< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Het hof is van oordeel dat eventuele ontbrekende of onjuiste gegevens op het aanslagbiljet in dit geval redelijkerwijs geen twijfel hebben opgeroepen of het aanslagbiljet voor belanghebbende bestemd was, aangezien de tenaamstelling juist was en belanghebbende er blijkens het bezwaarschrift vanuit ging dat het aanslagbiljet voor hem bestemd was. Het ontbreken van een Burgerservicenummer leidt er bovendien niet toe dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd. Belanghebbendes beroep op de vrijstelling van artikel 21 Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 faalt. Het hof bevestigt het oordeel van de rechtbank dat het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel niet van toepassing is, dat geen sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dat er geen aanleiding is om de naheffingsaanslag te verminderen omdat de auto door inbeslagname feitelijk niet meer ter beschikking stond aan belanghebbende.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 20/00143

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de rechtbank) van 20 januari 2020, nummer BRE 18/5510, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is onder aanslagnummer [aanslagnummer] Y.6.0 over de periode 22 maart 2014 tot en met 2 juni 2016 een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting (de naheffingsaanslag) opgelegd van € 2.665. De naheffingsaanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de inspecteur gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade van € 1.500 en van de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 549,82.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft met dagtekening 17 oktober 2020 een nader stuk ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 28 oktober 2020 te ‘s-Hertogenbosch. Daarbij zijn via een beeldverbinding belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] gehoord.

1.5.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende was op basis van de gegevens van de Dienst Wegverkeer (RDW) van 9 maart 2001 tot 14 november 2017 houder van een personenauto van het merk Opel met kenteken [kenteken] (de auto). Belanghebbende heeft (in ieder geval) in de periode van 22 maart 2014 tot en met 2 juni 2016 geen motorrijtuigenbelasting (mrb) voldaan in verband met de auto. Belanghebbendes burgerservicenummer luidt als volgt: [nummer] .

2.2.

Uit de Basisregistratie Personen (BRP) blijkt dat van belanghebbende in de periode 30 januari 1997 tot 10 september 2018 geen woonadres bekend was.

2.3.

De auto is op 21 mei 2016 in beslag genomen door de ontvanger van de Belastingdienst. Belanghebbende heeft ter zitting bij de rechtbank verklaard te beschikken over het kentekenbewijs en de sleutels van de auto.

2.4.

In verband met de niet-betaling van de mrb heeft de inspecteur met dagtekening 21 juni 2016 de naheffingsaanslag opgelegd. Het betreft een zogenoemde penaanslag, die handmatig is vastgesteld. Op het aanslagbiljet zijn – onder meer – de volgende gegevens vermeld:

“ [belanghebbende]

Niet Adresseerbaar

Aanslagnummer [aanslagnummer] Y.6

Dagtekening: 21 juni 2016

Kenteken: [kenteken]

Soort motorrijtuig: personenauto

Periode van naheffing: 22 maart 2014 tot en met 2 juni 2016

Te betalen: € 2.665

Beschrijving van de betalingswijze en de mogelijkheid van het indienen van een bezwaarschrift”

2.5.

Met dagtekening 22 juli 2016 is door belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Tegen de daarop volgende uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 5 januari 2017 is beroep aangetekend. De rechtbank heeft de uitspraak op bezwaar vernietigd en de zaak teruggewezen naar de inspecteur voor het voeren van een hoorgesprek en het opnieuw nemen van een beslissing op bezwaar. Tegen deze nieuwe beslissing van 25 juni 2018 heeft belanghebbende opnieuw beroep ingesteld. Dit beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard waartegen belanghebbende het onderhavige hoger beroep heeft aangetekend.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is vastgesteld.

Belanghebbende is van mening dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. De inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. Op de zitting heeft belanghebbende zijn stellingen met betrekking tot een rentebeschikking ingetrokken omdat in relatie met de naheffingsaanslag geen rentebeschikking is afgegeven.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de naheffingsaanslag. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd omdat er sprake is van onduidelijkheid omtrent de bekendmaking van de naheffingsaanslag. Belanghebbende benadrukt daarbij dat op het aanslagbiljet adresgegevens ontbreken en een onjuist aanslagnummer is vermeld.

4.2.

De Hoge Raad heeft met betrekking tot de geldigheid van een belastingaanslag, waaronder op grond van artikel 2, lid 3, onderdeel e, Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) ook een naheffingsaanslag wordt begrepen, het volgende geoordeeld:

“2.2.2. (…) Die rechtspraak, (…) houdt in dat een aanslagbiljet niet voldoet aan de vereisten voor het ontstaan van een betalingsverplichting indien de op het biljet vermelde gegevens redelijkerwijs twijfel kunnen oproepen of het aanslagbiljet is bestemd voor degene ten name van wie de aanslag is gesteld (vgl. HR 3 december 2010, nr. 09/00174, ECLI:NL:HR:2010:BO5975, BNB 2011/28).”

4.3.

Aangezien op het moment van het opleggen van de naheffingsaanslag van belanghebbende in de BPR geen woonadres bekend was, heeft de inspecteur op het aanslagbiljet geen adresgegevens kunnen vermelden, hetgeen hem daarom ook niet kan worden verweten. Daarmee is echter redelijkerwijs geen twijfel opgeroepen of het aanslagbiljet voor belanghebbende is bedoeld, aangezien de tenaamstelling op het aanslagbiljet juist is en ook het kenteken van de auto op belanghebbendes naam stond. Overigens blijkt ook uit het namens belanghebbende ingediende pro-forma bezwaarschrift en uit het bezwaarschrift dat belanghebbende er van uitging dat het (naheffings)aanslagbiljet voor hem bestemd was.

4.4.

De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat vanwege het ontbreken van een woonadres het aanslagnummer van de naheffingsaanslag niet uit het burgerservicenummer ( [nummer] ) bestaat, maar uit een niet direct aan belanghebbende te relateren aanslagnummer [aanslagnummer] ). Dit leidt er echter niet toe dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Het burgerservicenummer vormt namelijk in het algemeen, anders dan de tenaamstelling van het biljet, geen essentieel onderdeel van het aanslagbiljet. Degene aan wie een op zijn naam gesteld aanslagbiljet wordt uitgereikt zal, als het gaat om de vraag of het aanslagbiljet voor hem is bestemd, dan ook - behoudens bijzondere omstandigheden - geen reden kunnen hebben eraan te twijfelen of aan de tenaamstelling meer waarde moet worden gehecht dan aan het op het aanslagbiljet vermelde burgerservicenummer.

4.5.

Belanghebbende stelt vervolgens dat hij zich niet kan verenigen met de naheffingsaanslag omdat hij gebruik had kunnen maken van de schorsing van de auto aangezien deze slechts als woning voor hem diende. Met betrekking tot deze stelling overweegt het hof als volgt.

4.6.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet mrb), wordt een belasting geheven ter zake van – onder meer – het houden van een personenauto.

4.7.

Op grond van artikel 7, lid 1, onderdeel a, Wet mrb, wordt een motorrijtuig gehouden door degene op wiens naam het motorrijtuig is gesteld in het kentekenregister, zoals bedoeld in artikel 1, lid 1, onderdeel i, Wegenverkeerswet 1994.

4.8.

Belanghebbende was in de nageheven periode als houder in het kentekenregister ingeschreven.

4.9.

Omdat de mrb vanaf 22 maart 2014 niet op aangifte is voldaan, is de naheffingsaanslag opgelegd.

4.10.

Het hof begrijpt uit hetgeen belanghebbende heeft gesteld dat hij een beroep wenst te doen op de vrijstellingsbepaling van artikel 72, lid 1, onderdeel l, Wet mrb.

4.11.

In artikel 21 van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 is vermeld onder welke voorwaarden een geslaagd beroep op de hiervoor vermelde vrijstellingsbepaling kan worden gedaan. Eén van die voorwaarden is dat het gebruik van de weg zich beperkt tot een op aanwijzingen van de houder door de inspecteur vastgesteld gebied. Vaststaat dat belanghebbende een daartoe strekkend verzoek niet heeft gedaan en dat een dergelijk gebied door de inspecteur niet is vastgesteld, zodat reeds hierom het beroep op de vrijstellingsbepaling niet kan slagen.

4.12.

Evenals bij de rechtbank stelt belanghebbende dat het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel zou zijn geschonden en dat de inspecteur in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zou hebben behandeld. De rechtbank heeft in haar uitspraak in verband daarmee het volgende overwogen:

“2.7. (…) Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is in deze situatie ook niet van toepassing, aangezien hier geen sprake is van een bezwarend besluit dat is gebaseerd op nationale bepalingen die uitvoering geven aan voorschriften van de Europese Unie (vergelijk Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 november 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:9679). Ook is volgens de rechtbank geen sprake van een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur die tot vernietiging van de aanslag kan leiden. Aangezien belanghebbende de motorrijtuigenbelasting niet heeft voldaan, bestond er voor de inspecteur een gegronde aanleiding om in dat verband de naheffingsaanslag op te leggen. Dat daarbij sprake is van samenloop met een invorderingstraject, kan op zichzelf niet worden beschouwd als een misbruik van bevoegdheid op grond van artikel 3:3 Awb . Het verdere feit dat sprake is van een penaanslag, betekent verder ook niet dat de aanslag in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 Awb is opgelegd. De overige gronden die belanghebbende ten aanzien van de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel alsmede de schending van het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 Awb aanvoert, hebben betrekking op het invorderingstraject van de Ontvanger en kunnen niet leiden tot een ander oordeel.”

4.13.

Het hof acht de in 4.12 opgenomen oordelen juist en maakt deze tot de zijne.

4.14.

Voor het geval belanghebbendes stellingen, zoals de inspecteur opwerpt, zich richten tegen hetgeen de rechtbank in onderdeel 2.13 van haar uitspraak heeft overwogen, worden deze verworpen. Ook deze oordelen zijn juist en maakt het hof tot de zijne:

“2.13. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de hoogte van de naheffingsaanslag te verminderen omdat de auto vanaf 21 mei 2016 door inbeslagname feitelijk niet meer ter beschikking stond aan belanghebbende. De belastingplicht van artikel 6 van de Wet MRB bestaat op grond van houderschap, zonder dat een mogelijkheid tot tegenbewijs wordt geboden. De situatie van belanghebbende is verder ook niet een situatie als opgenomen in artikel 9 van het Kaderbesluit Motorrijtuigenbelasting van 23 november 2015 (nr. BLKB 2015/1381M) waarbij op grond van begunstigend beleid de heffing achterwege kan blijven. Hoewel de situatie van belanghebbende wellicht overeenkomsten vertoont met een situatie van verbeurdverklaring, verkeerde belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet in de onmogelijkheid het kentekenbewijs ongeldig te laten verklaren. Immers had hij de beschikking over het kentekenbewijs. Hoewel de leeftijd van belanghebbende en de door hem gestelde onbekendheid met internet het wellicht moeilijker maken om een schorsing te regelen, is daarmee naar het oordeel van de rechtbank nog niet aannemelijk dat het onmogelijk is. Daarmee is er – als ook wordt aangenomen dat sprake is van een situatie die vergelijkbaar is met die van verbeurdverklaring – geen grondslag die kan leiden tot vermindering van de naheffingsaanslag omdat de auto vanaf 21 mei 2016 feitelijk niet meer ter beschikking stond aan belanghebbende.”

Tussenconclusie

4.15.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.16.

Het hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.17.

Aangezien het door belanghebbende ingestelde hoger beroep ongegrond is, acht het hof geen termen aanwezig voor een proceskostenvergoeding.

5 Beslissing

Het hof:

verklaart het hoger beroep ongegrond;

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door A.J. Kromhout, voorzitter, J.M. van der Vegt en M.H.P. Groenland, in tegenwoordigheid van A.S. van Middelkoop, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 december 2020 en afschriften van de uitspraak zijn op

aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303

2500 EH Den Haag

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Hoge Raad 27 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:473.

Hoge Raad 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO5975.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature