< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Kinderalimentatie

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.265.556/01

zaaknummer rechtbank : C/02/356057 FA RK 19-1243

beschikking van de meervoudige kamer van 17 september 2020

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. P.F.M. Gulickx te Breda,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A.J.M. van der Borst te Etten-Leur.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 12 augustus 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 5 september 2019 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking.

2.2.

De vrouw heeft op 21 oktober 2019 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

een journaalbericht van de zijde van de man van 3 april 2020 met producties 4 en 5, ingekomen op 3 april 2020;

een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 4 mei 2020 met producties 1 t/m 4, ingekomen op 6 mei 2020;

een journaalbericht van de zijde van de man van 16 juni 2020 met producties 6 t/m 13, ingekomen op 16 juni 2020;

een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 21 juli 2020, met producties 5 en 6, ingekomen op 22 juli 2020.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 12 augustus 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de man bijgestaan door mr. S. Klootwijk namens haar kantoorgenoot mr. P.F.M. Gulickx, de vrouw bijgestaan door mr. A.J.M. van der Borst.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

a. Partijen zijn op 12 juni 2008 te Breda met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen is geboren:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige] ).

Bij beschikking van 13 maart 2015 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 3 juli 2015 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie ) met ingang van 8 maart 2019 bepaald op € 335,16 per maand, geïndexeerd naar 2020 € 343,54 per maand.

4.2.

De man verzoekt in hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen en de kinderalimentatie per 8 maart 2019 dan wel per 15 maart 2019 op nihil te stellen dan wel te verlagen tot een door het hof te bepalen bedrag per maand.

4.3.

De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, dan wel het hoger beroep van de man af te wijzen.

4.4.

De grieven van de man zien op zijn draagkracht en op de draagkracht van de vrouw.

Het hof zal de grieven van de man hierna bespreken.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

Het hof begrijpt uit het beroepschrift van de man dat hij door (nader door hem beschreven) omstandigheden in eerste aanleg heeft verzuimd verweer te voeren. Voor zover de man daaromtrent een stelling in zijn beroepschrift heeft opgenomen, heeft hij hier naar het oordeel van het hof geen belang meer bij nu de zaak in hoger beroep weer in volle omvang is behandeld.

Ingangsdatum

5.2.

Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.

Het hof hanteert als ingangsdatum 8 maart 2019. De man heeft weliswaar verzocht om nihilstelling met ingang van 8 maart 2019 dan wel met ingang van 15 maart 2019, de datum met ingang waarvan hem een uitkering op grond van de Participatiewet is toegekend, maar het hof ziet daarin, mede gelet op het te verwaarlozen verschil van een week, onvoldoende aanleiding om uit te gaan van een andere datum dan de rechtbank heeft gedaan.

Behoefte

5.3.

De vrouw is in het inleidende verzoekschrift uitgegaan van de behoefte van [minderjarige] van € 313,- per maand, zoals deze door haar is gesteld in de echtscheidingsprocedure in 2015. Conform de wettelijke indexering bedroeg deze in 2019 een bedrag van € 335,16 per maand. Dat bedrag heeft zij verzocht als bijdrage vast te stellen. De man heeft geen grieven geformuleerd ten aanzien van de behoefte van [minderjarige] , zodat deze in beginsel als vaststaand heeft te gelden.

In hoger beroep heeft de vrouw bij journaalbericht van 21 juli 2020 verzocht de kosten van [minderjarige] te bepalen op het hogere bedrag van € 437,-- per maand. Aan dit verzoek van de vrouw gaat het hof voorbij. Partijen verschillen van mening over de uitgangspunten voor de berekening van de behoefte van [minderjarige] . Vast staat tussen partijen dat [minderjarige] in ieder geval behoefte heeft aan een bedrag van € 335,16 per maand. Nu, zoals uit het navolgende zal blijken, de man onvoldoende draagkracht heeft om met een hoger bedrag bij te dragen in het onderhoud van [minderjarige] dan het hof heeft berekend, zal het hof om proces economische redenen de behoefte op dit bedrag bepalen.

Draagkracht

5.4.

Bij het bepalen van het eigen aandeel van de man in de kosten van de kinderen dient de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen en de verhouding waarin een ieder tot de kinderen staat in de beoordeling te worden betrokken.

Draagkracht man

5.5.

De man stelt dat het hem aan draagkracht ontbreekt om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . In 2017 is hij gestopt met zijn eigen bedrijf vanwege voortdurende tegenvallende resultaten. In 2018 heeft hij geen inkomen gehad en heeft hij geleefd van zijn spaargeld en de opbrengst van de verkoop van de vrachtwagen van zijn beëindigde bedrijf. Sinds 15 maart 2019 heeft de man een uitkering op grond van de Participatiewet, waarop van 15 maart 2019 tot 31 januari 2020 een kostendelerskorting is toegepast.

5.6.

De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij stelt dat de man zich redelijkerwijs een inkomen ter hoogte van het minimumloon kan verwerven om zodoende een bijdrage te kunnen leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] .

5.7.

Het hof overweegt als volgt.

5.7.1.

Het hof neemt bij de bepaling van de draagkracht van de man zijn netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt. Dit inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen, te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn. Ten aanzien van het inkomen van de man overweegt het hof het volgende.

5.7.2.

Tegenover de gemotiveerde stellingname van de vrouw dat de man zich redelijkerwijze een inkomen moet kunnen verwerven ter hoogte van het minimumloon, heeft de man onvoldoende aangevoerd waaruit het tegendeel blijkt. De enkele bij gelegenheid van de mondelinge behandeling geponeerde stelling dat hij rugklachten heeft, is, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, onvoldoende om te kunnen oordelen dat de man niet in staat is om zich een inkomen te kunnen verwerven ter hoogte van in elk geval het minimumloon. Dit geldt evenzeer voor de nadere stelling van de man dat hij moeite heeft met het werken met collega’s. Er zijn genoeg banen te vinden waar het werken met collega’s niet of nauwelijks aan de orde is. Dit maakt dat het hof voor de bepaling van de draagkracht van de man uit zal gaan van een fictief inkomen ter hoogte van het minimumloon en niet van het daadwerkelijke inkomen dat de man geniet als uitkering op grond van de Participatiewet. Per 1 januari 2019 bedroeg het minimumloon voor iemand van 22 jaar en ouder € 1.685,-- bruto per maand. Derhalve zal het hof voor de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de man uitgaan van dat bedrag, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.

5.7.3.

Bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen ten behoeve van de bepaling van de draagkracht houdt het hof rekening met de volgende heffingskortingen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting.

Het hof stelt het netto besteedbaar inkomen van de man vast op € 1.591,-- per maand.

5.7.4.

De draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 925,--)] , nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.575,-- per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de man het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen ter zake van forfaitaire woonlasten vermeerderd met een bedrag van € 925,-- aan overige lasten en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie. De draagkracht van de man is volgens de formule € 132,-- per maand.

Draagkracht vrouw

5.8.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw een aanvullende uitkering krijgt op grond van de Participatiewet. Sinds de vergadering van de landelijke expertgroep alimentatienormen van 18 mei 2018 geldt als richtlijn dat bij een verzorgende ouder met een Participatiewetuitkering geen draagkracht wordt aangenomen. Het hof gaat er dan ook vanuit dat bij de vrouw geen draagkracht aanwezig is. Er vindt dus geen draagkrachtvergelijking plaats. De stelling van de man dat de vrouw, voor een groter deel in de behoefte van [minderjarige] zal moeten voorzien, wordt dan ook verworpen. De man dient in beginsel zijn volledige draagkracht aan te wenden om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien.

Zorgkorting

5.9.1.

Nu [minderjarige] zijn hoofdverblijf heeft bij de vrouw zal het hof voor de man ten aanzien van [minderjarige] rekening houden met de zorgkorting. Niet in geschil is dat er sprake is van een zorgregeling waarbij [minderjarige] en de man een weekend per veertien dagen contact hebben, alsmede gedurende de helft van de feestdagen en vakanties. Gelet hierop zal het hof een percentage van 25% in aanmerking nemen. Dit leidt tot een zorgkorting van (35% x 335,16 =) € 83,79.

5.9.2.

Nu partijen gezamenlijk onvoldoende draagkracht hebben om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien, zal het hof de zorgkorting niet volledig in mindering brengen op de bijdrage. Dit (draagkracht)tekort wordt gelijkelijk tussen partijen verdeeld. Het aan de man toegerekende deel wordt in mindering gebracht op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting wordt in mindering gebracht op het bedrag dat de man aan de vrouw dient te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Het draagkrachttekort bedraagt (behoefte [minderjarige] : € 335,16 -/- totale draagkracht € 132,-- =) € 203,16 : 2 = € 101,58. Aangezien het draagkrachttekort groter is dan de zorgkorting (€ 83,79), kan er geen zorgkorting in mindering worden gebracht.

5.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat de man met een bedrag van € 132,-- per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Aldus zal het hof bepalen.

6 De slotsom

6.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

6.2.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, gelet op de uitkomst van de procedure en partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage aan het uit hun huwelijk geboren kind betreft.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 12 augustus 2019, en opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 8 maart 2019 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] € 132,-- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en T.J. Mellema-Kranenburg en is op 17 september 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature