidende standpunt van de verdediging wordt verworpen.

Parketnummer 04/850428-12 feiten 13, 14, 15 (asbestzaken)

De feiten 13, 14 en 15 van parketnummer 04/850428-12 hangen samen en houden verband met de sanering van een asbesthoudend dak van het park op de [adres 1] te Horn.

Feit 13 ziet daarbij op de gevaren voor de volksgezondheid, feit 14 ziet op de nadelige gevolgen voor het milieu en feit 15 op het inperken van gevaren waaraan personen worden blootgesteld die betrokken zijn bij sloopwerkzaamheden.

De verdediging heeft zich ten aanzien van deze feiten op het standpunt gesteld dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat verdachte vertrouwde op de mededelingen van de professionals dat er geen asbest in de dakplaten zat en dat verdachte niet de opzet had de daaromtrent geldende regelgeving te schenden.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit de in het procesdossier aanwezige bewijsmiddelen volgt onder meer – zakelijk weergegeven – het navolgende:

Op 8 november 2011 werd tijdens de doorzoeking van het terrein en het pand/loods [adres 1] te Horn, gezien dat er werkzaamheden aan het dak van de loods werden verricht. Er was te zien dat een gedeelte van het dak al was vervangen door nieuwe dakplaten. Het andere gedeelte van het dak was nog voorzien van golfplaten/dakplaten. De werkzaamheden aan het dak waren nog niet afgerond. Op het omheinde terrein van de loods werden oude gebroken dakplaten aangetroffen. Ook werden op het terrein witachtige deeltjes aangetroffen welke vermoedelijk afkomstig waren van deze dakplaten. Vastgesteld is dat het asbest was. Dat er sprake was van asbest blijkt uit een op 8 november 2011 uitgevoerde inventarisatie door [Analysebedrijf] in opdracht van [Saneringsbedrijf] Daaruit komt naar voren dat alle aangetroffen materialen (golfplaten, reststukken 10-15% chrysotiel (witte asbest) bevatten, waarbij de concentratie van het asbeststof is ingedeeld in risicoklasse 2.

Naar het oordeel van het hof is uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen naar voren gekomen dat de verdachte wist dat het om asbesthoudende dakplaten ging.

Op 12 december 2011 werd door toezichthoudende ambtenaren op het genoemde bedrijfsterrein de verdachte [medeverdachte 4] aangetroffen. Tijdens dat gesprek deelde hij de gemeenteambtenaren mede dat hij wist dat het terrein besmet was met asbest en dat hij zelf de sanering, het opruimen van alle zichtbare grote en kleine reststukken asbestdelen, had verricht.

In een aantal tapgesprekken is het dak onderwerp van gesprek eerst tussen [medeverdachte 1] en verdachte, later tussen verdachte en diverse dakdekkers. Ze hebben platen gekocht, maar de oude moeten er nog vanaf en de nieuwe erop. In een tapgesprek benoemt verdachte de platen als een soort van asbesthoudende platen.

Voor de sanering van het dak blijkt een vergunning verleend te zijn op 22 november 2010. Er is ten behoeve van die vergunningaanvraag op 4 oktober 2010 een asbestinventarisatie opgemaakt, waarin is opgenomen dat het om asbesthoudende platen gaat. De vergunning is aangevraagd door het bedrijf [bedrijf 3] V. namens een persoon genaamd [naam persoon]’. Bij nader onderzoek naar de naam ‘[naam persoon]’ bleek dat het daarvoor opgegeven BSN-nummer aan verdachte toe te behoren.

Ten tijde van de doorzoeking was er een aantal mensen (van dakdekkersbedrijf [betrokkene 1] ) werkzaam op het dak. [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij contact heeft gehad met verdachte. Ook het mailadres van verdachte is gebruikt. [betrokkene 1] heeft tegen verdachte gezegd dat hij wel de nieuwe dakplaten wilde plaatsen, maar niet de oude wilde verwijderen omdat daar asbest in zat. Toen het bedrijf op 7 november 2010 bij het pand/loods aan de [adres 1] te Horn kwam, lag het dak er nog op. Er kwamen twee mensen, die het dak zijn opgegaan en het dak hebben verwijderd. Ditzelfde wordt ook verklaard door getuige [getuige 1] , werknemer van [betrokkene 1] . [getuige 1] had het idee dat verdachte er de leiding had.

Kenan Taner heeft verklaard dat hij uiteindelijk zelf het spul heeft opgeruimd en dat verdachte het dak heeft laten vervangen.

Verdachte heeft ter zitting in eerste aanleg bekend dat hij op 7 november 2011 samen met anderen de oude golfplaten van het dak van de loods aan de [adres 1] te Horn heeft verwijderd.

Het hof is van oordeel dat met name uit de verklaringen van [betrokkene 1] en [getuige 1] van het dakdekkersbedrijf volgt dat het verdachte is geweest die de opdrachten uitdeelde en uiteindelijk zelf heeft meegewerkt aan het verwijderen van de asbesthoudende dakplaten. Verdachte wist (op basis van de vergunningaanvraag, tapgesprekken en de getuigenverklaringen) dat het om dakplaten ging die asbest bevatten en dat het asbest werd verwijderd zonder dat de daarvoor geldende regels in acht werden genomen.

Uit het bovenstaande is volgens het hof vast komen te staan dat de sloopwerkzaamheden met betrekking tot asbesthoudende platen niet zijn verricht door een bedrijf dat in het bezit was van een certificaat als bedoeld in art. 4.54d, eerste lid van het Arbeidsomstandigheden besluit (feit 15). Nu dit verwijderen niet op deskundige wijze is gedaan maar er gebroken en beschadigde platen en reststukken rond het pand zijn aangetroffen, is hierdoor schade aan de openbare gezondheid te duchten geweest (feit 13) en tevens zijn/konden hierdoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan, nu deze asbestresten vrij in contact konden komen met grond, lucht en water (feit 14).

Gelet hierop verwerpt het hof het andersluidende standpunt van de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Parketnummer 04-804180-11

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

- Medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd

met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, meermalen gepleegd;

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

- Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als

bedoeld in artikel 11a, derde lid en vijfde lid (oud), van de Opiumwet ;

Het onder 4 primair bewezen verklaarde levert op:

- Medeplegen van witwassen;

Parketnummer 04/850428-12

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

- Diefstal door twee of meer verenigde personen

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

- Diefstal door twee of meer verenigde personen

Het onder 8 bewezen verklaarde levert op:

- Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

Het onder 9 bewezen verklaarde levert op:

- Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd

Het onder 10 bewezen verklaarde levert op:

- Verduistering;

Het onder 13 primair bewezen verklaarde levert op:

- Opzettelijk en wederrechtelijk een stof op of in de bodem, in de lucht of in het

oppervlaktewater brengen, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of

levensgevaar voor een ander te duchten is;

Het onder 14 bewezen verklaarde levert op:

- Medeplegen van een overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1, tweede lid,

van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;

Het onder 15 bewezen verklaarde levert op:

- Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2. 2.1, eerste

lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.

De feiten zijn strafbaar.

Ter zake van de bewezenverklaarde feiten 13, 14 en 15 geldt dat deze in zodanig verband staan dat zij moeten worden beschouwd als één voortgezette handeling, Voor de voortgezette handeling komt het erop aan of de verschillende bewezen verklaarde, elkaar in de tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het 'wilsbesluit') zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt. Volgens inmiddels bestendige jurisprudentie geldt dat naar huidig inzicht een enigszins uiteenlopen van de strekking van de desbetreffende strafbepalingen immers niet in de weg staat aan het aannemen van voortgezette handeling indien het in essentie om hetzelfde feitencomplex gaat (vgl. HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111-1115; HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:831 en HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1068).

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden met aftrek van voorarrest. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteerd, echter is daarbij verzuimd aan te geven wat de straf zou zijn geweest zonder dat sprake van een termijnoverschrijding.

De advocaat-generaal heeft bevestiging gevraagd van voormeld vonnis van de rechtbank met uitzondering van de opgelegde straf en heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 3 jaren met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest kan worden volstaan en heeft gewezen op de meewerkende houding van verdachte die ertoe heeft geleid dat hij te maken heeft gekregen met dreigementen van de medeverdachten. Eveneens heeft de verdediging gewezen op de overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof is tot een iets andere bewezenverklaring gekomen dan de rechtbank. Zo heeft het hof verdachte vrijgesproken van de feiten met betrekking tot de hennepkwekerijen te Horn en te Roermond, alsmede van zijn betrokkenheid bij de diefstallen van elektriciteit ten behoeve van die kwekerijen. Eveneens heeft het hof verdachte vrijgesproken van het witwassen van het pand aan de [adres 1] te Horn.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van hennepteelt en de diefstal van elektriciteit ten behoeve daarvan. Daarnaast is verdachte deelnemer geweest aan een criminele organisatie die zich bezighield met opiumwetdelicten. [medeverdachte 1] was bij al deze activiteiten – kort gezegd – de leider. De andere betrokkenen – waaronder verdachte – waren ondergeschikt aan [medeverdachte 1] , waarbij verdachte als ‘tweede man’ kan worden aangemerkt.

Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen, oplichting en valsheid in geschrifte, verduistering en economische milieudelicten met betrekking tot asbest. Behoudens de twee laatste delicten, valt hierbij hetzelfde patroon te zien als bij de Opiumwetdelicten. [medeverdachte 1] was de leider en verdachte was de ‘tweede man’.

Deze feiten betreffen ernstige feiten waarvoor een gevangenisstraf zoals door de verdediging is voorgesteld, niet volstaat.

Anders dan [medeverdachte 1] heeft verdachte – na zich aanvankelijk op zijn zwijgrecht te hebben beroepen – vanaf oktober 2013 meegewerkt aan het onderzoek. Hij heeft openheid van zaken gegeven over zijn eigen rol en daarbij eveneens belastende verklaringen afgelegd over de betrokkenheid van de medeverdachten. Het hof heeft oog voor de omstandigheid dat deze voor anderen belastende verklaringen hebben geleid tot de nodige dreigementen aan verdachtes adres. Het hof begrijpt de ingrijpende gevolgen hiervan voor verdachtes privéleven. Het hof weegt dit mee bij het vaststellen van de hoogte van de straf.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op het voorgaande, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Het hof is van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 jaren in beginsel passend en geboden is. In verband met bovenstaande omstandigheden dient dit naar het hof te worden volstaan met een straf van 2,5 jaar.

Met de rechtbank heeft het hof vastgesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in eerste aanleg is overschreden. De aanvang van de redelijke termijn stelt het hof op 8 november 2011, zijnde de datum waarop verdachte buiten heterdaad is aangehouden.

De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 18 mei 2016 waarmee de redelijke termijn die voor deze fase doorgaans op twee jaren wordt gesteld met 2 jaren en 6 maanden is overschreden. De redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op 18 mei 2016, zijnde de datum waarop door verdachte hoger beroep is ingesteld. Het hof zal eindarrest wijzen op 17 september 2020 waarmee de termijn in hoger beroep – die eveneens doorgaans op twee jaren wordt gesteld – met ongeveer 4 maanden is overschreden.

Het hof zal voormelde overschrijding van de redelijke termijn in die zin in de strafoplegging verdisconteren dat aan verdachte in plaats van een gevangenisstraf van 2,5 jaren een gevangenisstraf van 2 jaren wordt opgelegd.

Benadeelde partijen

Algemeen

Ter zake feit 9 onder parketnummer 04/850428-12 heeft een aantal benadeelde partijen een vordering ingediend.

De rechtbank heeft in haar vonnis (p.34) ten aanzien van deze benadeelde partijen het navolgende overwogen:

Onderhavige vorderingen zijn alle ingediend door ondernemers. Een onderdeel van die

vorderingen, met uitzondering die van [benadeelde 5] , zijn btw-bedragen. Btw is

echter geen schade als de benadeelde partij een ondernemer is, omdat een ondernemer recht heeft op teruggave/verrekening van btw. De vorderingen zullen dan ook ten aanzien van de btw worden afgewezen.

Het hof neemt deze overweging over, maakt die tot de zijne en zal – behoudens de genoemde benadeelde partij [benadeelde 5] – de betreffende vorderingen ten aanzien van de btw afwijzen.

Hoofdelijkheid en gijzeling

Anders de verdediging ziet het hof geen reden om in afwijking van de rechtbank de opgelegde betalingsverplichtingen niet hoofdelijk op te leggen.

Evenmin ziet het hof reden om, zoals de verdediging heeft verzocht, geen gijzeling te verbinden aan niet het niet voldoen door verdachte aan de betalingsverplichting.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 4.445,60.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 970,82.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof niet gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden.

Het hof overweegt daarbij dat in het vonnis van de rechtbank (p. 32) de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] . als rechtstreekse schade wordt gezien van de diefstal van elektriciteit te Haelen (parketnummer 04/850428-12, feit 3).

Het hof vindt daarvoor echter geen aanwijzing in het voegingsformulier, nu daarin de schade wordt gevorderd in verband met diefstal van elektriciteit gepleegd te [pleegadres] Nu ook voor het overige geen aanknopingspunt kan worden gevonden voor het oordeel dat de gevorderde schade in een rechtstreeks verband staat met een door verdachte gepleegd feit, zal de benadeelde partij in haar vordering niet ontvankelijk worden verklaard en kan zij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

De benadeelde partij [benadeelde 5] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.700,00 ter zake materiële schade.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 5] als gevolg van verdachtes onder 9 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag van € 1.700,00.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 5] is toegebracht tot een bedrag van € 1.700,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

De benadeelde partij [benadeelde 4] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 6.781,06 (incl. BTW) ter zake van materiële schade en bestaande uit factuurnummer 11.11.08 van € 6.055,16 (met een btw-bedrag van 966,79) en factuurnummer 11.11.30 van € 725,90 (met een btw-bedrag van € 115,90).

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.088,37.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

De rechtbank heeft in het vonnis (p. 34) omtrent deze vordering onder meer overwogen:

De vordering van [bedrijf 4] bestaat uit twee facturen, waarvan de tweede factuur (nummer 11.11.30) betrekking heeft op schade geleden door gesprekken met de politie, bestaande kennelijk uit verloren arbeidsuren en transportkosten. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat deze posten onvoldoende zijn onderbouwd. De uren en uurtarieven zijn immers niet nader gespecificeerd en onduidelijk is waarop de post ‘transport’ ziet. De benadeelde zal ten aanzien van dit deel van de vordering dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

Het hof neemt vorenstaande overweging van de rechtbank over, maakt deze tot de zijne voegt daaraan toe dat nu de omvang van schade en het verband tussen de gevorderde bedragen en het bewezenverklaard feit niet zonder meer duidelijk is en dat daarvoor vereist onderzoek onevenredige belasting van strafgeding oplevert als bedoeld in art. 361, lid 3 Wetboek van Strafvordering, de vordering voor wat betreft factuurnummer 11.11.30 niet-ontvankelijk zal worden verklaard en zij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 4] B.V. als gevolg van verdachtes onder 9 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag van

€ 5.088, 37.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 4] is toegebracht tot een bedrag van € 5.088,37. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]

De benadeelde partij [benadeelde 6] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 9.559,16, bestaande uit factuurnummer 110812 met een bedrag van € 9181,72 waarvan een btw-bedrag van € 1252,72 (19%) en van € 75,60 (6%) en factuurnummer 110823 met een bedrag van € 377,44 waarvan een btw-bedrag van € 14,06 (19%) en van € 16,38 (6%) ter zake materiele schade.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 8.200,38.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [benadeelde 6] als gevolg van verdachtes onder 9 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht tot het bedrag van

€ 8.200,38.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij te worden afgewezen.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 8 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

[benadeelde 6] is toegebracht tot een bedrag van € 8.200,38. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 5.950,00 (waarvan een btw-bedrag van € 950,-) ter zake materiële schade.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [benadeelde 3] als gevolg van verdachtes onder feit 9 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht tot het bedrag van € 5.000,-.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij te worden afgewezen.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 3] is toegebracht tot een bedrag van € 5.000,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 29.486,77 (waarvan een btw-bedrag van € 4.707,97) ter zake van materiële schade.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 24.778,80.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van verdachtes onder feit 9 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht tot het bedrag van € 24.778,80.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij te worden afgewezen.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 2] is toegebracht tot een bedrag van € 24.778,80. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 8]

De benadeelde partij [benadeelde 8] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 3.294,05 bestaande uit rekeningnummer. 400252 van € 407,54 (waarvan een BTW-bedrag van € 65,07), rekeningnummer 400257 van€ 965,13 (waarvan een btw-bedrag van € 154,10) en rekeningnummer 400221 van € 1921,38 (waarvan een btw-bedrag van € 306,77) ter zake materiële schade.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.768,11.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [benadeelde 8] als gevolg van verdachtes onder feit 9 bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 2.768,11.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde 8] is toegebracht tot een bedrag van € 2.768,11. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen:

3, 11 en 11a van de Opiumwet;

36f, 47, 57, 63, 225, 311, 321, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht;

9.2.2.1 en 10.1 van de Wet milieubeheer;

6 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005;

1a, 2 en 6 van de Wet economische delicten;

zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 04-804180-11 onder 2 en in de zaak met parketnummer 04-850428-12 onder 1, 6, 7, 11, 12 en 16 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 04-850428-12 onder 2 en 5 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 04-804180-11 onder 1, 3 en 4 primair en in de zaak met parketnummer 04-850428-12 onder 3, 4, 8, 9, 10, 13 primair, 14 en 15 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 04-804180-11 onder 1, 3 en 4 primair en in de zaak met parketnummer 04-850428-12 onder 3, 4, 8, 9, 10, 13 primair, 14 en 15 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 5] ter zake van het in de zaak met parketnummer 04-850428-12 onder 8 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.700,00 (duizend zevenhonderd euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 5] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 04-850428-12 onder 9 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.700,00 (duizend zevenhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 27 (zevenentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake van het in de zaak met parketnummer 04-850428-12 onder 8 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.088,37 (vijfduizend achtentachtig euro en zevenendertig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 1.082,69 (duizend tweeëntachtig euro en negenenzestig cent) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 04-850428-12 onder 9 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.088,37 (vijfduizend achtentachtig euro en zevenendertig cent) als vergoeding voor materiële schade.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 60 (zestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 6] ter zake van het in de zaak met parketnummer 04-850428-12 onder 8 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 8.200,38 (achtduizend tweehonderd euro en achtendertig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 6] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 04-850428-12 onder 9 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 8.200,38 (achtduizend tweehonderd euro en achtendertig cent) als vergoeding voor materiële schade.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 76 (zesenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 04-850428-12 onder 8 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 04-850428-12 onder 9 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor materiële schade.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 60 (zestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 04-850428-12 onder 8 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 24.778,80 (vierentwintigduizend zevenhonderdachtenzeventig euro en tachtig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 04-850428-12 onder 9 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 24.778,80 (vierentwintigduizend zevenhonderdachtenzeventig euro en tachtig cent) als vergoeding voor materiële schade.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 158 (honderdachtenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 8]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 8] ter zake van het in de zaak met parketnummer 04-850428-12 onder 8 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.768,11 (tweeduizend zevenhonderdachtenzestig euro en elf cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 8] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 04-850428-12 onder 9 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.768,11 (tweeduizend zevenhonderdachtenzestig euro en elf cent) als vergoeding voor materiële schade.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 37 (zevenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door:

mr. J. Nederlof, voorzitter,

mr. A.M.G. Smit en mr. A.R. Hartmann, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. Van der Meijs, griffier,

en op 17 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.H.W. van der Meijs is buiten staat dit arrest te ondertekenen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature