< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Ontruiming van een woonwagenstandplaats. Geen huurovereenkomst tot stand gekomen? Toewijzingsbeleid.

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.255.452/01

arrest van 6 oktober 2020

in de zaak van

1 [appellant] ,wonende te [woonplaats] ,

2. [appellante] ,wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna tezamen aan te duiden als [appellanten] ,

advocaat: mr. M.H.A.J. Slaats te Eindhoven,

tegen

[de Stichting] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. W.J. Aardema te Heerenveen,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 3 maart 2020 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummer 6142625 en rolnummer 17/6431 gewezen vonnis van 11 oktober 2018.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 3 maart 2020 waarbij het hof een comparitie van partijen heeft gelast;

de op 22 september 2020 gehouden comparitie;

de bij formulieren H12 van 7 en 8 september 2020 door [appellanten] toegezonden producties, die [appellanten] bij de comparitie bij akte in het geding hebben gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De beoordeling

6.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

De gemeente Eindhoven is eigenaresse van de standplaats met bijbehorende berging gelegen aan de [adres] te [plaats 1] , verder aan te duiden als ‘de standplaats’. Zij heeft de standplaats en bijbehorende berging met ingang van 1 januari 1984 verhuurd aan [grootvader appellant] , de grootvader van [appellant] .

Bij schriftelijke overeenkomst van 28 maart 2003 heeft de gemeente het beheer van deze standplaats (en andere standplaatsen ter plekke) opgedragen aan een rechtsvoorgangster van [geïntimeerde] (hierna ook aan te duiden als [geïntimeerde] ) en heeft zij de uitvoering van haar huisvestingsverordening, waaronder het toewijzen van standplaatsen, gemandateerd aan [geïntimeerde] . Voorts is daarbij bepaald dat [geïntimeerde] ter zake verhuuractiviteiten gerechtelijke procedures kan voeren namens de gemeente.

[appellanten] hebben [geïntimeerde] begin 2014 verzocht om als medehuurders van de standplaats aangemerkt te worden. [geïntimeerde] heeft bij brief aan [grootvader appellant] van 3 april 2014 meegedeeld dat zij het verzoek niet in behandeling neemt, omdat [appellanten] niet voldoen aan de voorwaarden voor medehuurderschap.

De heer [grootvader appellant] is op [datum] 2015 overleden, waarna [geïntimeerde] bij brief van 7 mei 2015 de erven van [grootvader appellant] heeft laten weten dat de huurovereenkomst op grond van artikel 7:268 (hof: lid 6) BW met ingang van 1 juni 2015 zou eindigen en nogmaals heeft meegedeeld dat [appellanten] niet als medehuurders zijn aangemerkt. In de brief wijst [geïntimeerde] [appellanten] erop dat zij binnen zes maanden na het overlijden van [grootvader appellant] een verzoek kunnen indienen bij de kantonrechter om de huurovereenkomst over te nemen. [appellanten] hebben een dergelijk verzoek niet ingediend.

Bij brief van 15 oktober 2015 heeft [geïntimeerde] [appellanten] vervolgens gesommeerd om de standplaats te verlaten, daartoe aanvoerend dat zij zonder recht of titel op de standplaats verblijven. [appellanten] hebben aan deze sommatie geen gevolg gegeven.

Bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Oost-Brabant van 15 juni 2016 is [appellant] veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan vijf voorwaardelijk. Bewezen verklaard is dat [appellant] op en grenzend aan het perceel [adres] te [plaats 1] , alsmede in een garage/loods staande op dat perceel, voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad die gerelateerd waren aan de productie van synthetische drugs, alsmede PMK, Piperonal en MDMA. Op grond van aangetroffen sporen heeft de rechtbank bewezen geacht dat [appellant] tezamen en in vereniging met anderen in de periode van 1 maart 2014 tot en met 15 maart 2015 amfetamine en MDMA heeft bereid.

Naar aanleiding van voormeld vonnis heeft [geïntimeerde] bij brief van 24 maart 2017 [appellanten] nogmaals gesommeerd om de standplaats te verlaten, omdat zij daar zonder recht of titel verbleven. Voorwaardelijk, voor het geval dat er al een huurovereenkomst zou bestaan, heeft [geïntimeerde] het standpunt ingenomen dat [appellanten] zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun huurdersverplichtingen door op de standplaats drugs te produceren en dat een ontbinding van de huurovereenkomst om die reden gerechtvaardigd is.

6.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [geïntimeerde] in conventie – zakelijk weergegeven - primair een verklaring voor recht dat [appellanten] de standplaats zonder recht of titel bewonen c.q. gebruiken. Voorwaardelijk, voor het geval wordt geoordeeld dat sprake zou zijn van medehuurderschap of een nieuwe huurovereenkomst, vordert [geïntimeerde] de ontbinding van de huurovereenkomst. Zowel primair als subsidiair vordert zij voorts de ontruiming en oplevering van de standplaats, betaling van een gebruiksvergoeding voor de tijd gedurende welke [appellanten] op de standplaats verblijven, een veroordeling tot vergoeding van proceskosten en de uitvoerbaarheid van een beslissing bij voorraad, voor zover mogelijk .

Ter onderbouwing van deze vordering verwijst [geïntimeerde] naar de hiervoor vastgestelde feiten.

6.2.2.

[appellanten] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Zij hebben allereerst (incidenteel) de bevoegdheid van de kantonrechter en de ontvankelijkheid van [geïntimeerde] aangevochten, wijzend op de omstandigheid dat [geïntimeerde] zelf expliciet het standpunt inneemt dat tussen partijen geen huurovereenkomst bestaat. Voorts voeren zij aan dat [geïntimeerde] geen eigenaresse is van de standplaats en de mandaatregeling niet zover strekt dat zij ook bevoegd is om buiten huur- en verhuursituaties om gerechtelijke procedures te voeren namens de gemeente.

Inhoudelijk hebben [appellanten] betoogd dat zij gerechtigd zijn tot het gebruik van de standplaats. In vervolg op dat verweer vorderen [appellanten] in reconventie primair een verklaring voor recht dat tussen partijen een huurovereenkomst bestaat, subsidiair dat tussen partijen een gebruiksovereenkomst bestaat en meer subsidiair de betaling van een verhuisvergoeding van € 5.910,= te vermeerderen met de meerkosten van de verplaatsing van hun woonwagen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in conventie en in reconventie.

6.2.3.

[geïntimeerde] heeft in reconventie verweer gevoerd. Het hof komt daar zo nodig bij de beoordeling op terug.

6.2.4.

Bij vonnis in het bevoegdheids- en ontvankelijkheidsincident van 14 december 2017 heeft de kantonrechter zijn bevoegdheid aangenomen en het ontvankelijkheidsverweer verworpen. [appellanten] hebben geen hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis, zodat die beslissingen verder in dit geding niet ter discussie staan.

6.2.5.

In het eindvonnis van 11 oktober 2018 heeft de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad, de primair gevorderde verklaring voor recht gegeven en de gevorderde ontruiming toegewezen, met veroordeling van [appellanten] tot oplevering van de standplaats, tot betaling van een gebruiksvergoeding tot het moment van ontruiming en met veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding. Daartoe heeft de kantonrechter overwogen dat [geïntimeerde] in haar vorderingen kan worden ontvangen, dat tussen [appellanten] en de gemeente Eindhoven of [geïntimeerde] geen huurovereenkomst bestaat en dat zij ook geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om na het overlijden van [grootvader appellant] bij de kantonrechter een verzoek tot voortzetting van de huur in te dienen. Volgens de kantonrechter is het niet naar maatstaven van redelijkheid of billijkheid onaanvaardbaar dat [geïntimeerde] dit aan [appellanten] tegenwerpt. De kantonrechter heeft voorts de vorderingen in reconventie afgewezen. Voor toekenning van een verhuiskostenvergoeding zag de kantonrechter geen grondslag.

6.3.

[appellanten] hebben in hoger beroep vier grieven aangevoerd. Met de grieven 1 en 2 betogen [appellanten] dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat het argument van de specifieke nood van woonwagenbewoners in een procedure op voet van artikel 7:268 BW aan de orde had kunnen worden gesteld en dat daarin geen reden is gelegen om de vordering in conventie af te wijzen. Met grief 3 stellen [appellanten] dat de kantonrechter heeft verzuimd te onderzoeken of een huurovereenkomst of gebruiksovereenkomst tot stand is gekomen en of regelgeving en/of woonwagenbeleid aan de vordering tot ontruiming in de weg staan.

Grief 4 is in het algemeen gericht tegen de beslissing, waaronder ook de beslissing inzake de proceskosten. [appellanten] concluderen tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen in conventie en toewijzen van hun vorderingen in reconventie, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

6.4.

Het hof is van oordeel dat de grieven falen en zal daarom het vonnis waarvan beroep bekrachtigen, zowel in conventie als in reconventie. Daartoe overweegt het hof als volgt.

6.5.

Geen grief is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter met betrekking tot de ontvankelijkheid van [geïntimeerde] in r.o. 5 van het in hoger beroep bestreden vonnis. Daarom strekt tot uitgangspunt dat [geïntimeerde] bevoegd is om op eigen naam als lasthebber van de gemeente in de onderhavige procedure op te treden.

6.6.

Ten aanzien van de grieven 1 en 2 merkt het hof op dat [appellanten] om hun moverende redenen binnen zes maanden na het overlijden van [grootvader appellant] geen procedure op voet van artikel 7:268 lid 2 BW zijn begonnen. In de onderhavige procedure nemen [appellanten] het standpunt in dat [geïntimeerde] toewijzing van de standplaats aanvankelijk heeft geweigerd met een beroep op het uitsterfbeleid ten aanzien van standplaatsen voor woonwagens, een beleid waarover inmiddels is geoordeeld dat dat niet mag worden gevoerd. Het staat in dat geval [appellanten] vrij om zich ook in de onderhavige procedure te beroepen op omstandigheden op grond waarvan de gemeente Eindhoven en [geïntimeerde] nu, bij wijziging van het beleid, de toewijzing niet meer zou of zouden mogen weigeren, waaronder de schaarste aan standplaatsen. Maar enkel die schaarste en de daaruit voortvloeiende nood levert geen grond op om te oordelen dat tussen partijen een huur- of andere gebruiksovereenkomst tot stand zou zijn gekomen of zou moeten komen. De grieven 1 en 2 leiden dus op zichzelf niet tot het oordeel dat de kantonrechter tot een onjuiste beslissing is gekomen.

6.7.

Het hof stelt voorop dat [appellanten] bij leven van [grootvader appellant] geen huurder van de standplaats waren. Op dat moment was [grootvader appellant] de huurder. Bij brief van 3 april 2014 heeft [geïntimeerde] laten weten dat het verzoek van [appellanten] om als medehuurder aangemerkt te worden niet zou worden ingewilligd. Dat [appellanten] daar niet van op de hoogte zijn gekomen is niet gesteld of gebleken en acht het hof ook niet aannemelijk nu blijkens de brief van 3 april het verzoek om medehuurderschap van [appellanten] zelf afkomstig was en niet van [grootvader appellant] . [appellanten] moeten vanaf april 2014 op de hoogte zijn geweest van het standpunt van [geïntimeerde] dat zij geen (mede)huurders waren en dat [geïntimeerde] hen dat ook niet wilde laten worden.

Dat [geïntimeerde] het verblijf van [appellanten] op de standplaats gedoogd heeft gedurende de periode waarin [grootvader appellant] de standplaats huurde, schept ook geen rechten. Volgens artikel 6, lid 3 aanhef en onder a. van de met [grootvader appellant] gesloten huurovereenkomst was het hem, behoudens schriftelijke toestemming van de verhuurder, niet toegestaan derden bij zich in te laten wonen. Dat die toestemming voor inwoning ooit is gevraagd of verleend, is overigens niet gesteld of gebleken.

6.8.

Ook na het overlijden van [grootvader appellant] hebben [appellanten] niet de positie van huurder verkregen. [geïntimeerde] heeft hen er bij brief van 7 mei 2015 op gewezen dat zij binnen zes maanden na het overlijden van [grootvader appellant] een verzoek tot voortzetting van de huur (artikel 7:268 BW) konden richten tot de kantonrechter. Bij brief van 15 oktober 2015 heeft [geïntimeerde] vervolgens aan [appellanten] meegedeeld dat zij de termijn van zes maanden ongebruikt hebben laten verstrijken, dat zij zonder recht of titel op de standplaats verblijven en dat zij de standplaats moeten verlaten en vrij moeten opleveren. Daarna is er op 18 januari 2016 nog een bespreking geweest waarin [geïntimeerde] wederom, ongeacht in welke bewoordingen, te kennen heeft gegeven geen huurovereenkomst met [appellanten] te willen sluiten. Het is na het overlijden van [grootvader appellant] voor [appellanten] dan ook duidelijk geweest dat aan de zijde van [geïntimeerde] nog steeds de wil ontbrak om met [appellanten] tot een huurovereenkomst te komen, zoals aangekondigd in de brief van 7 mei 2015 en bevestigd met de brief van 15 oktober 2015 of om hun op andere wijze toe te staan gebruik te (blijven) maken van de standplaats.

6.9.

In het licht van het voorgaande levert de omstandigheid dat [geïntimeerde] [appellanten] nog enige tijd tegen een door hen betaalde vergoeding op de standplaats heeft laten verblijven en niet eerder dan bij dagvaarding van 5 juli 2017 de veroordeling van [appellanten] tot ontruiming van standplaats heeft gevorderd, dan ook geen grond op om te oordelen dat [appellanten] daar het vertrouwen aan mochten ontlenen dat zij met toestemming van [geïntimeerde] van de standplaats gebruik maakten.

6.10.

[appellanten] hebben betoogd dat [geïntimeerde] niet had mogen weigeren om [appellanten] als huurders te accepteren. Zij hebben daartoe gesteld dat zij bovenaan de wachtlijst voor een standplaats staan, althans hebben gestaan. Ter zitting heeft [geïntimeerde] betoogd dat het wachtlijstcriterium niet het enige criterium is op grond waarvan een standplaats wordt toegewezen. Zij stelt daarin een vrijheid van handelen te hebben, waarbij zij er naar streeft om de betreffende bevolkingsgroep te kunnen laten leven in hun eigen cultuur, maar dan wel binnen de grenzen van hetgeen maatschappelijk aanvaardbaar is. Daarbij past volgens [geïntimeerde] een beleid om productie van of handel in verdovende middelen ter plekke niet toe te staan en een strikt beleid om bij dergelijke handel of productie bestaande huurovereenkomsten te laten beëindigen, waarna huurders voor een periode van vijf jaar niet in aanmerking komen voor een nieuwe huurovereenkomst. Dit alles is door [appellanten] niet weersproken. Ter zitting heeft [appellant] desgevraagd verklaard dat de hem opgelegde gevangenisstraf wegens betrokkenheid bij de productie van synthetische drugs op de standplaats in hoger beroep is bekrachtigd. [appellant] heeft vervolgens bij het pleidooi zijn betrokkenheid bij de productie van drugs op de standplaats, zoals in de strafzaak bewezen verklaard, ook niet langer betwist. Het hof acht het geenszins onredelijk dat [geïntimeerde] dan ingevolge haar beleid de beëindiging van het verblijf van [appellanten] op de standplaats nastreeft. Dit had [appellanten] ook duidelijk kunnen zijn.

6.11.

In eerste aanleg hebben [appellanten] betoogd dat de gemeente Eindhoven, en in haar opdracht ook [geïntimeerde] , inbreuk maken op de rechten van woonwagenbewoners door de vrijgekomen standplaats niet aan [appellanten] aan te bieden. Zij verwijzen daartoe naar artikel 8 EVRM, artikel 16 en E van het Europees Sociaal Handvest (ESH) en artikel 7a van de Algemene Wet Gelijke Behandeling . Dat verweer faalt, omdat de gemeente Eindhoven niet langer een uitsterfbeleid op woonwagenlocaties voert. Dat zij bestaande locaties niet uitbreidt of op de locatie aan de [adres] nog standplaatsen onbezet heeft, levert op zich geen grond op om te oordelen dat zij de standplaats aan [appellanten] moet toewijzen. Het besluit om dat niet te doen wordt met name ingegeven door een andere omstandigheid, namelijk de betrokkenheid van [appellant] bij het ter plekke produceren van synthetische drugs. Dat blijkt ook uit de brief van [geïntimeerde] aan [appellanten] van 24 maart 2017. [appellante] heeft voorts niet gemotiveerd betwist dat zij van de aanwezigheid van het drugslab op de hoogte was of behoorde te zijn en dat zij, als zij daarvan niet op de hoogte was, onvoldoende toezicht heeft uitgeoefend op wat zich op de standplaats afspeelde.

Als tussen partijen wel een huurovereenkomst zou hebben bestaan, zou het een en ander een ontbinding van de huurovereenkomst en een ontruiming van de standplaats kunnen rechtvaardigen. In het verlengde daarvan is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] , vanwege de genoemde omstandigheden, in redelijkheid mocht weigeren om met [appellanten] een huurovereenkomst te sluiten. [geïntimeerde] heeft er een gerechtvaardigd belang bij om ook aan anderen te laten zien dat dergelijk handelen op de standplaatsen niet wordt getolereerd.

6.12.

[appellanten] hebben gewezen op hun persoonlijke omstandigheden. Voor zover zij daarbij een beroep hebben gedaan op huurbescherming, faalt dat beroep, omdat zij geen huurders zijn en dus ook geen bescherming genieten van op een huurovereenkomst betrekking hebbende bepalingen. Uit hetgeen hiervoor al is overwogen volgt dat het [appellanten] ook vanaf 2014 duidelijk moet zijn geweest dat bij [geïntimeerde] de wil ontbrak om de standplaats na overlijden van de huurder aan hen in gebruik te geven. Zij hebben geen gebruik gemaakt van de daarvoor door de wet gegeven mogelijkheid om de kantonrechter vast te laten stellen dat zij de huur konden voortzetten. Ook in hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan kan worden geoordeeld dat zij dat in redelijkheid niet binnen zes maanden na het overlijden van [grootvader appellant] hadden kunnen doen, daargelaten de vraag of een dergelijke procedure kans van slagen zou hebben gehad.

6.13.

De slotsom luidt dat [appellanten] zonder recht of titel gebruik maken van de standplaats. Vanaf april 2014 hebben zij rekening kunnen en moeten houden met de omstandigheid dat zij na het overlijden van [grootvader appellant] andere woonruimte zouden moeten gaan zoeken. Feiten of omstandigheden waaruit volgt dat die ruimte nergens te vinden zou zijn geweest, zijn het hof niet gebleken. Dat de gemeente Eindhoven en (namens haar) [geïntimeerde] op grond van het toedelingsbeleid met betrekking tot standplaatsen geen andere beslissing hadden kunnen en mogen nemen dan toewijzing van de standplaats aan [appellanten] is in rechte niet gebleken. De aangevoerde persoonlijke omstandigheden zijn naar het oordeel van het hof niet van dien aard dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [appellanten] de standplaats ontruimen.

6.14.1.

Ter zitting hebben [appellanten] hun verweer nog aangevuld door, onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 oktober 2019 (ECLI:NL:RBROT:2019:7779), aan te voeren dat [geïntimeerde] misbruik maakt van haar bevoegdheid om de ontruiming te vorderen, doordat zij niet wil afwachten welk beleid de gemeente Eindhoven ten aanzien van de toewijzing van standplaatsen gaat ontwikkelen. Met betrekking tot de plaatsing op een “zwarte lijst” merken [appellanten] op dat de periode van vijf jaar gedurende welke zij niet in aanmerking zouden kunnen komen voor een (nieuwe) huurovereenkomst in maart 2020 is verstreken, gelet op de omstandigheid dat de bewezenverklaring ziet op een periode die tot maart 2015 heeft geduurd, zodat een eventuele plaatsing op die lijst voor hen geen gevolgen meer heeft.

6.14.2.

[geïntimeerde] heeft ter zitting geen bezwaar gemaakt tegen het aanvoeren van dit (nieuwe) argument. Zij heeft betoogd dat de onderhavige casus niet vergelijkbaar is met die waarover in [plaats 2] is geoordeeld, omdat [appellant] vanwege zijn betrokkenheid bij de productie van synthetische drugs voor vijf jaar op een zogenaamde “zwarte lijst” komt te staan. Gedurende die periode, die volgens [geïntimeerde] aanvangt op het moment waarop de standplaats wordt verlaten, komen [appellanten] sowieso niet in aanmerking voor de huur van een standplaats.

6.14.3.

Het hof verwerpt het standpunt van [appellanten] dat de termijn van plaatsing op een “zwarte lijst” aanvangt op het moment waarop het bewezen verklaarde strafbare feit is geëindigd. Zou van de uitleg van [appellanten] worden uitgegaan, dan zou dat tot gevolg hebben dat de omvang van de periode gedurende welke iemand niet in aanmerking komt voor een nieuwe huurovereenkomst (mede) wordt bepaald door de snelheid waarmee de rechtspraak een vordering tot ontruiming afhandelt. Dat kan leiden tot ongelijke behandeling en doet afbreuk aan de met het hanteren van een zwarte lijst beoogde afschrikkende werking.

6.14.4.

De omstandigheid dat [appellanten] zonder recht of titel op de standplaats verblijven is, gelet op het voorgaande, een vaststaand gegeven. Gelet op het door [geïntimeerde] gevoerde beleid en, in dat verband, het hanteren van een zwarte lijst, bestaat voorshands geen aanleiding om te veronderstellen dat [appellanten] bij een gewijzigd toewijzingsbeleid van de gemeente met betrekking tot standplaatsen op dit moment in aanmerking zullen komen voor toewijzing van de standplaats. Het is langzamerhand een feit van algemene bekendheid dat bestuur en justitie in Brabant hard optreden tegen de ondermijning die plaatsvindt door de grootschalige productie van en handel in verdovende middelen. Voorshands is dan ook niet aannemelijk dat de gemeente Eindhoven met haar nieuwe beleid zal afwijken van het bestaande beleid ten aanzien van huurders die betrokken zijn bij de handel of productie van die middelen. In dat geval bestaat geen grond voor een oordeel dat [geïntimeerde] misbruik maakt van haar recht om nu, voordat dat nieuwe beleid bekend is gemaakt, ontruiming van de standplaats te vorderen.

6.15.

Het voorgaande voert dan tot de beslissing zoals hierboven al is vermeld in r.o. 6.4. [appellanten] hebben als de in het ongelijk gestelde partij te gelden en zullen om die reden worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 741,= aan griffierecht en op € 2.148,= aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 157,= indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,=, vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenbeslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, R.J.M. Cremers en J.K. Six-Hummel en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 oktober 2020.

griffier rolraadsheer


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature