< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Personen- en familierecht; huwelijksvermogensrecht; afwikkeling huwelijksgemeenschap; waardepeildatum woning; beroep op art. 3:178 lid 2 BW; gebruiksvergoeding; waardering van vorderingsrecht op leasemaatschappij; ontslagvergoeding.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.267.738/01

zaaknummer rechtbank : C/03/220451 / FA RK 16-1554

beschikking van de meervoudige kamer van 8 oktober 2020

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A. van den Eshoff te Meerssen,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaten mr. S.P.J. Oudenhoven en mr. L.P.H. Hameleers te Roermond.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de tussenbeschikking van 2 augustus 2018 en de beschikking van 17 juli 2019 van de rechtbank Limburg (Roermond), uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is op 16 oktober 2019 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikkingen.

2.2.

De man heeft op 9 december 2019 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3.

De vrouw heeft op 19 februari 2020 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 20 augustus 2020 met prod. 24 en 25, ingekomen op 20 augustus 2020.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft op 2 september 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de vrouw bijgestaan door mr. Van den Eshoff, de man bijgestaan door mr. Oudenhoven en mr. L.P.H. Hameleers. Mr. Van den Eshoff heeft ter zitting pleitnotities overgelegd ten aanzien van de verjaring van de schuldbekentenis.

3 De feiten

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. a) In oktober 1992 heeft de vrouw van haar ouders een bedrag van fl. 100.000,-- geleend. Hiervan is een akte van schuldbekentenis (hierna ook: schuldbekentenis I) gedateerd oktober 1992 opgemaakt (prod. 19).

b) Schuldbekentenis I houdt, voor zover thans van belang, in:

“De ondergetekenden:

[de vrouw]

verklaart op heden te leen ontvangen en verschuldigd te zijn aan: [de ouders van de vrouw]

een som van fl. 100.000,-- (zegge honderdduizend gulden)

Terzake deze geldlening zijn ondergetekenden het navolgende overeengekomen:

1. De geleende som is direct opeisbaar

2. Over de geleende som is geen rente verschuldigd

3. De hoofdsom of het restant daarvan is zonder voorafgaande opzegging dadelijk opeisbaar bij:

* Aanvraag van surséance van betaling

* Inbeslagneming van het geheel of een gedeelte zijner zaken

* Het doen van boedelafstand

(…)”

c) Vervolgens is tussen de vrouw als schuldeiser en de man als schuldenaar een schuldbekentenis (hierna ook: schuldbekentenis II) opgemaakt (prod. 39). De notaris heeft Schuldbekentenis II op 14 oktober 1992 aan partijen verzonden.

d) Schuldbekentenis II luidt, voor zover thans van belang:

“Ondergetekenden:

1. [de man]

2. [de vrouw]

verklaren

dat [de man] wegens op heden

van [de vrouw] ter leen ontvangen gelden aan [de vrouw] wettig schuldig is de som van: f. 50.000,--

(zegge: vijftig duizend gulden)

Terzake dezer geldlening zijn ondergetekenden het navolgende overeengekomen:

De hoofdsom of het eventuele restant daarvan en al het verder verschuldigde is te allen tijde terstond en zonder enige waarschuwing opeisbaar.

(…)”

e) Schuldbekentenis II is door partijen ondertekend en voorzien van een met de hand geschreven goedschrift.

f) Partijen zijn op 26 september 1997 gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen.

g) Partijen zijn de ouders van twee thans meerderjarige kinderen.

h) De vrouw heeft op 28 april 2016 een verzoek tot echtscheiding ingediend. Daarop is bij beschikking van 18 januari 2017 de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 8 februari 2017 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

i. i) Bij (tussen)beschikking van 14 juli 2017 heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek gelast om de voormalige echtelijke woning aan de [adres 1] te [woonplaats] (hierna: de woning) te taxeren. Daarbij is Biermans Makelaardij aan de [adres 2] te Echt tot deskundige benoemd (hierna: Biermans Makelaardij). Het door Biermans Makelaardij opgestelde taxatierapport is op 18 september 2017 door de rechtbank ontvangen.

j) Op 29 oktober 2019 heeft de notariële levering van de woning aan de vrouw plaatsgevonden.

4 De omvang van het geschil

4.1.

In het lichaam van de bestreden (tussen)beschikking van 2 augustus 2018 heeft de rechtbank beslissingen genomen in het kader van de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap van partijen. In het dictum van die beschikking heeft de rechtbank Biermans Makelaardij verzocht te reageren op de opmerkingen op het taxatierapport van 15 september 2017, zoals benoemd onder punt 2.3.3. van die beschikking.

Bij de bestreden beschikking van 17 juli 2019 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang:

- aan de vrouw toegedeeld:

- de woning tegen een waarde van € 395.000,--, onder de (inspannings)verplichting er voor te zorgen dat de man uit zijn hoofdelijke verplichting voor de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening wordt ontslagen en onder de verplichting wegens overbedeling een bedrag van € 174.161,35 aan de man te voldoen;

- de auto Ford , onder de verplichting wegens overbedeling een bedrag van € 1.596,25 aan de man te voldoen en daarnaast een bedrag van € 487,44 in verband met haar aandeel in de helft van de leasetermijnen, waarbij betalingen die reeds door de vrouw aan de man hebben plaatsgevonden ter zake van de leasetermijnen dan nog dienen te worden verrekend;

- aan de man toegedeeld:

- het saldo van de bankrekening [bankrekening 1] van € 107.733,-- onder de verplichting de helft hiervan aan de vrouw te voldoen;

- bepaald dat de vrouw een regresvordering heeft op de gemeenschap van € 64.356,-- wegens onder uitsluiting verkregen schenkingen;

- bepaald dat de man een regresvordering heeft op de gemeenschap van € 29.451,-- wegens onder uitsluiting verkregen schenkingen/erfenis;

- de door de vrouw aan de man te betalen gebruiksvergoeding met ingang van 11 april 2017 tot de datum van de bestreden beschikking bepaald op € 362,84 per maand;

- bepaald dat partijen gezamenlijk (eventueel tezamen met hun advocaten) een inboedellijst dienen op te stellen, en ieder om en om een goed mag kiezen, waarbij het lot zal bepalen wie begint;

- bepaald dat elke partij de eigen kosten van de procedure draagt.

4.2.

De vrouw heeft tegen die beschikking acht grieven aangevoerd. Deze gaan over:

- de lening van fl. 100.000,-- van de ouders van de vrouw (grief I);

- de schenkingen onder uitsluitingsclausule aan de zijde van de vrouw (grief II);

- de schenkingen aan de zijde van de man (grief III);

- het saldo van de spaarrekening [bankrekening 1] (grief IV);

- de gebruiksvergoeding (grieven V en VI);

- de vergeten vermogensbestanddelen:

- de motor Honda (grief VII);

- de ontslagvergoeding (grief VIII);

Het verzoek van de vrouw in het principaal hoger beroep is:

1. primair de woning aan de vrouw toe te delen tegen een waarde van € 395.000,--, onder de (inspannings)verplichting er voor te zorgen dat de man uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening wordt ontslagen en onder de verplichting aan de man een bedrag van € 151.472,35 wegens overbedeling te voldoen;

subsidiair de man te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van deze beschikking op grond van schuldbekentenis II aan de vrouw een bedrag van € 22.689,01 te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 13 juni 2017 tot en met de dag der algehele voldoening;

2. te bepalen dat de vrouw een regresvordering heeft op de gemeenschap van € 130.680,--;

3. te bepalen dat de man wegens onder uitsluiting verkregen schenkingen / erfenis geen regresvordering heeft op de gemeenschap;

4. aan de man toe te delen (het saldo van) de bankrekening [bankrekening 1] van € 124.0212,-- onder verplichting de helft hiervan aan de vrouw te voldoen;

5. de door de vrouw aan de man te betalen gebruiksvergoeding primair te bepalen op nihil, subsidiair met ingang van 11 april 2017 tot 22 maart 2018 op € 315,57 per maand meer subsidiair op € 362,84 per maand;

6. aan de man toe te delen de motor Honda CBR met kenteken [kenteken] tegen een waarde van € 2.200,--, onder de verplichting de helft hiervan (€ 1.100,--) aan de vrouw te voldoen;

7. aan de man toe te delen de ontslagvergoeding van € 35.209,38, onder de verplichting de helft hiervan (€ 17.604,69) aan de vrouw te voldoen;

8. de man te veroordelen in de proceskosten van beide instanties.

4.3.

De man heeft vijf grieven aangevoerd. Deze gaan over:

- de waarde van de woning (grief I);

- de waarde van de auto (Ford) en lease-betalingen (grief II);

- de inboedel en pintransacties van de vrouw (grief III);

- de regresvordering van de man (grief IV);

- de gebruiksvergoeding (grief V).

Het verzoek van de man in het incidenteel hoger beroep is:

te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag van € 251.661,35 dient te voldoen wegens overbedeling bij de verdeling van de woning althans een door het hof te bepalen bedrag;

te bepalen dat de vrouw voor de Ford Fiësta een bedrag van € 4.571,25, althans een door het hof te bepalen bedrag, aan de man dient te voldoen;

in verband met de door de vrouw voor de peildatum ingekochte inboedel ter waarde van € 1.573,-- primair te bepalen dat de vrouw aan de man dient te voldoen een bedrag van € 786,50, subsidiair de helft van die inboedel aan de man toe te delen;

te bepalen dat de man een regresvordering (het hof begrijpt: een vergoedingsrecht) heeft op de gemeenschap van € 68.760,30;

te bepalen dat de vrouw een gebruiksvergoeding van € 524,29 per maand aan de man dient te betalen;

de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep.

De man concludeert in principaal hoger bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, behoudens het in incidenteel hoger beroep verzochte, te bekrachtigen en de vrouw in haar verzoeken niet ontvankelijk te verklaren dan wel deze af te wijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het hoger beroep.

4.4.

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

Deze zaak gaat over de financiële afwikkeling van het huwelijk van partijen.

Het hof zal eerst de grieven bespreken die gaan over – samengevat – de waarde van de woning en de lening van de ouders van de vrouw aan haar. De uitkomsten daarvan zijn bepalend voor de hoogte van het bedrag dat de vrouw wegens overbedeling voor de woning aan de man moet betalen en de hoogte van de gebruiksvergoeding.

De waarde van de woning (grief I van de man)

5.2.1.

De rechtbank heeft in de beschikking van 17 juli 2019 met betrekking tot de waarde van de woning het volgende overwogen (rov. 2.4.4.):

“De rechtbank is van oordeel dat van de door de makelaar getaxeerde waarde uitgegaan kan worden. Bij beschikking van 14 juli 2017 heeft de rechtbank makelaar Biermans als deskundige benoemd en op 18 september 2017 is het door hem opgestelde taxatierapport ingekomen, met daarin opgenomen de toen vastgestelde waarde. De rechtbank heeft vervolgens aanleiding gezien om de makelaar te laten reageren op de opmerkingen van de man ten aanzien van dat rapport. De opmerkingen van de man zagen toen op een ‘onjuiste’ manier van taxeren; het had niets te maken met het betreffende tijdvak, september 2017.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de makelaar de gerezen vragen afdoende beantwoord en er wordt dan ook geen aanleiding gezien om een hogere waarde aan de woning toe te kennen. Dat dit inmiddels door tijdverloop anders zou kunnen zijn, doet daar niet aan af. Destijds is afgesproken dat de woning zou worden getaxeerd, hetgeen is gebeurd in september 2017. De man kan nu niet stellen dat de waarde niet meer actueel is. Dit zou namelijk ook inhouden dat, gelet op het tijdsverloop van de procedure, nagenoeg nooit een ‘actuele’ waarde bekend zou zijn.

Met de vrouw acht de rechtbank het bovendien zeer aannemelijk dat, indien de huizenmarkt zou zijn ‘ingestort’ en thans de woning minder waard zou zijn, de man ook geen nieuwe taxatie had willen laten uitvoeren.

Tenslotte neemt de rechtbank in overweging dat het niet onaannemelijk is dat de waarde van woning ook hoger kan zijn, of in ieder geval hetzelfde en niet lager, door het onderhoud aan de woning dat de vrouw voor haar rekening genomen heeft. Onbetwist is dat de vrouw nog kosten heeft gemaakt en de man hier niet aan bijgedragen heeft. Ook de eigenaarslasten en overige aan de woning verbonden kosten zijn sinds 2017 door de vrouw voldaan, zodat partijen zich ook hebben gedragen alsof de vrouw de woning toebedeeld zou krijgen. In de eerdere beschikking is het uitgangspunt ook dat de vrouw de mogelijkheid krijgt de woning over te nemen. Weliswaar zou de man niets weten van uitgevoerd onderhoud of kosten, maar dit neemt niet weg dat de vrouw de kosten voor haar rekening heeft genomen. Uitgangspunt voor een gebruikersvergoeding is ook dat de beide partijen de (onderhouds)kosten voor hun rekening nemen, terwijl dat in deze zaak feitelijk niet is gebeurd.

De rechtbank acht het dan ook redelijk om uit te gaan van de datum van de taxatie als datum voor de verdeling van de woning en de door de makelaar vastgestelde waarde als uitgangspunt te nemen, zijnde de waarde van € 395.000,-.

De rechtbank zal aldus bepalen dat de woning aan de vrouw wordt toegedeeld voor een waarde van € 395.000,-, met de (inspannings)verplichting om ervoor te zorgen dat de man uit zijn hoofdelijke verplichting jegens de hypotheekverstrekker wordt ontslagen.”

5.2.2.

Hiertegen keert zich grief I van de man. De man betoogt dat de waarde van de woning veel hoger is dan de door de rechtbank vastgestelde waarde van € 395.000,--, zowel in september 2017 als ten tijde van de levering van de woning aan de vrouw op 29 oktober 2019.

Zijn bezwaren betreffen i) de waardepeildatum en ii) de door Biermans Makelaardij uitgevoerde taxatie.

i. De waardepeildatum

5.2.2.1. De man voert – samengevat – het volgende aan.

Uitgegaan moet worden van de taxatiewaarde van de woning op 29 oktober 2019, de datum van levering van woning aan de vrouw. Immers, gedurende de periode dat de man niet meer in de woning woonde, heeft hij (anders dan de vrouw stelt) de helft van alle eigenaarslasten (hypotheek, verzekeringspremies, belastingen etc.) voldaan (prod. 10 procesdossier in eerste aanleg en prod. 15 bij verweerschrift). De man heeft hiermee het economisch risico van de eigendom van de woning gedragen.

Dat partijen zich zouden hebben gedragen alsof de vrouw de woning toegedeeld zou krijgen – hetgeen niet het geval is; de man is steeds geïnteresseerd geweest in overname van de woning – staat hier los van.

Als de taxatiewaarde van de woning ten tijde van het transport in 2019 minder was geweest, zou de vrouw ook bij de man hebben aangeklopt om het verschil bij te betalen.

5.2.2.2. De vrouw voert daartegen – samengevat – het volgende aan.

De door de rechtbank gehanteerde peildatum voor de waarde van de woning, september 2017, is juist. In juni 2017 was namelijk al duidelijk dat de man de woning niet wilde overnemen. Sindsdien heeft de man de waarde van de woning wel steeds betwist, maar nimmer nog zijn interesse voor overname van de woning laten blijken. De man heeft enkel om de waarde van de woning te verhogen de procedure op alle mogelijke manieren vertraagd (verzoeken om een tweede taxatie, vertraagd reageren op deskundigenrapport).

In de periode dat de vrouw alleen in de woning woonde, is er veel onderhoud aan de woning gepleegd (badkamer, cv, dakgoot, carport). De woning nu is dan ook niet meer te vergelijken met de woning van voor de echtscheidingsprocedure.

Over de eigenaarslasten van de woning zijn destijds afspraken gemaakt tussen partijen. De vrouw zou de premie ziektekosten voor de man blijven betalen. Ter compensatie daarvan zou de man de hypotheekrente betalen en behoefde de vrouw de door de man vooruitbetaalde opstal/ inboedelverzekering en autoverzekering (voorlopig) niet te verrekenen. Uiteindelijk is er een verrekenstaat van de betreffende posten gemaakt, waarin die kosten op de juiste manier tussen partijen werden verrekend.

5.2.2.3. Het hof oordeelt als volgt.

Omdat partijen van mening verschilden over de waarde van de woning, heeft de rechtbank een taxatie van de woning laten uitvoeren door Biermans Makelaardij. Biermans Makelaardij heeft in september 2017 de woning gewaardeerd op € 395.000,--. De rechtbank heeft vervolgens in de bestreden beschikking van 17 juli 2019 de woning verdeeld.

Het hof acht geen gronden aanwezig, zoals door de man bepleit, de uitkomst van de taxatie te corrigeren voor de sinds september 2017 tot 17 juni 2019 ingetreden waardeverandering van de woning. Het is inherent aan een verdelingsprocedure dat een taxatie aan de beslissing tot verdeling vooraf gaat. Dat die beslissing in de onderhavige zaak mede als gevolg van de bezwaren van de man tegen het taxatierapport (die de rechtbank uiteindelijk heeft verworpen) eerst geruime tijd later, bij beschikking van 17 juni 2019, is genomen, brengt niet mee dat dan de waarde van de woning dient te worden aangepast. Een eventuele waardestijging of -daling sinds het moment van waardering komt, derhalve, toe aan of is voor rekening van, in deze zaak, de vrouw. In zoverre faalt de grief van de man.

De taxatie van Biermans Makelaardij

5.2.3.1. De man voert – samengevat – het volgende aan.

De man stelt dat de taxatie van Biermans Makelaardij buiten beschouwing moet worden gelaten. Biermans Makelaardij is als huismakelaar van de vrouw en haar familie geen onafhankelijke deskundige. De taxatie is ook niet gevalideerd. De heer [makelaar] van makelaarskantoor [makelaarskantoor] heeft in januari 2019 te kennen gegeven dat:

- de waarde van de woning in januari 2019 tussen € 525.000,-- en € 550.000,-- bedraagt;

- de waarde van de woning in september 2017 door hem significant hoger getaxeerd zou worden dan de door Biermans Makelaardij getaxeerde waarde van € 395.000,-- (prod. 14 en 29 procesdossier in eerste aanleg).

De heer [makelaar] plaatst ook kritische kanttekeningen bij de door Biermans Makelaardij gebruikte referentiepanden.

De man verzoekt te worden toegelaten tot het leveren van (aanvullend) bewijs van de onjuiste taxatie van Biermans Makelaardij.

5.2.3.2. De vrouw voert daartegen – samengevat – het volgende aan.

Biermans makelaardij heeft geheel conform de “Leidraad deskundigen in civiele zaken” zijn deskundigheidsoordeel gegeven. Van partijdigheid is geen sprake. Na de verkoopbemiddeling in 2004 bij de boerderij van de grootmoeder heeft de vrouw noch haar familie nog contact gehad met deze makelaar. In 2004 werd het Biermans makelaardij bovendien gerund door andere personen dan nu.

De heer [makelaar] is nog nooit in de woning van de vrouw geweest. Een taxatierapport mag niet worden afgegeven zonder dat de woning van binnen en van buiten is gezien. [makelaarskantoor] heeft ook in een brief aan de man geschreven dat de brief van de heer [makelaar] niet als taxatierapport kan en mag worden gebruikt.

5.2.3.3. Het hof overweegt dat de man zijn stelling dat Biermans Makelaardij geen onafhankelijke deskundige is op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Door hem is niet weersproken dat Biermans Makelaardij de “Leidraad deskundige in civiele zaken” in acht heeft genomen.

Het hof ziet ook overigens geen aanleiding om de deskundigheid van Biermans Makelaardij en zijn taxatie in twijfel te trekken. De verklaringen van de door de man op eigen initiatief aangezochte heer [makelaar] zijn van onvoldoende gewicht daartoe, nu, zo heeft de man ter zitting van het hof ook erkend, deze niet zijn gebaseerd op een taxatie.

Omdat de man zijn stellingen onvoldoende concreet heeft onderbouwd, komt het hof niet toe aan het bewijsaanbod van de man.

5.2.3.4. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de grief van de man faalt. Dit betekent dat het hof voor de waarde van de woning uit zal gaan van een bedrag van € 395.000,--.

De lening (grief I van de vrouw)

5.3.1.

De vrouw stelt dat bij de bepaling van de overbedelingsvordering voor de woning rekening moet worden gehouden met de lening van haar ouders aan haar van fl. 100.000,--, omdat deze lening volledig is gebruikt voor de aanschaf van de grond voor de bouw van de woning.

In de eerste plaats heeft de vrouw daaraan ten grondslag gelegd de schuldbekentenis aan haar ouders van fl. 100.000,--. Door het huwelijk van partijen is deze schuld in de huwelijksgemeenschap gevallen en daarmee een gemeenschappelijke schuld geworden.

In de tweede plaats heeft de vrouw daaraan ten grondslag gelegd de schuldbekentenis van de man aan haar van fl. 50.000,--.

5.3.2.

De man beroept zich op verjaring van de rechtsvordering van de ouders van de vrouw tot terugbetaling en verjaring van de rechtsvordering van de vrouw jegens hem op grond van schuldbekentenis II.

5.3.3.

De rechtbank heeft het volgende overwogen (beschikking van 2 augustus 2018, rov. 2.3.5.):

“(…) de rechtbank [stelt] vast dat reeds meer dan 20 jaar zijn verstreken sinds de lening voor het eerst had kunnen worden opgeëist. De lening aan de ouders en de schuldbekentenis van de man aan de vrouw is [sic] daarmee verjaard en niet langer opeisbaar. Hiermee wordt dan ook geen rekening gehouden bij de bepaling van (…) het overbedelingsbedrag.”

5.3.4.

Grief 1 van de vrouw keert zich tegen het oordeel van de rechtbank over de verjaring. De vrouw betoogt dat de vorderingen tot nakoming van de terugbetalingsverplichting niet zijn verjaard. Zij voert hiertoe het volgende aan.

5.3.4.1. In schuldbekentenis I is geen tijd voor nakoming bepaald. Daarom kan niet worden vastgesteld dat de verjaringstermijn is aangevangen en evenmin dat die termijn is verstreken. In punt drie van de schuldbekentenis is expliciet bepaald in welke gevallen de lening “direct” en zonder voorafgaande opzegging opeisbaar is. Daaruit volgt dat in alle andere gevallen de lening pas na opzegging van de overeenkomst opeisbaar is. De ouders van de vrouw hebben de overeenkomst nimmer opgezegd, zodat de lening ook nooit opeisbaar was. Juist bij overeenkomsten tussen familieleden, waarbij voor onbepaalde tijd renteloos geld ter leen wordt verstrekt, zal gezien de eisen van redelijkheid en billijkheid niet terstond nakoming (terugbetaling) worden gevorderd (vgl. A-G voor HR 12 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3369). De ouders van de vrouw hebben steeds te kennen gegeven dat op enig moment zou moeten worden terugbetaald, maar niet wanneer.

De verjaring is jaarlijks gestuit doordat de man elk jaar in het gesprek bij de belastingadviseur heeft aangegeven dat de lening moest blijven bestaan en de ouders van de vrouw jaarlijks aan partijen hebben medegedeeld het geld op enig moment terug te willen krijgen.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar beroep op de verlengingsgrond van art. 3:321 lid 1 onder a BW ingetrokken, zodat dit beroep geen verdere bespreking behoeft.

5.3.4.2. In schuldbekentenis II is bepaald dat deze terstond en zonder enige waarschuwing opeisbaar is. Voor opeisbaarheid is derhalve geen voorafgaande opzegging vereist. Omdat er geen termijn voor nakoming is bepaald, gaat het om een lening voor onbepaalde tijd. De vrouw is pas bij het instellen van haar vordering op 13 juni 2017 tot opeising overgegaan, zodat de verjaringstermijn pas op die datum is aangevangen te lopen.

De termijn van twintig jaar gaat hier niet op, omdat tijdens het huwelijk de verlengingsgrond van art. 3:321 lid 1 onder a BW van toepassing is.

5.3.5.

De man voert daartegen het volgende aan. Zowel de schuld van de vrouw aan haar ouders als zijn schuld aan de vrouw zijn verjaard en niet langer opeisbaar. Volgens schuldbekentenis I is de hoofdsom of het eventuele restant daarvan en al het verder verschuldigde ‘te allen tijde terstond en zonder enige waarschuwing opeisbaar’. Dit betekent dat de hoofdsom (of het eventuele restant daarvan en al het verder verschuldigde), zonder nadere invulling van enige voorwaarde of het intreden van een rechtsgevolg, opeisbaar is geworden en de man, als schuldenaar, gehouden was tot terugbetaling op het moment van ondertekening van de schuldbekentenis in 1992. De vordering tot terugbetaling van de geldlening of het eventuele restant daarvan en al het verder verschuldigde is dus krachtens art. 3:307 lid 1 jo. art. 3:313 BW verjaard in 1997.

Van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd in de zin van art. 3:307 lid 2 BW is geen sprake.

Subsidiair is de vordering van de ouders van de vrouw reeds door verloop van twintig jaar verjaard en niet langer opeisbaar.

Van een jaarlijks gesprek bij en/of met de belastingadviseur is geen sprake geweest (prod. 2). Tijdens het huwelijk heeft hij de jaarlijkse belastingaangifte zelf schriftelijk (per post) ingediend. Op die IB-aangiftes heeft hij nimmer van de lening melding gemaakt.

5.3.6.

Het hof zal eerst schuldbekentenis I bespreken.

5.3.6.1. De vrouw verzoekt bij de vaststelling van de overbedelingsvordering voor de woning rekening te houden met de lening van haar ouders. Het hof begrijpt dit verzoek (gelet op het bepaalde in art. 25 Rv) als een beroep op art. 3:178 lid 2 BW. Dit artikellid bepaalt dat op verlangen van een deelgenoot de rechter voor wie een vordering tot verdeling aanhangig is, kan bepalen dat alle of sommige opeisbare schulden die voor rekening van de gemeenschap komen, moeten worden voldaan alvorens tot de verdeling wordt overgegaan.

Het hof zal dit verzoek van de vrouw afwijzen en overweegt hiertoe als volgt.

5.3.6.2. De man heeft de door de vrouw gestelde lening van haar ouders op zichzelf genomen niet betwist, maar heeft als zelfstandig verweer aangevoerd dat de vordering van de ouders van de vrouw tot terugbetaling van die lening is verjaard op grond van art. 3:307 lid 1 jo. art. 3:313 BW en derhalve niet meer opeisbaar is. De stelplicht en bewijslast van die stelling liggen bij de man.

5.3.6.3. Een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of doen verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden (art. 3:307 lid 1 BW). Dat is anders indien sprake is van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd. In dat geval vangt de verjaringstermijn pas aan vanaf de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de schuldeiser heeft medegedeeld tot opeising over te gaan (art. 3:307 lid 2 BW). Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat bij deze bijzondere bepaling met name ook is gedacht aan tussen familieleden aangegane renteloze geldleningen voor onbepaalde tijd die – aldus de memorie van toelichting bij de Invoeringswet – vaak een slapend bestaan leiden en die pas na enige tijd aanleiding geven tot conflicten die het voor de schuldenaar aantrekkelijk maken om zich op verjaring te beroepen (MvT, Parl. Gesch. InvW Boek 3, p. 1410-1411, zie ook conclusie A-G voor HR 12 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3369).De in lid 1 bedoelde rechtsvordering verjaart in elk geval door verloop van twintig jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de opeising, zo nodig na opzegging door de schuldeiser, op zijn vroegst mogelijk was (art. 3:307 lid 2 BW).

5.3.6.4. Volgens de man is krachtens het bepaalde in schuldbekentenis I de vordering van de ouders van de vrouw zonder nadere invulling van enige voorwaarde opeisbaar geworden op het moment van ondertekening van de schuldbekentenis in 1992. Gelet daarop is de vordering tot nakoming op grond van art. 3:307 BW na vijf jaar, subsidiair 20 jaar, verjaard. Het hof stelt vast dat deze opvatting van de man steun vindt in punt 1 van schuldbekentenis I, waarin voorop wordt gesteld dat: “De geleende som (…) direct opeisbaar is”. Enige voorwaarde is daaraan niet verbonden. De vrouw heeft daartegen een beroep gedaan op punt 3 van schuldbekentenis I waaruit zij afleidt dat, behoudens de daar genoemde gevallen, de lening pas “na voorafgaande opzegging” dadelijk opeisbaar is. De vrouw laat hierbij na voldoende duidelijk te maken wat hier met “voorafgaande opzegging” is bedoeld. Zij laat daarbij voorts onverklaard waarom punt 3, dat gaat over specifiek omschreven gevallen, punt 1 (waarin niet gerept wordt over “opzegging”) opzij zou zetten (en dus geen sprake zou zijn van een direct opeisbare schuld). Hiermee heeft de vrouw onvoldoende verweer gevoerd tegen het betoog van de man dat de vordering is verjaard. Het beroep van de vrouw op art. 3:178 lid 2 BW slaagt daarom niet.

Enige andere grond om de schuld aan de ouders in mindering te brengen op de overbedelingsvordering heeft de vrouw niet gesteld en daarvan is het hof ook niet gebleken. De enkele omstandigheid dat de geldlening is aangewend voor aanschaf van de grond is daartoe onvoldoende. De overeenkomst van geldlening verplicht hier evenmin toe.

Het beroep van de vrouw op stuiting van de verjaring behoeft, gezien het voorgaande, geen bespreking.

Grief I van de vrouw faalt in zoverre.

5.3.7.

Het hof zal nu het beroep van de vrouw op schuldbekentenis II bespreken.

Vanaf het ogenblik van de voltrekking van het huwelijk (op 26 september 1997) is tussen partijen de wettelijke gemeenschap van goederen ontstaan (art. 1:94 lid 1 BW [oud]). Dit betekent dat schuldbekentenis II, die zowel de vordering van de vrouw op de man als de daar tegenover staande schuld van de man aan de vrouw behelst, van rechtswege tot de huwelijksgemeenschap behoort. Dit betekent ook dat zowel de vordering van de vrouw (waartoe de man dus voor de helft gerechtigd is) op de man als de schuld van de man aan de vrouw (waarvoor de vrouw dus voor de helft draagplichtig) in de verdeling moeten worden betrokken, maar er gelet op de aard van de vordering in relatie tot de schuld geen vordering meer resteert. Dat partijen de bedoeling hadden dat de schuld van de man aan de vrouw zou worden terugbetaald, kan geen afbreuk doen aan het bepaalde in art. 1:94 lid 1 (oud) BW. Aan een beoordeling van de verjaring van de vordering tot nakoming komt het hof derhalve niet toe.

Dit betekent dat grief I van de vrouw faalt.

Het hof zal nu de gebruiksvergoeding bespreken.

De gebruiksvergoeding (grieven V en VI van de vrouw en grief V van de man)

5.4.1.

De rechtbank heeft in de beschikking van 2 augustus 2018 over de gebruiksvergoeding het volgende overwogen (rov. 2.3.6. en 2.3.7.):

“De rechtbank stelt (…) vast dat de man verzocht heeft de gebruiksvergoeding met ingang van 8 februari 2017 te bepalen, terwijl hij het verzoek heeft ingediend op 11 april 2017. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw niet eerder rekening heeft kunnen houden met de gebruiksvergoeding dan vanaf die datum. Om die reden zal de eventuele ingangsdatum niet eerder dan 11 april 2017 kunnen zijn.

(…)

Vast staat dat de vrouw sedert de feitelijke scheiding in de gemeenschappelijke woning is verbleven en dat de man niet over het genot van de woning beschikte. Onder toepassing van artikel 3:169 BW zal de rechtbank daarom een gebruiksvergoeding aan de vrouw opleggen.

(…)

De door de vrouw genoemde omstandigheden zijn onvoldoende om in het geheel geen gebruiksvergoeding toe te kennen. Het gegeven dat de vrouw met de kinderen in de echtelijke woning verblijft, leidt niet tot een ander oordeel. Ook is de rechtbank niet gebleken van enkel onnodige en onzinnige bezwaren tegen het taxatierapport betreffende de echtelijke woning. De rechtbank ziet immers aanleiding de taxateur hierover nader te bevragen.”

En in de beschikking van 17 juli 2019 (rov. 2.4.4.):

“De rechtbank zal aldus bepalen dat de woning aan de vrouw wordt toegedeeld voor een waarde van € 395.000,- (…) De gebruikersvergoeding komt hiermee op (…) € 362,84 per maand met ingang van 11 april 2017. De rechtbank zal de vergoeding bepalen tot heden, nu thans duidelijkheid is ontstaan dat de vrouw de woning krijgt toebedeeld en teneinde te voorkomen dat zij nog gedurende een lange tijd een bedrag aan de man moet betalen omdat laatstgenoemde eventueel niet zou willen meewerken aan levering van de woning aan de vrouw, dan wel in hoger beroep gaat.”

Hiertegen keren zich de grieven V en VI van de vrouw en grief V van de man.

5.4.2.

De vrouw voert met grief V het volgende aan.

De man heeft al op 22 maart 2018, door het uitbrengen van een bod op zijn ouderlijke woning, duidelijk gemaakt dat hij de woning niet wilde overnemen (prod. 53). Als het al redelijk zou zijn een gebruiksvergoeding vast te stellen, dan zou dat slechts voor de periode tot maart 2018 moeten gelden.

De man heeft twee jaar in zijn ouderlijk huis gewoond, zonder zich op dat adres bij de gemeente in te schrijven. Hij heeft op kosten van zijn moeder een nieuwe ketel laten plaatsen en nooit verzekeringen, water, gas en elektriciteit betaald. Op de huur van € 600,-- na, heeft de man dus geen woonlasten.

De vrouw daarentegen heeft vele kosten moeten dragen. Zij heeft alle kosten van de woning gedragen (waaronder kosten wegens achterstallig onderhoud) en had het merendeel van de kosten voor de kinderen.

5.4.3.

De man voert daartegen het volgende aan.

De keuze voor overname van de woning heeft hij altijd opengehouden, want de woning is van betekenis voor hem (hij heeft de woning gedurende drie jaar in eigen beheer gebouwd). Het bod op zijn ouderlijke woning (op het moment dat zijn broers die woning in de verkoop wenste te doen) heeft de man daarom ook onder voorbehoud uitgebracht.

Tot en met de levering van de woning aan de vrouw (in oktober 2019) heeft hij voor 50% meebetaald aan de eigenaarslasten daarvan. Dat de vrouw tot 17 juli 2019 een gebruiksvergoeding dient te betalen, is dan ook terecht.

5.4.4.

Het hof overweegt als volgt.

Een gebruiksvergoeding kan zowel op grond van art. 1:165 BW als op grond van art. 3:169 BW worden verzocht. Beide bepalingen hebben (mede) ten doel de deelgenoot die verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding. De man heeft zijn vordering gebaseerd op art. 3:169 BW. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad over art. 3:169 BW volgt dat een deelgenoot, die een goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt, verplicht is de andere deelgenoot die aldus verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen (onder meer de Hoge Raad van 22 november 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA9143) en 23 november 2007 (ECLI:NL:HR:2007:BB6176). Daarbij geldt dat de redelijkheid en billijkheid de rechtsbetrekkingen tussen deelgenoten, tevens ex-echtgenoten, beheersen.

Dit betekent dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de vrouw gehouden is om – met ingang van de datum waarop zij de echtelijke woning met uitsluiting van de man heeft gebruikt tot aan de datum van toedeling van de woning aan haar (17 juni 2019, vgl.

Hoge Raad van 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6176) – aan de man een schadeloosstelling, in de vorm van een gebruiksvergoeding te betalen. Niet gebleken is van omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat, op grond van de redelijkheid en billijkheid die de rechtsbetrekking tussen partijen beheerst, vaststelling van een gebruiksvergoeding achterwege dient te blijven. Dat de man reeds in maart 2018 te kennen zou hebben gegeven dat hij de woning niet wilde overnemen (de man heeft dit weersproken en kan aldus niet worden vastgesteld) en/of na zijn vertrek uit de woning bijna geen woonkosten zou hebben gehad, acht het hof niet een dergelijke omstandigheid. Aan de stelling van de vrouw dat zij alle kosten van de woning heeft overgenomen en het merendeel van de kosten van de kinderen heeft gedragen, gaat het hof, zo dit al juist zou zijn (de man heeft die stelling ten aanzien van de kosten van de woning weersproken), voorbij, omdat gesteld noch gebleken is dat betaling van die lasten als schadeloosstelling van de man moet worden aangemerkt.

Grief V van de vrouw faalt.

5.4.5.

Grief VI van de vrouw en grief V van de man betreffen de hoogte van de gebruiksvergoeding en hebben naast de hiervoor verworpen grieven geen zelfstandige betekenis, zodat deze eveneens falen.

5.5.

Het hof zal nu de overige grieven bespreken.

De schenkingen en erfenis (grieven II en III van de vrouw, grief IV van de man)

5.6.1.

In de beschikking van 2 augustus 2018 heeft de rechtbank ten aanzien van de schenkingen het volgende overwogen (rov. 2.3.10.):

“De bankrekeningen en gestelde schenkingen en erfenis

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van de bankrekeningen over en weer is gesproken over schenkingen en een erfenis. De rechtbank zal in beginsel de saldi van de bankrekeningen bij helfte verdelen. Met betrekking tot de schenkingen/erfenis kan echter een vordering voor een partij ontstaan. Beide partijen stellen schenkingen onder uitsluiting te hebben ontvangen.

De vrouw verwijst voor wat betreft haar ontvangen schenkingen naar haar bankrekening met nummer [bankrekening 2] , en stelt dat steeds is vermeld ‘onder uitsluiting artikel 1:94 BW’.

Volgens de man heeft de vrouw dat evenwel onvoldoende aangetoond.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw gedeeltelijk heeft aangetoond dat zij schenkingen onder uitsluiting als bedoeld in artikel 1:94 BW heeft verkregen.

Door bestudering van de door de vrouw overgelegde productie kan de rechtbank achterhalen dat de vrouw een totaal aan schenkingen onder uitsluiting heeft verkregen van € 64.356,=.

De rechtbank heeft alleen rekening gehouden met de schenkingen waarbij specifiek genoemd staat ‘onder uitsluiting 1:94 BW’ en voor zover het niet schenkingen aan de kinderen van partijen betreft. Immers staat enkel ten aanzien van die schenkingen vast dat is bedoeld onder uitsluiting te schenken. De overige schenkingen zijn in de gemeenschap gevallen.

De man heeft verwezen naar de ervenrekening (later de rekening van zijn moeder) en naar betaalrekening [bankrekening 3] .

De rechtbank kan herleiden dat er op 1 oktober 2014 een bedrag van € 5.229,= is overgeboekt vanaf de rekening van de moeder van de man, onder het kopje ‘schenking mam’. De rechtbank acht voldoende aannemelijk gemaakt dat dit een schenking vanuit de erfenis van zijn vader is en het bedrag derhalve onder uitsluiting verkregen is.

Ten aanzien van de andere twee overboekingen op 16 mei 2013 (€ 19.081,=) en op 23 juni 2013 (€ 5.141,=) acht de rechtbank dat ook aannemelijk. Het betreft immers de ervenrekening van de vader van de man, die later op naam van de moeder van de man is gezet.

De rechtbank houdt geen rekening met de verkregen bedragen in 2012 onder de noemer ‘kerstdonatie’ en in 2015 onder de noemer ‘sinterklaas’. De man heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze bedragen voortkomen uit de erfenis van zijn vader of schenkingen betreffen onder uitsluiting van de vrouw.

Ten aanzien van de cashopnames van de ervenrekening overweegt de rechtbank dat hiervan niet vast is komen te staan dat ze onder uitsluiting zijn verkregen, omdat niet bekend is onder welke noemer deze schenkingen zijn gedaan. De handgeschreven aantekeningen zijn onvoldoende om dit aannemelijk te achten.

De man heeft daarmee een regresvordering op de gemeenschap van € 29.451,=.

De vrouw heeft een regresvordering op de gemeenschap van € 64.356,=.

Met deze bedragen dient bij de verdeling van de banksaldi rekening te worden gehouden.”

Hiertegen keren zich de grieven II en III van de vrouw en grief IV van de man.

De schenkingen aan de zijde van de vrouw (grief II van de vrouw)

5.6.2.

De vrouw voert het volgende aan.

De door de rechtbank vastgestelde vordering is te laag. Blijkens het overzicht van de belastingadviseur van partijen (de heer [belastingadviseur] ) heeft zij een bedrag van € 130.680,-- krachtens schenking onder uitsluiting verkregen (bijlage 2 bij het herzieningsverzoek). Blijkens de rapportage van [accountants] Accountants BV gaat het om een bedrag van € 122.680,-- (prod. 3 bij hoger beroepschrift). Het verschil van € 8.000,-- wordt gevormd door de schenkingen van de ouders van de vrouw aan de twee kinderen van partijen. De belastingadviseur heeft dit bedrag in de optelsom meegenomen, [accountants] Accountants BV heeft dit niet gedaan. Omdat het bedrag echter nimmer aan de kinderen is uitbetaald, dient ook te worden betrokken in de door de vrouw ontvangen schenkingen met uitsluiting.

5.6.3.

De man heeft daartegen aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat de vrouw naast het door de rechtbank toegewezen bedrag aanvullend nog een vordering heeft van

€ 66.324,-- omdat hij geen (betrouwbare) waarde kan hechten aan de verklaring van de belastingadviseur daaromtrent en ook aan de verklaring van [accountants] Accountants BV niet veel waarde kan worden gehecht.

5.6.4.

Het hof stelt met betrekking tot de schenkingen aan de (inmiddels meerderjarige) kinderen van partijen het volgende voorop.

Krachtens art. 1:253i BW heeft elke ouder die het gezag over zijn kind uitoefent, slechts het vruchtgenot over het vermogen van zijn kind. De schenkingen van de ouders van de vrouw aan de (inmiddels meerderjarige) kinderen van partijen behoren tot het vermogen van de minderjarigen zelf. In hetgeen partijen hebben gesteld of in hetgeen uit de gedingstukken is gebleken, ziet het hof geen aanleiding tot afwijking van dit uitgangspunt. Het hof zal de schenkingen (van € 8.000,--) aan de kinderen daarom niet in de verdeling van het vermogen van partijen betrekken.

5.6.5.

De vraag die het hof vervolgens zal beantwoorden is of de vrouw (naast het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 64.356,--) een vergoedingsrecht (geen regresvordering) heeft op de gemeenschap van (122.680 -/- 64.356 =) € 58.324,--, omdat dit door haar onder uitsluitingsclausule verkregen schenkingen betreft (en daardoor buiten het tussen partijen te verdelen vermogen valt). Het hof is van oordeel dat deze vraag bevestigend beantwoord dient te worden en overweegt daartoe als volgt.

5.6.6.

De door de voltrekking van het huwelijk (op 26 september 1997) ontstane wettelijke gemeenschap van goederen omvat alle goederen van partijen, met uitzondering van “goederen ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking van de erflater of bij de gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen” (art. 1:94 lid 2 aanhef, en sub a BW [oud]).

Op de vrouw rust de stelplicht ter zake van de door haar onder uitsluiting verkregen schenkingen en, bij voldoende gemotiveerde betwisting daarvan door de man, de bewijslast.

De vrouw heeft ter onderbouwing van haar stelling een overzicht van de heer [belastingadviseur] en een rapportage van [accountants] Accountants BV in het geding gebracht. Aan het overzicht van [accountants] Accountants BV zijn de rekeningafschriften gevoegd waaruit de desbetreffende schenkingen die onder uitsluiting (voorzien van de expliciete vermelding “ex art. 1:94 BW”) zijn gedaan, kunnen worden afgeleid.

De man heeft (de conclusies van) het overzicht en de rapportage in onvoldoende mate betwist. Ten aanzien van het overzicht van de heer [belastingadviseur] heeft de man slechts aangevoerd dat hij “geen (betrouwbare) waarde [kan] hechten aan diens verklaring omtrent vermeende schenkingen onder uitsluiting”. Een nadere onderbouwing ontbreekt, hetgeen opmerkelijk is omdat de man zelf de heer [belastingadviseur] heeft aangedragen als een door het hof te horen getuige (randnr. 121 mva teven mvg in incidenteel hoger beroep). Ten aanzien van de rapportage van [accountants] Accountants BV heeft de man aangevoerd dat daaraan “niet veel waarde” kan worden gehecht. Waarom weinig waarde kan worden gehecht aan genoemde stukken heeft de man nagelaten duidelijk te maken. Voor zover de man heeft verwezen naar “hetgeen onderbouwd onder de bespreking van grief I ten aanzien van de heer [belastingadviseur] is ingebracht” en “hetgeen hij in eerste aanleg ten aanzien van deze vordering heeft gesteld” is het hof niet duidelijk geworden op welke stellingen de man doelt. Het had op de weg van de man gelegen (de conclusies van) het overzicht van de heer [belastingadviseur] en de rapportage van [accountants] Accountants BV concreet te betwisten en/of concreet naar zijn eerder ingenomen stellingen te verwijzen, maar dit heeft hij nagelaten. Dit betekent dat de grief van de vrouw slaagt. Het hof zal bepalen dat de vrouw vanwege onder uitsluiting verkregen schenkingen een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap van in totaal € 122.680,--.

De schenkingen aan de zijde van de man (grief III van de vrouw en grief IV van de man)

5.6.7.

De vrouw voert aan dat uit niets is gebleken dat de man de door de rechtbank in aanmerking genomen bedragen onder uitsluitingsclausule uit de erfenis van zijn vader heeft verkregen. Immers, de moeder van de man heeft de bedragen aan de man geschonken zonder daaraan uitdrukkelijk een uitsluiting als bedoeld in art. 1:94 BW te verbinden.

5.6.8.

De man stelt dat de rechtbank zijn vergoedingsrecht te laag heeft vastgesteld. Naast de door de rechtbank vastgestelde vordering van € 29.451,-- heeft hij een aanvullende vordering op de gemeenschap van in totaal € 49.679,30 in verband met:

de door hem verkregen bedragen onder de noemer ‘kerstdonatie’ en ‘sinterklaas’;

de cashopnames van de ervenrekening (prod. 19);

schenkingen (in de jaren 1998 tot en met 2006) van in totaal € 31.879,30 vanuit de ASR Beleggingspolis met nummer [nummer] .

Genoemde bedragen komen voort uit de erfenis van zijn vader of zijn schenkingen onder uitsluiting van de vrouw.

De bankrekening op naam van de moeder van de man (eindigend op [bankrekening 4] ) was voorheen de ervenrekening van de vader van de man. De vader van de man had in zijn testament een uitsluitingsclausule opgenomen. Iedere uitkering die van de ervenrekening is gedaan, is daarom gedaan onder uitsluiting.

5.6.9.

De vrouw voert daartegen aan dat het haar bekend is dat de kerst- en sinterklaasdonaties nooit schenkingen onder uitsluiting zijn geweest. Zij verwijst naar prod. 23 bij het verweerschrift in incidenteel hoger beroep (verklaring van de broers van de man).

5.6.10.

Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat de man een vergoedingsrecht heeft van € 29.451,--.

Uit de van de zijde van de man overgelegde stukken (testament van de vader, verklaring van de moeder, bankafschriften) in onderling verband bezien, is ook naar het oordeel van het hof genoegzaam af te leiden dat de man bedragen van respectievelijk € 5.229,--, € 19.081,-- en € 5.141,-- heeft ontvangen. Dit wordt ook bevestigd door de van de zijde van de vrouw overgelegde verklaring van de broers van de man (prod. 23). Het gaat daarbij om uitkeringen ten laste van het erfdeel van de man bij wege van voorschot. Het verweer van de vrouw dat de moeder van de man dergelijk uitkeringen niet kan doen omdat er sprake is van een langstlevende testament en de moeder van de man nog leeft, treft geen doel nu die stelling uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. Grief III van de vrouw faalt.

Ten aanzien van de aanvullend door de man gestelde bedragen heeft de man, tegenover de betwisting van de vrouw, onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat hij deze bedragen onder uitsluiting uit schenkingen / de erfenis van zijn vader heeft gekregen. Ter onderbouwing van zijn stelling verwijst de man naar afschriften van de bankrekening op naam van zijn moeder (de voormalige ervenrekening), waarop afschrijvingen staan onder de noemer “Sinterklaas” en “Kerstdonatie” en opnames uit de geldautomaat. Daaruit kan het hof evenwel niet afleiden dat de moeder van de man deze transacties in het kader van de verdeling van de nalatenschap van de vader heeft verricht. Het enkele feit dat de bedragen afkomstig zijn van de bankrekening die voorheen de ervenrekening was, brengt, anders dan de man betoogt, niet mee dat deze bedragen ook uit de nalatenschap van de vader (en dus met uitsluiting) zijn verkregen. Ook ten aanzien van de stortingen uit de ASR Beleggingspolis [nummer] kan het hof niet vaststellen dat deze zijn aan te merken als schenkingen onder uitsluiting van de vader van de man. Ieder aanknopingspunt voor de juistheid van die stelling ontbreekt. Bewijs van zijn stellingen heeft de man evenwel niet aangeboden. Dit betekent dat grief IV van de man faalt.

De spaarrekening [bankrekening 1] (grief IV van de vrouw)

5.7.1.

In de beschikking van 2 augustus 2018 heeft de rechtbank ten aanzien van spaarrekening [bankrekening 1] het volgende overwogen (rov. 2.3.10.):

“- Spaarrekening Rabobank met nummer [bankrekening 1] ten name van de man met saldo van ongeveer € 107.733,=.

Ter zitting is besproken dat er een storting naar een rekening met eindnummer [bankrekening 5] (een zogenoemde 90-dagen rekening is gedaan), waardoor op de peildatum het saldo € 58.423,= was. Na de peildatum is het bedrag weer teruggestort. De beide bedragen moeten echter bij elkaar op worden geteld.

Volgens de man zijn op deze rekening onder uitsluiting verkregen (erfenis) gelden gestort, welke geheel toekomen aan de man. Daarop is hierboven reeds ingegaan. Het saldo dient dan ook tussen beide partijen te worden verdeeld.”

In het dictum van de beschikking van 17 juli 2019 is opgenomen:

“Aan de man wordt toegedeeld:

(…)

- bankrekening [bankrekening 1] met een saldo van € 107.733,- onder de verplichting de helft hiervan aan de vrouw te voldoen.”

Hiertegen keert zich grief IV van de vrouw.

5.7.2.

De vrouw heeft in haar beroepschrift gesteld dat de man de geldstromen van deze rekening in de periode van 1 januari 2014 tot en met de peildatum inzichtelijk moet maken.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft zij aangevoerd dat de man dit met de in hoger beroep overgelegde producties (6 en 7 bij het verweerschrift) heeft gedaan en dat daaruit blijkt dat de man een behoorlijk aantal bedragen naar andere bankrekeningen heeft overgeboekt. De vrouw heeft het vermoeden dat er gelden naar rekeningen buiten de gemeenschap zijn gevloeid.

5.7.3.

De man heeft het volgende aangevoerd.

Behoudens de stortingen naar de 90-dagenrekening zijn de op de overzichten c.q. bankafschriften zichtbare bij- en afboekingen ten gunste dan wel ten laste van de rekening courant [bankrekening 3] verricht. Deze rekening is in de verdeling betrokken. Het saldo per peildatum is verdeeld.

5.7.4.

Het hof overweegt het volgende.

De vrouw heeft het vermoeden geuit dat de man voorafgaand aan de ontbinding van de huwelijksgemeenschap een bedrag aan de gemeenschap heeft onttrokken, maar zij heeft dit vermoeden op geen enkele wijze onderbouwd, noch heeft zij duidelijk gemaakt welk rechtsgevolg zij daaraan verbindt. Dit brengt mee dat haar grief faalt.

De waarde van de auto (Ford) en lease-betalingen (grief II van de man)

5.8.1.

De rechtbank heeft over de auto het volgende overwogen (in rov. 2.5.3. van de beschikking van 17 juli 2019):

“De rechtbank is van oordeel dat er van uit gegaan dient te worden dat de auto onder voorwaarde eigendom was van partijen, in ieder geval economisch eigendom. Partijen betaalden zelf de wegenbelasting en de verzekeringen. Uiteindelijk is de auto op naam van de vrouw gesteld en heeft zij de slottermijn betaald. Dit maakt dat de rechten voortvloeiend uit de leaseovereenkomst een bepaalde waarde hebben op de peildatum. Onder andere het recht om de auto (bij het einde van het leasecontract) te kopen tegen een prijs die lager was dan de dagwaarde. Deze rechten zijn onderdeel van de gemeenschap en dat dient gewaardeerd te worden. De auto op zichzelf is derhalve geen onderdeel van de gemeenschap geweest, maar wel de leaseovereenkomst en de daaruit voortvloeiende rechten én verplichtingen.

De vrouw is sinds de indiening van het verzoek tot echtscheiding de gebruiker van de auto en heeft de bijbehorende verplichtingen gedragen. Op grond van de eigendomsverhouding, de gemeenschap, zijn beide partijen eigenaar (van het recht) en dienden de daarbij behorende verplichtingen door beide gedragen te worden.

Voor wat betreft de waarde zal de rechtbank uitgaan van de datum van feitelijke verdeling, te weten 1 oktober 2017, toen de vrouw de auto heeft ‘overgenomen’ en daarmee de rechten en verplichtingen vloeiende uit de (lease)overeenkomst zijn beëindigd.

Aldus wordt er rekening mee gehouden dat de leaseverplichting over de periode mei 2016 tot en met september 2017 bij helfte wordt gedeeld en voorts de overwaarde per 1 oktober 2017 bij helfte wordt verdeeld. De vrouw heeft de premie op een eerder moment aan de man moeten voldoen, vanwege het gebruik van de auto, maar in de eigendomsverhoudingen waren beide partijen voor de premie verantwoordelijk. De leaseverplichting betreft immers geen gebruikslast (zoals de verzekeringspremie of wegenbelasting) maar een eigenaarsplicht uit de leaseovereenkomst.

De man heeft ter zitting de waarde per 1 oktober 2017 op € 12.600,- berekend en volgens de vrouw was deze € 11.500,-. De rechtbank acht het niet opportuun wederom een taxatie te laten uitvoeren en zal voor de waarde uitgaan van het gemiddelde, derhalve € 12.050,-.

De rechtbank gaat van het volgende uit.

De man heeft 12 x € 139,27 = € 1.671,24 aan leaseverplichtingen betaald en de vrouw zou alsdan € 835,62 aan hem moeten voldoen.

De vrouw heeft 5 x € 139,27 = € 696,35 aan leaseverplichtingen betaald en de man zou dan nog € 348,18 aan de vrouw moeten voldoen.

Indien blijkt dat de vrouw, op grond van de vorige beschikking, reeds leaseverplichtingen heeft (terug)betaald aan de man, dan dient er rekening mee te worden gehouden dat elke partij voor de helft van de leaseverplichtingen verantwoordelijk was. Voor zover een partij meer dan de helft van de leaseverplichtingen heeft betaald over de genoemde 17 maanden, dient de andere partij dan ook een betaling te verrichten zodat het gelijk is verdeeld.

In beginsel dient de vrouw aan de man te voldoen (50% van € 12.050 -/- € 8.857,50) € 1.596,25. Rekening houdende met de hiervoor becijferde betaalde leasetermijnen dient de vrouw daarnaast € 835,62 -/- € 348,18) € 487,44 aan de man te voldoen. Indien reeds betalingen hebben plaatsgevonden terzake leasetermijnen dan dienen die te worden verrekend.

Nu strikt genomen de leaseovereenkomst tot de gemeenschap behoorde en niet de auto, kan de auto eigenlijk niet toegedeeld worden. Voor de duidelijkheid en teneinde misverstanden te voorkomen, zal de rechtbank de auto toedelen aan de vrouw.”

Hiertegen keert zich grief II van de man.

5.8.2.

De man voert – samengevat – het volgende aan.

Uitgegaan moet worden van de waarde van de auto per peildatum (28 april 2016). Op dat moment had de vrouw de auto immers geheel voor eigen gebruik. Als uitgegaan wordt van de waarde van de auto per 1 oktober 2017 komt de waardedaling van de auto voor zijn rekening zonder dat hij van de auto gebruik heeft gemaakt.

De waarde van de auto op de peildatum is € 17.950,--. De vrouw dient aan de man te voldoen een bedrag van € 4.571,25 van (de waarde van de auto (€ 17.950,--)) minus de afkoopsom ((€ 8.857,50) gedeeld door 2). Voorts dient zij aan hem te voldoen € 487,44 vanwege betaalde leasetermijnen.

Of de vrouw de auto zou hebben ingeleverd of het afkoopbedrag zou hebben betaald is niet van belang. Feit is dat de vrouw de laatste leasetermijnen heeft afgekocht en de auto haar (juridisch) eigendom is geworden. Zij heeft de voordelen gehad van de jarenlange betaling van de leasetermijnen door partijen. Bij een ‘normale aankoop’ had de vrouw een veel hoger bedrag moeten betalen. Hiermee dient bij de verdeling en afrekening tussen partijen rekening te worden gehouden.

5.8.3.

De vrouw voert daartegen het volgende aan.

Als zij op 1 oktober 2017 de auto niet had afbetaald, was de auto eigendom van de leasemaatschappij gebleven. De auto maakte derhalve helemaal geen onderdeel uit van de huwelijksgemeenschap van partijen. Zij hadden enkel de verplichting om de termijnen uit de leaseovereenkomst te voldoen.

Indien de auto in de verdeling wordt betrokken, is de peildatum voor de waarde van de auto 1 oktober 2017. Door de afbetaling die de vrouw op die datum heeft gedaan, heeft zij de auto in eigendom verkregen en heeft de feitelijke verdeling van de auto plaatsgevonden.

De auto is op 30 juni 2015 aangekocht voor een bedrag van € 17.700,-- (prod. 17). Op dit bedrag strekte in mindering de inruilwaarde van de auto die de vrouw destijds bezat (€ 3.500,-)- en voorts een bedrag van € 2.000,-- betaald vanuit gemeenschappelijk vermogen van partijen als aanbetaling voor de auto. De kredietsom bedroeg derhalve nog € 12.200,--. In de twee jaren na aanschaf hebben partijen (24 maal de leasetermijn van € 139,27 =) € 3.342,48 aan leasetermijnen betaald. Van de kredietsom bleef derhalve nog een bedrag van € 8.857,52 open, het restbedrag dat de vrouw op 1 oktober 2019 voor de auto heeft betaald. In deze situatie is dit de werkelijk waarde van de auto.

De door de man overgelegd waardebepaling is volstrekt ongeloofwaardig nu de daarin gestelde dagwaarde van de auto in mei 2016 hoger is dan de aankoopwaarde van € 17.700,-- in juni 2015.

Ook de man had tijdens het huwelijk een zakelijke leaseauto , van zijn werkgever. Hiervoor werd jaarlijks een bijtelling inkomstenbelasting betaald. Als de auto van de vrouw in de verdeling wordt meegenomen, dient daarin ook de auto van de man te worden meegenomen. De man dient inzichtelijk te maken op welk moment hij de leaseauto in eigendom heeft verkregen, voor welk bedrag en van welke gelden hij de afbetaling heeft betaald.

5.8.4.

Het hof overweegt als volgt.

Ter zitting heeft het hof, desgevraagd, vastgesteld dat tussen partijen niet meer in geschil is dat niet de auto, maar de “financial leaseovereenkomst” met de leasemaatschappij deel uitmaakt van de (inmiddels ontbonden) huwelijksgemeenschap. Derhalve dient (alleen) de leaseovereenkomst, althans (de waarde van) het vorderingsrecht van de gemeenschap op de leasemaatschappij om de auto geleverd te krijgen, in de verdeling te worden betrokken. Ter beoordeling ligt voor de vraag tegen welke waarde de vordering van partijen op de leasemaatschappij tussen partijen verdeeld dient te worden.

Het hof is van oordeel dat die waarde wordt gevormd door de waarde van de auto op de peildatum minus i) de op die datum nog te betalen leasetermijnen en ii) de afkoopsom van de auto.

Zoals reeds overwogen geldt in de regel als peildatum voor de waardering de datum van de verdeling en is dit slechts anders als partijen een andere datum zijn overeengekomen of als op grond van redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard (vgl. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279, rov. 4.2.1).

Het hof stelt vast dat de auto zich sinds de ontbinding van de huwelijksgemeenschap van partijen binnen de risicosfeer van de vrouw heeft bevonden. Immers de vrouw had sindsdien de auto onder zich. Gelet daarop ligt het in de rede voor de waarde van de auto uit te gaan van de peildatum 28 april 2016. Blijkens de het door de man overgelegd taxatierapport van [taxateur 1] bedraagt de dagwaarde van de auto per mei 2016 € 16.500,-- inclusief BTW en BPM. Nu de vrouw het taxatierapport niet, althans in onvoldoende mate heeft betwist, zal het hof van die waarde uitgaan.

Op 28 april 2016 moesten nog 17 leasetermijnen worden betaald, of wel een totaalbedrag van (17 x 139,27 =) € 2.367,59. De afkoopsom van de auto bedroeg € 8.857,52. Dit betekent dat de leaseovereenkomst tegen een waarde van (16.500,-- -/- 2367,59 -/- 8.857,52) € 5.274,89 in de verdeling dient te worden betrokken.

Door de betaling van de afkoopsom van de auto heeft de vrouw de waarde van de vordering op de leasemaatschappij verzilverd. Dit betekent dat de vrouw de helft daarvan, een bedrag van € 2.637,45, aan de man dient te voldoen. Aldus zal het hof bepalen. In zoverre slaagt de grief van de man.

Partijen hebben geen grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de betaalde leasetermijnen. Het hof zal daarom evenals de rechtbank bepalen dat de vrouw in verband met de leasetermijnen een bedrag van € 487,44 aan de man dient te voldoen.

Voor zover de vrouw heeft gesteld dat “eigenlijk ook rekening moet worden gehouden met de waarde van de door de man overgenomen zakelijke lease-auto” gaat het hof daaraan voorbij, nu zij aan die stelling geen concreet verzoek heeft verbonden.

De inboedel en pintransactie van de vrouw (grief III van de man)

5.9.1.

Grief III van de man betreft de inboedel en pintransacties van de vrouw.

In rov. 2.3.14. van de beschikking 2 augustus 2018 heeft de rechtbank overwogen:

“- Volgens de man moet de vrouw de kort voor de indiening van het verzoek opgenomen bedragen ad € 573,= en € 1.000,= ( [naam] en IKEA) aan hem terugbetalen. De rechtbank is van oordeel dat de man niet heeft aangetoond dat de vrouw deze bedragen heeft verkwist, terwijl de betalingen van voor de peildatum zijn. De rechtbank zal daarom dit verzoek evenmin toewijzen. De rechtbank overweegt daarbij wel dat als inboedel voor een nieuwe woning (of andere goederen) voor de peildatum is aangeschaft, de betaling ten laste van beide partijen is gekomen en de aangeschafte spullen op de peildatum onderdeel van de gemeenschap waren, zodat deze in beginsel in de verdeling dienen te worden betrokken (bij de verdeling van de inboedel).”

In de beschikking van 17 juli 2019 heeft de rechtbank vervolgens (in het dictum, rov. 3.2.) bepaald dat:

“partijen gezamenlijk (eventueel tezamen met hun advocaten) een inboedellijst dienen op te stellen, en ieder om en om een goed mag kiezen, waarbij het lot zal bepalen wie begint en waardoor geen overbedeling zal plaats vinden;”

5.9.2.

De man voert het volgende aan. De vrouw weigert tot verdeling van de inboedel over te gaan. Tegen beter weten in, neemt zij het standpunt in dat de inboedel reeds is verdeeld en er niets meer verdeeld behoeft te worden.

Ook de door de vrouw (met de twee pinbetalingen) aangekochte spullen dienen nog tussen partijen te worden verdeeld. Dat die goederen voor de kinderen zijn gekocht was niet nodig, zij hadden alles al. Het was een idee van de grootouders om goederen voor hen te kopen.

5.9.3.

De vrouw voert daartegen het volgende aan.

De man heeft bij het verlaten van de woning in april 2016 al meer dan de helft van de totale gemeenschappelijke inboedel meegenomen en heeft die inboedelgoederen sindsdien in zijn bezit. De vrouw heeft desondanks gehoor gegeven aan het verzoek van de man om nog andere inboedelgoederen te ontvangen en deze met hulp van kennissen bij de man op de oprit geplaatst. De inboedelgoederen zijn dan ook voor reeds meer dan bij helfte verdeeld.

Ten aanzien van de pintransacties geldt dat partijen in april 2016, nog voordat de man de echtelijke woning verliet, de afspraak hebben gemaakt dat er nog een nieuwe slaapkamer en studieplek (bureau en kastje) voor de zoon van partijen moest worden aangeschaft en dat die spullen gezamenlijk door partijen betaald zouden worden. In dit kader heeft de vrouw een aanbetaling van € 1.000,-- gedaan op de slaapkamer van de zoon van partijen (die slaapkamer kostte in totaal € 3.072,--, de vrouw heeft derhalve nog een bedrag € 1.036,-- (2.072/2) van de man te vorderen).

De pintransactie bij Ikea van € 573,-- op 26 april 2016 is ook in dit kader gedaan, namelijk voor een bureau en kastjes en overige zaken voor de studieplek van de zoon van partijen (prod. 22).

5.9.4.

Het hof overweegt als volgt.

De man heeft niet betwist dat de met de pinbetalingen goederen voor de zoon zijn gekocht. Het hof ziet daarom geen aanleiding de pinbetalingen of de daarmee gekochte inboedel voor de zoon, in de verdeling te betrekken.

Voor zover de man heeft gesteld dat de inboedel nog niet is verdeeld, heeft hij daaraan geen conclusie verbonden, zodat het hof aan die stelling voorbij gaat. Grief III van de man faalt aldus.

De motor Honda (grief VII van de vrouw)

5.10.1.

De vrouw stelt dat de motor Honda CBR met kenteken [kenteken] nog in de verdeling dient te worden betrokken. De man heeft deze motor in zijn bezit. Zij stelt dat de motor aan de man toegedeeld dient te worden onder de verplichting om de helft van de waarde van die motor, een bedrag van € 1.100,-- (2.200/2), aan haar te voldoen. De vrouw verwijst naar prod. 5.

5.10.2.

De man voert daartegen aan dat de motor al wel in de verdeling is betrokken, middels ‘inboedel’. Volgens de man is er sinds een eenzijdig ongeval niet meer met de motor gereden. Hij heeft de motor onlangs laten taxeren en de waarde is toen vastgesteld op

€ 500,-- (prod. 10). De reparatiekosten bedragen meer dan € 1.000,--. De man gaat akkoord met toedeling van de motor aan hem tegen betaling van een bedrag van € 250,-- aan de vrouw.

5.10.3.

Het hof overweegt als volgt.

Blijkens de door de man overgelegde taxatie van [taxateur 2] d.d. 24 oktober 2019 bedraagt de waarde van de motor € 500,--. Het hof zal de motor tegen die waarde in de verdeling betrekken. Weliswaar heeft de vrouw daartegen aangevoerd dat die taxatiewaarde ongeloofwaardig is omdat blijkens de polis motorverzekering de cataloguswaarde van de motor € 7.941,-- bedraagt en de man een verzekeringspremie van € 150,50 per maand betaalt, maar zij heeft niet weersproken dat de motor schade heeft en (op de datum van taxatie) sedert 2013 niet meer heeft gereden. De grief van de vrouw slaagt deels.

De ontslagvergoeding (grief VIII van de vrouw)

5.11.1.

De vrouw stelt dat de ontslagvergoeding van de man nog in de verdeling dient te worden betrokken. Zij voert daartoe het volgende aan.

De man was sinds 2014 verwikkeld in een ontslagprocedure met zijn werkgever. In januari 2016 heeft dat er toe geleid dat de werkgever van de man een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst bij de kantonrechter heeft ingediend. Onderhandelingen met zijn werkgever hebben uiteindelijk tot een vaststellingsovereenkomst geleid waarbij aan de man een ontslagvergoeding van € 35.209,38 werd toegekend en waarbij de man vanaf 11 november 2016 tot aan 1 juni 2017 werd vrijgesteld van werkzaamheden (prod. 6 beroepschrift). Blijkens de vaststellingsovereenkomst zou de vergoeding een maand na 1 juni 2017 aan de man worden uitbetaald. De aanspraak van de man op zijn werkgever is derhalve al voor de ontbinding van het huwelijk, in 2014, ontstaan en daarmee valt die vergoeding in de te verdelen huwelijksgemeenschap.

5.11.2.

De man voert daartegen het volgende aan.

Zowel de datum van de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst (december 2016) als de datum waarop de uitbetaling van de ontslagvergoeding heeft plaatsgevonden (30 juni 2017) zijn gelegen na de ontbinding van huwelijksgemeenschap (op 28 april 2016). De ontslagvergoeding is daarom nimmer tot de gemeenschap gaan behoren en dient dan ook buiten de verdeling te blijven.

5.11.3.

Het hof overweegt als volgt.

Een (aanspraak op een) ontslagvergoeding die strekt tot vervanging van inkomen uit arbeid dat de echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking zou hebben genoten, valt niet in de gemeenschap voor zover deze ziet op de periode na ontbinding van de huwelijksgemeenschap (vgl. HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270 en HR 22 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:273).

De aanspraak van de man op de ontslagvergoeding ziet (slechts) op de periode na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap en valt daarom niet in de gemeenschap. De ontslagvergoeding behoeft derhalve niet in de verdeling te worden betrokken. Grief VIII van de vrouw faalt.

6 De slotsom

in het principaal en het incidenteel hoger beroep

6.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, gedeeltelijk vernietigen en beslissen zoals hierna onder 7 is weergegeven.

6.2.

De vrouw heeft verzocht de man te veroordelen in de proceskosten in beide instanties. De man heeft verzocht de vrouw te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep.

Het hof ziet voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding, gelet op het feit dat partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de afwikkeling van de (ontbonden) huwelijksgemeenschap betreft. Aldus zal het hof de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partijen de eigen kosten draagt.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Roermond) van 17 juli 2019, voor zover het de regresvorderingen en de auto betreft en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de vrouw wegens onder uitsluiting verkregen schenkingen een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap van € 122.680,--;

bepaalt dat de man wegens onder uitsluiting verkregen schenkingen/erfenis een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap van € 29.451,--;

bepaalt dat de vrouw in verband met de vordering op de leasemaatschappij een bedrag van € 2.637,45 aan de man dient te voldoen en daarnaast een bedrag van € 487,44 in verband met haar aandeel in de helft van de leasetermijnen;

deelt toe aan de man de motor Honda CBR met kenteken [kenteken] tegen een waarde van € 500,-- onder de verplichting wegens overbedeling de helft hiervan, € 250,--, aan de vrouw te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.P.M. van Reijsen, G.J. Vossestein en M.J. van Laarhoven en is op 8 oktober 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature