< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Partneralimentatie

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.270.191/01

zaaknummer rechtbank : C/01/348299 / FA RK 19-3230

beschikking van de meervoudige kamer van 10 september 2020

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. G.E.M.C. Reinartz, voorheen N.M.J. Schepens,

tegen

[de bewindvoerder] , h.o.d.n. Bewindvoeringskantoor [bewindvoeringskantoor] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de bewindvoerder,

in de hoedanigheid van bewindvoerder over alle goederen die (zullen) toebehoren aan: [de vrouw],

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J.J.M. van Asten te 's-Hertogenbosch.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 4 september 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 3 december 2019 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking.

2.2.

De vrouw heeft op 6 februari 2020 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Door het hof zijn voorts de volgende stukken ontvangen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 23 juli 2020 met bijlagen, ingekomen op 23 juli 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 28 juli 2020 met bijlagen, ingekomen op 28 juli 2020.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 5 augustus 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

3.2.

Bij beschikking van 19 juli 2013 heeft de rechtbank Oost-Brabant tussen de man en de vrouw de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 31 juli 2013 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3.

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank Oost-Brabant op 5 juli 2019, heeft de vrouw, voor zover hier van belang, verzocht om vaststelling van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie ).

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is de partneralimentatie met ingang van 5 juli 2019 bepaald op een bedrag van € 1.393,-- per maand.

4.2.

Hiertegen keert zich de grief van de man. De man stelt de (aanvullende) behoefte van de vrouw en zijn draagkracht ter discussie. Hij verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot vaststelling van partneralimentatie dan wel dit verzoek alsnog af te wijzen.

4.3.

De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij verzoekt primair de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn grief ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen. Subsidiair verzoekt zij (na wijziging van haar verzoek bij brief van 23 juli 2020, overgelegd bij journaalbericht van 23 juli 2020) de partneralimentatie tot de pensioengerechtigde leeftijd van de man te bepalen op een bedrag van € 727,-- per maand en vanaf de pensioengerechtigde leeftijd van de man op een bedrag van € 27,-- per maand.

Voorts verzoekt zij te bepalen dat de man met ingang van zijn pensioengerechtigde leeftijd haar aandeel in het door hem tijdens de periode van het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen als partneralimentatie aan haar dient door te betalen.

5 De motivering van de beslissing

Ontvankelijkheid

5.1.1.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de man betoogd dat de vrouw in haar verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat er geen sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden. De man voert hiertoe het volgende aan.

De man en de vrouw zijn in het echtscheidingsconvenant overeengekomen dat zij vanwege de aflossing op de bestaande schulden afzien van partneralimentatie. Als er zich een relevante wijziging van omstandigheden voordoet, kan dit wel worden gewijzigd, maar daarvan is geen sprake. De man lost nog steeds op de schulden af. In maart nog is vanwege zijn beperkte draagkracht het aflossingsbedrag op de schuld bij de NVS-bank verlaagd van € 175,-- naar € 100,-- per maand.

5.1.2.

De vrouw heeft daartegen aangevoerd dat er wel sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden omdat sedert het uiteengaan van de man en de vrouw een deel van de schulden is afgelost.

5.1.3.

Het hof overweegt het volgende. Het echtscheidingsconvenant waarin genoemde afspraak omtrent de partneralimentatie is opgenomen, is op 6 juni 2013 door de man en de vrouw ondertekend. De omstandigheid dat sedertdien door hen op de schulden afgelost, maakt reeds dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die een herwaardering van een eventuele aanspraak op partneralimentatie rechtvaardigt. De vrouw kan daarom in haar hoger beroep worden ontvangen.

Vermeerdering verzoek

5.2.

Voor zover het gewijzigde verzoek van de vrouw haar aandeel in het door de man tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen betreft, is dit verzoek te onbepaald om voor toewijzing in aanmerking te komen. Haar verzoek zal daarom in zoverre worden afgewezen.

Partneralimentatie

Ingangsdatum

5.3.

De door de rechtbank bepaalde ingangsdatum (5 juli 2019) is niet in geschil zodat het hof deze datum als uitgangspunt neemt.

5.4.

Om proceseconomische overwegingen zal het hof eerst de draagkracht van de man beoordelen.

Draagkracht van de man

5.4.1.

De man stelt dat zijn draagkracht:

- tot zijn pensionering ontoereikend is om de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie te betalen vanwege zijn maandelijkse aflossing op de schulden en betalingsachterstanden en

- vanaf zijn pensionering (medio november 2019) niet toereikend is om ook maar enige alimentatie te betalen.

5.4.2.

De vrouw betwist dat. Zij voert het volgende aan.

Uitgaande van de stand van de schulden van de man en de vrouw bij het einde van het huwelijk en de aflossing op die schulden door hen na het huwelijk, kan de man geacht worden bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw als ware de schulden inmiddels afgelost. Destijds is in het echtscheidingsconvenant afgezien van het betalen van partneralimentatie om op de bestaande schulden te kunnen aflossen. De vrouw heeft in mei 2017 met de gemeente Eindhoven een saneringskrediet afgesloten om op de schulden te kunnen aflossen. Daarnaast heeft de bewindvoerder uit de beperkte ruimte in het inkomen van de vrouw ten volle op de schulden afgelost. Verondersteld mag worden dat de man ook naar vermogen aan de aflossing van de schulden heeft bijgedragen. Voor zover hij dat niet heeft gedaan, mag dit niet voor rekening en risico van de vrouw komen. Daarom mag de aflossing op de schulden thans niet meer in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de draagkracht van de man.

Ter gelegenheid van de mondelinge van het hof heeft de vrouw verklaard dat het wel reëel is dat met de schuld aan de NVS-bank rekening wordt gehouden. Ook heeft de vrouw verklaard dat de man “het ene gat met het andere vult”.

5.4.3.

Tussen partijen is in geschil of bij de berekening van de draagkracht van de man voor het betalen van partneralimentatie rekening dient te worden gehouden met de afbetaling op schulden.

Het hof stelt voorop dat in beginsel alle schulden van de man van invloed zijn op diens draagkracht. Wel kan er reden zijn aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, bijvoorbeeld als schulden na vaststelling van de onderhoudsplicht nodeloos zijn aangegaan of de onderhoudsplichtige de mogelijkheid heeft zich van een schuld te bevrijden of een regeling te treffen (vgl. Hoge Raad 9 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:40).

Uit het echtscheidingsconvenant blijkt dat er op 6 juni 2013 een schuld aan Wehkamp bestond van € 3.773,-- en een schuld aan de NVS bank van € 52.808,-- (art. 3.2).

De man stelt dat hij maandelijks een bedrag van € 540,82 voldoet ter aflossing van schulden en betalingsachterstanden (productie 4).

Ter onderbouwing daarvan heeft hij afschriften in het geding gebracht van:

- betalingsregelingen met:

Vesting Finance (€ 110,-- per maand betreffende schuld aan Wehkamp);

Essent (€ 55,65 per maand gedurende de periode van juli t/m oktober 2019);

Famed B.V. (€ 56,35 per maand met ingang van oktober 2019 gedurende 5 maanden);

- bericht van betalingsachterstand van € 515,38 bij [woonbedrijf] Woonbedrijf d.d. 18 oktober 2019 en

- bericht van Enexis over afsluiting van elektriciteit en/of gas d.d. 11 november 2019 (productie 5).

Niet tussen partijen in geschil is dat de man tot maart 2020 met € 175,-- per maand heeft afgelost op de schuld aan de NVS bank en dat het bedrag van aflossing op deze schuld in maart 2020 op € 100,-- per maand is vastgesteld.

De man heeft voor aflossing op schulden in de door hem in het geding gebrachte draagkrachtberekeningen een bedrag van € 505,-- opgenomen. Het hof zal bij de vaststelling van de draagkracht van de man met dit bedrag rekening houden. Weliswaar is dit bedrag niet volledig uit de in het geding gebrachte producties af te leiden, maar wel is uit die producties genoegzaam gebleken dat de man (ook thans nog) diverse schulden en betalingsachterstanden heeft, die zijn draagkracht negatief beïnvloeden. Het bericht van Enexis over het afsluiten van de elektriciteit en/of gas en ook de verklaring van de vrouw zelf dat de man “het ene gat met het andere vult”, bevestigen de huidige slechte financiële situatie van de man.

5.4.4.

Nu de vrouw de draagkrachtberekeningen van de man overigens niet heeft betwist, zal het hof van deze berekeningen uitgaan (producties 8 en 9).

De als productie 8 overgelegde draagkrachtberekening (tarief 2e helft 2019 en met toepassing van een jusvergelijking) is gebaseerd op het inkomen dat de man tot medio november 2019 bij de gemeente Eindhoven genoot. Uit die berekening volgt dat:

- de man de draagkracht heeft om met een bedrag van € 378,-- bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en

- de vrouw met een door de man te betalen alimentatiebijdrage van € 134,-- niet in een financieel betere positie komt dan de man.

De als productie 9 overgelegde draagkrachtberekening is gebaseerd op het inkomen uit pensioen dat de man met ingang van medio november 2019 is gaan ontvangen. Uit die berekening volgt een negatieve draagkracht.

(Aanvullende) behoefte van de vrouw

5.5.1.

Gelet op de in het geding gebrachte inkomensgegevens van de man en de vrouw ten tijde van het huwelijk en de huidige inkomensgegevens van de vrouw, overweegt het hof dat de vrouw ook tenminste behoefte heeft aan de hiervoor genoemde alimentatiebijdrage van € 134,-- bruto per maand.

5.5.2.

Voor zover de man heeft betoogd dat de vrouw een resterende verdiencapaciteit heeft die zij dient te benutten om volledig in haar eigen behoefte te voorzien, gaat het hof daaraan voorbij. De vrouw is voor 65%-80% arbeidsongeschikt verklaard en zij heeft een Waz—uitkering en een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Haar leeftijd daarbij in aanmerking genomen (62 jaar), is het hof van oordeel dat in redelijkheid niet van haar kan worden verlangd volledig in haar eigen behoefte te voorzien.

Vaststelling partneralimentatie

5.6.

Gelet op het voorgaande zal het hof de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw:

- in de periode van 5 juli 2019 tot medio november 2019 bepalen op € 134,-- bruto per maand;

- met ingang van medio november 2019 vaststellen op nihil.

6 De slotsom

in het hoger beroep

6.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als hierna onder 7 is weergegeven.

6.2.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 4 september 2019, voor zover het de partneralimentatie betreft en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw over de periode van 5 juli 2019 tot medio november 2019 als uitkering tot haar levensonderhoud € 134,-- bruto per maand zal betalen;

stelt de bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van medio november 2019 vast op nihil;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, C.A.R.M. van Leuven en J.B. van den Beld en is op 10 september 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature