< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Beëindiging gezag van de vader. In het belang van de minderjarige noodzakelijk dat de moeder alleen met het gezag wordt belast.

Uitspraak



GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 8 oktober 2020

Zaaknummer: 200.272.582/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/335582 / FA RK 18-3114

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. N.D. Geraads,

tegen

[de vader] ,

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting (PI) te [plaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. R. Engwegen.

Deze zaak gaat over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige] ).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] , hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 18 oktober 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 januari 2020, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en - opnieuw rechtdoende - te bepalen dat de moeder bij uitsluiting van de vader wordt belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 13 maart 2020, heeft de vader verzocht om de moeder in haar beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar dit beroep als ongegrond en onbewezen te ontzeggen, kosten rechtens.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Geraads;

- de vader, bijgestaan door mr. Engwegen;

- mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] namens de raad.

2.3.1.

Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en zij is voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 28 januari 2019;

- het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 27 augustus 2020.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Uit de relatie van partijen is geboren de thans nog minderjarige:

- [minderjarige] , op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige] ).

De vader heeft [minderjarige] erkend.

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit. [minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de moeder.

De vader en moeder zijn tevens de ouders van [zus] , geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] .

3.2.

Bij beschikking van 19 februari 2019 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, een raadsonderzoek gelast. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de moeder om het gezag van de vader te beëindigen en haar te belasten met het eenhoofdig gezag afgewezen.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert - kort samengevat - het volgende aan.

Er is sprake van een onherstelbare vertrouwensbreuk tussen de moeder en de vader.

De moeder ervaart de gezamenlijke uitoefening van het gezag over [minderjarige] als emotioneel zeer zwaar en belastend. Het feit dat de vader na het gepleegde delict nog het gezag over [minderjarige] mag uitoefenen en dat de moeder hem in gezagskwesties om toestemming dient te vragen valt de moeder enorm zwaar en levert haar veel spanningen op. Dit heeft veel invloed op het welzijn van de moeder.

De moeder heeft zich sinds het moment waarop de vader de woning, met daarin de kinderen, in brand heeft gestoken, weggecijferd en zij dient nog toe te komen aan de verwerking van wat er is gebeurd. Sinds januari 2020 merkt de moeder dat zij steeds meer psychische en psychosomatische klachten ontwikkelt, zoals spanningen, angsten, paniekaanvallen en hyperventilatie. Volgens de huisarts is er sprake van een complexe PTSS. Aanvankelijk zou de moeder via een crisisopname een intensieve behandeling voor de duur van veertien dagen ondergaan, zodat zij weer snel voor [minderjarige] beschikbaar kon zijn, maar vanwege de coronacrisis en de zomerperiode is deze plek niet gevonden. Er zal nu een regulier behandeltraject voor de moeder worden opgestart.

Het is van belang dat de draagkracht van de moeder wordt vergroot. Wanneer de moeder alleen met het gezag over [minderjarige] wordt belast zal zij meer rust ervaren. Zij zal het contact tussen [minderjarige] en de vader niet in de weg staan en de vader blijven informeren. De moeder probeert [minderjarige] hierin zoveel als mogelijk te ondersteunen.

De moeder ervaart ook praktische problemen in de uitoefening van het gezamenlijk gezag. De communicatie met de vader in de PI verloopt traag en moeizaam. Weliswaar gaat de vader uiteindelijk met beslissingen akkoord, maar de vader probeert wel op een actieve manier zijn gezag uit te oefenen, waarbij hij om veel informatie vraagt.

Indien de moeder de vader enkel nog dient te informeren en de vader geen zeggenschap meer heeft, dan ervaart de moeder dit als een wezenlijk verschil. Daarbij zal de frequentie van het contact ook omlaag kunnen.

Het gezamenlijk gezag levert voor [minderjarige] evenmin iets op, omdat dit los staat van de omgangsregeling en de vader betrokken zal blijven bij de hulpverlening. Daarbij is van belang dat [minderjarige] zelf soms ook te kennen geeft dat zij bepaalde informatie niet met de vader wil delen.

Het gaat nog niet goed met [minderjarige] . Zij heeft chronische PTSS en zij is nog niet gemotiveerd om hiervoor te worden behandeld. Er is verder sprake van forse gedragsproblematiek. Er is nu voor gekozen om voorlopig geen verdere druk op [minderjarige] uit te oefenen, waardoor er iets meer rust lijkt te komen. Sinds kort gaat [minderjarige] weer voor halve dagen naar school. Er wordt gezocht naar een passende middelbare school, omdat recent onderzoek heeft uitgewezen dat [minderjarige] een IQ heeft van 83 en derhalve een verstandelijke beperking.

Het feit dat de raad kennelijk geen aanleiding heeft gezien om een verzoek ex artikel 1:266 BW te doen betekent niet dat er geen betekenis kan worden toegekend aan soortgelijke zaken waarin de raad dit wel heeft verzocht, zoals de uitspraak van het hof van 31 oktober 2019 (ECLI:NL:GHSHE:2019:4020). Op grond van deze uitspraak dient er ook ruimte te zijn voor een analoge toepassing van de eisen die gelden voor beëindiging van het gezag vanwege misbruik van gezag of van een ruimere uitleg van het noodzakelijkheidscriterium.

3.6.

De vader voert - kort samengevat - het volgende aan.

De vader erkent dat hij op [datum] 2016 de woning van partijen in brand heeft gestoken, terwijl de kinderen op dat moment in de woning verbleven. De vader heeft veel spijt van zijn daad en beseft dat hij dit nooit meer kan goedmaken ten opzichte van de moeder en de kinderen. Hij begrijpt in zoverre ook dat de moeder het verzoek heeft ingediend.

Het gezag van de vader over [minderjarige] dient echter niet beëindigd te worden.

Er is niet gesteld of gebleken dat er sprake is van een klem-of-verloren-raken-situatie.

Verder is niet gebleken, zoals de rechtbank ook heeft overwogen, dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat het gezag van de vader wordt beëindigd.

De vader vindt het opmerkelijk dat [minderjarige] reeds in de aanloop naar de mondelinge behandeling haar weerstand is gaan uiten tegen het gezag van de vader. Zij lijkt de weerstand van de moeder over te nemen. Het kan overigens niet zo zijn dat [minderjarige] haar vader zelf gaat informeren, zoals zij aan het hof heeft voorgesteld. Dit zou te belastend voor haar zijn.

De vader is zeer betrokken bij [minderjarige] en bij de behandelingen die zij volgt. De behandelaars ervaren zijn betrokkenheid als een meerwaarde. Indien het gezag van de vader wordt beëindigd is hij voor wat betreft de informatievoorziening volledig afhankelijk van de moeder. De vader vreest dat de moeder hem op termijn niet meer zal informeren. Zij informeert de vader nu ook niet en heeft bij de behandelaars te kennen gegeven dat zij het niet op prijs stelt als aan de vader behandelrapportages worden verstrekt. Verder bestaat het risico dat de vader in de toekomst niet meer bij de behandeling van [minderjarige] wordt betrokken.

De vader heeft altijd toestemming verleend aan beslissingen die voor [minderjarige] moesten worden genomen. Het contact verloopt via een casemanager. Voor zover de moeder geen vertrouwen meer in de vader heeft merkt de vader op dat het recidiverisico door diverse deskundigen als laag/matig is ingeschat. De vader heeft bovendien diverse therapieën gevolgd en succesvol afgerond teneinde beter met spanningen te kunnen omgaan.

Beëindiging van het gezag zal leiden tot een intensivering van het contact, omdat de moeder de vader dan zelf dient te informeren. Dit zal tot een grotere belasting van de moeder leiden.

Kennelijk heeft de raad er niet voor gekozen om een verzoek in te dienen wegens misbruik van gezag ex artikel 1:266 BW , zodat er geen ruimte is voor een ruimere uitleg zoals de moeder betoogt. In de door de moeder aangehaalde uitspraak van 31 oktober 2019 was er verder sprake van andere omstandigheden.

3.7.

De raad heeft op de mondelinge behandeling als volgt geadviseerd.

Het lukt de moeder niet meer om voor [minderjarige] te verbloemen dat zij het emotioneel zwaar heeft. Mogelijk heeft [minderjarige] hierdoor last van loyaliteitsproblemen en probeert zij onbewust voor haar moeder te zorgen door te verklaren dat zij het niet nodig vindt dat de vader beslissingen over haar neemt.

Het is in het belang van [minderjarige] dat de moeder overeind blijft. Wanneer het gezag bij de vader wordt weggehaald zal dit de moeder ten goede komen en rust geven.

Het tweede belangrijke doel van de raad is dat het contact tussen [minderjarige] en de vader in stand blijft en geborgd wordt. Het is hiervoor echter niet noodzakelijk dat er sprake is van gezamenlijk gezag.

De afgelopen jaren is gezien dat de moeder de belangen van de kinderen altijd voorop weet te stellen en zij deze belangen, waaronder het contact tussen [minderjarige] en de vader, kost wat kost probeert te ondersteunen.

De vader heeft recht op informatie, zodat hij de ontwikkeling van [minderjarige] kan volgen, maar ook hiervoor geldt dat het gezamenlijk gezag niet noodzakelijk is. De moeder heeft uitdrukkelijk verklaard dat zij ermee kan instemmen dat de vader rechtstreeks contact met school heeft. De raad heeft geen reden om hieraan te twijfelen. Indien in de toekomst een systemische behandeling ten behoeve van [minderjarige] nodig is, dan heeft de raad er ook voldoende vertrouwen in dat de moeder eraan zal meewerken dat de vader hierbij betrokken wordt.

3.8.

Het hof overweegt als volgt.

3.8.1.

Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De rechter bepaalt dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:

er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

3.8.2.

Uit de stukken en hetgeen ter mondelinge behandeling is besproken is het volgende gebleken.

3.8.2.1. Vast staat dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. Bij vonnis van 8 november 2016 is de vader onder meer veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf wegens poging tot moord en opzettelijk brandstichten.

3.8.2.2. De moeder is nog niet toegekomen aan de verwerking van haar eigen emoties ten aanzien van de traumatische gebeurtenis die op [datum] 2016 heeft plaatsgevonden. Zij heeft zich de afgelopen jaren staande weten te houden om er voor [zus] en [minderjarige] te zijn. Dit heeft inmiddels zijn tol geëist. De moeder heeft te kampen met PTSS-gerelateerde (psychische, emotionele en somatische) klachten en staat nog op een wachtlijst voor een behandeling.

Wat daarbij een rol speelt is dat het voor de moeder emotioneel zeer zwaar is dat de vader nog steeds het gezag over [minderjarige] heeft en de moeder in gezagskwesties derhalve toestemming van de vader nodig heeft. Wat de situatie voor de moeder extra belastend maakt is dat de vader, vanwege zijn enorme betrokkenheid bij [minderjarige] , veel vragen stelt alvorens hij zijn toestemming in gezagskwesties verleent. Weliswaar stelt de vader zich meewerkend op en vindt de communicatie over die beslissingen plaats via de casemanager van de man, maar dat doet naar het oordeel van het hof niet af aan de grote druk die het gezamenlijk gezag gelet op alles wat er gebeurd is op de moeder legt. Dat de vader deze vragen op grond van zijn grote betrokkenheid bij [minderjarige] stelt doet aan de door deze moeder gevoelde druk niet af.

3.8.2.3. Verder is gebleken dat de zorgen over [minderjarige] nog niet zijn weggenomen. Niet alleen heeft [minderjarige] een zeer traumatische gebeurtenis meegemaakt, waarvoor zij nog niet kan worden behandeld, maar er is bij haar ook sprake van kindeigen problematiek. Zo was er voor de ingrijpende gebeurtenis al sprake van gedrags- en leerproblemen. Inmiddels is duidelijk geworden dat er bij [minderjarige] sprake is van een verstandelijke beperking. Volgens het raadsonderzoek wordt [minderjarige] in haar ontwikkeling bedreigd, omdat zij kampt met PTSS en zij veel moeite heeft om hiervoor een hulpverleningstraject aan te gaan. Daar komt bij dat de schoolgang van [minderjarige] is onderbroken en zij veel thuis heeft gezeten. Op dit moment gaat zij halve dagen naar school. Dat alles heeft tot gevolg dat zij veel tijd met de moeder thuis heeft doorgebracht en nog doorbrengt. De moeder als verzorgende ouder van [minderjarige] monitort haar (samen met de school) en de moeder wordt dagelijks geconfronteerd met de zorgen omtrent [minderjarige] .

3.8.2.4. [minderjarige] heeft in het kindgesprek met het hof te kennen gegeven dat het voor haar niet nodig is dat de vader het gezag over haar heeft. Zij heeft verder verklaard dat de vader veel informatie wil hebben, bijvoorbeeld over vakanties en school. [minderjarige] stelt dit niet prettig te vinden, want zowel haar moeder als haar zus [zus] hebben hier last van. Voor haarzelf ligt de situatie iets anders, omdat zij een goed contact heeft met de vader, hetgeen zij ook graag zo wil houden. Het hof leidt hieruit af dat deze situatie zijn weerslag lijkt te hebben op [minderjarige] en dat [minderjarige] mogelijk last heeft van loyaliteitsproblematiek. [minderjarige] lijkt de verwachting te hebben dat een beëindiging van het gezag meer rust in haar leven zal brengen.

3.8.2.5. Het hof constateert dat de gezagskwestie en de problemen rondom [minderjarige] heel veel vergen van de moeder. Het lukt de moeder niet langer om haar emoties te verbloemen. Het is naar het oordeel van het hof van groot belang voor [minderjarige] dat de moeder overeind blijft.

Al deze omstandigheden bij elkaar maken dat het hof net als de raad van oordeel is dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat het gezag van de vader wordt beëindigd en de moeder alleen wordt belast met het gezag over [minderjarige] .

Het hof neemt daarbij in overweging dat de moeder het belang van [minderjarige] altijd voorop heeft weten te stellen en zij de omgang tussen [minderjarige] en de vader al die jaren nooit in de weg heeft gestaan. Het hof heeft er op grond hiervan óók voldoende vertrouwen in dat de moeder het op dit moment wellicht spelende loyaliteitsconflict bij [minderjarige] aan kan en kan begeleiden en eraan zal meewerken dat de vader zo nodig betrokken wordt bij een eventuele toekomstige behandeling van [minderjarige] , mocht een behandelaar dit in haar belang noodzakelijk achten.

Het hof gaat er verder vanuit dat de vader zelfstandig bij de school van [minderjarige] of bij de behandelaars informatie kan blijven opvragen, zoals door de moeder is toegezegd en/of dat de moeder de vader zo nodig anderszins voldoende op de hoogte zal houden. Op de gezagsdragende ouder rust ingevolge artikel 1:377b BW immers de plicht om de niet met het gezag belaste ouder te informeren en waar nodig te raadplegen, al dan niet door tussenkomst van een derde.

3.9.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en het verzoek van de moeder om het gezag van de vader over [minderjarige] te beëindigen en haar met het eenhoofdig gezag te belasten alsnog toewijzen.

3.10.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie hebben gehad en de procedure het uit deze relatie geboren kind betreft.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 18 oktober 2019;

en opnieuw rechtdoende:

beëindigt het gezag van de vader over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] en bepaalt dat het gezag over [minderjarige] voornoemd aan de moeder alleen toekomt;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van

deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, J.C.E. Ackermans-Wijn en H.J. Witkamp en is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2020 door mr. C.D.M. Lamers in tegenwoordigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature