< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij als beoefenaar van een zelfstandig beroep winst uit onderneming geniet.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 19/00774 en 19/00775

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 8 november 2019, nummers BRE 17/5708 en 17/5709 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de belastingdienst

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft de aanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2014 en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: ZVW) 2014 opgelegd. Tevens is bij beschikkingen belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft in één geschrift uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2020 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, tot bijstand vergezeld van [A] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaken met nummer 19/00776 en 19/00777.

1.6.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende was tot en met 31 januari 2014 in loondienst bij [B] . Van 3 februari 2014 tot en met 30 november 2014 genoot belanghebbende een uitkering van het UWV.

2.2.

Bij notariële akte van [datum] 2014 wordt door mr. [gemachtigde] (hierna: [gemachtigde] ) de stichting [C] advies (hierna: de stichting) opgericht. [gemachtigde] is op dat moment als enige bestuurder aangewezen. De oprichtingsakte van de stichting luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Artikel 2

Doel

De stichting heeft ten doel het exploiteren van een onderneming, welke zich bezig houdt met het verrichten van adviesdiensten, in de meest ruime zin van het woord, waaronder begrepen juridisch advies, HRM-advies, het voeren van loonadministraties, het geven van advisering terzake van persoonlijke financiën en pensioenen, alsmede het advisering terzake bedrijfsovernames.”.

2.3.

Op 2 juni 2014 treden belanghebbende en [A] (hierna: [A] ) aan als medebestuurder van de stichting.

2.4.

Belanghebbende, [gemachtigde] , [A] en de stichting hebben op 15 september 2014 een samenwerkingsovereenkomst gesloten. Hierin is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“Bedoeling van partijen is om zowel als bestuurswerkzaamheden te verrichten voor de Stichting alsmede als zelfstandig beroepsbeoefenaar, dus voor eigen rekening en risico, op basis van een overeenkomst van opdracht werkzaamheden te verrichten.

dat de bestuurders de samenwerking in een vorm van een Stichting wensen te realiseren, nu daarmee onder een gemeenschappelijke naam de door hen ieder ingebrachte specifieke kennis en kunde op een efficiëntere wijze te vermarkten is, dan wanneer zij ieder apart diezelfde markt zouden benaderen.

dat het nadrukkelijk niet het oogmerk van de bestuurder is om een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht met elkaar, dan wel met de Stichting aan te gaan, noch een fictieve dienstbetrekking als bedoeld in de Wet op de Loonbelasting en zij met elkaar wensen te contracteren op basis van een overeenkomst van opdracht.

dat de statuten van de Stichting de bevoegdheden van de bestuurders niet in extenso regelt, reden waarom de bestuurders het wenselijk achten om zowel hun verhoudingen als bestuurders, als de afspraken van de individuele participanten als opdrachtnemer te regelen.

dat deze overeenkomst, nu zij door alle bestuurders is ondertekend, voor zoveel deze betrekking heeft op de “huishouding” van de Stichting, gezien kan worden als een reglement in de zin van art. 10 van de statuten van de Stichting.

(…)

Artikel 1 Bestuursbevoegdheden

1. Partijen stellen vast, dat zij de bevoegdheidsregeling, zoals die is opgenomen in de statuten van de Stichting [C] advies als juist erkennen, hetgeen met zich meebrengt dat zij ieder in gelijke mate zeggenschap hebben in het bestuur van de Stichting.

2. Voorts stellen partijen vast dat [gemachtigde] de functie van voorzitter zal bekleden, [A] de functie van secretaris en [belanghebbende] de functie van penningmeester, zolang zij daartoe geen andersluidende afspraken zullen maken.

3. a. In aanvulling op de bevoegdheidsregels zoals opgenomen in artikel 6 en 7 van de statuten van de Stichting, zijn de individuele bestuursleden ieder afzonderlijk bevoegd om zelfstandig om opdrachten van derden aan de Stichting, welke binnen door de Stichting bestreken vakgebieden vallen, ten behoeve van de Stichting te aanvaarden, met de Stichting als opdrachtnemer voor zover die qua aard en omvang als een gebruikelijke opdracht te zien zijn en een belang van € 5.000 niet te boven gaan.

b. Ook is iedere bestuurder zelfstandig bevoegd om een dergelijke opdracht uit te besteden aan een derden, waaronder de participanten, en daarmee de Stichting als opdrachtgever jegens deze te verbinden.

c. De penningmeester is in aanvulling op het bepaalde in art. 7 lid 2 van de statuten gerechtigd om de bankrekeningen van de Stichting te beheren en alle betalingen namens de Stichting te verrichten, welke te zien zijn als gebruikelijk voor de exploitatie van het bedrijf van de Stichting, dan wel waarvan duidelijk is dat deze voortvloeien uit een verplichting die de Stichting is aangegaan jegens derden.

d. Verder komt aan iedere individueel bestuurslid de individuele bevoegdheid toe tot het aangaan van verplichtingen of het doen van betalingen namens de Stichting voor zoveel deze een bedrag van € 1.000 niet te boven gaan;

Artikel 2. Verduidelijking rechtsverhouding

1. Partijen zijn het erover eens, dat zij als bestuurders enerzijds zoveel mogelijk in harmonie het beleid van de Stichting zullen bepalen en ten uitvoer zullen brengen, maar daar waar het geen algemene bestuurstaken betreft, zij zoveel mogelijk de lijn van elkaars verschillende disciplines zullen respecteren.

2. Daar waar het betreft de uitvoering van de werkzaamheden binnen het eigen vakgebied, dus niet in de hoedanigheid van bestuurder, zijn [belanghebbende] , [gemachtigde] en [A] gerechtigd om de werkzaamheden uit hoofde van de tussen hen bestaande overeenkomst van opdracht met de Stichting, door een derde te laten uitvoeren. Dit zal echter uitsluitend na overleg geschieden en met het oogmerk om de uitvoering door een derde tijdelijk te doen zijn.

3. Partijen stellen vast, dat tussen de Stichting [C] en elke van de drie bestuurders een overeenkomst van opdracht bestaat, die [belanghebbende] , [gemachtigde] en [A] ertoe verplicht om, ieder binnen hun eigen vakgebied een zodanige inbreng te leveren van arbeid, kennis en kunde, dat daarmee binnen de Stichting [C] een zo hoog mogelijk rendement wordt behaald.

In beginsel zullen [belanghebbende] , [gemachtigde] en [A] hun volledige arbeidsinbreng daartoe aanwenden, waarbij tot het moment dat zij zulks anders overeenkomen [gemachtigde] en [A] 40 uur per week in opdracht van de Stichting werkzaam zullen zijn en [belanghebbende] 32 uur per week.

4. Zij zijn gerechtigd om de werkzaamheden op een andere plaats uit te voeren dan ten kantore van de Stichting en bovendien gerechtigd om de werkzaamheden op andere tijdstippen dan gebruikelijke kantoortijden te verrichten met dien verstande dat het voor een behoorlijke samenwerking en afstemming wel gewenst is om met regelmaat werkzaamheden op kantoor te verrichten. Zij zullen daarover concrete afspraken maken.

Partijen hebben geen instructiebevoegdheid ten aanzien van elkaars werkzaamheden en de participanten zijn vrij in de uitvoering daarvan, met dien verstande dat indien de Stichting beleid heeft ontwikkeld de uitvoering wel in de lijn van dat beleid dient plaats te vinden.

5. De honorering van de werkzaamheden vindt plaats op basis van de Stichting behaalde resultaat, waarbij partijen van mening zijn, dat de winst tussen hen in redelijkheid verdeeld dient te worden in de verhouding 50% ten behoeve van [gemachtigde] , 30% ten behoeve van [A] en 20% ten behoeve van [belanghebbende] . Zij zullen gerechtigd zijn om dienovereenkomstig een bevoorschotting te doen plaatsvinden, waarbij de uiteindelijke afrekening jaarlijks plaatsvindt nadat de jaarrekening van de Stichting gereed is.

Voorts zullen partijen jaarlijks bezien in hoeverre deze verdeling tussen hen als redelijk te beschouwen is.

6. Partijen zijn het erover eens, dat [belanghebbende] , [gemachtigde] en [A] , ieder als zelfstandig ondernemer, gerechtigd zijn om ook in opdracht van derden nog werkzaamheden te verrichten, met dien verstande, dat zij zich verplichten zulks wel in onderling overleg te doen. Bovendien dient daarbij wel de resterende arbeidsinzet van dien aard te blijven dat de opdrachten van de Stichting daarbij niet in het gedrang komen. Voorts zullen partijen daarbij zonder overeenstemming daarover geen rechtstreek opdrachten aangaan met klanten of gewezen klanten van de Stichting. In geval de omvang van de werkzaamheden voor derden substantieel is, zullen partijen nadere afspraken maken over de winstverdeling van de Stichting.

7. Indien één van de participanten wegens ziekte of gebrek arbeidsongeschikt wordt, lopen de aanspraken op het resultaat van de Stichting gedurende een halfjaar door. Indien er dan perspectief is op herstel en hervatting binnen afzienbare tijd (indicatie enkele maanden), zullen die aanspraken nog tot dan worden voortgezet. Indien dat perspectief er niet is, is de Stichting gerechtigd om de overeenkomst van opdracht op te zeggen met een termijn van 3 maanden.

8. Partijen beogen met deze overeenkomst heel nadrukkelijk geen arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht te doen tot stand komen, noch een fictief dienstverband.

Zij sluiten dan ook het bestaan van een arbeidsovereenkomst ex art. 7:610 e.v. BW bij deze nadrukkelijk uit.

Artikel 3 Overige bepalingen

1. Partijen stellen vast dat zij deze overeenkomst voor onbepaalde tijd met elkaar zijn aangegaan.

2. Zij zijn van mening dat indien er een beëindiging van het bestuurslidmaatschap plaatsvindt, de duurovereenkomst van opdracht, die zij individueel met de Stichting zijn aangegaan, per gelijke datum dient te eindigen, tenzij zij gezamenlijk in voorkomend geval besluiten om daarvan af te wijken.

3. Indien één van hen de overeenkomst van opdracht wenst te beëindigen treedt hij/zij in overleg met de anderen, teneinde te bezien op welke wijze de beëindiging het beste kan plaatsvinden.

Afhankelijk van de aard en omvang van de discipline, die de beëindigende partij binnen de Stichting vertegenwoordigt, zullen partijen in onderling overleg trachten vast te stellen of de partij die vertrekt gerechtigd of zelfs gehouden is om zijn daarop betrekking hebbende aandeel in de activiteiten van de Stichting mee te nemen, dan wel achter te laten.

Daarbij wordt in redelijkheid rekening gehouden met onder andere de oorzaak van de beëindiging, datgene wat de vertrekkende partijen na beëindiging gaat doen ter voorziening in zijn levensonderhoud, alsmede de manier waarop de relatie van de daarop betrekking hebbende klanten en de Stichting tot stand is gekomen.

Afhankelijk daarvan wordt ook bezien in hoeverre het achterlaten van opdrachten/klanten in de Stichting redelijkheid aanleiding geeft tot het betalen van een vergoeding van de ene partij aan de andere partij.

Partijen nemen in geval van beëindiging een redelijke termijn in acht.”.

2.5.

In de algemene voorwaarden van de stichting, die zijn vermeld in de productcatalogus van de stichting, is onder meer het volgende vermeld:

“9. De aansprakelijkheid van [C] is beperkt tot het bedrag dat in het desbetreffende geval uit hoofde van de door [C] afgesloten aansprakelijkheidsverzekering wordt uitbetaald, vermeerderd met het bedrag van het onder deze verzekering toepasselijke eigen risico.

Als om welke reden dan ook geen uitkering krachtens deze verzekering mocht plaatsvinden, is aansprakelijkheid beperkt tot driemaal het door de opdrachtgever in het kader van de betreffende overeenkomst betaalde bedrag, tot een maximum van € 10.000,-. De in dit artikel bedoelde beperking of uitsluiting van de aansprakelijkheid geldt niet voor zover schade het gevolg is van een bewust roekeloze of opzettelijke tekortkoming van [C] .

De opdrachtgever vrijwaart [C] tegen aanspraken van derden in verband met de voor opdrachtgever verrichtte of te verrichten werkzaamheden.”.

2.6.

De werkzaamheden van belanghebbende bestaan voornamelijk uit het opstellen van standaard arbeidsovereenkomsten. Daarnaast beheert belanghebbende de debiteuren en houdt zij de website en het socialmedia-account van de stichting bij. De klanten van belanghebbende bestaan voornamelijk uit leden van de coöperatie [D] waarmee de stichting een samenwerkingsverband heeft gesloten. De stichting is steeds de opdrachtnemer van de werkzaamheden en degene die die werkzaamheden factureert aan de opdrachtgever. Belanghebbende stelt zelf de facturen op van haar werkzaamheden. Zij heeft eenmalig een factuur op haar eigen naam verstuurd, de rest van de facturen staat op naam van de stichting.

2.7.

Belanghebbende verricht ook werkzaamheden in het kader van webdesign onder de naam [belanghebbende] Organisatie-Ondersteuning.

2.8.

In de aangifte IB/PVV 2014 heeft belanghebbende de via de stichting behaalde voordelen aangegeven ten bedrage van € 8.450 als resultaat uit overige werkzaamheden. Belanghebbende heeft een inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen, van € 19.701 aangegeven.

2.9.

De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2014 overeenkomstig de aangifte vastgesteld naar een inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen, van € 19.701 en de aanslag ZVW 2014 naar een bijdrage-inkomen van € 8.450.

2.10.

In het bezwaarschrift heeft belanghebbende gevraagd om toepassing van de ondernemers- en startersaftrek. Bij uitspraken op bezwaar heeft de inspecteur de aanslagen gehandhaafd.

2.11.

De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende als ondernemer winst uit onderneming heeft genoten. Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Tijdens de zitting van het hof heeft belanghebbende haar grief dat de inspecteur ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de opschorting van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties en de daaruit voortvloeiende beleidslijnen, althans heeft gehandeld in strijd met toezeggingen die de Staatssecretaris van Financiën aan de wetgever dienaangaande heeft gedaan, ingetrokken.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2014 en tot vernietiging van de aanslag ZVW 2014. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Partijen verschillen van mening over de vraag of belanghebbende in 2014 als ondernemer winst uit onderneming heeft behaald. Belastbare winst uit onderneming is het gezamenlijke bedrag van de winst die de belastingplichtige als ondernemer geniet uit een of meer ondernemingen verminderd met de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling. Onder ondernemer wordt verstaan de belastingplichtige voor rekening van wie een onderneming wordt gedreven en die rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming. Onder onderneming wordt mede verstaan: het zelfstandig uitgeoefende beroep en onder ondernemer wordt mede verstaan: de beoefenaar van een zelfstandig beroep. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat zij beoefenaar van een zelfstandig beroep is en daarmee winst uit onderneming geniet. De inspecteur heeft dat betwist.

4.2.

De vraag of een belastingplichtige in een jaar een onderneming uitoefent, moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op die vraag en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen. Belanghebbendes stelling dat ook de jaren na 2014 in de beoordeling moeten worden betrokken, is dus juist. Niet in geschil is dat belanghebbende in 2014 één opdrachtgever had. Belanghebbende heeft gesteld dat zij later vijf opdrachtgevers had. Ook heeft belanghebbende gesteld dat zij eenmalig een factuur op haar eigen naam heeft verstuurd (zie 2.6). Belanghebbende heeft geen inzicht gegeven in de omvang en duur van die opdrachten. Zo heeft zij niets gesteld over de aard van die opdrachten, de jaren waarop die betrekking hebben en de daarmee genoten inkomsten. Daarom neemt het hof uitsluitend de werkzaamheden die belanghebbende in opdracht van de stichting heeft verricht in aanmerking.

4.3.

Het antwoord op de vraag of bepaalde activiteiten in het economische verkeer een onderneming vormen, is niet afhankelijk van de wil van de belastingplichtige die deze activiteiten verricht, maar hangt af van de aard en de omvang van die activiteiten, en van de wijze waarop en de omstandigheden waaronder deze plaatsvinden. Belanghebbendes stelling dat zij het oogmerk had om ondernemer te zijn en in die hoedanigheid een samenwerkingsverband wenste aan te gaan, kan haar dus niet baten.

4.4.

Voor het antwoord op de vraag of de inkomsten die belanghebbende met haar werkzaamheden in opdracht van de stichting heeft behaald, moeten worden aangemerkt als winst uit onderneming is onder meer van belang of belanghebbende bij de uitoefening van die werkzaamheden ondernemersrisico heeft gelopen. Op belanghebbende rust de last feiten en omstandigheden te stellen die de conclusie rechtvaardigen dat zij in 2014 bij de uitoefening van die werkzaamheden ondernemersrisico heeft gelopen.

4.5.

Belanghebbende heeft haar stelling dat zij ondernemersrisico heeft gelopen als volgt gemotiveerd. Belanghebbende is als participant aansprakelijk voor normaal ondernemersrisico. Weliswaar heeft de stichting een aansprakelijkheidsverzekering gesloten voor beroepsfouten, maar belanghebbende is aansprakelijk voor niet gedekte beroepsfouten. Verder loopt belanghebbende debiteurenrisico, omdat zij niet betaald krijgt als de klanten de stichting niet betalen. Verder loopt belanghebbende bij langdurige ziekte, namelijk ziekte die langer dan negen maanden duurt, ziekte- of invaliditeitsrisico. Het risico van blijvende arbeidsongeschiktheid loopt belanghebbende helemaal zelf. Belanghebbende is als bestuurder van de stichting rechtstreeks aansprakelijk uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid. Aldus dit alles, belanghebbende.

4.6.

De inspecteur heeft betwist dat belanghebbende ondernemersrisico heeft gelopen. Volgens de inspecteur is het aansprakelijkheidsrisico zeer beperkt. In de samenwerkingsovereenkomst is in ieder geval geen bepaling opgenomen waarin de aansprakelijkheid is vastgelegd. Uit de algemene voorwaarden van de stichting kan worden afgeleid dat de opdrachtgevers de stichting aansprakelijk zullen stellen. De stichting loopt het debiteurenrisico en de betalingsverplichting die de stichting jegens belanghebbende heeft doet hier niet aan af. Ook heeft belanghebbende geen ziekte- en invaliditeitsrisico, omdat belanghebbende gedurende zes maanden, uitlopend tot negen maanden, recht heeft op doorbetaling. Ten aanzien van belanghebbendes werkzaamheden als bestuurder heeft de inspecteur gesteld dat het daarover in de onderhavige procedures niet gaat, maar dat het gaat over haar uitvoerende werkzaamheden. Bovendien is bestuurdersaansprakelijkheid volgens de inspecteur geen ondernemersrisico maar een civielrechtelijke aansprakelijkheid.

4.7.

Het hof overweegt ten aanzien van de vraag of belanghebbende bij de uitoefening van haar werkzaamheden in opdracht van de stichting ondernemersrisico heeft gelopen, als volgt. De stichting is een rechtspersoon en is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Als hoofdregel wordt rechtspersoonlijkheid in het belastingrecht gevolgd. Het is de stichting die opdrachtnemer is in relatie tot de opdrachtgevers/derden. De facturen voor de verrichte werkzaamheden worden op naam van de stichting uitgereikt. Niet in geschil is dat de stichting recht heeft op de met die werkzaamheden behaalde voordelen. Het debiteurenrisico, het risico van het niet betalen door een opdrachtgever/derde, ligt dus bij de stichting. Niet gebleken is dat belanghebbende bijdraagt in de verliezen van de stichting. Aannemelijk is dat belanghebbende uitsluitend deelt in de positieve resultaten. De stichting is, nu zij een rechtspersoon is, zelfstandig aansprakelijk; belanghebbende heeft verklaard dat deze omstandigheid juist de reden is waarom in het onderhavige geval is gekozen voor een stichting. Niet aannemelijk is dat belanghebbende als participant aansprakelijk is voor het normale ondernemersrisico. Verder zijn de risico’s ingeval van ziekte en arbeidsongeschiktheid beperkt, omdat belanghebbende recht heeft op doorbetaling van het honorarium gedurende in ieder geval zes maanden.

4.8.

Gelet op hetgeen in 4.7 is overwogen heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat zij bij de uitoefening van haar werkzaamheden in opdracht van de stichting ondernemersrisico heeft gelopen. Het honorarium dat belanghebbende met die werkzaamheden heeft verdiend, kan dus niet als winst uit onderneming worden aangemerkt. Aan dit oordeel doet niet af dat de honorering afhankelijk is van de betaling door de opdrachtgevers/derden. Weliswaar loopt belanghebbende als het ware indirect een debiteurenrisico, maar een dergelijk indirect risico is niet voldoende om het tot ondernemersrisico te bestempelen.

4.9.

Belanghebbende heeft verder nog gesteld dat de inspecteur, door haar niet aan te merken als ondernemer, de artikelen 16 en 52 van Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie heeft geschonden. Deze stelling faalt. Het onderhavige geval valt immers niet binnen de materiële werkingssfeer van het Unierecht.

4.10.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat belanghebbende in 2014 niet als ondernemer winst uit onderneming heeft behaald. Voor dat geval is niet in geschil, zoals partijen ter zitting van het hof hebben verklaard, dat de aanslagen IB/PVV 2014 en de ZVW 2014 moeten worden gehandhaafd en dat het hoger beroep ongegrond moet worden verklaard.

Slotsom

4.11.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.12.

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.13.

Het hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht .

5 Beslissing

Het hof:

verklaart het hoger beroep ongegrond;

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door V.M. van Daalen-Mannaerts, voorzitter, P.C. van der Vegt en M.M. de Werd, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 december 2020 en afschriften van de uitspraak zijn op 7 januari 2021 aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

de naam en het adres van de indiener;

de dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Verslag hoorgesprek op 17 november 2016.

Artikel 3.2 Wet IB 2001 .

Artikel 3.4 Wet IB 2001 .

Artikel 3.5 Wet IB 2001 .

HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5707.

HR 18 juni 1986, ECLI:NL:HR:1986:BH5347, BNB 1986/242.

HR 29 mei 2009, ECLI:HR:2009:BH0499 en HR 16 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5085, BNB 1992/370.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature