< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Partneralimentatie

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.267.734/01

zaaknummer rechtbank : C/02/347925 / FA RK 18-4100

beschikking van de meervoudige kamer van 24 september 2020

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J.C. Koster te Delft,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. R.E. Teusink te Roosendaal.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 18 juli 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 17 oktober 2019 in hoger beroep gekomen van genoemde beschikking van 18 juli 2019.

2.2.

De vrouw heeft op 11 december 2019 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

een journaalbericht van de zijde van de man van 3 augustus 2020 met producties 13, 16, 19 tot en met 26 , ingekomen op 3 augustus 2020;

een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 5 augustus 2020 met producties 2 en 3, ingekomen op 5 augustus 2020;

een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 17 augustus 2020 met productie 4, ingekomen op 17 augustus 2020.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 18 augustus 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.5.

Mr. Koster heeft ter mondelinge behandeling medegedeeld dat hij voldoende heeft kennisgenomen van voormeld journaalbericht van mr. Teusink van 17 augustus 2020 met bijlagen en dat hij instemt met overlegging van die bijlagen. Het hof slaat daarom ook acht op die bijlagen.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

a. Partijen zijn op 21 augustus 1981 te Hoogeveen met elkaar gehuwd.

Bij beschikking van 2 mei 2011 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is bepaald dat de man aan de vrouw voor levensonderhoud een bedrag van € 600,-- per maand moet voldoen, een en ander overeenkomstig artikel 1 van het convenant.

Voor het overige is in voormelde beschikking bepaald dat de onderlinge regelingen uit het tussen partijen op 18 maart 2011 ondertekende echtscheidingsconvenant als in de beschikking herhaald moeten worden beschouwd.

In het echtscheidingsconvenant zijn partijen (in artikel 1) overeengekomen dat de man, met ingang van de datum van goederenrechtelijke levering van de in artikel 2.1 van het convenant genoemde woning, zal bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 600,-- per maand. Partijen zijn verder overeengekomen (in artikel 1.2 van het convenant ) dat de alimentatie niet onderhevig is aan de wettelijke indexering ex artikel 1:402a Burgerlijk Wetboek (BW), maar alleen wordt verhoogd met een gelijk percentage waarmee het netto salaris van de man tijdens de alimentatieperiode wordt aangepast. De man zal de vrouw desgevraagd ieder jaar schriftelijk opgaaf doen van zijn salaris waaruit kan blijken of er al dan niet sprake is van een indexering van het salaris van de man.

Verder zijn partijen, voor zover thans van belang, in (artikel 1.4 van ) het echtscheidingsconvenant het volgende overeengekomen:

“Partijen zijn ervan op de hoogte dat de alimentatieplicht van de man volgens de wettelijke bepalingen (maximaal) 12 jaar duurt, te rekenen vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk. Krachtens artikel 1.1 van dit convenant gaat de verplichting tot het betalen van alimentatie voor de man in op de datum waarop de goederenrechtelijke levering van de in artikel 2.1 genoemde woning na verkoop plaatsvindt. Partijen komen, in afwijking van de wettelijke alimentatietermijn van 12 jaar, overeen dat de alimentatieverplichting van de man eindigt met ingang van de datum waarop de man met (vroeg)pensioen gaat.”.

In artikel 4 van het echtscheidingsconvenant zijn partijen daarnaast, voor zover hier van belang, overeengekomen dat de door partijen tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioenaanspraken zullen worden verevend conform de in de Wet verevening pensioenrechten na scheiding (de Wvp) opgenomen standaardregeling.

Partijen zijn in het convenant geen niet-wijzigingsbeding overeengekomen.

De echtscheidingsbeschikking is op 20 mei 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

i. Aan de man is, met toepassing van artikel 39a van het Algemeen militair ambtenarenreglement , met ingang van 1 juli 2017 eervol ontslag verleend uit de dienst als militair.

3.2.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Breda van 2 mei 2011 en voor zover nodig, artikel 1.1 van het tussen partijen overeengekomen convenant, de uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie ) met ingang van 6 augustus 2018 bepaald op € 1.000,-- per maand.

4.2.

De man heeft in hoger beroep verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen:

- primair voor recht te verklaren dat de onderhoudsverplichting van de man is geëindigd op 1 juli 2017;

- subsidiair het inleidend verzoek van de vrouw tot wijziging van de partneralimentatie af te wijzen;

- meer subsidiair de partneralimentatie over de periode 6 augustus 2018 tot en met 31 december 2018 vast te stellen op nihil, dan wel op € 383,-- netto (€ 647,-- bruto) per maand, dan wel op een bedrag dat het hof juist acht, voor de periode van 1 januari 2019 tot 30 september 2019 op nihil, dan wel een bedrag dat het hof juist acht en voor de periode vanaf 1 oktober 2019 op nihil nu de man door de gemeente [gemeente] vanaf 30 september 2019 is toegelaten tot de schuldhulpverlening;

- dat beide partijen de eigen kosten dragen.

4.3.

De vrouw heeft in hoger beroep verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen en de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, dan wel het hoger beroep af te wijzen.

4.4.

De man heeft drie grieven gericht tegen de bestreden beschikking. Zijn grieven zien op de volgende onderwerpen:

einde onderhoudsverplichting (grief 1);

wijziging van omstandigheden (grief 2);

draagkracht van de man (grief 3).

5 De motivering van de beslissing

Einde onderhoudsverplichting (grief 1)

5.1.

Het hof zal allereerst de meest verstrekkende grief van de man bespreken, te weten dat zijn onderhoudsverplichting is geëindigd met ingang van 1 juli 2107 (grief 1).

5.1.1.

Deze grief houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het aan de man op 1 juli 2017 verleende leeftijdsontslag niet gelijkgesteld kan worden aan (vroeg)pensioen als bedoeld in artikel 1.4 van het echtscheidingsconvenant en om die reden heeft afgewezen het verzoek van de man om voor recht te verklaren dat zijn alimentatieverplichting met ingang van 1 juli 2017 is geëindigd. Ter toelichting op zijn grief voert de man het volgende aan.

Alvorens overeenstemming te hebben bereikt, hebben partijen ruim anderhalf jaar met elkaar gesproken over de inhoud van het echtscheidingsconvenant. Op dat moment was de man 51 jaar. Het was partijen bekend dat de man op de leeftijd van 58 jaar eervol ontslag zou krijgen uit de militaire dienst en vanaf dat moment aanspraak zou gaan maken op de uitkering gewezen militairen (UGM). De partijbedoeling kan daarom geen andere geweest zijn dan dat de man met ingang van 1 juli 2017 niet langer onderhoudsplichtig was voor de vrouw. In de praktijk wordt het Functioneel Leeftijdsontslag gezien als een vorm van vroegpensioen. Het inkomen van de man daalde met ingang van 1 juli 2017 met ruim 30% ten opzichte van de situatie per mei 2011, zodat het ook om die reden niet onbegrijpelijk was dat voor partijen de datum 1 juli 2017 bepalend was voor het moment voor het moment waarop de verplichting van de man zou eindigen.

5.1.2.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd als volgt. Het functioneel leeftijdsontslag van de man op basis van het algemeen militair ambtenarenreglement is geen (vroeg)pensioen. Het betreft een financiële voorziening voor de periode liggend tussen het functioneel leeftijdsontslag en het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. De afspraken die partijen met elkaar hebben gemaakt en de bedoeling die zij met deze afspraken hadden, zijn glashelder. Zo staat in het gespreksverslag van de mediation van 1 december 2009 expliciet vermeld dat partijen hebben besproken dat de partneralimentatie die de man verschuldigd is, stopt op het moment dat de pensioenverevening ingaat en dat die pensioenverevening zou plaatsvinden volgens de standaardregeling uit de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding. Ook is besproken de vraag of de pensioenverevening al bij de 58ste verjaardag van de man ingaat. De mediator vermeldt in het gespreksverslag: “De alimentatie houdt op op het moment dat de pensioenverevening ingaat. De pensioenverevening zal volgens de standaardregeling uit de Wet Verevening Pensioenrechten bij Echtscheiding plaatsvinden. Dat geldt voor beide pensioenen. Of dit al bij de 58ste verjaardag is, is de vraag. Zulks is eenvoudig na te lezen in de pensioenregeling.”

5.1.3.

Het hof overweegt als volgt.

De grief van de man slaagt. Naar het oordeel van het hof moet artikel 1.4 van het echtscheidingsconvenant (hiervóór weergegeven in rov. 3.1 sub e), met toepassing van de Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG 4158, NJ 1981, 635), zo worden uitgelegd dat partijen daarbij kennelijk de bedoeling hadden af te spreken dat de alimentatieverplichting van de man zou eindigen op het moment dat hij met functioneel leeftijdsontslag zou gaan. Daartoe overweegt het hof het volgende.

Ten tijde van de ondertekening van het echtscheidingsconvenant op 18 maart 2011 was de man 51 jaar oud. Tussen partijen staat vast dat zij het erover eens waren dat de 12-jaarstermijn van de alimentatieplicht van de man zou aanvangen op de datum van ontbinding van het huwelijk (20 mei 2011). Partijen (ook de vrouw) moeten er dus mee bekend zijn geweest dat de man bij het einde van de 12-jaarstermijn 63 jaar oud zou zijn. Uitgaande van de in 2011 geldende situatie dat het ouderdomspensioen van de man pas zou ingaan op het moment dat hij 65 jaar zou worden, zou de bepaling van artikel 1.4 van het echtscheidingsconvenant zinledig zijn, indien partijen met het begrip “(vroeg)pensioen” enkel het (verkrijgen van) ouderdomspensioen zouden hebben bedoeld, zoals de vrouw heeft betoogd. Op het moment dat de man met ouderdomspensioen zou gaan, zou de 12-jaarstermijn immers al zijn verstreken. Aan artikel 1.4 van het echtscheidingsconvenant kan dan ook geen andere betekenis worden toegekend, dan dat partijen daarmee de bedoeling hebben gehad af te spreken dat de alimentatieverplichting van de man zou eindigen op het moment dat hij met functioneel leeftijdsontslag zou gaan. Dit geldt temeer nu de man onweersproken heeft gesteld dat de UGM-uitkering doorloopt tot aan het moment dat hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, zodat partijen ook geen ander soort (vroeg)pensioen kunnen hebben bedoeld.

5.2.

Het voorgaande brengt met zich dat het inleidende verzoek van de man om voor recht te verklaren dat zijn alimentatieverplichting met ingang van 1 juli 2017 is geëindigd, alsnog kan worden toegewezen. Gelet hierop behoeven de grieven 2 en 3 van de man geen nadere bespreking meer.

6 De slotsom

in het hoger beroep

6.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

6.2.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 18 juli 2019, voor zover daarbij met wijziging van de beschikking van de rechtbank Breda van 2 mei 2011 en, voor zover nodig, artikel 1.1 van het echtscheidingsconvenant, met ingang van 6 augustus 2018 de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw is vastgesteld op € 1.000,-- per maand,

en in zoverre opnieuw beschikkende:

verklaart voor recht dat op grond van artikel 1.4 van het door partijen op 18 maart 2011 ondertekende echtscheidingsconvenant de alimentatieverplichting van de man tegenover de vrouw met ingang van 1 juli 2017 is geëindigd;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, H. van Winkel en M.A. Ossentjuk, en bij afwezigheid van de voorzitter door mr. H. van Winkel in het openbaar uitgesproken op 24 september 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature