< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Vrijspraak van ten laste gelegde moord. Veroordeling ter zake van doodslag tot 6 jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. Verwerping strafuitsluitingsgronden.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



Parketnummer : 20-003377-19

Uitspraak : 21 september 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 23 oktober 2019 in de strafzaak met parketnummer 01-865058-18 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,

thans verblijvende in Huis van Bewaring Roermond te Roermond.

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het impliciet primair ten laste gelegde feit, te weten moord, bewezen zal verklaren en verdachte ter zake zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vorderingen van [benadeelde partij 1] (ad € 5.349,50) en [benadeelde partij 2] (€ 15.000,-) geheel worden toegewezen, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente en telkens met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr . De advocaat-generaal heeft zich ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 3] (€ 15.000,-) op het standpunt gesteld dat de benadeelde in deze vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Voorts heeft de advocaat-generaal toewijzing gevorderd van de door de benadeelde partijen in eerste aanleg en in hoger beroep gevorderde proceskosten.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de aan verdachte impliciet ten laste gelegde moord op [slachtoffer] en zich voor wat betreft de aan verdachte ten laste gelegde doodslag gerefereerd aan het oordeel van het hof. De raadsman heeft vervolgens bepleit dat aan verdachte een beroep op noodweer(exces) dan wel putatief noodweer(exces) dan wel psychische overmacht toekomt en dat hij derhalve dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Gelet op het bepleite ontslag van alle rechtsvervolging heeft de raadsman het hof primair verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen.

Subsidiair heeft de raadsman zich voor wat betreft de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] aangesloten bij de ter zake genomen beslissingen van de rechtbank. De raadsman heeft voorts de hoogte van het door de rechtbank aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toegewezen bedrag betwist en het hof verzocht haar een lager bedrag aan immateriële schadevergoeding toe te kennen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 april 2018 te Schijndel, gemeente Meierijstad, [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen meerdere malen, althans eenmaal in het hoofd en/of de romp en/of de hals/het aangezicht, althans het lichaam van die [slachtoffer] te schieten.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van de impliciet primair ten laste gelegde moord

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.

De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat.

Het hof acht, anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, niet bewezen dat sprake is geweest van voorbedachte raad.

Uit de hierna nog nader door het hof vast te stellen feiten en omstandigheden volgt dat de

verdachte op 21 april 2018, enkele dagen voor het tenlastegelegde, een vuurwapen met bijbehorende munitie heeft aangeschaft.

Hoewel het aanschaffen van het vuurwapen wel een aanwijzing oplevert dat sprake is van voorbedachte raad bij verdachte is het hof van oordeel dat er in de onderhavige zaak contra-indicaties zijn die aan een bewezenverklaring van voorbedachte raad in de weg staan.

Uit het onderzoek leidt het hof namelijk af dat verdachte het wapen had aangeschaft omdat hij geen geld meer aan [slachtoffer] wilde betalen en zich niet meer wilde laten bedreigen. Hoewel verdachte er wel rekening mee hield dat hij het wapen tegen [slachtoffer] zou gebruiken, zijn er geen aanwijzingen dat hij toen al het besluit had genomen om [slachtoffer] van het leven te beroven.

Uit het onderzoek leidt het hof voorts af dat [slachtoffer] op 25 april 2018 om 19.06.30 uur aanbelt bij de (ouderlijke) woning van verdachte om van de verdachte geld op te eisen. Na twee keer te hebben aangebeld, zonder dat iemand in de woning reageerde, vertrekt [slachtoffer] met zijn auto om 19.08.20 uur. Iets meer dan 20 seconden later rent verdachte, met het vuurwapen in zijn vestzak, de woning uit, rent naar zijn (leen)auto, een blauwe Volvo Station, en rijdt kort daarna de [straatnaam 1] uit en neemt de bocht naar links, de [straatnaam 2] in (19.09.15 uur).

[slachtoffer] is eerder ook in dezelfde richting gereden. Hij heeft zijn auto op de [straatnaam 2] gekeerd en heeft vervolgens zijn auto op de, vanuit zijn rijrichting gezien, rechts naast deze weg gelegen taxistandplaats geparkeerd, met de neus in de richting van de [straatnaam 1] . Op de camerabeelden wordt om 19.09.12 uur de motorkap van de Ford Fiësta van [slachtoffer] zichtbaar.

Op de camerabeelden is te zien dat de blauwe Volvo Station om 19.09.22 uur naast de Ford Fiësta tot stilstand komt en 4 seconden later buiten beeld van de camera geraakt.

Uit het onderzoek blijkt dat toen een confrontatie heeft plaatsgevonden waarbij de verdachte, zoals hij ook heeft bekend, driemaal met zijn vuurwapen op het lichaam van [slachtoffer] heeft geschoten.

Uit het onderzoek blijkt voorts dat verdachte hoopte dat [slachtoffer] niet bij zijn woning zou komen en dat [slachtoffer] verder zou afzien van het geldbedrag dat verdachte aan [slachtoffer] zou moeten betalen. Toen verdachte, die onder de douche stond toen er werd aangebeld, [slachtoffer] zag, heeft hij zich direct aangekleed en het geladen vuurwapen gepakt en is achter [slachtoffer] aangegaan.

Uit het voorgaande volgt dat tussen het moment dat [slachtoffer] bij de woning van verdachte aanbelt en verdachte met het vuurwapen in zijn vestzak naar buiten rent slechts iets meer dan 2 minuten zijn verstreken.

Tussen het verlaten van de woning door verdachte (19.08.44 uur) en het moment dat hij met de Volvo Station naast de Ford Fiësta komt te staan (19.09.22) zijn vervolgens slechts 38 seconden verstreken.

Het hof stelt aldus vast dat tussen het besluit om, voorzien van een vuurwapen, achter [slachtoffer] aan te gaan en de uitvoeringshandeling, het schieten op [slachtoffer] , sprake was van een zeer korte tijdspanne.

Het voorgaande brengt het hof tot het oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Immers, niet kan worden vastgesteld dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit of dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

Het hof zal de verdachte dan ook vrijspreken van moord.

Het hof acht wel wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan doodslag.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 25 april 2018 te Schijndel, gemeente Meierijstad, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen in het hoofd, de romp en de hals/het aangezicht van die [slachtoffer] te schieten.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Verweren van de verdediging strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging

Ter terechtzitting heeft de raadsman overeenkomstig zijn pleitnota aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu hem een beroep op (putatief) noodweer(exces) dan wel psychische overmacht toekomt. De raadsman heeft daartoe onder meer aangevoerd dat er sprake was van een ogenblikkelijke (dreigende) wederrechtelijke aanranding van verdachte toen [slachtoffer] ziedend en agressief schreeuwend uit zijn auto stapte en met zijn rechterhand richting het tasje reikte, waar twee keer eerder een vuurwapen in had gezeten, dan wel dat verdachte daaromtrent verontschuldigbaar heeft gedwaald. De raadsman heeft in dat verband gewezen op de voorgeschiedenis tussen verdachte en [slachtoffer] , waarbij verdachte steeds onder bedreiging van een vuurwapen werd gedwongen tot betaling van geldbedragen, waarbij zelfs de moeder van verdachte betrokken werd. Door driemaal een kogel af te schieten op [slachtoffer] heeft verdachte de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit niet overschreden. Indien het hof van oordeel mocht zijn dat verdachte niet proportioneel heeft gehandeld, dient hem een beroep op (putatief) noodweerexces toe te komen nu uit het onderzoek volgt dat verdachte op dat moment in paniek was en bij hem sprake was van een hevige gemoedsbeweging, volgens de deskundigen een zogenoemde angst-arousal.

Meer subsidiair is volgens de raadsman sprake van psychische overmacht.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op (putatief) noodweer(exces) dan wel psychische overmacht dient te worden afgewezen en dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Feiten en omstandigheden

Het hof gaat bij de beoordeling van de verweren van de verdediging uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting volgt dat [slachtoffer] in de periode van 13 april 2018 tot en met 25 april 2018 meerdere malen geld van verdachte eiste.

Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] kent via [getuige 1] . In 2015/2016 woonde [getuige 1] een korte tijd in de woning van verdachte. In dezelfde periode handelden [slachtoffer] en [getuige 1] in cocaïne en heeft verdachte twee maal 15 gram cocaïne voor hen verkocht. Een deel van de opbrengst van de cocaïneverkoop (te weten

€ 300,-) moest verdachte nog aan [slachtoffer] en [getuige 1] geven toen er een hoge naheffing van de energierekening van de woning van verdachte (met [getuige 1] als bewoner) kwam van € 600,-. Verdachte heeft, zo verklaart hij, daarop met [getuige 1] afgesproken dat ze deze rekening zouden delen en dat het bedrag dat [slachtoffer] of [getuige 1] nog van verdachte kreeg voor de cocaïneverkoop zou worden weggestreept tegen het bedrag dat verdachte van [getuige 1] kreeg voor de naheffing en dat ze daarmee quitte zouden staan. [getuige 1] zou het verder met [slachtoffer] regelen. [slachtoffer] was het hier kennelijk niet mee eens en eiste het geldbedrag bij de verdachte op. Daarbij heeft [slachtoffer] zich dreigend uitgelaten tegen verdachte. Zo schreef [slachtoffer] onder andere aan verdachte: “…of je regelt het, of ik word echt boos en je gaat iets meemaken wat je niet mee wil maken, hoop dat je het gewoon netjes regelt. Anders kijk je naar een stuk ijzer.” [getuige 1] is meerdere malen als getuige gehoord en hij bevestigde dat [slachtoffer] geld wilde zien van verdachte en dat [slachtoffer] telkens als hij in geldnood zat hem ( [getuige 1] ) vroeg om contact met verdachte te leggen.

Eind 2017 hebben [getuige 1] en [getuige 2] op een avond een aanrijding veroorzaakt terwijl ze reden in de Ford Transit van verdachte die ze ongevraagd meegenomen hadden. Verdachte heeft daarop aangifte van joyriding gedaan. [getuige 1] was boos over de aangifte, zo verklaart hij ook zelf ten overstaan van de rechter-commissaris, en ging daarom akkoord met het voorstel van [slachtoffer] om verdachte op 13 april 2018 naar zijn woning in [plaatsnaam] te lokken. Verdachte verklaart hierover dat hij op die dag door [getuige 1] werd uitgenodigd om langs te komen. Eenmaal daar bleken [slachtoffer] , [getuige 3] en [getuige 4] ook in de woning aanwezig te zijn. In de woning heeft [slachtoffer] geld geëist van de verdachte waarbij verdachte door [slachtoffer] werd bedreigd met een wapen en door [getuige 3] met een mes. Door [getuige 1] werd een gat in de tafel geslagen. Volgens getuige [getuige 4] had [slachtoffer] een vuurwapen in zijn broek(sband). Ze heeft gezien dat [slachtoffer] het wapen uit zijn broek pakte en weer terug deed. Later hoorde zij dat het geen echt vuurwapen was.

Verdachte is vervolgens door [slachtoffer] en [getuige 3] meegenomen naar de bank om € 350,- te gaan pinnen die hij op zijn rekening had staan. Verdachte zou daarbij in de auto door [slachtoffer] met het wapen zijn bedreigd. Daarna is verdachte door [slachtoffer] meegenomen naar zijn (verdachtes) woning om meer geld te gaan regelen. [slachtoffer] dreigde daarbij dat verdachte, indien betaling zou uitblijven, zijn auto op naam van [slachtoffer] zou moeten zetten.

Getuige [getuige 5], de moeder van verdachte, heeft bevestigd dat zij die dag € 900,- is gaan pinnen nadat verdachte samen met een jongen (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) bij haar in de woning kwam. Hierbij werd haar door de jongen een vuurwapen getoond en zei de jongen dat hij het geld echt moest hebben omdat er anders iets zou gebeuren.

Verdachte moest vervolgens van [slachtoffer] ook de tafel vergoeden die door [getuige 1] kapot was geslagen. Voor de betaling van deze vergoeding is verdachte op 18 april 2018 naar de woning in [plaatsnaam] gereden waar [slachtoffer] op dat moment verbleef.

[slachtoffer] kwam daar met een volgende eis: verdachte moest ook nog € 650,- vergoeden aan inkomsten die misgelopen waren doordat [getuige 2] door het incident met de Ford Transit geen cocaïne had kunnen verkopen voor [slachtoffer] . [getuige 1] heeft verklaard dat hij van [slachtoffer] had gehoord dat verdachte op 18 april 2018 € 350,- heeft betaald voor de tafel en dat verdachte de week erop € 650,- zou betalen die [slachtoffer] ook nog van verdachte wilde hebben.

Aanschaf van het vuurwapen

Verdachte heeft vervolgens een pistool met bijbehorende munitie gekocht. Het hof gaat ervan uit dat hiervoor een geldbedrag van € 2.000,- is betaald. De leverancier van het wapen heeft de verdachte laten zien hoe het wapen werkte. Verdachte heeft dit wapen vervolgens - schietklaar - in de berging in zijn woning achter in een kastje gelegd.

Verdachte heeft verklaard dat hij het pistool had aangeschaft voor zijn eigen bescherming en om [slachtoffer] te laten zien dat hij ‘niet meer met zich liet sollen’. Het hof begrijpt hieruit dat verdachte genoeg had van de eisen van [slachtoffer] en dat hij niet meer van plan was om aan [slachtoffer] geld te betalen. De aanschaf van het pistool met de bijbehorende munitie heeft op 21 april 2018 plaatsgevonden, derhalve enkele dagen voordat verdachte aan [slachtoffer] € 650,- zou moeten betalen. Uit het onderzoek volgt verder dat verdachte met zijn mobiele telefoon een foto heeft gemaakt van het vuurwapen en het magazijn. Uit de verklaring van [getuige 6] , een collega van de verdachte, volgt dat verdachte hem in vertrouwen heeft genomen en hem heeft verteld dat hij, verdachte, geld moest betalen. De verdachte heeft hem toen de foto van het wapen laten zien en heeft gezegd ‘geen andere uitweg te zien dan het wapen te gebruiken’.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging deze verklaring van [getuige 6] betwist. Verdachte heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij met [getuige 6] heeft gesproken over het afpersen door [slachtoffer] en dat [getuige 6] mogelijk een wrok heeft tegen verdachte. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid van de verklaring van [getuige 6] te twijfelen. [getuige 6] heeft de foto van het wapen die de verdachte hem heeft getoond beschreven welke beschrijving overeenkomt met het wapen op de foto die in de mobiele telefoon van de verdachte is aangetroffen. Bovendien zijn er geen aanwijzingen dat [getuige 6] tegen verdachte wrok koesterde en in strijd met de waarheid de verdachte in een kwaad daglicht heeft willen stellen.

De dag van het schietincident

Op 25 april 2018 heeft [slachtoffer] een aantal WhatsApp-berichten naar de verdachte gestuurd inhoudende dat hij de € 650,- wilde hebben. Verdachte heeft niet op deze berichten gereageerd. Door [slachtoffer] is toen onder meer gedreigd dat hij het geld zou komen halen en dat hij bij de verdachte aan de deur zou komen als verdachte niet reageerde. Daarbij dreigde hij met de woorden: “Kende vlug reageer of ik kom aan de deur. Maat begin te flikkpr. Jou keuze, Heb nu afspraak en daarna kom ik het halen. Als je niet reageert Eh dan is het feest’.

Verdachte heeft verklaard dat hij deze berichten wel heeft gelezen maar dat hij daarop niet heeft gereageerd en dat hij hoopte dat [slachtoffer] niet aan de deur zou komen.

Uit het onderzoek blijkt dat verdachte en de vader van verdachte, [naam] , er beiden rekening mee hielden dat [slachtoffer] die dag bij hun woning zou komen om het geld op te halen maar dat zij in dat geval zouden doen voorkomen dat er niemand thuis was. De vader van verdachte heeft hierover verklaard dat [slachtoffer] geld wilde hebben en dat hij die middag nog is gaan kijken of hij in de straat een verdachte auto zag en dat hij zijn eigen auto verder van het huis had weggezet, zodat het zou lijken alsof er niemand thuis was. Ook verdachte heeft verklaard dat hij om die reden zijn (leen)auto, de Volvo Station, niet bij de woning had gezet.

Uit de camerabeelden blijkt dat [slachtoffer] op 25 april 2018 om 19.06 uur in zijn auto, een Ford Fiësta, bij de woning van de verdachte is verschenen, is uitgestapt en meerdere malen heeft aangebeld (de eerste keer om 19.06.30 uur), maar dat niemand de deur heeft geopend. [slachtoffer] is vervolgens na een paar minuten weer in zijn auto gestapt en om 19.08.20 uur weggereden.

Op de beelden is te zien dat hij vervolgens zijn auto om de hoek, in de [straatnaam 2] , heeft geparkeerd met de neus in de richting van de [straatnaam 1] Het hof leidt hieruit af dat [slachtoffer] in zijn auto wachtte op de komst van de verdachte om hem aan te spreken op het geld.

Verdachte heeft zich snel aangekleed, het geladen wapen uit het kastje gepakt en is 24 seconden nadat [slachtoffer] met zijn auto was weggereden, zijn woning uitgerend naar zijn auto en is [slachtoffer] achterna gereden.

De verdachte is vervolgens de [straatnaam 2] ingereden en is, zo is op de beelden te zien, onmiddellijk naar de auto van [slachtoffer] gereden. Vervolgens is het gekomen tot een confrontatie tussen de verdachte en [slachtoffer] waarbij de verdachte zijn vuurwapen heeft gepakt en drie schoten heeft gelost in de richting van [slachtoffer] . [slachtoffer] is ten gevolge daarvan overleden. Op de beelden is de confrontatie zelf niet te zien. Uit het onderzoek is gebleken dat bij [slachtoffer] geen wapen is aangetroffen; [slachtoffer] was op het moment van de confrontatie met verdachte ongewapend.

Uit het onderzoek blijkt voorts dat het incident in slechts zeer korte tijd heeft plaatsgevonden. Uit de beelden blijkt namelijk dat 14 seconden nadat de auto van verdachte uit beeld is verdwenen, de getuige [getuige 7] zijn woning heeft verlaten omdat hij schoten had gehoord.

Verdachte is, nadat hij de schoten heeft gelost, weggereden. Hij heeft zijn auto voorzien van valse kentekenplaten om herkenning te voorkomen en uit handen van de politie te blijven en hij heeft het vuurwapen weggemaakt. Voorts is gebleken dat de vader van de verdachte hem de volgende dag heeft voorzien van schone kleding en van een geldbedrag omdat verdachte geld nodig had.

Verdachte is de dag na het schietincident nog op de bouw verschenen waar hij met [getuige 6] heeft gesproken. Verdachte heeft toen slechts gezegd dat het ‘gruwelijk uit de hand is gelopen’ maar heeft niets gezegd over enige bedreiging van de zijde van [slachtoffer] .

Verdachte is uiteindelijk op 27 april 2018 aangehouden. Hij heeft aanvankelijk zijn betrokkenheid bij het feit ontkend.

Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] achterna is gereden om hem alsnog een deel van het geldbedrag te betalen en dat hij, toen hij [slachtoffer] zag, tegen hem heeft gezegd dat hij een deel van het geldbedrag kwam betalen maar dat hij nog niet alles had, dat [slachtoffer] hem vervolgens heeft bedreigd en naar zijn tasje heeft gegrepen en dat hij, verdachte, in de veronderstelling was dat [slachtoffer] naar een wapen greep en toen, omdat hij zich bedreigd voelde, uit paniek zijn wapen heeft gepakt en heeft geschoten.

Het hof hecht geen geloof aan deze verklaring van de verdachte.

Uit de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden leidt het hof af dat verdachte, toen hij [slachtoffer] voor de deur van zijn woning zag staan, het - geladen - wapen heeft gepakt en [slachtoffer] achterna is gegaan, niet om [slachtoffer] alsnog een deel van het geldbedrag te betalen, zoals de verdachte heeft verklaard, maar om de confrontatie met [slachtoffer] aan te gaan. Verdachte was namelijk, naar het oordeel van het hof, in het geheel niet van plan om [slachtoffer] nog geld te betalen. Het hof wijst daarbij in het bijzonder op de verklaring van de verdachte dat hij een pistool had aangeschaft zodat hij kon laten zien dat [slachtoffer] niet meer met hem moest sollen. Hij verklaarde letterlijk: “Ze (het hof begrijpt [slachtoffer] en zijn vrienden) verzinnen iedere keer iets, ik ben ook geen Rabobank . Ik heb wel een eigen bedrijf maar ik kan hier niet mee doorgaan.” Het hof wijst voorts op de omstandigheid dat verdachte niet reageerde op de berichten van [slachtoffer] waarin hij werd gemaand te betalen en op de omstandigheid dat hij deed voorkomen alsof hij niet thuis was. Bovendien had de verdachte voor het vuurwapen dat hij had aangeschaft om [slachtoffer] laten zien dat hij ‘niet meer met zich liet sollen’, een aanzienlijk geldbedrag betaald. Verdachte wilde met het wapen voorkomen dat hij nog door [slachtoffer] zou worden gedwongen geld te betalen. Dat de verdachte dan achter [slachtoffer] is aangereden om hem alsnog een deel van het geldbedrag te betalen acht het hof onaannemelijk. Daar komt nog bij dat, toen [slachtoffer] onverrichterzake vertrok bij de woning van de verdachte, er voor verdachte geen enkele reden was om onmiddellijk achter [slachtoffer] aan te gaan.

Dit brengt mee dat het hof ook geen geloof hecht aan de verklaring van verdachte over hetgeen kort voor het lossen van de schoten zou zijn gebeurd. Gelet op de omstandigheid dat verdachte geen geld meer aan [slachtoffer] wilde betalen en zich daartoe had voorzien van een vuurwapen en gelet op de reactie van verdachte toen [slachtoffer] bij zijn woning was verschenen om het geldbedrag op te halen, te weten het zich snel aankleden, naar beneden rennen, pakken van het geladen vuurwapen, de woning uitrennen, achterna rijden van [slachtoffer] en, toen hij [slachtoffer] zag, het onmiddellijk naar hem toerijden, gaat het hof ervan uit dat verdachte, voorzien van een geladen vuurwapen, de confrontatie met [slachtoffer] heeft gezocht om te voorkomen dat [slachtoffer] nogmaals geld van hem zou eisen en dat hij, toen hij [slachtoffer] zag, hem het wapen heeft getoond en heeft geschoten.

Beoordeling van de verweren

Dit leidt tot de gevolgtrekking dat verdachte willens en wetens met een geladen vuurwapen de confrontatie met [slachtoffer] heeft gezocht en op [slachtoffer] heeft geschoten.

Het hof is van oordeel dat de aan de verweren ten grondslag gelegde feitelijke toedracht, inclusief de door de verdediging aangevoerde ‘angst-arousal’, niet aannemelijk is geworden, hetgeen meebrengt dat het beroep op (putatief) noodweer, (putatief) noodweerexces dan wel psychische overmacht dient te worden verworpen.

Er zijn derhalve geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof neemt bij het bepalen van de straf in het bijzonder het navolgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich op 25 april 2018 schuldig gemaakt aan doodslag door driemaal op [slachtoffer] te schieten met een vuurwapen dat hij, verdachte, had aangeschaft omdat hij geen geld meer aan [slachtoffer] wilde betalen. Verdachte heeft zonder de hulpdiensten in te schakelen het zwaargewonde slachtoffer achter gelaten en is op de vlucht geslagen. [slachtoffer] is kort na het schietincident op de grond naast zijn auto overleden. Door zijn handelen heeft verdachte het slachtoffer, een destijds 26-jarige man, het meest fundamentele recht, namelijk het recht om te leven, ontnomen. Daarnaast heeft verdachte door het slachtoffer om het leven te brengen de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar veel leed en verdriet toegebracht, zoals onder meer blijkt uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen schriftelijke slachtofferverklaringen van de vader, de tweelingzus en de broer van het slachtoffer.

Het door verdachte gepleegde strafbare feit is een misdrijf dat de rechtsorde ernstig schokt en tot angst en gevoelens van onveiligheid in de maatschappij leidt. Het schietincident vond plaats op klaarlichte dag, op de openbare weg, in een woonwijk, grenzend aan een scoutinggebouw, hetgeen heeft geleid tot veel onrust en zorgen in de wijk. Spelende kinderen hebben het zwaargewonde slachtoffer zien liggen.

Het hof rekent het verdachte ook aan dat hij tot op heden niet kenbaar heeft willen maken waar het door hem gebruikte vuurwapen zich bevindt, zodat het voor de politie niet mogelijk is om dit vuurwapen veilig te stellen.

Het hof is echter ook van oordeel dat bij het bepalen van de straf rekening dient te worden gehouden met hetgeen voorafging aan het door verdachte gepleegde feit en de bedenkelijke rol die het latere slachtoffer had in de aanloop naar het schietincident. Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden volgt dat [slachtoffer] verdachte meerdere malen geldbedragen afhandig heeft gemaakt en er niet voor terugdeinsde om daarbij gebruik te maken van een wapen om verdachte (en diens moeder) te bedreigen. Nadat verdachte [slachtoffer] de eerste keer had betaald, bleef [slachtoffer] redenen verzinnen om verdachte telkens weer geld te laten betalen waarbij hij verdachte onder druk zette.

Ook op 25 april 2018 wilde [slachtoffer] geld zien en dreigde hij bij de ouderlijke woning van verdachte langs te komen om het geld op te halen, hetgeen ook gebeurde.

Verdachte heeft echter van de bedreigingen door [slachtoffer] geen aangifte gedaan bij de politie, maar heeft een vuurwapen aangeschaft om te voorkomen dat hij nog aan [slachtoffer] geld zou moeten betalen, hetgeen resulteerde in de dood van [slachtoffer] .

Tevens heeft het hof kennis genomen van de inhoud van het Pro Justitia rapport van 30 augustus 2018 betreffende het triple onderzoek van verdachte. De gedragsdeskundigen concluderen dat er bij verdachte geen sprake is van een stoornis van de geestesvermogens, maar wel van een aan middelengebruik gerelateerde problematiek en een onrijpe persoonlijkheid. De rapporteurs schrijven daarover:

“Verdachte is met name nogal naïef maar daarnaast ook eigenwijs. Hij is beïnvloedbaar en heeft een vermijdingsgerichte copingstijl, welke gericht is op het vermijden van de emotionele gevolgen van stress. Betrokkene zoekt toevlucht in het gezelschap van anderen. Hij lijkt nauwelijks andere strategieën te hanteren bij het oplossen van moeilijke, stressvolle of enerverende situaties. Het valt op dat hij weinig neiging heeft tot reflectie; als hij zich een voorstelling maakt hoe hij zal handelen, is hij weinig geneigd om voor- en nadelen te overwegen, te relativeren, en bij anderen hulp te vragen. Hij maakt een inschatting en kiest een strategie, hij handelt hiernaar en schrijft alternatieve gedragingen af als minder passende oplossingen.

(..)

Vanuit zijn coping dat hij de emotionele gevolgen van stress vermijdt, zag hij maar één manier om het probleem op te lossen omtrent de telkens voortdurende afpersing. Hij koos er voor om niet naar de politie te gaan om mogelijke wraakacties daarna te vermijden. Hij deed hiermee aannames die hij niet toetste en waarbij hij nauwelijks alternatieven overwoog of anderszins hulp inschakelde. Betrokkene vroeg geen hulp en dacht het alleen op te lossen, enerzijds omdat hij anderen er niet mee wilde belasten maar anderzijds ook omdat hij een beeld had dat hij het wel kon oplossen door paal en perk te stellen. Hij werd en wordt overvallen door zijn emoties en neigt dan tot vermijding en ontkenning en tot impulsieve acties uitgaande van de oplossingen die hij zelf bedenkt. Hij gaat ervan uit dat zijn interpretatie klopt terwijl hij dat niet toetst. In het traject naar het ten laste gelegde is dat patroon herkenbaar; hij sprak over de afpersing niet met anderen om hen niet te belasten, maar ook omdat hij daar het nut niet van inzag. (…)Hij vult in en gaat ervan uit dat zijn gevaarsinschatting en zijn inschatting van wat de beste oplossing is, klopt, zonder dat te verifiëren.”

De deskundigen komen tot de conclusie dat het bewezen verklaarde feit volledig aan verdachte kan worden toegerekend. Het hof neemt deze conclusie over.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof verder acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 26 mei 2020, waaruit blijkt dat verdachte als meerderjarige niet eerder is veroordeeld ter zake van het plegen van geweldsdelicten.

Hoewel het hof, anders dan de rechtbank verdachte heeft vrijgesproken van de hem ten laste gelegde moord en tot een bewezenverklaring van doodslag is gekomen, acht het hof, alle omstandigheden in aanmerking genomen, een gevangenisstraf van zes jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

De verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan een strafbaar feit dat zo ernstig is en voor de direct betrokkenen een zodanig grote impact op hun levens met zich brengt, dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van voormelde duur met zich brengt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] , de vader van het slachtoffer, heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 9.099,25 ter zake van begrafeniskosten (€ 9074,25) en reiskosten (€ 35,-), te vermeerderen met de wettelijke rente.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de benadeelde partij de vordering verlaagd tot een bedrag van € 5.349,50.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 5.349,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening. Tevens heeft de rechtbank de gevorderde reiskosten ad € 35,- als proceskosten toegewezen.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de vordering in hoger beroep te handhaven.

Voorts heeft de benadeelde partij vergoeding gevorderd van de in verband met de procedure in hoger beroep gemaakte reiskosten ad € 46,64.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag in zijn geheel kan worden toegewezen te vermeerderen met de wettelijke rente, en met toewijzing van de gevorderde reiskosten en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft gelet, op de door de verdediging gevoerde verweren, primair de niet ontvankelijkheid van de benadeelde partij in zijn vordering bepleit; subsidiair bij een beoordeling van de vordering, acht de verdediging deze vordering voldoende onderbouwd en voor toewijzing vatbaar.

De vordering tot schadevergoeding betreft de door de [benadeelde partij 1] ten behoeve van het slachtoffer gemaakte kosten van lijkbezorging. Op grond van artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 6:108, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek kan degene die deze kosten heeft gemaakt zich ter zake van deze schade als benadeelde partij in het strafproces voegen.

De hoogte van de vordering is door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep niet betwist, terwijl de geleden schade door de benadeelde partij voldoende is onderbouwd. Het hof acht de vordering tot schadevergoeding derhalve geheel toewijsbaar. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het toegewezen bedrag ter vergoeding van materiële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2018, zijnde de dag waarop uitvaartverzorger [naam bedrijf] de factuur bij de benadeelde partij heeft ingediend, tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de tijdens de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep gemaakte proceskosten (reiskosten) aan de zijde van de benadeelde partij, ad € 81,64.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde partij 1] is toegebracht tot een bedrag van € 5.349,50. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] , de tweelingzus van het slachtoffer, heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van immateriële schade (shockschade) tot een bedrag van € 15.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank heeft de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Tevens heeft de rechtbank de gevorderde reiskosten ad € 73,15 als proceskosten toegewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. Voorts heeft de benadeelde partij vergoeding gevorderd van de in verband met de procedure in hoger beroep gemaakte reiskosten ad

€ 36,57.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag in zijn geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente, en met toewijzing van de gevorderde reiskosten en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft, gelet op de gevoerde verweren, primair de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar vordering bepleit, subsidiair heeft de verdediging betoogd dat het door de rechtbank toegewezen bedrag te hoog is nu de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met het gegeven dat de dood van [slachtoffer] bij uitstek het gevolg is geweest van zijn eigen handelen.

Het hof overweegt als volgt.

Blijkens vaste jurisprudentie kan vergoeding ter zake van shockschade plaatsvinden als door het waarnemen van een geweldsmisdrijf of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit. Toekenning van een vergoeding ter zake van shockschade is ingevolge artikel 6:106, aanhef, onder b van het Burgerlijk Wetboek echter alleen mogelijk indien het bestaan van geestelijk letsel in rechte kan worden vastgesteld.

Uit de stukken ingediend ter onderbouwing van de vordering volgt dat bij de benadeelde partij sprake is van PTSS, veroorzaakt door de confrontatie kort na het schietincident met het levenloze lichaam van haar tweelingbroer, en dat zij bij [naam praktijk 1] onder behandeling is voor psychotraumaverwerking en angstgerelateerde problematiek. Uit de door mr. Van Schaik ter terechtzitting in hoger beroep in het geding gebrachte brief van [naam behandelaar 1] d.d.17 augustus 2020 volgt dat de benadeelde partij tot op heden in behandeling is bij voormelde praktijk.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof derhalve voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 10.000,00 ter zake van shockschade.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening, toewijsbaar is.

Het verweer van de raadsman dat de schadevergoeding vanwege shockschade dient te worden gematigd omdat - zo begrijpt het hof - sprake zou zijn van eigen schuld aan de zijde van het slachtoffer (art. 6:101 BW), wordt verworpen. Weliswaar heeft het slachtoffer in de aanloop naar het schietincident een zeer laakbare rol gespeeld maar dit maakt nog niet dat hij debet is aan zijn eigen dood en dat de shockschade die als gevolg daarvan bij zijn tweelingzus is ontstaan niet voor rekening van verdachte zou moeten komen.

Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de meer gevorderde immateriële schadevergoeding nu onvoldoende is komen vast te staan dat de immateriële schade in de vorm van shockschade het toe te kennen bedrag van € 10.000,00 te boven gaat. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. Het hof is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering dan ook een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de tijdens de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, aan de zijde van de benadeelde partij gemaakte proceskosten (reiskosten), ad € 109,72.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde partij 2] is toegebracht tot een bedrag van € 10.000,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] , de oudere broer van het slachtoffer, heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van immateriële schade (shockschade) tot een bedrag van € 15.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De rechtbank heeft de gevorderde reiskosten ad € 63,65 als proceskosten toegewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. Voorts heeft de benadeelde partij vergoeding gevorderd van de in verband met de procedure in hoger beroep gemaakte reiskosten ad € 38,19.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de benadeelde partij sprake is van een belaste voorgeschiedenis en dat de bij [benadeelde partij 3] gediagnosticeerde PTSS niet zonder voorbehoud kan worden gerelateerd aan de schietpartij waarbij zijn broer is overleden. Dit zou nader onderzoek vergen hetgeen een onevenredige belasting voor het strafproces zou opleveren. De advocaat-generaal concludeert derhalve dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot vergoeding van shockschade. De gevorderde reiskosten kunnen, aldus de advocaat-generaal, worden toegewezen.

De raadsman heeft, gelet op de gevoerde verweren, primair de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in zijn vordering bepleit, subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het hof op dezelfde gronden als de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering. Meer subsidiair heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat bij het toewijzen van enige schadevergoeding rekening moet worden gehouden met het gegeven dat de dood van [slachtoffer] bij uitstek het gevolg is geweest van zijn eigen handelen.

Het hof overweegt als volgt.

De benadeelde partij is met zijn zus kort na het schietincident op de plaats van het delict aangekomen en geconfronteerd met het levenloze lichaam van zijn jongere broer.

Blijkens vaste jurisprudentie kan vergoeding ter zake van shockschade plaatsvinden als door het waarnemen van een geweldsmisdrijf of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit. Toekenning van een vergoeding ter zake van shockschade is ingevolge artikel 6:106, aanhef, onder b van het Burgerlijk Wetboek echter alleen mogelijk indien het bestaan van geestelijk letsel in rechte kan worden vastgesteld.

Uit het bij het voegingsformulier gevoegde journaal van de huisarts blijkt dat [benadeelde partij 3] zich in de periode van augustus en september 2019 meerdere malen met psychische klachten bij de huisarts heeft gemeld in verband met het overlijden van zijn broer. In hoger beroep is voorts een behandelplan bij [naam praktijk 2] (opgesteld door [naam behandelaar 2] ) ingebracht waaruit volgt dat bij de benadeelde partij sprake is van PTSS en dat als behandeling EMDR ingezet zal worden.

Het hof is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreekse schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.

Wat er ook zij van de mogelijke predispositie van de benadeelde partij, naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij voldoende onderbouwd gesteld dat hij bedoelde schade heeft geleden als direct gevolg van het bewezen verklaarde.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof derhalve voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 3] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 10.000,00 ter zake van shockschade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening, toewijsbaar is.

Het verweer van de raadsman dat bij een eventuele schadevergoeding vanwege shockschade rekening dient te worden gehouden met - zo begrijpt het hof - de eigen schuld aan de zijde van het slachtoffer (art. 6:101 BW), wordt verworpen. Weliswaar heeft het slachtoffer in de aanloop naar het schietincident een zeer laakbare rol gespeeld maar dit maakt nog niet dat hij debet is aan zijn eigen dood en dat de vergoeding van de shockschade, die als gevolg daarvan bij de broer van het slachtoffer is ontstaan, niet voor rekening van verdachte zou moeten komen.

Het hof zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de meer gevorderde immateriële schadevergoeding nu onvoldoende is komen vast te staan dat de immateriële schade in de vorm van shockschade het toe te kennen bedrag van € 10.000,- te boven gaat. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. Het hof is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering dan ook een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de tijdens de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, gemaakte proceskosten (reiskosten) aan de zijde van de benadeelde partij, ad € 101,84.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde partij 3] is toegebracht tot een bedrag van € 10.000,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Spreekt de verdachte vrij van de impliciet primair ten laste gelegde moord.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.349,50 (vijfduizend driehonderdnegenenveertig euro en vijftig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2018 tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 81,64 (eenentachtig euro en vierenzestig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van

€ 5.349,50 (vijfduizend driehonderdnegenenveertig euro en vijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2018 tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 61 (eenenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 april 2018 tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 109,72 (honderdnegen euro en tweeënzeventig cent).

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van

€ 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 april 2018 tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 85 (vijfentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 april 2018 tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 101,84 (honderd één euro en vierentachtig cent).

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van

€ 10.000,00 (tienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 april 2018 tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 85 (vijfentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door:

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, voorzitter,

mr. N.J.L.M. Tuijn en mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.R.G.H. van Outheusden, griffier,

en op 21 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Tuijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Hierna wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar paginanummers van het politiedossier van de Eenheid Oost-Brabant, districtsrecherche ’s-Hertogenbosch, in het onderzoek “Eendracht” met onderzoeksnummer OBRAB18006, bestaande uit wettig opgemaakte processen-verbaal en andere geschriften, gesloten op 18 september 2018 (dossierpagina’s: 1588).

Proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot tijdsduur incident (p. 287-289).

Proces-verbaal van bevindingen uitkijken camerabeelden [straatnaam 1] ts Schijndel (p. 214) en dossierpagina 248 in verband met de tijdsinstelling van de videorecorder.

Proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot tijdsduur incident (p. 291).

Proces-verbaal van bevindingen m.b.t. analyse ‘oude’ telefoon [verdachte] (p. 707 e.v.) en proces-verbaal van bevindingen m.b.t. uitlezen telefoon [verdachte] (p. 700 e.v.).

Dossierpagina 701: bericht van [slachtoffer] op 16 augustus 2017.

Verklaring van [getuige 1] bij de rechter-commissaris d.d. 11 juli 2019 (los).

Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 29 april 2019 (p. 1081 en 1085).

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] (p. 940 e.v.).

Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 28 mei 2018 (p. 1145 en 1146).

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] (p. 1022 e.v.)

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] (p. 902 e.v.).

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] (p. 924-925).

Proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 3 oktober 2019, p. 5.

Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 28 mei 2018 (p. 1147 en 1150).

Proces-verbaal van bevindingen onderzoek gevorderde bankgegevens d.d. 1 juli 2018 (p. 466-647) en proces-verbaal van bevindingen m.b.t. aanschaf vuurwapen d.d. 10 september 2018 (p. 450-453).

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 mei 2018 (p. 388-390).

Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 6] (p. 896, 898).

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 mei 2018 (p. 618).

Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 28 mei 2018 (p. 1147).

Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam] d.d. 7 augustus 2018 (p. 1185).

Proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg d.d. 3 oktober 2019, pagina 5.

Proces-verbaal van bevindingen uitkijken camerabeelden [straatnaam 1] ts Schijndel (p. 212 en 213). Uit het proces-verbaal bevindingen d.d. 30 april 2018 (p. 248) volgt dat de weergegeven tijd op de camerabeelden niet overeenkomt met de daadwerkelijke tijd op dat moment. Bij de weergegeven tijd moet 5 minuten en 23 seconden opgeteld worden. Tevens moet de afspeeltijd van de mediaspeler bij de starttijd geteld worden. Zie ook p. 288 bovenaan de pagina).

Proces-verbaal van bevindingen m.b.t. tijdsduur incident (p. 288).

Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 28 mei 2018 (p. 1153).

Sectieverslag d.d.20 juni 2018 (p. 1465-1495).

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juli 2018 (p. 140).

Proces-verbaal van bevindingen m.b.t. tijdsduur incident (p. 291-292).

Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam] d.d. 7 augustus 2018 (p.1192).

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] d.d. 2 juni 2018 (p. 896).

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 april 2019 (p. 87-88).

Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 28 mei 2018 (p. 1147).

Processen-verbaal van bevindingen d.d. 25 april 2018 (p. 843-844).

Opgesteld door L.H.W.M. Kaiser (psychiater), M.M. van der Ploeg (GZ-psycholoog) en A. Kiers (milieurapporteur).

Een brief van [naam behandelaar 1] van [naam praktijk 1] d.d. 30 september 2019 en een brief van [naam huisarts] ( [naam huisartsenpraktijk] d.d. 1 oktober 2019.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature