< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Ongeval op de Prinsenkade/ Nieuwe Prinsenkade in Breda, ter hoogte van de loempiakraam. Veroordeling voor poging tot doodslag in het verkeer en doorrijden na een ongeval terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat aan een ander letsel was toegebracht. Het hof legt een hogere gevangenisstraf op dan de rechtbank.

Uitspraak



Parketnummer : 20-003587-18

Uitspraak : 29 oktober 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zitting houdende te Breda, van 5 november 2018, parketnummer 02-821262-17 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 02-195855-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats op [geboortedag] 1994,

wonende te [adres] [ woonplaats].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van – kort en zakelijk weergegeven – poging tot doodslag (feit 1 primair) en het verlaten plaats ongeval, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat aan een ander letsel was toegebracht (feit 2), veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht. Daarnaast heeft de rechtbank aan de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd voor de duur van vijf jaren. Voorts is bij vonnis waarvan beroep de tenuitvoerlegging van de eerder bij vonnis van de politierechter d.d. 10 december 2015 opgelegde voorwaardelijk gevangenisstraf voor de duur van één maand gelast.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen onder 1 primair en 2 aan de verdachte ten laste is gelegd en hem ter zake daarvan zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest, en de verdachte ter zake van feit 1 primair zal veroordelen tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 5 jaren.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging zal worden toegewezen.

De verdediging heeft bepleit dat het hof verdachte integraal zal vrijspreken van het tenlastegelegde. Voorts heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging is verzocht deze af te wijzen dan wel de proeftijd te verlengen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat:

1. primairhij op of omstreeks 29 oktober 2017 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven met dat opzet toen aldaar de door hem bestuurde personenauto zodanig heeft bestuurd dat hij

- met een gelet op de verkeerssituatie ter plaatse (veel) te hoge snelheid, in elk geval met een hogere dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 30 kilometer per uur, op de openbare weg Prinsenkade/Nieuwe Prinsenkade heeft gereden; en/of (daarbij)

- een van de oversteekplaatsen op die Prinsenkade/Nieuwe Prinsenkade (met die snelheid) is genaderd en niet of onvoldoende voor die oversteekplaats zijn voertuig heeft afgeremd; en/of

- met die snelheid, althans met nagenoeg onverminderde snelheid, in elk geval met te hoge snelheid, terwijl er mensen aan het oversteken waren, die oversteekplaats is over gereden; en/of

- (vervolgens) daarbij met de door hem bestuurde personenauto tegen die [slachtoffer] is aangereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 oktober 2017 te Breda als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, Citroën C3), daarmede rijdende over de weg, de Prinsenkade/Nieuwe Prinsenkade, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval in hoge, althans in aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onnadenkend en/of ondeskundig, met dat motorrijtuig rijdende met een (veel) te hoge snelheid, in ieder geval met een gelet op de verkeerssituatie ter plaatse (veel) te hoge snelheid en naderend de oversteekplaats aan de Prinsenkade/Nieuwe Prinsenkade niet voortdurend, althans niet voldoende zijn, verdachtes, aandacht te richten en/of gericht te houden op het zich vóór hem, verdachte, gelegen weggedeelte van de oversteekplaats en/of op het zich aldaar bevindende overige verkeer, en/of niet, althans niet tijdig en/of niet voldoende, het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig af te remmen en/of tot stilstand te brengen, en/of niet met het door hem, verdachte, bestuurde motorijtuig uit te wijken, in ieder geval zonder voldoende en/of tijdig maatregelen te treffen teneinde een botsing/aanrijding te voorkomen met de voetganger die, gezien zijn, verdachtes, rijrichting, doende was voormelde oversteekplaats "van links naar rechts" over te steken, met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig, de oversteekplaats op de Prinsenkade/Nieuwe Prinsenkade te naderen en met onverminderd (veel) te hoge snelheid over te rijden, (mede) ten gevolge waarvan hij, verdachte, in botsing/aanrijding is gekomen met die voetganger, waardoor die voetganger (genaamd: [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, zulks terwijl het feit (mede) werd veroorzaakt doordat hij, verdachte, toen daar een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid van 30 kilometer per uur in ernstige mate heeft overschreden, zijnde de terminologie in deze tenlastelegging, voor zover daaraan betekenis is gegeven, gebezigd in de zin van de Wegenverkeerswet 1994;

2.hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Breda op/aan de Prinsenkade/Nieuwe Prinsenkade, op of omstreeks 29 oktober 2017 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer]) letsel was toegebracht.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. primairhij op 29 oktober 2017 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven met dat opzet toen aldaar de door hem bestuurde personenauto zodanig heeft bestuurd dat hij

- met een gelet op de verkeerssituatie ter plaatse veel te hoge snelheid op de openbare weg Prinsenkade/Nieuwe Prinsenkade heeft gereden en daarbij

- een oversteekplaats op die Prinsenkade/Nieuwe Prinsenkade met die snelheid is genaderd en niet of onvoldoende voor die oversteekplaats zijn voertuig heeft afgeremd en

- met nagenoeg onverminderde snelheid, terwijl er mensen aan het oversteken waren, die oversteekplaats is over gereden en

- vervolgens met de door hem bestuurde personenauto tegen die [slachtoffer] is aangereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Breda op de Prinsenkade/Nieuwe Prinsenkade, op 29 oktober 2017 de plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer]) letsel was toegebracht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijs

Bewijsmiddelen

Op 29 oktober 2017 omstreeks 03:35 uur is bij de meldkamer van de alarmcentrale een melding binnengekomen van een verkeersongeval, waarbij een persoon is aangereden door een personenauto op de Prinsenkade in Breda ter hoogte van de loempiakraam. Het slachtoffer zou door de aanrijding zwaargewond zijn geraakt en de personenauto zou zijn doorgereden.

Toen verbalisant [verbalisant 1] ter plaatse kwam zag zij dat er ongeveer 50 personen op straat stonden voor de loempiakraam. [Verbalisant 1] reed de Nieuwe Prinsenkade op en zag toen dat er ongeveer 20 personen om een persoon heen stonden. [Verbalisant 1] zag dat het slachtoffer stil lag en hevig bloedde, waarop zij doorgaf dat het slachtoffer mogelijk dood zou kunnen zijn. De brandweer was ondertussen al ter plaatse gekomen en het slachtoffer werd gereanimeerd. [Verbalisant 1] sprak met een vriend van het slachtoffer, genaamd [vriend slachtoffer]. [ Vriend slachtoffer] verklaarde dat hij het zebrapad aan de Nieuwe Prinsenkade overstak toen hij ineens een mega harde klap hoorde en zag dat [slachtoffer] omhoog werd gelanceerd tot wel drie meter hoog. Het slachtoffer bleek [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) te zijn en hij is in kritieke toestand naar het ziekenhuis overgebracht.

De politie heeft op 29 oktober 2017 direct na het gebeurde ter plaatse een aantal getuigen gesproken, onder wie getuige [getuige 1]. Hij kwam zich melden bij verbalisant [verbalisant 2] en vertelde dat hij de bestuurder had gezien. Getuige [getuige 1] heeft vervolgens verklaard dat hij werkzaam was als taxichauffeur toen hij omstreeks 03:35 uur op de Markendaalseweg ter hoogte van de Barones reed. Hij zag een paar mensen zwaaien en stopte. Er kwam een auto aan hem voorbij gereden, waarvan de bestuurder hem bijna ramde. De bestuurder van de auto reed tussen de mensen die stonden te zwaaien en de taxi van [getuige 1] door, waarbij die bestuurder bijna zijn klant omver reed. De bestuurder reed met hoge snelheid over het zebrapad en slingerde, waarbij hij bijna de voetgangers omver reed die het zebrapad wilden oversteken. De auto waarin de bestuurder reed, was volgens [getuige 1] 100% zeker een Citroën C3. Het verkeersongeval heeft hij zelf niet gezien, maar op de plaats van het ongeval is het volgens [getuige 1] op vrijdag- en zaterdagnacht altijd een chaos en erg onoverzichtelijk. Het is een zeer gevaarlijk punt en geen weg om hard op te rijden. Er zijn zebrapaden en veel dronken personen. Op het moment van het ongeval was het heel erg druk met voetgangers, er waren er wel meer dan 100. [Getuige 1] had nog nooit een auto zo agressief en zo snel zien rijden op dat tijdstip. Er zaten twee jonge mannen in de auto, beiden van Turkse of Marokkaanse afkomst. [Getuige 1] heeft een signalement gegeven van de bestuurder die omstreeks 03:35 uur in de Citroën C3 reed. [Getuige 1] heeft verklaard dat de bestuurder ongeveer 23 of 24 jaar oud was. De bestuurder had baardgroei en droeg een zwart trainingsjack met oranje strepen bij de mouwen. De bestuurder is licht getint.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij omstreeks 03:30 uur stond te wachten bij de taxi’s toen hij een man over het zebrapad zag lopen. Vanuit de Markendaalseweg kwam een donkerkleurige auto met hoge snelheid op de man afgereden. De auto schepte de man op het zebrapad, waarbij de man vol werd geraakt.

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij omstreeks 03:35 uur stond te wachten op het trottoir aan de Nieuwe Prinsenkade. Het was op dat moment erg druk met uitgaanspubliek. [Getuige 3] hoorde een doffe klap en zag een man door de lucht vliegen. Vervolgens zag hij een donkergekleurde Citroën C3 slingerend en met hoge snelheid wegrijden. De bestuurder van die auto reed volgens [getuige 3] vermoedelijk 60 à 70 kilometer per uur.

Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij omstreeks 03:30 uur bij de loempiakraam stond om een taxi te zoeken. [Getuige 4] hoorde en zag een Citroën C3 met hoge snelheid aan komen rijden. Vervolgens hoorde hij een heel harde klap en zag een man door de lucht vliegen. Hij dacht dat de auto zou stoppen, dit was niet het geval en hij zag dat hij doorreed. Het viel hem op dat het voertuig slingerend over de weg reed. Volgens hem heeft de bestuurder van de auto harder dan 60 kilometer per uur gereden.

Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat zij omstreeks 03:30 uur op de Prinsenkade op de bus stond te wachten. [Getuige 5] zag dat er een auto met hoge snelheid kwam aangereden. Volgens haar reed de auto zeker 60 of 70 kilometer per uur. Zij zag dat er meerdere mensen het zebrapad overstaken en dat de auto geen vaart minderde. Vervolgens zag zij dat de auto een persoon aanreed die op dat moment overstak. [Getuige 5] hoorde de auto vervolgens optrekken en in volle vaart wegrijden.

Er is een onderzoek uitgevoerd op de plaats van het ongeval, waarbij is vastgesteld dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden op de rijbaan van de Nieuwe Prinsenkade te Breda, ter hoogte van het kruispunt Prinsenkade, gelegen binnen de bebouwde kom. De maximum toegestane snelheid voor bestuurders van motorvoertuigen bedraagt aldaar 30 kilometer per uur. De plaats van het ongeval is gelegen binnen een 30 kilometerzone, hetgeen wordt aangeduid door middel van bord A1 en tekens op het wegdek.

Op de Prinsenkade en Nieuwe Prinsenkade worden bestuurders van motorvoertuigen door middel van bord L2 gewaarschuwd voor de voetgangersoversteekplaatsen. Uit de beelden van de nabije omgeving waar het ongeval heeft plaatsgevonden, bleek dat het wegdek rond het tijdstip van het ongeval nat was.

Ter zitting in hoger beroep zijn de camerabeelden van het verkeersongeval getoond. Aan de hand daarvan heeft het hof met de rechtbank vastgesteld dat het rondom de plaats van het ongeval heel erg druk was met auto’s, scooters, en personen, die ook de weg overstaken en op de rijbaan stilstonden en liepen. Evenals de rechtbank heeft het hof ter zitting vastgesteld dat een voetganger om 03:35:48 uur de weg van links naar rechts overstak en dat die voetganger werd aangereden door een kleine personenauto die veel harder reed dan ieder ander voertuig ter plaatse. Anders dan de rechtbank, heeft het hof met de verdediging en de advocaat-generaal geconstateerd dat de remlichten van de auto oplichten kort voordat de aanrijding plaatsvond. Met de rechtbank heeft het hof verder geconstateerd dat de botsing rechts tegen de voorkant van de auto plaatsvond, dat om 03:35:50 uur de remlichten van de auto niet meer brandden en de auto doorreed zonder te stoppen.

Uit de medische informatie betreffende het slachtoffer [slachtoffer] blijkt dat [slachtoffer] op de plaats van het ongeval is gereanimeerd. Door een hoogenergetisch schedeltrauma had [slachtoffer] een hartstilstand gekregen. Er was sprake van een bedreigde ademhaling en storingen in het bewustzijn. [Slachtoffer] had een hoofdwond en er waren mogelijk tekenen van bekkenletsel. Er was ook sprake van ernstig bloedverlies en van shock, alsmede van schedel- en schedelbasisfracturen bij hersenkneuzingen en hersenbloedingen en aangezichtsbotbreuken. [Slachtoffer] werd opgenomen op de IC en verkeerde in een comateuze toestand. Later is gebleken dat [slachtoffer] blijvende schade heeft opgelopen aan de hersenen en dat er sprake is van blijvende totale blindheid aan zijn rechteroog.

Tussenconclusie

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, stelt het hof vast dat [slachtoffer] op 29 oktober 2017 omstreeks 03:35 uur te Breda ter hoogte van de oversteekplaats op de Nieuwe Prinsenkade (ter hoogte van het kruispunt met de Prinsenkade) is aangereden door een personenauto. [Slachtoffer] moest worden gereanimeerd en werd in kritieke toestand overgebracht naar het ziekenhuis. Onzeker was of hij deze aanrijding zou overleven. Inmiddels is duidelijk dat [slachtoffer] blijvend zwaar lichamelijk letsel heeft overgehouden aan deze aanrijding. Verder staat voor het hof vast, dat de bestuurder van de personenauto gevaarlijk, agressief en aanzienlijk harder dan de toegestane 30 kilometer per uur die is toegestaan, in ieder geval met een veel te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, heeft gereden, waardoor hij vlak daarvoor al bijna voetgangers omverreed. Ondanks het feit dat er door middel van verkeersborden wordt gewaarschuwd dat het een 30 kilometerzone is en er meerdere voetgangersoversteekplaatsen vlak na elkaar zijn, alsmede de omstandigheid dat hij al eerder voetgangers bijna omver had gereden, is de bestuurder met die onverminderde, veel te hoge snelheid doorgereden en is hij daarmee ook de oversteekplaats op de Nieuwe Prinsenkade genaderd alwaar zich [slachtoffer] bevond, terwijl het daar chaotisch en heel erg druk was met voertuigen, uitgaanspubliek en overige overstekende voetgangers. Het was bovendien donker en het wegdek was nat. Pas kort voor de aanrijding, in een fractie van een seconde, heeft de bestuurder geremd, maar vrijwel meteen is hij weer met hoge snelheid doorgereden. De bestuurder betrof een man van ongeveer 23 of 24 jaar oud en was licht getint, mogelijk van Turkse of Marokkaanse afkomst. De bestuurder had baardgroei en droeg een trainingsjack met oranje strepen op de mouwen.

Verweer van de verdediging strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van hetgeen aan hem is tenlastegelegd. Daartoe is – zakelijk weergegeven en op gronden zoals verwoord in de overgelegde pleitnota – het navolgende aangevoerd.

1. Er kan niet worden vastgesteld dat de verdachte ten tijde van het verkeersongeluk de bestuurder was van de personenauto die betrokken was bij het ongeluk. De verdachte erkent ten tijde van het ongeval inzittende te zijn geweest van de bij het ongeval betrokken personenauto, maar ontkent met klem achter het stuur te hebben gezeten ten tijde van de aanrijding. De verdachte stelt op de bijrijdersstoel te hebben gezeten. Dit wordt bevestigd door de verklaring die de verdachte in vrijheid heeft afgelegd ten overstaan van de informant P3017, zodat die verklaring als waarachtig aangemerkt dient te worden. Verzocht wordt uit te gaan van de door verdachte ten overstaan van die informant afgelegde verklaring. Volgens verdachte zat een vriend van hem achter het stuur. Omdat alle agenten uit Breda verdachte kennen, heeft hij zijn vriend laten rijden. Uit angst voor represailles heeft hij de naam van de bestuurder niet willen noemen. Daar het dossier meerdere aanknopingspunten bevat die erop wijzen dat de verdachte niet achter het stuur zat, is er geen sprake van een situatie die om uitleg van de verdachte schreeuwt en kan zijn zwijgen niet bij de bewijsvoering worden betrokken.

2.

Indien het hof wel bewezen acht dat de verdachte bestuurder was van de personenauto ten tijde van het verkeersongeval, heeft de verdediging subsidiair bepleit dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte opzet had, ook niet in voorwaardelijke zin op de dood van [slachtoffer]. Daartoe is aangevoerd dat het dossier indicaties bevat die erop wijzen dat er geen sprake was van het bewust aanvaarden van een aanmerkelijke kans op dodelijke slachtoffers, nu op de beelden van het incident te zien is dat de remlichten van de auto oplichtten op het moment dat het slachtoffer midden op de voetgangersoversteekplaats liep en toen hij werd aangereden. Dit is een indicatie dat is geprobeerd om de aanrijding te voorkomen. Dat de auto niet is gestopt na de aanrijding, maakt dat niet anders.

Ter zake van de onder 2 aan verdachte tenlastegelegde overtreding van artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994 heeft de raadsman geen specifiek verweer gevoerd, behalve het verweer dat de verdachte niet de bestuurder, maar bijrijder was ten tijde van het ongeluk van de bij het ongeluk betrokken personenauto.

Oordeel van het hof

Het hof kan zich vinden in de bewijsoverwegingen van de rechtbank en maakt deze met een enkele wijziging en met een aantal aanvullingen, in verband met hetgeen tijdens de procedure in hoger beroep naar voren is gekomen, tot de zijne.

Ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde overweegt het hof het navolgende.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij inzittende was van de bij het verkeersongeval betrokken auto. Dit was de blauwe Citroën C3 met het kenteken [kenteken] die op naam stond van zijn zus, [zus verdachte]. De verdachte heeft echter verklaard dat hij ten tijde van het ongeval niet de bestuurder was van de auto, maar als bijrijder in de auto heeft gezeten. De verdachte heeft verder verklaard dat de bestuurder na het ongeval verderop is gestopt, uit de Citroën C3 is gestapt en weg is gegaan. Verdachte is volgens zijn verklaring toen met de auto naar de autogarage gereden. Vreemden, die hij in het centrum heeft aangesproken, waarvan hij geen omschrijving kan of wil geven, zijn in hun eigen auto met hem meegereden en hebben hem daarna weer naar het centrum teruggebracht, aldus verdachte.

Uit onderzoek naar bankgegevens is gebleken dat op 28 oktober 2017 om 17:40 uur gebruik was gemaakt van de pinpas van verdachtes moeder [moeder verdachte]. Op de camerabeelden van de pinautomaat is te zien dat er om 17:38:01 uur een donkerblauwe Citroën C3 het parkeerterrein op rijdt. Om 17:40:23 uur is te zien dat een man handelingen uitvoert bij de pinautomaat. Ook is te zien dat de man baardgroei heeft en gekleed is in een blauw trainingspak met een rood/oranje streep over de lengte van beide mouwen. Verdachte heeft ten overstaan van de politie, alsmede ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij degene op de beelden bij de pinautomaat was. Dit heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep wederom bevestigd. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verder erkend dat hij thuis de sleutel van de Citroën C3 met kenteken [kenteken] op 28 oktober 2017 heeft gepakt en omstreeks 13:30 uur de auto heeft meegenomen en heeft bestuurd en dat hij deze om 17:40 uur ook in zijn bezit had en bestuurde. Naar eigen zeggen is de verdachte eerst na het ongeval in de vroege ochtend thuisgekomen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij in de tussentijd niet meer thuis in zijn woning is geweest. Nu het hof niet is gebleken dat de verdachte in de tussentijd nog thuis is geweest en zich heeft omgekleed, en evenmin is aangevoerd dat hij zich die middag, avond of daaropvolgende nacht voorafgaande aan het ongeval heeft omgekleed, gaat het hof, gelet op het voorgaande, ervan uit dat de verdachte die dag gekleed was in een donkerkleurig trainingsjack met een rood/oranje streep over de lengte van de mouwen.

Beoordeeld dient te worden of op grond van de bewijsmiddelen in het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte de bewuste Citroën C3 ten tijde van het verkeersongeval omstreeks 03:35 uur ook bestuurde.

Het standpunt van de verdediging is dat de verdachte als bijrijder in de auto zat ten tijde van het ongeval en dat dit wordt bevestigd door de verklaring van de verdachte die hij heeft afgelegd op een moment dat hij zich vrij voelde om te verklaren ten overstaan van de informant P3017, welke verklaring als waarachtig dient te worden aangemerkt en niet ter zijde kan worden geschoven.

Op basis van de stukken in het dossier constateert het hof dat de verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd, onder meer omtrent de vraag of hij inzittende was van de bij het ongeluk betrokken personenauto ten tijde van de aanrijding. Nadat de verdachte tijdens de politieverhoren is geconfronteerd met de inhoud van het gesprek met informant P3017, heeft de verdachte direct verklaard dat hij hetgeen hij ten overstaan van de informant P3017 heeft verklaard, heeft verzonnen. De verdachte heeft toen voorts verklaard dat hij niet als inzittende in de auto heeft gezeten ten tijde van het ongeval, maar de auto heeft uitgeleend aan een persoon van wie hij de naam niet wil noemen. De verdachte heeft ook nadien ter terechtzitting in eerste aanleg volgehouden dat hij niet bij het ongeval is geweest. De verdachte heeft eerst ter terechtzitting in hoger beroep weer teruggegrepen naar zijn verklaring zoals afgelegd ten overstaan van de informant, namelijk dat hij toch in de auto heeft gezeten, maar slechts als bijrijder. De verdachte heeft ten overstaan van de informant ook een naam genoemd en nadere gegevens gegeven van de persoon die de auto zou hebben bestuurd ten tijde van de aanrijding.

Deze gegevens zijn door de politie onderzocht. Uit dit onderzoek volgt dat de informatie die de verdachte heeft verstrekt daaromtrent niet wordt bevestigd door de onderzoeksbevindingen, zodat het hof – anders dan de raadsman – al om die reden van oordeel is dat de verklaring die de verdachte ten overstaan van de informant heeft afgelegd niet als waarachtig aangemerkt dient te worden. Daar komt nog bij dat de omstandigheid dat de verdachte zich alstoen mogelijk vrij voelde om te verklaren over de bewuste aanrijding, onverlet laat dat de verdachte ook toen niet heeft willen delen wie daadwerkelijk die auto op dat moment had bestuurd. Immers, ook alle overige door verdachte genoemde namen, zoals bijvoorbeeld tegen zijn zus in een WhatsApp-bericht, steeds genoemd op momenten dat hij zich mogelijk net zo vrij voelde om deze te noemen, hebben niet geresulteerd in een concrete verdenking jegens een van die personen.

Het hof neemt verder het volgende in aanmerking.

Getuige [getuige 1] heeft kort na het incident, te weten op 29 oktober 2017 om 04.20 uur, een signalement gegeven van de bestuurder die omstreeks 03:35 uur in de Citroën C3 reed. [Getuige 1] heeft verklaard dat de bestuurder ongeveer 23 of 24 jaar oud was en van Turkse of Marokkaanse afkomst. De bestuurder had baardgroei en droeg een zwart trainingsjack met oranje strepen bij de mouwen. Voorts heeft [getuige 1] verklaard dat de bijrijder een witte of beige jas aan had.

Anders dan de raadsman, maar met de rechtbank stelt het hof vast dat het door getuige [getuige 1] gegeven specifieke signalement van de bestuurder van de Citroën C3 omstreeks 03:35 uur zeer wel past bij het uiterlijk en de kleding van verdachte, zoals hiervan blijkt uit de camerabeelden van de pintransactie eerder die dag. Anders dan de raadsman stelt het hof vast dat de foto’s van verdachte gemaakt bij het pinnen (p. 337) gezichtsbeharing laten zien die slechts vanuit het midden van de onderlip doorloopt naar de kin en geen sprake is van een geheel ‘volle baard’. Dit sluit naar het oordeel van het hof wel degelijk aan bij het signalement dat [getuige 1] van de bestuurder gaf toen hij verklaarde een baardje/sikje te hebben gezien (p. 113).

Voorts acht het hof – met de rechtbank – de verklaring van verdachte dat hij zomaar midden in de nacht, terwijl hij bij een zeer beschadigde auto zou staan, door wildvreemde mensen zou zijn geëscorteerd naar een garagebedrijf en vervolgens weer zou zijn teruggebracht, niet aannemelijk.

Gelet op het voorgaande acht het hof het door de verdachte geschetste alternatieve scenario, waarmee hij overigens pas in een zeer laat stadium komt, zonder daarbij enige concrete te verifiëren (persoons)gegevens te noemen, niet aannemelijk geworden en schuift dit terzijde.

Bovenstaande feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien in combinatie met de overige bewijsmiddelen leiden het hof tot de conclusie dat de verdachte de bestuurder was van de Citroen C3 met kenteken [ kenteken] ten tijde van het ongeval en dat hij dus degene is geweest die [slachtoffer] heeft aangereden.

Aan dit oordeel ligt in het bijzonder ten grondslag dat het signalement dat door getuige [getuige 1] van de bestuurder is gegeven matcht met het uiterlijk en de kleding van verdachte in die nacht. Evenals bij de rechtbank bestaat er bij het hof geen twijfel dat verdachte de bestuurder is geweest.

Het hof heeft hierbij overigens ook nog acht geslagen op het feit dat de verdachte volhoudt dat een ander heeft gereden, terwijl hij niet wil zeggen wie de bestuurder dan werkelijk zou zijn geweest ten tijde van het ongeluk op de Prinsenkade op 29 oktober 2017. In dat verband is de verdachte tijdens de terechtzitting van het hof bij herhaling nadrukkelijk in de gelegenheid gesteld informatie te verstrekken ter nadere onderbouwing van deze stelling. De verdachte heeft ervoor gekozen niet nader te verklaren, uit vrees voor mogelijke represailles. Echter, ondanks dat het hof de verdachte indringend heeft bevraagd wat de grond was voor deze door hem benoemde angst, heeft de verdachte de door hem gestelde vrees voor zijn eigen veiligheid verder niet nader toegelicht of onderbouwd. Dat sprake was of is van een concrete serieuze bedreiging in de richting van de verdachte wanneer hij nadere informatie over de bestuurder zou verschaffen, is niet gebleken en bovendien ook niet aannemelijk geworden, nu blijkens de verklaring van de verdachte, hij, sinds de vermeende bestuurder na de aanrijding de auto verliet, geen enkel contact meer met hem heeft gehad.

Met de rechtbank wordt het hof verder in zijn overtuiging gesterkt door de omstandigheid dat deze gedragingen ook volledig passen in het profiel van verdachte. De verdachte is immers veelvuldig aangehouden en ook veroordeeld voor het rijden zonder rijbewijs, voor het veroorzaken van gevaar op de weg en doorrijden na een ongeval. Het hof heeft evenals de rechtbank hierbij ook acht geslagen op de verklaring van verbalisant [verbalisant 3]. Toen hij in een van de getuigenverklaringen het signalement van de bestuurder van de Citroën C3 las, moest hij meteen denken aan de hem ambtshalve bekende verdachte. De afkomst, baardgroei en het zwarte trainingsjack met oranje strepen, zoals omschreven in die getuigenverklaring, deden [verbalisant 3] meteen aan hem denken, omdat [verbalisant 3] de afgelopen jaren in zijn functie als politieambtenaar veelvuldig contact met hem heeft gehad. [verbalisant 3] heeft hem meerdere malen bekeurd voor het rijden zonder geldig rijbewijs, waarover [verbalisant 3] ook meerdere gesprekken heeft gehad met zijn moeder. Bijna alle keren dat [verbalisant 3] contact heeft gehad met verdachte was hij gekleed in een trainingsjack met felgekleurde strepen op de mouwen.

Poging tot doodslag

Aan het hof ligt vervolgens de beantwoording van de vraag voor of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op [slachtoffer]. Daartoe is vereist dat er bij de verdachte sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer.

Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging, stelt het hof voorop dat niet is gebleken dat de verdachte de intentie (het volle opzet) heeft gehad om [slachtoffer] van het leven te beroven. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting valt immers niet op te maken dat de verdachte doelgericht op [slachtoffer] is ingereden of hem doelbewust heeft aangereden.

Ten aanzien van de vraag of de verdachte voorwaardelijk opzet op zijn dood heeft gehad, overweegt het hof als volgt.

Opzet op de dood kan ook worden aangenomen als sprake is van voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat er een slachtoffer zou komen te overlijden als gevolg van zijn gedragingen.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, of anders gezegd om een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is bovendien vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden en dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld.

Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die er (lichtvaardig) van is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld, en dus schuld heeft aan het ongeval, maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.

Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Bij de beoordeling of er in de onderhavige zaak sprake is van opzet in voorwaardelijke zin, heeft het hof het navolgende in aanmerking genomen.

Aanmerkelijke kans

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in de nacht van 29 oktober 2017, zonder over een rijbewijs te beschikken, in een personenauto is gaan rijden. Met de rechtbank kan het hof niet vaststellen wat de exacte snelheid van de Citroën C3 is geweest. Evenwel staat het voor het hof – evenals de rechtbank – vast dat de verdachte met een veel te hoge snelheid heeft gereden voor een veilig verkeer ter plaatse. Het rijgedrag van de verdachte werd door meerdere onafhankelijke getuigen omschreven als agressief en gevaarlijk. De plaats van het ongeval is bovendien gelegen in een 30 kilometerzone met twee oversteekplaatsen kort na elkaar, zijnde twee zebrapaden, terwijl vlak voor het eerst zebrapad en vlak na het twee zebrapad, een verhoging respectievelijk verlaging aan de orde is, waar het in het weekend, zeker rond sluitingstijd van de uitgaansgelegenheden, in de regel druk en chaotisch is met verkeersdeelnemers, uitgaanspubliek en (overstekende) dronken mensen. Dat was ook deze nacht zo. Het was ten tijde van de aanrijding zichtbaar heel erg druk met auto’s, scooters, en personen. Allemaal verkeersdeelnemers die de weg overstaken, op de rijbaan stilstonden, reden en liepen. Het ongeval vond plaats midden in de nacht en ten tijde van het ongeval was het wegdek nat. De verdachte is met hoge snelheid tegen slachtoffer [slachtoffer] aangereden waarna hij door de lucht vloog en op het wegdek belandde. De verdachte is niet gestopt maar met hoge snelheid doorgereden.

Gelet op al deze omstandigheden ter plaatse en uitgaande van een situatie waarin de verdachte gevaarlijk, agressief en aanzienlijk harder dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid, in ieder geval met veel te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, zoals hiervoor aangehaald, reed, overweegt het hof dat hier naar algemene ervaringsregels sprake was van een aanmerkelijke kans dat er een verkeersongeval zou plaatsvinden met een dodelijke afloop. Het hof heeft bij dat oordeel tevens betrokken dat de verdachte in een personenauto reed, terwijl het merendeel van de overige weggebruikers, waaronder bromfietsers, fietsers en voetgangers, kwetsbare verkeersdeelnemers betroffen die geen bescherming genoten van een auto als schild.

Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat er een aanmerkelijke kans bestond dat de verdachte, door zich – in de gegeven omstandigheden – op deze manier te gedragen, iemand zou aanrijden waardoor deze vervolgens zou komen te overlijden.

Bewustheid

De verdachte is woonachtig in de nabije omgeving van de plaats van het ongeval. Hij was dus bekend met de situatie ter plaatse en het feit dat het daar in het weekend altijd erg druk en chaotisch is met verkeersdeelnemers, uitgaanspubliek en (overstekende) al dan niet dronken mensen, zeker op het betreffende tijdstip. Hij wist ook, zo heeft hij terechtzitting tegenover het hof verklaard, dat daar een maximum snelheid van 30 kilometer per uur geldt. Kort voor de plaats van het ongeval reed verdachte al bijna voetgangers omver en hij wist dat het bij de kruising die hij ging naderen nog veel drukker zou zijn. Desondanks heeft verdachte zich niet bedacht om zijn rijgedrag aan te passen, maar is hij met dat rijgedrag onverminderd doorgegaan en daarmee op de mensenmassa af gereden.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel, daarbij in aanmerking genomen de chaotische en onoverzichtelijke situatie ter plaatse, dat de verdachte zich er van bewust was, dat de aanmerkelijke kans bestond dat zich iemand op de rijweg zou bevinden, en dat deze persoon bij een aanrijding met de door hem bestuurde personenauto zou komen te overlijden.

Bewuste aanvaarding

Nu de verklaringen van de verdachte geen inzicht geven in wat ten tijde van zijn gedragingen in hem is omgegaan – de verdachte heeft immers het tenlastegelegde ontkend – hangt de beoordeling van de vraag of de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij een andere verkeersdeelnemer dodelijk zou verwonden, af van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, van belang.

Op grond van het voorgaande in samenhang bezien, komt het hof tot het oordeel dat uit de wijze van rijden van de verdachte bezwaarlijk anders kan volgen dan dat hij zich niet heeft bekommerd om de mogelijke gevolgen daarvan voor andere verkeersdeelnemers, meer in het bijzonder zwakkere weggebruikers, zoals voetgangers. Dit wordt tevens bevestigd door het feit dat de verdachte na de aanrijding, zonder een zichtbaar moment van aarzeling is doorgereden en zich in het geheel niet om het lot van het slachtoffer heeft bekommerd.

Daarbij betrekt het hof het gegeven dat uit de ter terechtzitting getoonde camerabeelden blijkt dat pas op het allerlaatste moment, kort voor de botsing, de remlichten van de auto oplichtten.

Met betrekking tot het verweer van de verdediging dat daaruit volgt dat er geen sprake was van een bewuste aanvaarding van een eventueel aanmerkelijk te achten kans op dodelijke slachtoffers, overweegt het hof als volgt. Voor zover de raadsman heeft betoogd dat uit het aangaan van de remlichten op het laatste moment moet worden afgeleid dat is geprobeerd de aanrijding te voorkomen en het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte aldus niet was gericht op het doden van andere weggebruikers of zichzelf of zijn bijrijder, verwerpt het hof dit verweer. Immers, uit niets blijkt met welke bedoeling van de verdachte hij in de laatste fractie van een seconde voor de botsing heeft geremd, nu de verdachte hieromtrent zelf zwijgt. Bovendien staat naar het oordeel van het hof vast dat het op het allerlaatste ogenblik remmen onder de gegeven omstandigheden dan geen positief effect meer kon sorteren. De potentieel dodelijke situatie die de verdachte inmiddels had geschapen, kon hij immers op dat moment door het remmen niet meer veranderen, gezien hetgeen vervolgens ook heeft plaatsgevonden.

Gelet op de aard van de gedragingen van verdachte tijdens zijn dollemansrit en de situatie ter plaatse waren deze gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm zodanig gericht op het veroorzaken van een potentieel dodelijk ongeval, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard. Het hof volgt hierin het standpunt van de advocaat-generaal. De verdachte heeft zich met zijn rijgedrag niet bekommerd over de mogelijke gevolgen voor andere (zwakkere) verkeersdeelnemers. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat er geen sprake is van enkel een verkeersfout, waardoor de gedragingen binnen de Wegenverkeerswet zouden passen. Door zo hard, zonder tijdig te remmen, op een voor verdachte heel bekende plaats af te rijden die gevuld was met mensen, was het niet zozeer de vraag of verdachte iemand zou kunnen raken maar eerder hoeveel mensen.

Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat verdachte het voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer].

Mitsdien acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gepoogd [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, zoals in de bewezenverklaring is omschreven.

Het hof verwerpt het verweer op alle onderdelen

Voor zover de verdediging overigens nog bewijsverweren heeft gevoerd, vinden deze hun weerlegging reeds in de gebruikte bewijsmiddelen, zodat deze geen (nadere) bespreking behoeven.

Het hof acht de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag op [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen.

Ter zake van het bewezenverklaarde onder 2 overweegt het hof het volgende.

Op grond van de voormelde bewijsmiddelen acht het hof evenzo wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl hij redelijkerwijs het vermoeden moest hebben dat aan [slachtoffer] letsel was toegebracht.

Door de aanrijding is [slachtoffer] immers vol op de motorkap en de voorruit van de auto terechtgekomen, waarbij direct grote schade aan de auto is ontstaan, waaronder schade aan de voorruit van de auto. Het is onvoorstelbaar dat de verdachte een en ander niet zou hebben gezien.

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 .

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

De advocaat-generaal vordert dat verdachte ter zake van de bewezen geachte feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van vijf jaren.

Onder verwijzing naar diverse rechterlijke uitspraken heeft de raadsman bepleit om aan verdachte geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen die langer is dan de duur die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verdachte de door de rechtbank opgelegde straf inmiddels heeft uitgezeten en dat het onwenselijk is dat de verdachte opnieuw van zijn vrijheid wordt beroofd, nu hij recent in vrijheid is gesteld en hij zijn leven weer wil oppakken. Voorts is aangevoerd dat bij de verdachte sprake zou zijn van een licht verstandelijke beperking en een achterstand op zowel cognitief als sociaal emotioneel gebied en dat indien de verdachte opnieuw van zijn vrijheid wordt beroofd, die achterstand alleen groter wordt, hetgeen de verdachte in de problemen zal brengen.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Meer in het bijzonder overweegt het hof het navolgende.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door met de door hem bestuurde auto, met een veel te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, [slachtoffer] aan te rijden, terwijl de verdachte niet in het bezit was van enig rijbewijs. Slachtoffer [slachtoffer] is door de aanrijding meters hoog de lucht in gevlogen en vervolgens op het wegdek terechtgekomen. Er werd gevreesd voor het leven van [slachtoffer]. Dat hij de aanrijding heeft overleefd is niet aan verdachte te danken. Daarbij komt dat de verdachte het slachtoffer niet alleen letsel heeft toegebracht, maar zich evenmin, door de plaats van de aanrijding te verlaten, om zijn lot heeft bekommerd en [slachtoffer] voor dood heeft achtergelaten. Gezien de omstandigheden ter plaatse is het welhaast een wonder te noemen dat het bij één slachtoffer is gebleven. Een dergelijk optreden is bovendien schokkend voor de ooggetuigen en versterkt de in de maatschappij levende gevoelens van onveiligheid.

Het hof tilt zwaar aan de poging tot doodslag. De verdachte heeft door zijn manier van handelen de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] ernstig aangetast. Het slachtoffer had hierbij het leven kunnen verliezen. Een dergelijk handelen wordt door slachtoffers in het algemeen als zeer ingrijpend ervaren en kan grote nadelige lichamelijke en psychische gevolgen hebben. Dat dit voor [slachtoffer] ook geldt, is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting van het gerechtshof van 15 oktober 2020, waar het slachtoffer het spreekrecht heeft uitgeoefend door het voorlezen van zijn schriftelijke slachtofferverklaring. Zoals blijkt uit de toelichting van het slachtoffer op de ingediende vordering alsmede de ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaringen, heeft het ongeval dat heeft plaatsgevonden op de Nieuwe Prinsenkade onherstelbare sporen nagelaten in het leven van het slachtoffer en zijn naasten. De gevolgen voor het slachtoffer zijn onomkeerbaar, omdat hij blijvend schade heeft opgelopen aan de hersenen en blijvend totale blindheid aan zijn rechteroog. [Slachtoffer] is voor de rest van zijn leven lichamelijk beperkt en getekend door de daad van verdachte en zal daar zo goed mogelijk mee moeten proberen om te gaan, maar zijn leven zal nooit meer hetzelfde zijn als voorheen.

Het feit dat de verdachte na de aanrijding van het slachtoffer zonder kenbare aarzeling is door- en weggereden, geeft blijk van een ronduit stuitende onverschilligheid ten aanzien van het lot van dat slachtoffer. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij onherstelbaar leed heeft veroorzaakt.

Met de rechtbank neemt het hof het verdachte bijzonder kwalijk dat hij geen verantwoordelijkheid voor zijn daden neemt en op geen enkele wijze blijk heeft gegeven van enig berouw. Voorts heeft het hof in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij iedere verantwoordelijkheid voor zijn handelen uit de weg gaat en een ander wil laten opdraaien voor de aanrijding. Dit vindt het hof bijzonder kwalijk.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 14 oktober 2020, waaruit volgt dat de verdachte eerder onherroepelijk voor verkeersdelicten is veroordeeld. Met de rechtbank neemt het hof het de verdachte kwalijk dat hij steeds is blijven rijden ondanks het feit dat hij al zeer vaak is veroordeeld voor het rijden zonder rijbewijs. Daar komt nog bij dat verdachte in een proeftijd liep van een voorwaardelijke veroordeling voor het verlaten van de plaats van het ongeval waarbij hij betrokken is geweest. De veroordelingen hebben de verdachte er niet van weerhouden op 29 oktober 2017 opnieuw een auto te gaan besturen, waarbij hij een ongeval met voornoemde gevolgen heeft veroorzaakt. Het hof weegt deze omstandigheden ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting. Daarnaast heeft het hof rekening gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Voorts heeft het hof de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte in aanmerking genomen, voor zover die door de verdachte en diens raadsman ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht.

Door de verdediging is weliswaar gesteld dat verdachte een licht verstandelijke beperking en een achterstand op zowel cognitief als sociaal emotioneel gebied heeft, maar in hoeverre daarvan sprake zou zijn en op welke wijze dat invloed zou hebben op de bewezenverklaarde feiten is niet onderzocht en op geen enkele wijze onderbouwd of gebleken. De verdachte heeft niet willen meewerken aan nader onderzoek naar zijn persoonlijke omstandigheden die tot meer inzicht hadden kunnen leiden in zijn persoon en persoonlijke omstandigheden.

Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de ernst van de gevolgen, is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat slechts een gevangenisstraf van aanzienlijke duur een passende en noodzakelijke bestraffing is.

Het hof is van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Hoewel de rechtbank dat eveneens heeft onderkend, komt in de door haar opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de ernst van de gevolgen, daarbij in aanmerking genomen hetgeen hiervoor is overwogen, dit onvoldoende tot uitdrukking, zodat daarmee naar ’s hofs oordeel niet kan worden volstaan. Het hof overweegt hierbij nog dat de rechtelijke uitspraken waarnaar de raadsman bij straftoemeting heeft verwezen zien op feiten gepleegd door andere verdachten en begaan onder andere omstandigheden. De in die zaken opgelegde straffen zullen door het hof derhalve niet als referentiekader voor straftoemeting worden gehanteerd.

Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en in hetgeen door de raadsman is aangevoerd aangaande (onder meer) de gevolgen die een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan de duur van het voorarrest voor de verdachte zal hebben, geen aanleiding – gelet op het voorgaande – om van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan de duur van het voorarrest af te zien.

Alles afwegende acht het hof – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal – een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof daarnaast aan de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit als bijkomende straf een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van vijf jaar opleggen. Dat verdachte op dit moment niet in het bezit is van een geldig rijbewijs staat hieraan niet in de weg, nu hiermee in ieder geval wordt bewerkstelligd dat verdachte gedurende een periode van vijf jaar ook niet gerechtigd is om een geldig rijbewijs, voor welk motorvoertuig dan ook, te halen.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zitting houdende te Breda, van 10 december 2015, gewezen onder parketnummer 02-195855-15 is aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van voorarrest, met bevel dat een gedeelte van die gevangenisstraf, groot één maand, niet ten uitvoer zal worden gelegd onder - voor zover in dezen van belang naast een aantal bijzondere voorwaarden - de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de niet tenuitvoergelegde gevangenisstraf om reden dat de verdachte voormelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Uit een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 oktober 2020 (pagina 4) volgt evenwel dat de politierechter in de rechtbank Zeeland West-Brabant op 7 september 2016 in een afzonderlijke beslissing reeds onherroepelijk op een vordering tenuitvoerlegging inzake parketnummer 02-195855-15 opgelegde voorwaardelijke straf heeft beslist. Bij die beslissing is de tenuitvoerlegging gelast en executie heeft plaatsgevonden van 16 oktober 2016 tot 12 november 2016.

Gelet op het voorgaande zal het openbaar ministerie in de vordering tenuitvoerlegging niet ontvankelijk worden verklaard.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 45, 57, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7, 176 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994 , zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tenuitvoerlegging, met parketnummer 02-195855-15.

Aldus gewezen door:

mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,

mr. G.J. Schiffers en mr. N.I.B.M. Buljevic, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Hafti, griffier,

en op 29 oktober 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. N.I.B.M. Buljevic is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de politie Eenheid Zeeland-West-Brabant, Districtsrecherche De Baronie, registratienummer PL2000-2017261095, sluitingsdatum 4 juli 2018, pagina 1 tot en met pagina 951. Alle tot bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisant(en) en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 69 en 71.

Proces-verbaal van bevindingen, pagina 69 en 70.

Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 83 en 84.

Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 87 en 88.

Proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 109.

Proces-verbaal van verhoor getuige, pagina’s 112 en 113.

Proces-verbaal van verhoor getuige bij de rechter-commissaris, pagina 3.

Proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 109.

Proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 113.

Proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 129.

Proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 136.

Proces-verbaal van verhoor getuige, pagina’s 138 en 139.

Proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 161.

Proces-verbaal van bevindingen, pagina 291.

Proces-verbaal van bevindingen, pagina 170.

Eigen waarneming van het gerechtshof van de camerabeelden zoals getoond op de zitting van 15 oktober 2020.

Geschriften, te weten een geneeskundige verklaring van chirurg [naam chirurg], pagina 738, een geneeskundige verklaring van huisarts [naam huisarts], pagina 744 en een aanvraag verstrekking hulpmiddelen/speciale behandelingen van huisarts [naam huisarts], pagina 746.

Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 15 oktober 2020.

Proces-verbaal van bevindingen, pagina’s 332 tot en met 339.

Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 805; proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 22 oktober 2019, p. 4.

Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 15 oktober 2020.

Proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 109.

Proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 113.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature