< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

5 jaar gevangenisstraf voor het schenden van ambtsgeheimen, het plegen van computervredebreuk en witwassen.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



Parketnummer : 20-000736-18

Uitspraak : 4 mei 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 19 februari 2018 in de strafzaak met parketnummer 01-879982-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1986,

wonende te [adres 1]

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd onder feit 1, 2, 3, 4, 5 (eerste gedachtestreepje) en 6 en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 5 jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof verdachte zal ontzetten van het recht om een publieke functie uit te oefenen voor de duur van 10 jaren. De advocaat-generaal heeft tevens de gevangenneming van verdachte gevorderd. Met betrekking tot het beslag heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof beslist conform de beslissingen van de rechtbank.

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit voor het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

1.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 29 september 2015 te Eindhoven en/of Utrecht en/of Veldhoven en/of Weert en/of (elders) in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een geheim, waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat hij en/of zijn mededader(s) uit hoofde van zijn/hun ambt (namelijk het ambt van politieagent) en/of wettelijk voorschrift (namelijk artikel 3 Wet Politiegegevens en/of artikel 7 Wet Politiegegevens) verplicht was/waren het te bewaren, opzettelijk heeft/hebben geschonden (telkens) door in een of meer politiesystemen (vertrouwelijke) informatie (omtrent een of meer personen en/of opsporingsonderzoeken) te bevragen en/of door (vervolgens) (vertrouwelijke) informatie (omtrent een of meer personen en/of opsporingsonderzoeken) uit een of meer politiesystemen op (een) gegevensdrager(s) en/of in (een) document(en) te plaatsen en/of (naar zichzelf) te mailen en/of te exporteren en/of door (vervolgens) (vertrouwelijke) informatie (omtrent een of meer personen en/of opsporingsonderzoeken) uit een of meer politiesystemen aan daartoe niet-gerechtigde personen te verstrekken en/of te openbaren;

2.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 29 september 2015 te Eindhoven en/of Utrecht en/of Veldhoven en/of Weert en/of (elders) in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk in een of meer (delen van) geautomatiseerde werken, namelijk in een of meer (delen van) servers van de politie en/of de belastingdienst, is binnengedrongen met behulp van een of meer valse sleutels en/of signalen en/of door het aannemen van een of meer valse hoedanigheden, namelijk door onbevoegd gebruik te maken van een gebruikersnaam en/of wachtwoord (voor de applicatie Blue View en/of voor een of meer andere applicaties) en/of door zich met een gebruikersnaam en/of wachtwoord (voor de applicatie Blue View en/of voor een of meer andere applicaties) toegang te verschaffen tot (delen van de) servers van de politie (waarop de applicaties Blue View en/of BVH en/of BVO en/of Summ-it en/of FIU waren geplaatst) met een ander doel dan waarvoor hem die gebruikersnaam en/of dat wachtwoord ter beschikking stonden en/of waarvoor hem die toegang was toegestaan), en/of (vervolgens) gegevens die waren opgeslagen en/of verwerkt en/of overgedragen door middel van (delen van) die/dat geautomatiseerde werk(en) waarin hij en/of zijn mededader(s) zich wederrechtelijk bevond(en), voor zichzelf en/of (een) ander(en) heeft overgenomen en/of afgetapt en/of opgenomen, namelijk door (telkens) (vertrouwelijke) informatie (omtrent een of meer personen en/of opsporingsonderzoeken) uit een of meer politiesystemen en/of uit de applicatie Blue View en/of een of meer andere applicaties op (een) gegevensdrager(s) en/of in (een) document(en) te plaatsen en/of en/of (naar zichzelf) te mailen en/of te exporteren en/of (vervolgens) aan daartoe niet-gerechtigde personen te verstrekken en/of te openbaren; 3.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 29 september 2015 te Eindhoven en/of Utrecht en/of Veldhoven en/of Weert en/of Liempde en/of (elders) in Nederland en/of op Curaçao (telkens) als politieambtenaar een of meer giften (namelijk een of meer geldbedragen) en/of een of meer beloftes (namelijk de bereidheid om eventueel handel in telefoons met hem te drijven en/of de bereidheid om eventueel een hoeveelheid telefoons van hem af te nemen en/of de bereidheid om de mogelijkheden tot zulke handel met hem te verkennen en/of de bereidheid om eventueel een handel in diamanten met hem op te zetten en/of de bereidheid om eventueel een hoeveelheid diamanten aan hem te leveren en/of de bereidheid om de mogelijkheden tot zulke handel en/of levering met hem te verkennen) heeft aangenomen, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem werd(en) gedaan, verleend en/of aangeboden teneinde hem te bewegen om (in strijd met zijn plicht) in zijn bediening iets te doen en/of ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem (in strijd met zijn plicht) in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan (namelijk (telkens) het verstrekken en/of openbaren van (vertrouwelijke) informatie (omtrent een of meer personen en/of opsporingsonderzoeken) aan daartoe niet-gerechtigde personen) en/of heeft gevraagd, teneinde hem te bewegen om (in strijd met zijn plicht) in zijn bediening iets te doen en/of ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem (in strijd met zijn plicht) in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan (namelijk (telkens) het verstrekken en/of openbaren van (vertrouwelijke) informatie (omtrent een of meer personen en/of opsporingsonderzoeken) aan daartoe niet-gerechtigde personen);

4.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 29 september 2015 te Eindhoven en/of Utrecht en/of Weert en/of Veldhoven en/of (elders) in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven (namelijk begunstiging, schending van ambtsgeheimen, computervredebreuk en/of ambtelijke omkoping);

5.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2011 tot en met 29 september 2015 te Eindhoven en/of Utrecht en/of Weert en/of Geldrop en/of Schiphol en/of (elders) in Nederland en/of op Curaçao en/of in Oekraïne, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van witwassen, in elk geval zich een of meermalen schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans aan schuldwitwassen, door (telkens) een of meer voorwerpen, te weten geldbedragen, te verwerven, voorhanden te hebben, over te dragen en/of om te zetten en/of van voorwerpen, te weten geldbedragen, gebruik te maken, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s):

- telkens contante geldbedragen (tot een totaalbedrag van ongeveer 79.381,04 euro) gestort op een of meer bankrekeningen die op zijn, verdachtes, naam en/of op naam van het bedrijf [bedrijf 1] was/waren gesteld en/of (vervolgens) met die bedragen betalingen verricht, en/of

- een of meer bedragen weer opgenomen van die bankrekeningen en/of daarmee contante betalingen verricht en/of

- een contant geldbedrag van 12.500,- euro betaald voor de aankoop van een Porsche Cayenne en/of

- een contant geldbedrag van 5.000,- euro betaald voor de aankoop van een BMW750 en/of een of meer andere contante betalingen heeft verricht,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/die contante geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

6.hij op of omstreeks 29 september 2015 te Weert, een of meer reisdocumenten (namelijk een of meer Britse paspoorten) waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die reisdocumenten vals of vervalst waren (bestaande die valsheid en/of vervalsing er uit dat op die paspoorten persoonsgegevens van respectievelijk [naam 1] en [naam 2] waren vermeld, terwijl die paspoorten waren voorzien van identieke pasfoto's, te weten (telkens) een pasfoto van een persoon genaamd [naam 3] , althans een pasfoto van een andere persoon dan die [naam 1] en/of [naam 2] ) voorhanden heeft gehad;

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van feit 4

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen, dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Onder 4 wordt verdachte verweten dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die – kort gezegd – tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten begunstiging, schending van ambtsgeheimen, computervredebreuk en/of ambtelijke omkoping.

Het hof stelt het volgende voorop. In de eerste plaats moet kunnen worden vastgesteld dat sprake is van een organisatie. Onder een organisatie moet worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één ander persoon. Dit samenwerkingsverband kan daarbij bijvoorbeeld ook bestaan uit een natuurlijk persoon en een rechtspersoon (vgl. ECLI:NL:HR:1993:AD1974 en HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378). Het moet in ieder geval gaan om een duurzaam, min of meer gestructureerd samenwerkingsverband, dat als eenheid kan opereren (vgl. HR 26 juni 1984, NJ 1985, 92 en HR 26 november 1985, NJ 1986, 389). Een dergelijk samenwerkingsverband kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie. Er is reeds sprake van een dergelijke organisatie wanneer één persoon met minimaal één of meer anderen voor een door hen gesteld doel samenwerken. Het optreden als eenheid is geen absolute voorwaarde, terwijl de juridische status van het samenwerkingsverband niet relevant is. Ook hoeft er geen sprake te zijn van formeel afgebakende taken, maar het samenwerkingsverband moet wel meer dan een incidenteel karakter hebben (vgl. HR 16 oktober 1990, NJ 1991, 442 en HR 10 juli 2001, NJ 2001, 687). Van een duurzaam, min of meer gestructureerd samenwerkingsverband kan al blijken als er gedurende een vaste periode door bepaalde personen volgens een vast patroon wordt samengewerkt. Niet noodzakelijk is daarbij dat het enkel steeds dezelfde personen betreft, wel dient er sprake te zijn van een vaste kern (vgl. HR 29 januari 1991, NJB 1991, 50). Ook is in dezen niet vereist dat al de personen van de organisatie onderling met elkaar samengewerkt hebben of bekend waren met de andere deelnemers aan de organisatie en hun bezigheden voor die organisatie (vgl. HR 9 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8470 en HR 22 januari 2008, NJ 2008, 72). Ten slotte hebben duurzaamheid en gestructureerdheid betrekking op het bestanddeel 'organisatie' en niet op 'deelneming', zodat ook een relatief korte bijdrage aan een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband strafbaar kan zijn.

Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen is voorts vereist dat de organisatie het oogmerk heeft van het plegen van een bepaald misdrijf of misdrijven. Het oogmerk betreft het naaste doel van de organisatie en niet dat van de verdachte/deelnemer aan de organisatie. Het oogmerk kan daarbij gericht zijn op een enkel, specifiek genoemd delict of meerdere delicten, maar een pluraliteit daarvan is noodzakelijk. Het oogmerk impliceert dat de betreffende misdrijven (of pogingen of voorbereidingen daartoe) nog niet hoeven te hebben plaatsgevonden (vgl. HR 13 oktober 1987, NJ 1988, 425). Voor het bewijs van het oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd en aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de activiteiten die met dit doel worden verricht.

Tot slot moet worden vastgesteld of het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan de organisatie. Van deelneming is in objectieve zin sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie (vgl. HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:ZD0858/NJ 1998, 225; HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:BW5161 en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413). Beide vereisten zijn te beschouwen als nevengeschikt, maar zijn tevens onderling nadrukkelijk samenhangend.

Uit de bewijsmiddelen moet derhalve duidelijk worden dat de verdachte behoort tot de organisatie en dus niet enkel is te beschouwen als een sympathisant. Daarnaast moet sprake zijn van enige, naar buiten gerichte activiteit die in nauw verband staat met de misdrijven die de organisatie nastreeft. Deze activiteit kan bestaan uit het (mede)plegen van de misdrijven, maar kan ook bestaan uit het feitelijk verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet zo zeer zijn te kwalificeren als een strafbare vorm van daderschap, maar wel zijn aan te merken als bovenbedoeld een aandeel hebben in of ondersteuning van gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Niet is vereist derhalve dat de verdachte aan enig concreet misdrijf van de organisatie heeft deelgenomen.

Naast deze objectieve vereisten dient de verdachte in subjectieve zin in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie als oogmerk heeft het plegen van een of meer misdrijven. Wetenschap bij de verdachte in de vorm van voorwaardelijk opzet is op dit punt niet voldoende (vgl. HR 18 november 1997, LJN:ZD0858/NJ 1998, 225; HR 8 oktober 2002, 2002:AE5651/NJ 2003, 64 en HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9814). Niet is vereist derhalve dat de verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op een door de organisatie beoogd concreet misdrijf.

Anders dan de rechtbank, acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van een organisatie in vorenbedoelde zin. Zoals hierna uit de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen zal blijken, heeft verdachte, naar het hof aanneemt uit financieel gewin, gedurende lange tijd zijn geheimhoudingsplicht geschonden, door geheime politie-informatie te verstrekken aan derden, die kennelijk geïnteresseerd waren in welke informatie de politie over hen had. Verdachte kan derhalve worden gezien als de leverancier van informatie en die derden als afnemers van die informatie. Deze verhouding van verstrekker en afnemers levert naar het oordeel van het hof in het dossier zoals het thans aan het hof voorligt geen samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur op tussen verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en/of een of meer andere personen. Uit het dossier komt immers naar voren dat verdachte informatie verzamelde over een groot aantal personen, waaronder [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Van een onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie is naar de mening van het hof geen sprake.

Ook is volgens het hof geen sprake van deelneming in de zin van artikel 140 Sr. Van enige betrokkenheid van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] of [medeverdachte 3] , bij informatieverzameling ten behoeve van anderen – bijvoorbeeld de twee in het dossier genoemde agenten die werkten onder dekmantel – waarbij zij a) behoren tot de organisatie/samenwerkingsverband, en b) een aandeel hebben in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie tot het plegen van misdrijven, is het hof niet gebleken. Het eventueel afnemen van informatie in de onderhavige zaak maakt naar het oordeel van het hof in die zin geen onderdeel uit van de tenlastegelegde deelneming als bedoeld in artikel 140 Sr.

Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.ahij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 29 september 2015 in Nederland telkens tezamen en in vereniging met een ander, een geheim, waarvan hij en zijn mededader wisten dat hij uit hoofde van zijn ambt (namelijk het ambt van politieagent) en wettelijk voorschrift (namelijk artikel 3 Wet Politiegegevens en artikel 7 Wet Politiegegevens) verplicht was het te bewaren, opzettelijk heeft geschonden (telkens) door in politiesystemen (vertrouwelijke) informatie (omtrent een of meer personen en/of opsporingsonderzoeken) te bevragen en door (vervolgens) (vertrouwelijke) informatie (omtrent een of meer personen en opsporingsonderzoeken) uit een of meer politiesystemen op gegevensdragers en in documenten te plaatsen en te mailen en te exporteren en door (vervolgens) (vertrouwelijke) informatie (omtrent een of meer personen en opsporingsonderzoeken) uit een of meer politiesystemen aan daartoe niet-gerechtigde personen te verstrekken en te openbaren;

1.b

hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 29 september 2015 in Nederland, een geheim, dat hij uit hoofde van zijn ambt (namelijk het ambt van politieagent) en wettelijk voorschrift (namelijk artikel 3 Wet Politiegegevens en artikel 7 Wet Politiegegevens) verplicht was het te bewaren, opzettelijk heeft geschonden (telkens) door in politiesystemen (vertrouwelijke) informatie (omtrent een of meer personen en/of opsporingsonderzoeken) te bevragen en door (vervolgens) (vertrouwelijke) informatie (omtrent een of meer personen en opsporingsonderzoeken) uit een of meer politiesystemen op gegevensdragers en in documenten te plaatsen en te mailen en te exporteren en door (vervolgens) (vertrouwelijke) informatie (omtrent een of meer personen en opsporingsonderzoeken) uit een of meer politiesystemen aan daartoe niet-gerechtigde personen te verstrekken en te openbaren;

2.hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 29 september 2015 in Nederland telkens, opzettelijk en wederrechtelijk in een of meer (delen van) geautomatiseerde werken, namelijk in een of meer (delen van) servers van de politie en/of de belastingdienst, is binnengedrongen met behulp van een valse sleutel en door het aannemen van een of meer valse hoedanigheid, namelijk door onbevoegd gebruik te maken van een gebruikersnaam en wachtwoord (voor de applicatie Blue View) en door zich met een gebruikersnaam en wachtwoord (voor de applicatie Blue View) toegang te verschaffen tot (delen van de) servers van de politie (waarop de applicaties Blue View en/of BVH en/of BVO en/of Summ-it en/of FIU waren geplaatst) met een ander doel dan waarvoor hem die gebruikersnaam en dat wachtwoord ter beschikking stonden en waarvoor hem die toegang was toegestaan, en (vervolgens) gegevens die waren opgeslagen en verwerkt en overgedragen door middel van (delen van) die geautomatiseerde werk(en) waarin hij zich wederrechtelijk bevond, voor zichzelf en anderen heeft overgenomen, namelijk door (telkens) (vertrouwelijke) informatie (omtrent een of meer personen en opsporingsonderzoeken) uit de applicatie Blue View op (een) gegevensdrager(s) en/of in (een) document(en) te plaatsen en/of (naar zichzelf) te mailen en/of te exporteren en/of (vervolgens) aan daartoe niet-gerechtigde personen te verstrekken;

3.hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 29 september 2015 in Nederland en op Curaçao als politieambtenaar een of meer giften (namelijk een of meer geldbedragen) en een of meer beloftes (namelijk de bereidheid om eventueel handel in telefoons met hem te drijven en/of de bereidheid om eventueel een hoeveelheid telefoons van hem af te nemen en/of de bereidheid om de mogelijkheden tot zulke handel met hem te verkennen en/of de bereidheid om eventueel een handel in diamanten met hem op te zetten en/of de bereidheid tot zulke handel met hem te verkennen) heeft aangenomen, wetende dat deze hem werd(en) gedaan teneinde hem te bewegen om (in strijd met zijn plicht) in zijn bediening iets te doen (namelijk het verstrekken van (vertrouwelijke) informatie (omtrent personen en opsporingsonderzoeken) aan daartoe niet-gerechtigde persoon);

5.hij in de periode van 1 september 2011 tot en met 29 september 2015 in Nederland een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van witwassen, door (telkens) voorwerpen, te weten geldbedragen voorhanden te hebben, immers heeft hij, verdachte telkens contante geldbedragen (tot een totaalbedrag van ongeveer 59.842,47 euro) gestort op een of meer bankrekeningen die op zijn, verdachtes, naam en/of op naam van het bedrijf [bedrijf 1] was/waren gesteld, terwijl die contante geldbedragen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;

6.hij op 29 september 2015 te Weert reisdocumenten (namelijk Britse paspoorten) waarvan hij redelijkerwijs moest vermoeden dat die reisdocumenten vals waren (bestaande die valsheid er uit dat op die paspoorten persoonsgegevens van respectievelijk [naam 1] en [naam 2] waren vermeld, terwijl die paspoorten waren voorzien van identieke pasfoto's, te weten (telkens) een pasfoto van een persoon genaamd [naam 3] ), voorhanden heeft gehad;

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hieronder bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummer(s), wordt/worden – tenzij anders vermeld – bedoeld paginanummer(s) van een proces-verbaal of geschrift uit het eindproces-verbaal Zijdehaai, met onderzoeksnummer 20150054 van de Rijksrecherche, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, bestaande uit een algemeen dossier (AD.00 en AD.01), een persoonsdossier (PD.01, PD.02, PD.03, PD.04 en PD.05) en een zaaksdossier (ZD.01, ZD.02 en ZD.03), met (per dossier) doorgenummerde pagina's.

Met betrekking tot feit 1 en 2: medeplegen schending ambtsgeheim en computervredebreuk

(ZD.01, pagina’s 758-759)

Proces-verbaal van bevindingen van 21 mei 2015 op ambtseed opgemaakt door verbalisant

[verbalisant 1] :

Uit onderzoek (Bergaster) bleek dat de digitale administratie van verdachte [medeverdachte 4] en

[bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] vermoedelijk waren opgeslagen in de zogenaamde

cloud omgeving. Deze omgeving wordt beheerd door de onderneming cloudshape,

gevestigd te Tilburg.

Op woensdag werden deze gegevens door bovengenoemde onderneming aan het

onderzoeksteam verstrekt. In de digitale gegevens werd onder de mappen, Gezamenlijke

Data [bedrijf 2] , [bedrijf 2] , medewerkers persoonlijke map, [medeverdachte 4] , een map met de naam

'diversen' aangetroffen. In deze map werden een 15-tal PDF files aangetroffen welke waren

genaamd:

[medeverdachte 6] [medeverdachte 16] [medeverdachte 13]

[medeverdachte 2] [medeverdachte 19]

[medeverdachte 4] [medeverdachte 15] [medeverdachte 18]

[medeverdachte 2] sluipwesp [medeverdachte 1]

Deze PDF files (5000 pagina's) betroffen zogenaamde Blueview Registratie Export

documenten.

Deze documenten zijn gegenereerd medio juni 2013 door de gebruiker KLP08416.

Dit verbalisantennummer is gekoppeld aan politiemedewerker [verdachte] .

Op welke wijze [medeverdachte 4] in bezit is gekomen van deze 'politie' informatie/documenten is

onbekend, echter is het zeer onaannemelijk dat de verdachte [medeverdachte 4] deze informatie op

legale wijze heeft ontvangen. (zie ook AMB088)

(ZD.01 pagina’s 737-803)

DOC 001; proces-verbaal overdracht Afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten van 7 juli

2015, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3], inhoudende:

(ZD.01 pagina’s 747-751)

Verklaring [getuige 1]:

BlueView is een indexsysteem. Dat houdt in; daar vinden dumps plaat van diverse

politiesystemen, zoals BVO, Summ-IT, HKS, BVH, Luris, FIU. Van bijna alle

opsporingsinstanties van Nederland, Kmar, FIOD, politie, FIU. (pagina 747)

Opsporing Basis kan niveau 3 en 4 in zien en krijgt hit/no op niveau 5. (pagina 748)

Accounts Blue View zijn strikt persoonlijk en mag niet gedeeld worden. KL008416 heeft

een Blue view account vanaf 29-8-2011 om 10.18 uur. KL008416 had 20 abonnementen. De

gebruiker kan zelf een abonnement aanmaken. De info komt in zijn mailbox binnen.

KI08416 is de enige afnemer. Een abonnement verloopt standaard na 3 maanden, dan moet

je het verlengen. Een Blue View Registratie Export is een PDF file.

Relaas:

[verdachte] is werkzaam als generalist tactische recherche. Is sinds 26 januari 2009

werkzaam als zij-instromer niveau 4 (ZD.01 pagina 740). Hij is nog niet afgestudeerd op niveau 4. De bestanden uit de cloud van verdachte [medeverdachte 4] zijn op 25 en 28 juni 2013 geëxporteerd.

Op 25 en 28 juni 2013 registreerde [verdachte] bijzonder verlof. Hij registreerde op 25 juni

2013 zijn uren en hij stuurde op 25 juni 2013 te 15.10 en 15.13 uur twee mails vanaf zijn

emailadres [ email verdachte] . Dit mailaccount is enkel te bereiken vanaf een

politielocatie, thuiswerkadres of vanaf een door de politie verstrekte mobiel telefoon.

(ZD.01 pagina 741) Op 28 juni 2013 is er vanaf het mailaccount van [verdachte] omstreeks 12.24 een mail verstuurd. (ZD.01 pagina 794)

(ZD.01 pagina 742) In de cloud gegevens van [medeverdachte 4] aanwezig: map " [medeverdachte 6] ". [medeverdachte 6] is de hoofdverdachte in het onderzoek Gutenberg (augustus 2012 - oktober 2014).

Door [verdachte] is tussen 15 januari 2014 en 15 september 2014 tenminste 94 maal gezocht

op [medeverdachte 6] . De term Gutenberg werd 183 maal aangetroffen en de term [medeverdachte 6]

werd 94 maal aangetroffen in het bestand met bevragingen in Blue View. [verdachte] deed op

vier dagen bevragingen op de zoektermen en was ook in dienst. (ZD.01 pagina 744)

Op 13 mei 2014 om 21.54 uur is er vanuit de mailbox van [verdachte] een mail gestuurd naar

[email verdachte] , met als onderwerp óverlast'. Bij deze

mail is een PDF bestand gevoegd, 571 pagina's Blue View Registratie Export.

Op 7 november 2014 om 12.47 uur worden 6 PDF bestanden gestuurd, ongeveer 900

pagina's. Op 7 februari 2015 om 13.24 uur: 3 PDF bestanden, ongeveer 600 pagina's. (ZD.01 pagina 795-802).

(ZD.01 pagina 20)

Relaas:

Het totale logbestand van [verdachte] in Blue View beslaat een periode van 30 augustus 2011

tot en met 29 september 2015. In totaal bestaat uit 28.521 regels. Die regels werden door

zowel zoekvragen als zoekresultaten gegenereerd. Iedere regel verwijst naar een registratie

of een mutatie afkomstig uit een van de bronsystemen.

(ZD.01 pagina’s 138-140)

AMB011 proces-verbaal van bevindingen van 23 september 2015, verbalisant [verbalisant 4] :

Verbalisant heeft het persoonsdossier van [verdachte] ingezien en schetst een tijdlijn van het

arbeidsverleden van [verdachte] .

21-11-2008 : geheimhouders verklaring DNR van de Landelijke Eenheid, getekend

door [verdachte] .

15-12-2008 : verklaring van geen bezwaar voor functie aspirant DNR.

12-2-2009 : brief aanstelling tot aspirant dd. 26-1-2009 en akte van aanstelling.

22-4-2009 ambtseed ondertekend door [verdachte] .

13-7-2010 : aanstellingsbrief Generalist Tactische Recherche.

28-7-2011 : verlenging proeftijd tot en met 31-1-2012

14-10-2011 : weigering verklaring van geen bezwaar aan Hoofd Bureau Veiligheid

& Integriteit KLPD.

19-10-2011 : brief weigering verklaring van geen bezwaar van BV &I naar

personeelszaken DNR.

31-1-2012 : einde verlenging proeftijd.

1-2-2012 : vaste aanstelling NR

24-4-2013 : wijziging aanstelling tijdelijke dienst met proeftijd in een vast

dienstverband met terugwerkende kracht tot 1-2-2012.

Wat de exacte werkzaamheden van [verdachte] zijn bij de Landelijke Eenheid Dienst Infra is

niet geheel duidelijk geworden.

DOC 001: (zie hierboven)

(ZD.01 pagina 740) [verdachte] was achtereenvolgens bij de Landelijke Eenheid, Dienst Verkeer in Maasbracht werkzaam (2013) en sinds 2014 bij de Dienst Infrastructuur, locatie Croeselaan Utrecht.

(ZD.01 pagina’s 138-140)

AMB.011 proces-verbaal van bevindingen arbeidsverleden [verdachte] d.d. 23 september 2015 op ambtsbelofte door verbalisant [verbalisant 4] :

(pagina 140) [verdachte] is als zij-instromer in 2009 gestart met een opleiding aan de politieacademie. Dit betreft een duale opleiding op niveau 4. [verdachte] heeft deze opleiding ten tijde van de opmaak van dit proces-verbaal recentelijk moeten afronden. [verdachte] moest van de Politieacademie vóór 1 september 2015 afgestudeerd zijn en zijn studie vóór 1 januari 2016 volledig afgerond hebben. Er heeft al een uitstel plaats gevonden voor het behalen van zijn diploma, plus 2 maanden extra voor het behalen van voldoendes voor zijn examen (laatste verlenging 4e kwartaal 2014).

De Politieacademie wil hem echter GEEN uitstel meer geven (blijkens een gesprek met zijn

studiebegeleidster van de Politieacademie d.d. 18 augustus jl). Indien [verdachte] had aangegeven begin september zijn examen te willen afleggen, zou hem de mogelijkheid gegeven zijn alsnog examen te doen. Maar nu [verdachte] de beslissing genomen had om die periode met vakantie te gaan, heeft de Politieacademie hem die mogelijkheid niet meer geboden.

Sinds 2009 heeft [verdachte] bij verschillende politieonderdelen gewerkt. [verdachte] is sinds 26 januari 2009 werkzaam bij de Landelijke Eenheid (verder LE) (de initiële opleiding) en sinds 2010 geplaatst bij de DNR, team 20 te Son en Breugel.

Op 19 oktober 2011 werd een 'Verklaring van geen bezwaar' geweigerd (A-veiligheidsonderzoek) in verband met zijn relatie. Zijn vriendin is genaamd [vriendin verdachte] , geboren in [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 1990, wonende [adres 2] . Vanwege deze weigering 'Verklaring van geen bezwaar', kon [verdachte] niet bij de DNR blijven werken en is hij op verschillende locaties tewerkgesteld. Onder andere bij de Dienst Verkeer van het KLPD te Driebergen en Maasbracht. Ten behoeve van nog te behalen modules voor zijn opleiding, werd hij ook in de regio Venlo en Eindhoven tewerkgesteld. Sinds 2014 werkt [verdachte] bij de Landelijke Eenheid, Dienst Infra, locatie Croeselaan te Utrecht. Wat zijn

exacte werkzaamheden daar zijn, is niet geheel duidelijk geworden.

Naar aanleiding van ontevredenheid over zijn functioneren, zijn inzet en door hem geleverde kwaliteit zijn diverse gesprekken met [verdachte] gevoerd. Bij verkeer Driebergen functioneerde [verdachte] onder de maat, eveneens bij de regio Eindhoven en bij de regio Venlo was zijn functioneren onvoldoende. Bijna overal kreeg hij matige tot onvoldoende

beoordelingen. [verdachte] haalde ook regelmatig zijn studiedoelen niet binnen de gestelde termijn en het gevolg was dat hij meerdere malen verlenging van zijn studietijd heeft gekregen. Voor het laatst is dat in het 4e kwartaal 2014 geweest. Als hij niet zou afstuderen in deze verlenging, zou hij ontslagen kunnen worden.

(ZD.01 pagina’s 679-713)

AMB257 proces-verbaal van bevindingen van 20 juni 2016 op ambtseed/belofte

verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6]

Om Blue View te kunnen raadplegen moet door middel van een inlogscherm worden

ingelogd met een gebruikersnaam en een wachtwoord. De gebruikersnaam is het

dienstnummer van de betreffende politie ambtenaar. (pagina 699)

Resultaten van bevragingen kunnen worden geëxporteerd als PDF of Excel bestand en

kunnen vervolgens worden opgeslagen, bijvoorbeeld op een harde schijf van de computer of

op een externe opslagplaats zoals een USB stick of andere gegevensdrager, indien de

gebruiker in het systeem rechten heeft om gegevens op een USB stick op te slaan. [verdachte]

had deze rechten.

Voor exporteren is geen aparte bevoegdheid nodig. In de naam van het document tijdens

registratie krijgt zit de tekst "Registratie Export". Daarnaast valt uit de bestandsnaam af te

leiden in welk jaar, maand, dag en tijdstip de export is gemaakt en wordt het

accountnummer (dienstnummer) van de gebruiker vermeld. Er is een waarschuwing

opgenomen aan de gebruiker: .... "het oneigenlijk gebruik dan wel misbruik van deze

gegevens is ten strengste verboden. Daarnaast is het verstrekken van deze gegevens aan

derden welke niet de vereiste autorisatie bezitten eveneens ten strengste verboden...... (pagina 700)

Op 15 juni 2015 had [verdachte] diverse abonnementen lopen. Er liepen abonnementen op 24

personen, die automatisch werden bevraagd op een zogenaamde lange KENO: dit zij de vier

beginletters van de achternaam van de persoon, eerste voorletter van de eerste voornaam,

gevolgd door geboortejaar, geboortemaand en geboortedag.

(o.a.) [medeverdachte 1] 1970 [geboortedag 3]

[medeverdachte 2] (pagina 701)

Op 14 september 2013 liepen er abonnementen op 23 personen, twee abonnementen ware

beëindigd, er was één nieuw abonnement: [medeverdachte 22] .

De resultaten werden elke dinsdag verstuurd naar het mailadres

[email verdachte] .

[verdachte] heeft vanaf 30 augustus 2011 in totaal 52 abonnementen gehad, waaronder op 12

personen van wie informatie werd aangetroffen bij [medeverdachte 4] . Het vermoeden bestaat dat het

merendeel van deze abonnementen, 44 van de 52, niet werk gerelateerd zijn.

Na oktober 2011 zijn er geruime tijd geen abonnementen meer afgesloten. In juli 2012 sluit

[verdachte] een abonnement af op de KENO van medeverdachte [medeverdachte 5] .

Naast de lopende abonnementen heeft [verdachte] op enig moment een abonnement lopen op

o.a [medeverdachte 4] : dit correspondeert met de persoon [medeverdachte 4] in het onderzoek

Bergaster. (pagina 702)

[verdachte] deelde geen abonnementen.

De bevragingen welke door [verdachte] in het automatiseringssysteem Blue View over de

periode 30 augustus 2011 t/m 28 september 2015 zijn samengevoegd tot één document. (pagina 703) Uit het totale overzicht blijkt dat verdachte [verdachte] in de onderzoeksperiode 28.521 bevragingen heeft gedaan. (pagina 705)

Op 25 juni 2015 13.45 t/m 13.50 bevragingen op: (pagina 706)

- [medeverdachte 7] (dit is een korte KENO) (deze is daadwerkelijk ingezien) (pagina 708)

- fuut

- [medeverdachte 2] 1978 [geboortedag 8]

- [medeverdachte 1] (deze is daadwerkelijk ingezien)

- [medeverdachte 3]

Tussen genoemde tijdstippen is er op 41 registraties geklikt. Door een vinkje te zetten naast

Registratie ID krijgen alle bevragingen gelijk een vinkje, door te klikken op exporteren

worden alle registratie in één keer geëxporteerd (pagina 710)

Een zeer groot aantal van de personen die door [verdachte] werden bevraagd is te relateren

aan georganiseerde hennepteelt. Een groot deel van de bevragingen betroffen locaties, vaak

waren dit locaties waar op een bepaald moment hennepplantages werden aangetroffen.

Opvallend daarbij was dat [verdachte] locaties bevroeg waar op het moment van bevraging

nog geen hennep of andere verdovende middelen gerelateerde registraties waren

opgenomen, maar in een later stadium wel. Deze locaties werden na het aantreffen van de

verdovende middelen wederom door de verdachte bevraagd. (pagina 711)

Op een enkeling na zijn alle personen waar [verdachte] een abonnement op had te relateren

aan hennephandel. Diverse personen zijn in verband te brengen met geweld. Diverse

opsporingsonderzoeken werden op codenaam bevraagd: Belmonte, Fuut en Bergaster, nadat

het onderzoeksteam op enige wijze naar buiten had moeten treden. (pagina 712)

(ZD.01 pagina’s 169-175)

AMB017 proces-verbaal van bevindingen van 23 september 2015 verbalisant [verbalisant 7]:

Vanaf de politie organisatie (A) zijn twee mailberichten met een bijlage Blue View export

bestanden naar de mail van de politie academie (B) verzonden. Deze mailberichten zijn niet

meer aangetroffen, er is wel een verwijzing naar de bijlage 1.pdf van email 1 gevonden in

een zogenaamde snelkoppeling. In B is een snelkoppelingsbestand aanwezig 5.lnk. Dit

bestand verwijst naar een bestand met de naam l.pdf op een externe mediadrager,

opgeslagen op 7 november 2014 12.47.51 uur en geopend op de externe mediadrager

0x56e46I0f (E) om 12.48.38 uur. Onderzoek levert op verwijzingen naar o.a. Registratie

Export, [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] (tabel pagina 170). Op de computers waar [verdachte] onlangs heeft gewerkt worden tekstfragmenten aangetroffen welke verwijzen naar de unieke

naamgeving van Blue View exportbestanden. (pagina 172)

(ZD.01 pagina’s 205-283)

AMB082 proces-verbaal van bevindingen van 6 november 2015 verbalisant [verbalisant 7]:

De mediadrager Ox56e4610fheeft sporen nagelaten in de computer I. 07.05.001. (pagina 209) I. 07.05.001 is een Acer Notebook, aangetroffen bij de ouders van [verdachte] op de

[adres 3] . De mediadrager zelf is niet aangetroffen.

De USB stick H 01.03.001 bevat sporen van Blue View bestanden.

(ZD.01 pagina 64) Op de computer van [verdachte] 1.07.05.001 werden ondanks aangebrachte software eraser en axcrypt vijf bestanden aangetroffen met informatie uit Blue View. Van twee bestanden is de informatie bewerkt (tekst toegevoegd). Een zogenaamd "asd" document bevat zeer veel vertrouwelijke informatie: het lijkt een opsomming van iemand die in Blue View heeft gezocht en de belangrijkste bevindingen noteert. Te zien zijn namen [medeverdachte 7] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 4] en andere.

Verklaring verdachte [verdachte] bij de rechter-commissaris d.d. 27 maart 2015:

Mijn accreditaties zijn tot mijn aanhouding blijven lopen en horen niet speciaal thuis bij een

plaats waar ik werkte, het was gekoppeld aan de aanstelling bij de NR. Ik was dus bevoegd. Ik kon raadplegen tot en met niveau 4, dat is basis politie informatie. Ik kon niet naar niveau 5.

Onderzoek naar bevragingen

I

Bergaster/Kiggings/Gutenberg

(ZD.01 pagina’s 804-904)

DOC003 proces-verbaal van bevindingen van 16 juli 2015 verbalisant [verbalisant 8]

Relaas:

Van 27 oktober 2014 tot 19 maart 2015 werd een opsporingsonderzoek uitgevoerd tegen

[medeverdachte 4] en zijn bedrijven. Op 19 maart 2015 was de actiedag. De weken voor de

actiedag merkte het onderzoeksteam dat [medeverdachte 4] bezig was met het laten verdwijnen van

voertuigen en het verplaatsen van diverse goederen van diverse locaties.

Kort voor de actiedag verliet [medeverdachte 4] Nederland. Via de tap werd zijn vrouw door [medeverdachte 4] erop gewezen dat het de volgende dag door zou gaan en dat er niets meer werd geannuleerd. Op de actiedag bleek dat er een groot aantal locaties waren leeggemaakt en een groot aantal

voertuigen en administratie waren verdwenen.

In de mobiele telefoon van [medeverdachte 4] werd het volgende SMS bericht aangetroffen aan [medeverdachte 11]

dd. 7 oktober 2013: "Ga nu naar mijn maat van de politie heb het nr gekregen ok". (pagina 805)

Tapgesprek dd. 11-3-2015 14.58 uur: [medeverdachte 4] belt naar [medeverdachte 12] : [medeverdachte 10] (vermoedelijk

[medeverdachte 10] ) "maakt zich zorgen over hun en hij zou zijn contactpersoon bij de

politie gaan bellen". (pagina 813)

De bestanden die door [medeverdachte 4] in een cloud waren opgeslagen, bevatten een bestand waarin

een groot aantal Blue view registratie export documenten medio juni 2013 gegenereerd door

KLPD08416. Dit is het personeelsnummer van [verdachte] .

(ZD.01 pagina’s 26-27)

AMB.182 & IBN I.07.01.010.001

Vlak voor de actiedag werden 13 auto's uit de bedrijfsvoorraad van [bedrijf 2]

overgeschreven, waarvan twee op naam van verdachte [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . De op 14

maart 2013 op naam van [medeverdachte 2] overgeschreven Fisker Karma [kentekens] werd op 19 maart

2013 aangetroffen bij de woning van [medeverdachte 3] , die zelf op 14 maart 2013 een Volvo S60

[kentekens] op zijn naam had gekregen.

(ZD.01 pagina’s 1268-1269)

DOC486 proces-verbaal onderzoek aangetroffen autosleutel Fisker van 7 april 2016

verbalisant [verbalisant 9] :

Bij onderzoek in de woning van verdachte [medeverdachte 1] aan de [adres 4]

werden in een schoenendoos in de heimelijke bergruimte onder de trap op de begane grond

autosleutels van het merk Fisker Karma aangetroffen (J.04.01.013.003)

Op 5 april 2016 kon bij de Dienst Domeinen te Bleiswijk met de fysieke sleutel de aldaar

staande Fisker Karma [kentekens] , ten name van [medeverdachte 2] ontgrendeld worden.

(ZD.01 pagina’s 296-299)

AMB088 proces-verbaal van bevindingen van 26 oktober 2015, verbalisant [verbalisant 5]:

In de map met de naam 'diversen' in de cloud omgeving van het bedrijf cloudshape werden

15 PDF files aangetroffen. Bij het openen van alle bestanden zag verbalisant dat dit PDF

bestanden waren van een Blue View Registratie export. Aan de bovenzijde van iedere PDF

stond een gebruikersnaam KLP08416 en een datum vermeld. Alle namen in de genoemde

files [zie DOC001] zijn door [verdachte] bevraagd en geëxporteerd op 25 en 28 juni 2013, onder ander:

[medeverdachte 6] : Bij het openen van de PDF file met de naam [medeverdachte 6] zag ik verbalisant dat dit een bestand betrof van 476 pagina's welke was geëxporteerd op 28 juni 2013 te 12.27.36 uur. (pagina 296)

[medeverdachte 2] / [medeverdachte 2] : Bij het openen van de PDF file met de naam [medeverdachte 2] zag ik verbalisant dat dit een bestand betrof van 118 pagina's welke was geëxporteerd op 25 juni 2013 te 13.51.37 uur. Bij het openen van de PDF file met de naam [medeverdachte 2] zag ik verbalisant dat dit een bestand betrof van 468 pagina 's welke was geëxporteerd op 25 juni 2013 te 13.38.24 uur.

Bij de door mij ingevoerde zoekvraag " [medeverdachte 2] en [medeverdachte 2] " in de loggin-gegevens van de verdachte [verdachte] bleek mij dat hij op 25 juni 2013 van 13.35.11 uur tot en met 13.51.37 uur gegevens over deze persoon had opgevraagd.

Daarnaast bleek mij dat hij op nog 57 verschillende data op de naam [medeverdachte 2] I [medeverdachte 2] of een samenstelling daarvan gegevens had opgevraagd. (pagina 297).

[medeverdachte 4] : Bij het openen van de PDF file met de naam [medeverdachte 4] zag ik verbalisant dat dit een bestand betrof van 763 pagina's welke was geëxporteerd op 25 juni 2013 te 14.00.02 uur. Op 16 verschillend data zijn gegevens op de naam [medeverdachte 4] of een samenstelling daarvan door verdachte opgevraagd. (pagina 298)

[medeverdachte 1] : Bij het openen van de PDF file met de naam [medeverdachte 1] zag ik verbalisant dat dit een bestand betrof van 265 pagina 's welke was geëxporteerd op 25 juni 2013 te 13.54.02 uur. Op 25 verschillende data zijn gegevens op de naam [medeverdachte 1] of een samenstelling daarvan door verdachte opgevraagd. (pagina 299)

In totaal bedroeg de informatie in de cloud bij [medeverdachte 4] 4513 pagina's uit diverse

politiesystemen.

Uit het onderzoek Zijdehaai is niet gebleken dat andere personen met de logingegevens van

[verdachte] bevragingen hebben gedaan.

(ZD.01 pagina’s 690-691)

AMB249 proces-verbaal van bevindingen van 17 mei 2016 verbalisant [verbalisant 5] :

Op 29 september 2015 is in de woning aan de [adres 5] een witte tas

"Compumatica" in beslag genomen (I.14.01.017).

In de tas zat een map met zogenaamde gele mini processen-verbaal. Aan de linker

bovenzijde van de formulieren staat met grote letters het logo van Politie afgedrukt.

Op het bovenste vel van deze map was met een pen geschreven: (o.a.)

[medeverdachte 4]

[medeverdachte 2]

[medeverdachte 1]

[medeverdachte 6]

Bij controle van de gegevens welke in de cloud van [medeverdachte 4] waren aangetroffen bleek dat de

namen van de personen op het aangetroffen gele formulier, exact overeenkwamen met de

namen die op dit formulier stonden vermeld.

(ZD.01 pagina 739)

Proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van 7 juli 2015:

Hieronder volgt een overzicht van de aangetroffen mapnamen en de personen of onderzoeken waarop deze te herleiden zijn.

Mapnaam Te herleiden op

[medeverdachte 6]

[medeverdachte 13]

[medeverdachte 4]

[medeverdachte 2]

[medeverdachte 14]

[medeverdachte 2]

[medeverdachte 15]

Sluipwesp Onderzoekpolitie Brabant Zuid-Oost

[medeverdachte 16] onbekend

[medeverdachte 17]

[medeverdachte 18]

[medeverdachte 1]

[medeverdachte 13]

[medeverdachte 19]

[medeverdachte 18]

(ZD.01 pagina 25)

Relaas:

In een oude telefoon die in gebruik was bij [verdachte] in 2013 (I.11.01.001) werden

verschillende memo's aangetroffen.

Eén memo dd. 25-6-2013 bevat de volgende tekst: (o.a.)

[medeverdachte 4]

[medeverdachte 2]

[medeverdachte 1]

Deze personen worden door [verdachte] op 25 juni 2013 daadwerkelijk bevraagd in Blue

View en een grote hoeveelheid informatie wordt geëxporteerd. Een deel van deze informatie

is aangetroffen in de cloud van [medeverdachte 4] .

(ZD.01 pagina 130)

Proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 10] van 8 juli 2015:

Binnen een onderzoek genaamd Gutenberg van DNR team Son en Breugel werden bij

doorzoekingen d.d. 23 september 2014 situaties aangetroffen die duiden op schoning van deze locaties. Hoofdverdachte in dit onderzoek is [medeverdachte 6] , geboren 28 oktober 1981.

Van deze [medeverdachte 6] werd ook politie informatie aangetroffen in de cloud-omgeving van verdachte [medeverdachte 4] bij het bedrijf cloudshape te Tilburg.

[verdachte] heeft, zoals eerder al vermeld, deel uitgemaakt van de DNR Son en Breugel en heeft kennelijk nog steeds toegang tot de teammap 20. Verder is met de inlogcode van [verdachte] in de periode 15 januari 2014 en 15 september 2014 in Blue View tenminste 94 maal gezocht op de naam [medeverdachte 6] .

(ZD.01 pagina’s 377-379)

AMB182 proces-verbaal inzake aantreffen lijst persoonsnamen van 15 januari 2016,

verbalisant [verbalisant 11] :

Tussen de inbeslaggenomen voorwerpen I.07.01.010 (uit de woning van de ouders van

[verdachte] , [adres 3] ) werd een agenda over het jaar 2013 aangetroffen. Voorin

de agenda staat de naam [verdachte] , twee telefoonnummers van [verdachte] , data van

reizen naar Kiev, de woorden Porsche en Peugeot .

Op de laatste pagina was een handgeschreven lijst met namen opgenomen. [24 namen], o.a.

(pagina 378)

[medeverdachte 4]

[medeverdachte 1]

S1 en S2, dit betreft mogelijk [medeverdachte 2] en [medeverdachte 20]

Alle namen in de lijst zijn namen van personen die op enig moment tussen 31 augustus 2011

en 29 september 2015 door [verdachte] zijn bevraagd in het politiesysteem Blue View.

Deze namen betreffen deels namen die zijn aangetroffen in de cloud van [medeverdachte 4] .

II

Fuut

(ZD.01 pagina’s 928-930)

DOC069 proces-verbaal inzake rol/status van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 24/getuige] van 25 september

2015, verbalisant [verbalisant 12] :

In het onderzoek Fuut (FIOD) is sprake van aan verdachte [medeverdachte 7] geleende gelden

en daarvan opgemaakte overeenkomsten. Het gaat hierbij om 25 personen en 68

aangetroffen overeenkomsten. Verdachte [medeverdachte 7] wordt verdacht van bedrieglijke

bankbreuk. Het vermoeden spitste zich vooral toe op het gegeven dat [medeverdachte 7] zijn

curator mogelijk niet had geïnformeerd over €100.000, - aan genoten inkomsten die hij op 4

augustus 2015 zou hebben gehad.

[medeverdachte 24/getuige] heeft verklaard: "ik werk samen met [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] vertelde dat hij

geld leende aan [medeverdachte 7] ".

[medeverdachte 3] verklaarde over de leningen van [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 7] : "De eerste keer

heb ik € 10.000,- aan [medeverdachte 7] geleend om te kijken hoe dat zou gaan. Hierna heb ik samen met

[medeverdachte 2] ongeveer € 475.000,- aan hem geleend".

(ZD.01 pagina’s 922-923)

DOC049 proces-verbaal informatie over het onderzoek van 22 september 2015,

verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 13] :

Op 29 april 2015 maakte [medeverdachte 7] de volgende opmerkingen. [medeverdachte 7] deed het

voorkomen of hij kennis had van het onderzoek dat tegen hem liep. Zo zinspeelde hij erop

de naam van het onderzoek te kennen door te spreken over een 'klein leuk beestje'. Tevens

gaf hij aan dat hij heet onderzoek van de FIOD al wel had verwacht. Hij gaf hierbij onder

meer aan te weten dat hij daarom al geobserveerd werd. [medeverdachte 7] sprak ook over een

ordner met geldleenovereenkomsten die hij al speciaal had klaargelegd voor de FIOD om

mee te nemen als zij langs zouden komen. Van 14 tot en met 16 juli 2015 suggereerde [medeverdachte 7]

dat hij wist dat een onderzoek tegen hem liep.

(ZD.01 pagina’s 932-933)

DOC074 proces-verbaal contact met de heer [medeverdachte 3] van 30 juli 2015, verbalisanten [verbalisant 12]

en [verbalisant 14] :

Op 29 juli 2015 omstreeks 12.00 uur werd in de woning van [medeverdachte 3] te Geldrop bij DOC-

039 [FIOD], het vervalste bankafschrift van de SAXOBANK stil gestaan. Bij het zien van

het kassaldo op dit afschrift ... reageerde [medeverdachte 3] met de opmerking ... "dat heb ik toch

gezegd, dat geld is er nog". Op de mededeling dat het aangegeven kassaldo niet klopte

reageerde [medeverdachte 3] : "als dat zo is ben ik opgelicht".

(ZD.01 pagina’s 925-926)

DOC068 proces-verbaal contact met de heer [medeverdachte 3] van 13 augustus 2015,

verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 13] :

Op 13 augustus 2015 zei [medeverdachte 3] dat "áls het klopt wat u zegt dat er helemaal geen geld

meer op de SAXO bank rekening staat, wil ik dit haast niet geloven ... dan voel ik mij

opgelicht".

(ZD.01 pagina’s 964-965)

DOC120 proces-verbaal van observatie opgemaakt en gesloten op 4 augustus 2015:

Op woensdag 29 juli 2015 tussen 15.00 uur en 21.00 uur werden de volgende waarnemingen

gedaan.

16.18

uur komt [verdachte] uit de politieacademie te Eindhoven en stapt in een Peugeot [kentekens]

. 16.42 uur werd de Peugeot geparkeerd op de parkeerplaats gelegen aan De Plaatse te

Veldhoven, 16.43 uur stapt [verdachte] uit en gaat op het terras van grand café Saint Tropez

zitten.

18.37

uur had [verdachte] contact met de bestuurder van een Ford Mondeo [kentekens] en hij

stapte in als bijrijder. 18.53 uur stond de Ford Mondeo geparkeerd op de oprit van de

woning aan de [adres 4] .

19.17

uur werd een AUDI A5 [kentekens] geparkeerd in de straat en twee mannen NN1 en

NN3 stappen uit. Zij worden binnen gelaten op [adres 4] .

19.45

uur reed de Ford Mondeo [kentekens] door Veldhoven in de richting van

Industrieterrein De Hurk te Eindhoven.

(ZD.01 pagina 937-938)

DOC097 proces-verbaal van aanvulling opgemaakt en gesloten op 30 september 2015

verbalisant K120:

"In aanvulling op [DOC120] verklaar ik dat ik NN2, nadien aan de hand van een door het

team beschikbaar gestelde foto, herken als [medeverdachte 3] , geboren op 4 augustus 1982 te

Geldrop."

(ZD.01 pagina 1030)

DOC202

Audi A5 Sportback staat op naam van [bedrijf 5] te Geldrop.

(ZD.01 pagina 1033)

DOC203

[bedrijf 5] is evenals [medeverdachte 3] bestuurder van [bedrijf 6]

Verklaring getuige [medeverdachte 24/getuige] d.d. 13 november 2015:

(ZD.01 pagina 1283) Mijn auto is een Audi A5, kenteken [kentekens] op naam van [bedrijf 5] .

(ZD.01 pagina 1285) [medeverdachte 3] en ik zijn niet alleen zakenpartners, wij kennen elkaar al heel lang en gaan privé met elkaar om.

De laatste twee weken van juli 2015 heeft [medeverdachte 3] mijn auto geleend, dus de Audi AS met

kenteken [kentekens] .

(ZD.02 pagina 181)

DOC242

[medeverdachte 1] leaset een leaseauto Ford Mondeo [kentekens] vanaf november 2014, short

lease.

(ZD.01 pagina’s 133-136)

AMB007 proces-verbaal van verdenking van 2 september 2015. verbalisant [verbalisant 21] :

Bij navraag van de gemeentelijke basisadministratie bleken er geen personen ingeschreven op de [adres 4] . (pagina 134)

(ZD.01 pagina 915)

DOC023 informatie UPC van 4 augustus 2015

Op [adres 4] is een UPC aansluiting op naam van [medeverdachte 1] ,

geboren 15-02-1970.

(ZD.01 pagina’s 317)

AMB130 proces-verbaal van bevindingen van 17 november 2015 verbalisant [verbalisant 6] : Op 29 juli 2015 straalt de telefoon van [medeverdachte 2] om 18.51 uur de paal [adres 5]

aan, om 21.21 uur de [adres 14] en om 21.46 uur de [adres 5]

.

(ZD.01 pagina’s 30-34)

Relaas:

Het onderzoek Fuut werd door [verdachte] in Blue View veelvuldig bevraagd. De

wetenschap dat er op 29 april een doorzoeking zou gaan plaatsvinden was te raadplegen in

een mutatie van 20 april 2015 (DOC141 pagina 1002) en maakte deel uit van een bevraging door [verdachte] op 21 april 2015. (pagina 30)

Het onderzoek Fuut werd op 28 juli 2015 en op 3 augustus uitgebreid bevraagd. Op 3

augustus 2015 zoekt [verdachte] naar registraties die betrekking hebben op Fuut door

rechtstreeks op het onderzoek te KLP08416 3-aug-2015 13.46.31 Metagegevens vervalst

fuut

KLP08416 3-aug-2015 13.46.38 Metagegevens saxo fuut.

(ZD.01 pagina’s 1413-1416)

Verklaring verdachte [medeverdachte 3] d.d. 20 november 2015:

(pagina 1414) Ik kan mij herinneren dat ik wel een keer met [medeverdachte 2] op een avond naar een huis ben geweest. In de woning trof ik zowel [verdachte] , die ik herkende van een ontmoeting via een kennis van mij [naam 4] in een café in Eindhoven en [medeverdachte 1] . Ik wist niet dat [medeverdachte 1] daar woonde.

(pagina 1415) Ik zag dat beide [verdachte + medeverdachte 1] met elkaar op de bank in gesprek waren, Naar mijn

mening is de kans groot dat het gesprek met de FIOD ter sprake is gekomen. Het kan zijn

dat één van beide [verdachte + medeverdachte 1] de inhoud van het gesprek tussen [medeverdachte 2] en mij heeft opgevangen.

Verklaring getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris d.d. 3 april 2017:

De officier van justitie vraagt aan mij of ik de heer [verdachte] ooit gevraagd heb of opdracht heb gegeven om iets na te kijken in Blue View. Nee, dat heb ik niet.

Verklaring getuige [getuige 3] bij de rechter-commissaris d.d. 24 april 2017:

Ik kan me wel herinneren dat de heer [verdachte] een opmerking heeft gemaakt dat het zo handig was dat hij nog in Blue View terecht kon in verband met zijn werkzaamheden in de surveillance, ook voor collega's. Ik vond dat opmerkelijk, omdat dit mijn taak is. Ik was de enige ter plekke die dat systeem mocht raadplegen.

(ZD.01 pagina’s 940-943)

DOC105 proces-verbaal van observatie opgemaakt en gesloten op 15 september 2015:

Op dinsdag 1 september 2015 tussen 15.30 uur en 21.10 uur werden de volgende

waarnemingen gedaan.

17.57

uur [verdachte] verliet de woning [adres 2] en liep in de richting van de

Walburgpassage te Weert. Hij droeg een klein voorwerp, ter grootte van een mobiel telefoon

in zijn linkerhand. Om 17.58 uur stapt hij in de BMW [kentekens] en vertrok. Om 18.26 uur

reed hij over de Run in Veldhoven.18.40 uur stond de BMW geparkeerd op het

parkeerterrein De Plaatse te Veldhoven [kennelijk verschrijving in het proces-verbaal: Weert i.p.v. Veldhoven] 18.50 uur Ford Mondeo [kentekens] stond geparkeerd op de oprit van de [adres 4] . Om 19.07 reed een grijze Audi [kentekens] de straat in en parkeerde ter hoogte van [adres 4] . De bestuurder stapt uit. Om 19.58 uur verliet hij de

woning. OM 20.04 uur liep [verdachte] over de oprit van [adres 4] komende

vanaf de voordeur. De Ford Mondeo [kentekens] kwam achteruit de oprit af gereden waarna

[verdachte] als bijrijder instapte. Om 20.12 uur stopte de Ford Mondeo bij de BMW [kentekens]

en [verdachte] stapt in de BMW. Hij heeft een zwart voorwerp vast. Om 20.39 wordt de

BMW geparkeerd op de oprit van de woning aan de [adres 3] , om 20.52 uur vertrekt de

BMW, om 21.04 gaat [verdachte] de woning [adres 2] binnen met een zwart voorwerp in

zijn hand, gelijkend op een externe harde schijf.

Verbalisant K 115 herkent de bestuurder van de Ford aan de hand van een door het tactisch

team ter hand gestelde foto als [medeverdachte 1] , geboren [geboortedag 3]

1970 te Eindhoven.

(ZD.01 pagina’s 340-342)

AMB158 proces-verbaal van bevindingen van 15 december 2015 verbalisant [verbalisant 5] :

De bestuurder van de Audi RS7 [kentekens] werd door het OT herkend als [medeverdachte 21] .

Uit historische gegevens van diens telefoonnummer zou dit nummer op 29 juli 2015 18.16-

20.28

uur in Hank geweest zijn, zijnde de verblijfplaats van [medeverdachte 21] . (AMB153 pagina 338)

Nader onderzoek van de Audi RS7 wees uit dat een zelfde soort auto op verschillende data

is waargenomen bij de woning van verdachte [medeverdachte 2] aan de [adres 5] .

Op 3 juni 2015 werd een grijze Audi RS7 met Duitse kentekenplaten op de oprit van de

woning gezien. Op 11 juli 2015 wordt eenzelfde auto met Duitse handelaarsplaten

waargenomen. De politie heeft aangebeld bij [medeverdachte 2] en bij hem navraag gedaan over

deze auto. [medeverdachte 2] vertelde dat deze auto bij hem stond om namens een klant te verkopen.

(AMB144 pagina’s 322-323)

Op 21 september 2015 werden door de dienst luchtvaart overzichtsfoto's genomen van de

woning aan de [adres 5] . Op deze foto's was op de oprit een Audi RS7

te zien.

Op 22 september 2015 te 11.20 uur zag verbalisant [verbalisant 15] bij perceel

[adres 5] op de linker oprit een grijze Audi personenauto met het kenteken [kentekens]

staan. (AMB094 pagina 308)

Op 1 september 2015 tussen 18.00 uur en 20.28 blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer]

in gebruik bij [medeverdachte 2] in Veldhoven was. Om 18.00 uur Had [medeverdachte 2] een 91 seconde durend

gesprek met [medeverdachte 3] .(31631672600). (AMB130 pagina 320)

Vergelijking van de foto's van [medeverdachte 21] en [medeverdachte 2] en de signalementen laten zien dat

beiden een grote gelijkenis vertonen.

(ZD.01 pagina’s 41-42)

Relaas:

Op 27 augustus 2015 werd door [verdachte] Blue View bevraagd. Daarbij werden een door

hem een groot aantal bevragingen gedaan en informatie geëxporteerd. Onder meer werd de

volgende raadpleging in de logfiles aangetroffen met betrekking tot [medeverdachte 2] .

27-aug-2015 13.42.32 Natuurlijk Persoon [medeverdachte 2]

27-aug-2015 Natuurlijk Persoon NATPERS# [medeverdachte 2]

13.42.35 07-31

[medeverdachte 2]

27-aug-2015 13.43.41 Registratie PL2100_2014151554_BVH [medeverdachte 2] l

Vermoedelijk werd de BVH registratie PL2100_2014151554 geëxporteerd. In deze

registratie wordt de inbeslagname van verschillende voertuigen gerelateerd, waaronder de

Fisker Karma op naam van [medeverdachte 2] . Ook worden de aanhoudingen van [medeverdachte 12] en

[medeverdachte 4] op 25 augustus 2015 gerelateerd.

(ZD.01 pagina 213)

AMB082:

Op 1 september 2015 zijn er twee externe gegevensdragers aangesloten geweest op de

computer J.01.01.001 [computer van [medeverdachte 1] ]: Ox636f6463 en Ox965a2f84.

Uit de linkfiles op de computer kan worden afgeleid dat op 1 september 2015, tussen 18.50

uur en 18.52 uur op de externe gegevensdrager Ox636f6463, verbonden met de computer

van [medeverdachte 1] , bestanden zijn geopend. (tabel 11 pagina 213)

(ZD.01 pagina’s 639-646)

AMB212 proces-verbaal van bevindingen van 7 april 2016 verbalisant [verbalisant 5] :

Op 29 september 2015 werd op de [adres 4] een bundel

documenten in beslag genomen uit de verborgen ruimte onder de trap: J.04.01.014.

Het betrof in totaal 167 pagina's.

De documenten waren niet allen in hetzelfde lettertype afgedrukt. Het waren geen 'directe'

downloadproducten van Blue View, maar de meeste waren kennelijk bewerkt. Er ontbraken

pagina's, er waren verschillende downloads geweest en er zijn verschillende bewerkingen

gedaan.

(pagina’s 640-641)

[medeverdachte 2]

Bovenstaande inzake onderstaand onderzoek hennep (reeds verstrekt)

10x afgeschermd onderzoek DOOMER (zie eerdere uitleg)

Let op inzet IMSI catcher bij verdachten

Op één van de pagina's (J.04.01.014.131) staat het tijdstip 12-08-2015 13.25.06. (zie

AMB064 hieronder)

Op een 4-tje (J.04.01.014001) (paginanummer 6) stond op een gevouwen hoekje

"Chinees", " [medeverdachte 2] ".

Chinees zou de verdachte [medeverdachte 3] betreffen, [medeverdachte 2] zou de verdachte [medeverdachte 2] betreffen (pagina 642)

"Chinees" bleek een deel van een mutatie d.d. 19-08-2015 met nummer

012920_ACTJRN233589 SUM. [verdachte] heeft op 25 augustus en 28 september 2015

gezocht op dit mutatienummer. Sinds 28-6-2015 heeft [verdachte] een abonnement op

[medeverdachte 2] en het onderzoek Fuut.

Op het document is een dactyloscopisch spoor van [medeverdachte 2] aangetroffen. (zie DOC398)

(ZD.01 pagina’s 1183-1184)

DOC352 proces-verbaal sporenonderzoek documenten van 24 december 2015,

verbalisanten [verbalisant 16] en [verbalisant 17] :

Paginanummer 6 kreeg SIN nummer AAHU70 l 9NL en SIN dactyloscopisch spoor

AAHI1770NL.

Paginanummer 32 kreeg SIN nummer AAHUI7022 en SIN dactyloscopisch spoor

AAHI1776NL.

Paginanummer 33 kreeg SIN nummer AAHU7021NL en SIN dactyloscopisch sporen

AAHI1773-74-75NL.

Paginanummer 90 kreeg SIN nummer AAHU7024NL en SIN dactyloscopisch sporen

nummers AAHI1780-81-82NL.

(ZD.01 pagina’s 1237-1240)

DOC398 rapport dactyloscopisch onderzoek van 6 januari 2016, rapporteur J.A.J.M.

Riemen:

Met betrekking tot de sporendrager AAHI1770NL:

In het onderzoek is zowel een zeer grote mate van overeenkomst geconstateerd als de

afwezigheid van onverklaarbare dactyloscopische verschillen tussen spoor

00291215000000800 en de afbeelding van de linker middelvinger van incidentnummer

311000469721 geregistreerd in HAVANK onder biometrienummer 310001198320:

[medeverdachte 2] .

(ZD.01 pagina’s 1197-1200)

DOC390 rapport dactyloscopisch onderzoek van 5 januari 2016, rapporteur J.A.J.M.

Riemen:

Met betrekking tot de sporendrager AAHI1782NL:

In het onderzoek is zowel een zeer grote mate van overeenkomst geconstateerd als de

afwezigheid van onverklaarbare dactyloscopische verschillen tussen spoor

002912150000002300 en de afbeelding van de linker duim van incidentnummer

31100459601 geregistreerd in HAVANK onder biometrienummer 310001819163:

[verdachte] .

(ZD.01 pagina’s 1202-1205)

DOC391 rapport dactyloscopisch onderzoek van 5 januari 2016, rapporteur J.A.J.M.

Riemen:

Met betrekking tot de sporendrager AAHI1781NL:

In het onderzoek is zowel een zeer grote mate van overeenkomst geconstateerd als de

afwezigheid van onverklaarbare dactyloscopische verschillen tussen spoor

002912150000002200 en de afbeelding van de linker duim van incidentnummer

31100459601 geregistreerd in HAVANK onder biometrienummer 310001819163:

[verdachte] .

(ZD.01 pagina’s 1207-1210)

DOC392 rapport dactyloscopisch onderzoek van 5 januari 2016. rapporteur J.A.J.M.

Riemen:

Met betrekking tot de sporendrager AAHI1780NL:

In het onderzoek is zowel een zeer grote mate van overeenkomst geconstateerd als de

afwezigheid van onverklaarbare dactyloscopische verschillen tussen spoor

002912150000002000 en de afbeelding van de rechter duim van incidentnummer

31100459601 geregistreerd in HAVANK onder biometrienummer 310001819163:

[verdachte] .

(ZD.01 pagina’s 1217-1220)

DOC394 rapport dactyloscopisch onderzoek van 5 januari 2016, rapporteur J.A.J.M.

Riemen:

Met betrekking tot de sporendrager AAHI1775NL:

In het onderzoek is zowel een zeer grote mate van overeenkomst geconstateerd als de

afwezigheid van onverklaarbare dactyloscopische verschillen tussen spoor

002912150000001400 en de afbeelding van de rechter ringvinger van incidentnummer

31100459601 geregistreerd in HAVANK onder biometrienummer 310001819163:

[verdachte] .

(ZD.01 pagina’s 1222-1225)

DOC395 rapport dactyloscopisch onderzoek van 5 januari 2016. rapporteur J.A.J.M.

Riemen:

Met betrekking tot de sporendrager AAHI1773NL:

In het onderzoek is zowel een zeer grote mate van overeenkomst geconstateerd als de

afwezigheid van onverklaarbare dactyloscopische verschillen tussen spoor

002912150000001000 en de afbeelding van de rechter ringvinger van incidentnummer

31100459601 geregistreerd in HAVANK onder biometrienummer 310001819163:

[verdachte] .

(ZD.01 pagina’s 1227-1230)

DOC396 rapport dactyloscopisch onderzoek van 5 januari 2016. rapporteur J.A.J.M.

Riemen:

Met betrekking tot de sporendrager AAHI1776NL:

In het onderzoek is zowel een zeer grote mate van overeenkomst geconstateerd als de

afwezigheid van onverklaarbare dactyloscopische verschillen tussen spoor

002912150000001600 en de afbeelding van de linker wijsvinger van incidentnummer

31100459601 geregistreerd in HAVANK onder biometrienummer 310001819163:

[verdachte] .

(ZD.01 pagina 198)

AMB064 rapport analyse opgemaakt van 9 oktober 2015 rapporteur H. Hoppl:

Op pagina J.04.01.014.131 staat een datum 12-08-2015 13.25.06, die wordt gegenereerd bij

een export uit Blue View en onderaan elke pagina staat. De tekst is opgezocht in Blue View

en die komt overeen met de mutatie met registratienummer

PL2600 ACTD0C54 78545 SUM Landelijk Eenheid, dit betreft een onderzoek waarvan

bekend is dat deze door [verdachte] is bevraagd. Volgens de logfiles van [verdachte] heeft

[verdachte] op 12 augustus om 13.24.32 uur een bevraging gedaan op de betreffende

onderzoeksnaam. Tussen 13.25.01 uur en 13.25.06 uur zijn vervolgens 152 mutaties uit

Blue View geëxporteerd. De mutatie PL2600_ACTDOC5478545_SUM is om 13.25.06

geëxporteerd.

Deze mutatie is door niemand anders bevraagd en geëxporteerd dan door de gebruiker van

het account van [verdachte] . (zie ook AMB195 hieronder).

(ZD.01 pagina’s 558-559)

AMB201 proces-verbaal van bevindingen van 9 februari 2016, verbalisant [verbalisant 18] :

In de op de [adres 3] op een slaapkamer aangetroffen telefoon Samsung

Galaxy SIII), I.11.01.001 werden verschillende memo's aangetroffen. In een memo van 6

maart 2013 21.42 staat o.a. de volgende tekst:

[medeverdachte 3] [geboortedag 4] 82

[medeverdachte 2] portstrt vel

De naam ‘ [medeverdachte 3] 4882’ betrekking heeft op de verdachte [medeverdachte 3] en zijn

geboortedatum, [geboortedag 4] 1982.

De naam [medeverdachte 2] porstr vel’ betrekking heeft op de verdachte [medeverdachte 2] , waarbij

‘portstr vel’ vermoedelijk verwijst naar zijn woonadres: [adres 5] .

Uit de loggingfiles van BlueView blijkt dat op 7 maart 2013, een dag nadat deze notitie in de telefoon gemaakt werd, deze drie entiteiten, in de genoteerde volgorde, door [verdachte] in BlueView bevraagd werden:

(…)

7-mrt-2013 11:11:13 Natuurlijk Persoon [medeverdachte 3]

7-mrt-2013 11:11:18 Natuurlijk Persoon [medeverdachte 3] NATPERS#N# [medeverdachte 3]

7-mrt-2013 11:11:20 Natuurlijk Persoon hoof 1982-08-04 NATPERS#N# [medeverdachte 3]

7-mrt-2013 11:28:20 Natuurlijk Persoon [medeverdachte 2]

7-mrt-2013 11:28:49 Natuurlijk Persoon [medeverdachte 2]

7-mrt-2013 11:28:52 Natuurlijk Persoon NATPERS#N# [medeverdachte 2]

7-mrt-2013 11:28:53 Natuurlijk Persoon NATPERS#N# [medeverdachte 2]

Het is de eerste keer dat [verdachte] [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] in BlueView bevraagt. Hierna

worden zowel [medeverdachte 3] als [medeverdachte 2] over een lange periode – tot en met 28 september 2015,

de dag voor zijn aanhouding – door [verdachte] met zeer grote regelmaat bevraagd. Op de lange KENO [medeverdachte 2] wordt door [verdachte] bovendien op 28 juni 2013 een abonnement

aangemaakt.

Op 7 maart 2013 11.11.18 - 11.28.53 uur bevraagt [verdachte] [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] voor de

eerste keer in Blue View, tot en met 28 september 2015. Op de lange KENO van [medeverdachte 2]

wordt op 28 juni 2013 een abonnement gemaakt.

III

[medeverdachte 22]

(ZD.01 pagina’s 354-359)

AMB168 proces-verbaal van bevindingen van 8 december 2015. verbalisant [verbalisant 18] :

Op 30 september 2015 werd op de [adres 4] een AH-tas met

papieren aangetroffen. (J.05.01.003)

In de tas zat een briefje (ZD.01 pagina 1545) met de handgeschreven tekst:

"Ab: [medeverdachte 22]

"

Op 30 september werd op de [adres 2] in een kastje in de woonkamer een

plastic bakje aangetroffen met inhoud (H.03.01.002).

In het bakje werd een papier aangetroffen met daarop een handgeschreven tekst. (H.

03.01.002.001) (ZD.01 pagina 1537):

[medeverdachte 22]

(dit betreft vermoedelijk [medeverdachte 22] )

(pagina 355) Op 22 juni 2015 is door [verdachte] in Blue View gezocht op de KENO [medeverdachte 22] en [medeverdachte 22] . Deze bevraging genereerde een aantal regels. Verschillende registratie op de

KENO [medeverdachte 22] worden vermoedelijk geëxporteerd. Op 23 juni 2015 worden deze

registratie opnieuw geëxporteerd.

Op 7 juli 2015 wordt wederom een raadpleging gedaan op de KENO [medeverdachte 22] en [medeverdachte 22] en

op de lange KENO [medeverdachte 22] . Op de lange KENO wordt een abonnement

opgemaakt.

Op 21 juli, 28 juli 2015 wordt de KENO bevraagd. Op 25 augustus 2015 wordt opnieuw

bevraagd en wordt de BVH registratie met nummer 2014016123 geëxporteerd. Deze

registratie werd door [verdachte] al eerder bevraagd op 22, 23 juni 2015, 5 augustus 2015 en

voor het laatst geraadpleegd en geëxporteerd op 28 september 2015 om 11.23.19 uur. Vlak

daarvoor wordt door [verdachte] het resultaat van een abonnement opgevraagd.

De BVH registratie met nummer 2014016123 is opgestart nadat naar aanleiding van een

melding van een inbraak in een woning activiteiten werden ontdekt die verband houden met

het kweken van hennep. [medeverdachte 22] was de huurder van de woning en werd als

verdachte aangemerkt. In de BVH registratie werden verschillende activiteiten

geregistreerd, iedere activiteit breidt de registratie uit. Dus de informatie die de registratie

bevat op een latere datum is uitgebreider indien er sinds de laatste keer dat de registratie

geraadpleegd werd, nieuwe activiteiten werden gemuteerd in deze registratie. (pagina 356)

Op 29 september 2015 werden in de bergplaats in de woning van verdachte [medeverdachte 1] een set

documenten gevonden waarvan de linkerbovenhoek is omgevouwen. Op de omgevouwen

hoek staat handgeschreven: "AB". Bovenaan de pagina staat getypt: " [medeverdachte 22] ".,

paginanummers 7 tot en met 9. (J.04.01.014.003 tot en met J. 04.01.014.009).

De documenten in getypte tekst handelen over een persoon [medeverdachte 22] .

De tekst bevat informatie afkomstig uit BVH nummer 201416123. Op de pagina's met sub

nummer J.04.01.014.004 en 005 staan twee mutaties uit deze BVH registratie,

mutatienummers 2014016123-114 en -115. De mutatie betreffen processen-verbaal die

gesloten zijn op 31 juli 2015 en 24 augustus 2015. Na deze mutaties staat in het document

de vetgedrukte zin:

"Bovenstaande inzake onderstaand onderzoek hennep; (reeds verstrekt)".

In de computer van [medeverdachte 1] (J.01.01.001) die op 29 september 2015 aangetroffen op de [adres 4]

zijn in de unallocated space sporen gevonden van teksten,

o.a.:

"Uit deze gegevens bleek dat de verdachte Cosat ove"

"Ik zag dat door de ABNAMRO bank de transactiegegevens over de periode"

Deze teksten komen voor in mutatienummer 201416123-115. Dit betreft een proces-verbaal

dat is gesloten op 24 augustus 2015. Deze informatie zou op 25 augustus zijn geraadpleegd

en geëxporteerd.

(ZD.01 pagina’s 384-436)

AMB195 proces-verbaal bevindingen van 27 januari 2016 verbalisant [verbalisant 22] :

In totaal zijn er 27 fragmenten tekst gevonden in de computer van [medeverdachte 1] . (pagina 385), onder meer 4 fragmenten op de KENO [medeverdachte 2] en 9 op het onderzoek Fuut. (pagina 72)

IV

[oom verdachte]

(ZD.01 pagina’s 82-89)

[verdachte] zoekt verschillende keren op zijn oom, [oom verdachte] , o.a. op 8

januari 20154, 14 januari 2014, 18 februari 2014, 26 maart 2014 en 12 september 2014.

(ZD.01 pagina’s 148-151)

AMB016 proces-verbaal van bevindingen van 23 september 2015, verbalisant [verbalisant 19]

:

Op 19 januari 2015 te 13.16 uur heeft [verdachte] gezocht op ' [adres 8] 'en

' [adres 8] ".

Op 25 juni 2015 om 14.05 uur zocht hij op [adres 8] , ' [adres 8] ,

' [adres 8] l' en [adres 8] ". (pagina 152)

Voor tussen en na de bevragingen op 25 juni 2015 worden bevragingen gedaan naar de

adressen [adres 6] en [adres 7] .

Op 17 augustus 2015 is in de woning [adres 8] een ontmanteld

apaanlaboratorium aangetroffen, in een naast de woning gelegen loods werd een

hennepplantage aangetroffen. (pagina 148)

De woning en de loods worden gehuurd door [oom verdachte] , ingeschreven op het adres

[adres 7] . De dochter van [oom verdachte] , [dochter verdachte] , staat ingeschreven op

het adres [adres 6] .

Voor het moment van ontdekking van het laboratorium en de plantage op 14 augustus 2015

is er geen enkele registratie aan het adres [adres 8] gekoppeld. (pagina 153)

Op 24 februari 2015 is een opgeruimde hennepplantage aangetroffen in een loods aan de

[adres 9] . Huurder van dit pand was [oom verdachte] .

Op 21 januari 2015 raadpleegde [verdachte] Blue View op de locatie ' [adres 9]

' (pagina 514)

Op 7 januari 2014 werd een hennepkwekerij aangetroffen op de [adres 10] .

Op het adres [adres 11] werd op 7 januari 2014 een hennepkwekerij

aangetroffen. (pagina’s 164-165)

er werden vier huurcontracten aangetroffen op naam van [oom verdachte] .

Op 8 januari en 10 januari 2014 heeft [verdachte] meerdere malen gezocht op ' [adres 11]

en ' [adres 11] 'en [adres 10] ' en [adres 10] '.

(pagina 150)

V

WOD

(ZD.01 pagina’s 1143-1145)

DOC318. bijlage 26, proces-verbaal van bevindingen A-3869 en A-3870 van 24 september

2015:

Op 23 september 2015 vroeg ik, A-3869 [verdachte] wat hij bij de politie allemaal

kan opzoeken. Ik zei dat ik wel zou willen weten wat er allemaal over mij in de

politiecomputer staat.

Wij, A-3869 en A-3870, hoorden dat [verdachte] zei: "Schrijf je naam en geboortedatum maar op,

dan zie ik wel wat ik kan doen".

(ZD.01 pagina’s 1153-1155)

DOC318, bijlage 30, proces-verbaal van bevindingen A-3869 van 28 september 2015:

Op 25 september 2015 vroeg ik, A-3869, [verdachte] of hij mij in de politiecomputer wilde

natrekken en mij de uitkomst wilde laten zien. Ik vroeg wat hij van mij nodig had om na te

zoeken en hoe hij die gegevens wilde hebben. [verdachte] zei: schrijf maar op, ik heb je

voornamen, achternaam en geboortedatum nodig. Ik schreef op: [naam 6]

geboren op [naam 6] . Ik vroeg [verdachte] of hij nog iemand wilde natrekken in het

politiesysteem. [verdachte] ging hiermee akkoord en zei schrijf er maar bij op. Ik schreef: [naam 5]

en de geboortedatum [naam 5] . [verdachte] zei dat hij wel 2 à 3 dagen nodig had om dit

allemaal na te trekken. Ik antwoordde dat ik aanstaande woensdag vanuit Nederland weer

naar het buitenland zou vliegen en het wel voor mijn vertrek wilde zien, zodat ik kon

beslissen of het veilig voor mij was naar Nederland terug te keren of dat ik beter in het

buitenland kon blijven. [verdachte] zei hierop dat hij mij een bericht zou sturen met de code 1,2,3

als zijnde een noodsignaal wat inhield dat ik in dat geval niet naar Nederland moest

terugkeren. [verdachte] stelde voor om me dinsdag in de omgeving van Eindhoven te ontmoeten.

[verdachte] zei dat hij me dan informatie zou kunnen laten zien die hij over mij en die andere man

in dat geval zou hebben.

(ZD.01 pagina’s 1069-1070)

DOC309 proces-verbaal van observatie opgemaakt en gesloten op 30 september 2015:

Op 28 september 2015 09.58 uur werd in Weert gezien dat [verdachte] als bestuurder in de

Peugeot [kentekens] stapte en dat hij een zwarte laptoptas bij zich droeg. Om 10.24 uur werd

gezien dat de Peugeot de parkeerplaats van de Mediamarkt te Son en Breugel op reed.

[verdachte] ging de mediamarkt binnen. Om 10.27 uur werd gezien dat [verdachte] in de

Mediamarkt een USB stick (merk PNY) kocht en een blauw wit doosje met het opschrift

Lebara. Dit betreft vermoedelijk een telefoon Samsung met een simkaart met beltegoed. Om

10.30

uur stapte [verdachte] in de Peugeot en reed weg. Om 11.09 uur reed hij het terrein van

het Hotel City Center aan de Croeselaan te Utrecht op. Om 14.26 uur kwam de Peugeot het

terrein weer afrijden. [verdachte] was de bestuurder.

(ZD.01 pagina 935)

DOC89 Bonnetje Mediamarkt d.d. 28-9-2015:

Gekocht is een Samsung-E1200 black+ Lebara SIM en PNY USB 2.0 Attache 4v 16 GB

ter waarde van € 21,00 tegen contante betaling.

(ZD.01 pagina’s 77 en 208-231)

AMB082 proces-verbaal van bevindingen van 6 november 2015 verbalisant [verbalisant 7] :

Op 28 september 2015 van 11.43 uur tot en met 12.49 uur worden vanaf het politiebureau

aan de Croeselaan in Utrecht in Blue View bevragingen gedaan op o.a. ''NATPERS

[naam 6] "en " [naam 6] ", " [naam 5] ",

[naam 5] ". In BV-IVB, waarin RDW en GBA kunnen worden

bevraagd, wordt door [verdachte] onder meer bevraagd: '' [naam 6] (kw)".

Bij de doorzoeking van de woning van de ouders van [verdachte] werd op 30 september 2015

in een kluis een VSB stick PNY (I.16.01.007) aangetroffen. Op die USB stick werden Blue

View Exportbestanden gezien. Er werd een bestand aangetroffen genaamd tx.txt waarin

informatie stond uit de systemen RDW en GBA ten aanzien van de persoon [naam 6]

. (dit zijn de personalia van de politionele informatie inwinner). Ook werden drie pdf

bestanden aangetroffen met daarin HKS informatie met betrekking tot [naam 6]

en [naam 5] .

Op 28 september 2015 omstreeks 13.58 uur raadpleegt [verdachte] voor het laatst die dag

informatie uit Blue View, direct daarna verlaat hij het politiebureau te Utrecht.

(ZD.01 pagina’s 960-961)

DOC119 overzicht alle tapgesprekken met i op 28 september 2015 verbalisant

[verbalisant 20] :

14.55

uur: sms i aan [verdachte] : .... "zou het vandaag kunnen. Ik moet morgen naar

Duitsland".

14.58

uur: [verdachte] : 'ok waar ben je nu"

15.05: i: "rijd net Eindhoven binnen, zeg maar

waar".

15.21

uur: gesprek [verdachte] /i: [verbalisant 20] komt naar de Mac in Best.

15.25

uur: i: "ben met de jaguar ".

15.28

uur: [verdachte] : "ben er tot zo".

(ZD.01 pagina’s 1166-1169)

DOC318, bijlage 36, proces verbaal van bevindingen A-3869 van 28 september 2015:

Op 28 september 2015 omstreeks 15.30 uur parkeerde ik, verbalisant, mijn auto op de

parkeerplaats bij Mac Donalds te Best. Na enige minuten kwam een Peugeot 107 aanrijden

met [verdachte] achter het stuur. [verdachte] stapte uit en stapte in aan de rechterkant op de

bijrijdersstoel. Hij stelde voor te gaan rijden. Op zijn aanwijzing reed ik de autosnelweg A2

op in de richting Den Bosch. Bij een Texaco tankstation wees [verdachte] naar een naast de

rijbaan gelegen parkeerplaats. Hij wees naar een picknicktafel waar ik moest stoppen. Ik

stopte de auto, waarop [verdachte] zei dat we buiten aan de picknicktafel konden gaan zitten.

Nadat hij uit was gestapt zei hij: 'Je weet nooit wat er in een auto zit".

We gingen tegenover elkaar zitten aan de picknicktafel. [verdachte] keek mij aan en zei:

er is helemaal niks om je zorgen over te maken. Er is geen onderzoek op jou, want dat kan

ik namelijk zien. Je staat in het HKS met 225 en 216.

Ik vroeg wat hij daarmee bedoelde. [verdachte] legde uit dat dit het Herkenningsdienstsysteem

was en 225 valsheid in geschrifte betreft en 216 vals geld. Hij vervolgde met dat ik nog 2

auto's in de schorsing had staan. [verdachte] zei dat hij ook mijn telefoon had nagekeken en ook

hier was volgens hem niets mee aan de hand. Ook zei hij dat FIOD niet achter mijn aanzat.

Hij had mijn adres bekeken en noemde mijn straat. Hij vervolgde dat ik nog twee auto's in

de schorsing had staan. [verdachte] vervolgde dat dat van die andere – [naam 5] – ook wel mee

viel ... alleen wapenbezit.

[verdachte] zei dat de informatie over mijn persoon zo weinig was dat hij besloten had om mij dit

mondeling mede te delen.

Proces verbaal van de terechtzitting van 9 mei 2017, p. 10, verklaring verdachte [verdachte] :

Ik heb op een gegeven moment gezegd: "Schrijf je naam en geboortedatum maar op, dan zal

ik zien wat ik voor je kan doen. De ochtend nadat ik terug was uit Curaçao heb ik de

bevraging gedaan. Ik heb met A-3869 na de vakantie afgesproken in Best. Ik ben bij hem in

de auto gestapt. We zijn ergens gestopt. Ik heb hem informatie gegeven.

VI

[medeverdachte 5]

(PD.05 pagina’s 97-98 en 106-107)

AMB 279 proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 september 2016:

Volgens de logbestanden van Blue View bevragingen van [verdachte] bevroeg hij op acht

data (17 februari 2012, 9 juli 2012, 31 oktober 2012, 27 november 2014, 11 maart 2015, 18

mei 2015, 21 juli 2015 en 12 augustus 2015) een persoon met als KENO zoeksleutels:

, [medeverdachte 5] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 5]

.

Volgens de logbestanden van Blue View bevragingen heeft [verdachte] op 19 februari 2013

en 30 maart 2015 bevraagd opzoeksleutel [adres 13] . [medeverdachte 5] stond toen

ingeschreven op [adres 13] .

[verdachte] had op [medeverdachte 5] een Blue View abonnement van 23 juli 2012 tot en met 26

september 2013. Hierdoor kreeg hij een wekelijkse update van nieuwe gegevens die over

bekend waren.

[verdachte] had een Blue View abonnement op [medeverdachte 25 + geboortedatum] van 13 februari 2013 tot

en met 27 mei 2013.

In de logfiles van de Blue View bevragingen bevroeg [verdachte] in de periode van 17

februari 2012 tot en met 12 augustus 2015 (in totaal op 13 dagen) met zoeksleutel

[medeverdachte 25 + geboortedatum] , [medeverdachte 25 + geboortedatum] , [medeverdachte 25 + geboortedatum] , [medeverdachte 25 + geboortedatum] en [medeverdachte 25 + geboortedatum]

Volgens de gegevens van de gemeentelijke basisadministratie staat [medeverdachte 25 + geboortedatum]

, van 1-11-2007 tot 7-03-2013 ingeschreven op het

adres [adres 12] .

(ZD.01 pagina 115)

Proces-verbaal (relaas) d.d. 31 oktober 2016:

Op 23 november 2012 wordt aan de [adres 12] een hennepkwekerij

aangetroffen. Volgens de gemeentelijke basisadministratie staat daar [medeverdachte 25 + geboortedatum] ingeschreven.

Op de dag waarop de hennepkwekerij aangetroffen wordt, wordt dit adres door [verdachte]

bevraagd in Blue View. Die dag bevraagt [verdachte] daarna ook [medeverdachte 25 + geboortedatum] in persoon.

Die dag bevraagt hij ook zeven andere adressen. Bij raadpleging van Blue View bleek dat al

deze zeven adressen hennep gerelateerd waren. Omstreeks het einde van 2012 waren er van

al deze adressen meldingen of andere mutaties die te maken hadden met hennephandel of

hennepteelt dan wel bewoners die voor hennep gerelateerde incidenten stonden

geregistreerd.

(ZD.01 pagina’s 116-117)

Proces-verbaal (relaas) d.d. 31 oktober 2016:

Bij onderzoek van de gegevens welke door de verdachte [verdachte] waren opgevraagd van

de verdachte [medeverdachte 5] bleek dat dit grotendeels gegevens waren in de relationele

sfeer. [medeverdachte 5] staat in een relatie tot een vrouw genaamd [vriendin medeverdachte 5/getuige] . Samen

met deze vrouw heeft [medeverdachte 5] een zoontje genaamd [zoon medeverdachte 5] . Door [vriendin medeverdachte 5/getuige] werd vanaf

eind 2013 verschillende keren aangifte of melding gedaan van mishandeling, stalking en

huisvredebreuk tegen [medeverdachte 5] .

(ZD.01 pagina’s 1371)

Proces-verbaal van verhoor getuige [vriendin medeverdachte 5/getuige] van 13

september 2016 (GET.023):

Op 6 juli 2016 verhoorden wij [vriendin medeverdachte 5/getuige] als getuige.

De getuige verklaarde:

Ik heb vanaf 2012 tot april 2014 een relatie gehad met [medeverdachte 5] . Wij hebben

een zoontje, [zoon medeverdachte 5] . Na de zwangerschap begon het geweld direct. Ik denk dat ik wel 20

keer aangifte dan wel een melding heb gedaan. [medeverdachte 5] en ik waren goed bekend bij de

politie in die tijd. De persoon op de foto die u toont van een persoon die zich [medeverdachte 5]

noemt, is [medeverdachte 5] .

Ik ben er op een gegeven moment achter gekomen dat als ik een aangifte had gedaan dat

kort daarna [medeverdachte 5] daarvan wist. Ik merkte ook dat een verhoor van hem of een onderzoek

nooit zin heeft gehad omdat ik het gevoel kreeg dat hij zich kon voorbereiden. Hij kon een

ander verhaal maken of iets opzetten, waardoor het een ander verhaal werd en hij reactie

uitlokte. Hij heeft naar mijn mening de ruimte gekregen om mijn aangifte te manipuleren.

(ZD.01 pagina 1390)

Telefoongesprek tussen [vriendin medeverdachte 5/getuige] (C) en haar vader (V) d.d. 5 juli 2016:

C: ik doe aangifte en hij weet het.

V: [vriendin medeverdachte 5/getuige] , zoals het de vorige keer is gegaan dat hij een mol wist te bereiken.

C: ja dezelfde mol. Het maakt de cirkel rond. Dat hij kan zien dat die informatie ehh ... gewoon miljoenen sporen in dat digitale centrum, in dat grote geheel. … dat hij die mol naar mij is gegaan en die link naar [medeverdachte 5] ... ze zien het precies (ik geloof) wat hij die man welke informatie die heeft opgevraagd, die mol ja.

(ZD.01 pagina 1394)

Telefoongesprek tussen [vriendin medeverdachte 5/getuige] (C) en haar moeder (M) d.d. 8 juli 2016:

C: [medeverdachte 5] moet zich maandag [rechtbank: 11 juli 2016] melden. Hij wordt gearresteerd voor

omkoping van een ambtenaar. Dat weetje toch? Daar hebben we het toch vaker over gehad?

M: Dus hij heeft jou gebeld?

C: hij heeft ook toegegeven aan mij dat hij degene is die de mol naar Nederland heeft

gehaald, dus ik euh, maar dat weten hun denk ik niet. Ik weet dat ze niet die informatie

hebben euh van dat er geld voor betaald is.

C: die [verdachte] die was toen [zoon medeverdachte 5] één was, toen [zoon medeverdachte 5] begon te lopen, zat [medeverdachte 5] in Kiev.

Toen kon ik hem heel de week niet bereiken.

[In haar verhoor van 13 september 2016 verklaart [vriendin medeverdachte 5/getuige] dat [zoon medeverdachte 5] is geboren op 28

november 2013, GET 024, ZD.01 pagina 1381].

En [medeverdachte 5] heeft vandaag tegen mij gezegd dat hij daar dat daar die rechercheur was

Want [medeverdachte 5] vertrouwt mij. Dat daar die rechercheur was bij [medeverdachte 25 + geboortedatum] . Dat [medeverdachte 5] had

gezegd wil jij niet wat verdienen? Jajaja zei die, dat wil ik wel. [medeverdachte 5] heeft hem naar

Nederland gehaald, in die zin van in Nederland geïntroduceerd als bij hem kun je dingen

kopen en dat is zo'n groot netwerk geworden. Alle criminelen bij hem informatie kopen.

(ZD.01 pagina 1400)

Telefoongesprek tussen [vriendin medeverdachte 5/getuige] (C) en [medeverdachte 23] d.d. 11 juli 2016:

C: [medeverdachte 5] is degene geweest die [verdachte] M. geïntroduceerd heeft. Ja joh, wil je niet wat geld

verdienen. En zodoende en met name in de onderwereld van Noord-Brabant heeft hij

connecties, die [verdachte] , waar hij geld verdient. Komt daar een inval, oh eens even kijken, ja ik

heb hier een lijst voor me liggen, er komen daar en daar invallen, en dan konden die

criminelen zich voorbereiden.

(ZD.01 pagina 1402)

Telefoongesprek van [vriendin medeverdachte 5/getuige] (C) met medeverdachte [medeverdachte 5] (J) d.d. 26 augustus 2016:

J: hoezo krijg ik 6 jaar bajes?

C: wat jij hebt gedaan staat toch 12 jaar voor?

J: Wat heb ik gedaan dan?

C: moet ik dat herhalen over de telefoon of zal ik maar gewoon mijn mond dicht houden?

J: ik heb helemaal niets gedaan, dus je kunt het gewoon zeggen.

C: je hebt toch [verdachte] M vanuit de Oekraïne naar Nederland gehaald en geïntroduceerd in de

onderwereld? Jij heb toch informatie gekocht van hem? Onder andere over mij?

J: ik ken geen mensen in de onderwereld en ik ken hem ook niet.

C: ok, maar dat zei je wel tegen mij. Jij bent hier de leugenaar en niet ik.

(ZD.01 pagina’s 715)

AMB277 proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 september 2016:

Op 12 juli 2016 werd een telefoon in beslag genomen (IBN nummer LLL.001). Deze

telefoon was eigendom van verdachte [medeverdachte 5] . Op de image back up van deze

telefoon zag ik een groot aantal images (foto's) staan, waaronder de volgende twee foto's.

IMG.3853.Jpeq en IMG.4219.Jpeq. Dit betrof in beide gevallen een foto van een

computerscherm. Deze foto was als bijlage van een MMS-bericht verzonden door [medeverdachte 5]

aan [naam 7] (broer van [vriendin medeverdachte 5/getuige] ) op 19 maart 2016. Dit betrof een

foto van een e-mail bericht afkomstig van [vriendin medeverdachte 5/getuige] en gericht aan [medewerker politie/getuige]

(medewerkster intake politie), de dato 26 november 2014. Het betrof een deel

van een bericht waarin [naam 7] aangeeft dat [medeverdachte 5] in de hennepteelt in Spanje zit

en daar ook coffeeshops heeft.

"Beste [medewerker politie/getuige] , ik ben zojuist door [medeverdachte 5] geïnformeerd met het volgende. [medeverdachte 5] heeft

"buiten" met iemand gesproken van het CID? Het gaat om een chef. Deze man zou hij

gesproken hebben over mijn bijlagen (vertrouwelijk en persoonlijk verhaal) wat niet is

opgenomen in de aangifte. Deze krijgt (koopt) maandag [medeverdachte 5] van deze man. Deze

informatie kan hij onmogelijk van/via iemand anders gehad hebben, omdat helemaal

niemand dit weet. Het is niet mijn bedoeling dat dit bij wie dan ook terecht komt en zeker

niet bij [medeverdachte 5] of nog erger zijn derden."

(ZD.01 pagina 1388)

Bijlage bij GET.024

Afdruk van de foto van bovengenoemd e-mailbericht van [vriendin medeverdachte 5/getuige] aan [medewerker politie/getuige] .

In 2014 hadden [medeverdachte 5] en ik een discussie over iets dat ik bij de politie had gemeld. [medeverdachte 5]

was er heel erg op gefocust om deze informatie te krijgen. Toen zei [medeverdachte 5] tegen mij: ''Nu

moet ik weer 800 euro betalen om die informatie te krijgen".

(PD.05 pagina 174)

Proces-verbaal van verhoor getuige [medewerker politie/getuige] , d.d. 21 september

2016 (GET.028):

Ik ben als Bijzonder Opsporingsambtenaar (BOA) werkzaam in de functie van assistent

medewerker intake en service bij de politie in Eindhoven. Ik doe dit werk al ongeveer 10

jaar.

Vraag: wij tonen u een foto van e-mailbericht van 26 november 2014, afkomstig van

[vriendin medeverdachte 5/getuige] en gericht aan u. Heeft u de mail ontvangen?

Antwoord: ja, ik zie hem in de computer staan. Ik heb de mail ontvangen op 13 november

2014 om 11.38 uur.

Vraag: voor de aanvang van dit verhoor deelden wij u mede dat het ging om een politieman

die informatie doorgaf aan een verdachte. Wij hoorden u toen zeggen: 'dan had ze toch

gelijk'. Wat bedoelde je daar mee?

Antwoord: [vriendin medeverdachte 5/getuige] heeft meerdere keren mondeling aan mij aangegeven dat [medeverdachte 5] haar

vertelde dat het niet uitmaakte wat zij vertelde bij de politie. Hij zei namelijk dat hij een

politieman had die hem alle informatie gaf die hij nodig had.

Met betrekking tot feit 3: omkoping (in relatie tot de informanten A-3869 en A-3870)

Bronnen:

1) De processen-verbaal van de informanten A-3869 en A-3870 (bijlagen bij het relaas proces-verbaal met nummer 15.135.N, d.d. 15 december 2015, ZD.01 pagina’s 1081-1088. Waar hieronder wordt verwezen naar een bijlage betreft dit een bijlage bij dit relaas proces-verbaal. Paginanummers bij deze bijlages betreffen pagina's uit het dossier ZD.01. Per bijlage is steeds aangegeven welke informant het proces-verbaal heeft geschreven.

2) De processen-verbaal van de getuigenverhoren bij de rechter-commissaris van de

informanten A-3869 (d.d. 13 april 2017) en van de begeleider B-2464 (d.d. 11 april

2017). (NB: alle drie zijn onder ede gehoord)

Het proces-verbaal van het verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 27 maart

2017:

Bij dit proces-verbaal is een notitie van verdachte gevoegd die hij tijdens dat verhoor

heeft overgelegd. Bijlage 12 (pagina 1110). A-3869 – alles zakelijk weergegeven –

18-9-17. M vertelde mij onder andere het volgende.

Dat hij zich bezig houdt met het opzetten van bedrijven en business in de Oekraïne, middels

crowdfunding met name gericht op telefoons met encryptie.

Dat hij al 6 jaar bij de politie werkt op een speciale afdeling die zich bezig houdt met ICT en

met telefoons. Dat hij op het eind van het jaar wil stoppen bij de politie, hij was er wel klaar

mee.

A-3869 bij de rechter-commissaris:

Ik heb mij niet voorgedaan als handelaar in steentjes, maar als iemand die kennis heeft van

steentjes en de gebieden daarvan. Geen handelaar maar meer een intermediair die anderen

met elkaar hierover in contact kon brengen. Heb naar voren gebracht dat ik in Z-Afrika

woonde.

Wij hadden besloten al snel geconcentreerd richting de verdenking te werken, omdat

[verdachte] in het eerste gesprek al aangaf verder te willen met de encrypte telefoons en

afscheid van de politie te nemen.

B-2464 bij de rechter-commissaris:

A-3869 zou zich presenteren als iemand die in de diamanthandel te Afrika zat.

Bijlage 18 (pagina 1123) van A-3869:

20-9-17.

[verdachte] vertelde onder andere het volgende.

Dat Black Berry telefoons een goed systeem hebben. Hij is met 2 programmeurs bezig in

Oekraïne met andere systemen. Op mijn vraag hoe [verdachte] zijn bedrijf gaat opzetten, zegt

[verdachte] dat hij dat nog niet geregeld heeft. Op de vraag hoe de diamantenman uit Oekraïne

heet die ook in Afrika werkt, antwoordt hij dat die [diamantman] heet.

Bijlage 26 (pagina 1143) van A-3869 en A-3870:

[verdachte] vertelde onder andere het volgende.

Dat hij speciale, niet afluisterbare encrypte telefoons aan mij, A-3869, zou kunnen leveren.

Ik zei dat ik wel zou willen weten wat er allemaal over mij in de politiecomputer staat en zei

dat daaruit kon blijken dat het misschien verstandiger is voor mij om Nederland te verlaten.

Ik zei dat het mes aan twee kanten zou snijden: hij zou te weten komen wie ik ben en zou

kunnen besluiten om van een eventuele deal met betrekking tot de telefoons af te zien.

Ik zei dat ik een envelop bij me heb die in de tas zit, en keek naar de tas van A-3870, die

naast mij op de grond stond, waarin 400 dollar zit en waarmee hij samen naar de dolfijnen

kan. Tevens zei ik dat als hij de informatie later aan mij zou geven ik hem nog eens 500

euro zou betalen. [verdachte] zei niets en het leek mij dat hij na zat te denken. Ik vroeg hem: "of is

het niet genoeg? Zeg het maar." Vervolgens zei [verdachte] dat hij geen geld wil, maar het als een

investering ziet in de toekomst. Ik vulde hem aan .... Je doelt op de aankoop van mij bij jou

van 52 telefoons? [verdachte] reageerde met: ''Nee, 56". (We hebben in een eerder gesprek samen

een optelling gedaan van het aantal encrypte telefoons wat ik in eerste instantie nodig dacht

te hebben). Wij, A-3869 en A-3870, hoorden dat [verdachte] zei: "Schrijf je naam en

geboortedatum maar op, dan zie ik wel wat ik kan doen." [verdachte] zei: "Je moet echt mee naar

Kiev komen, ik zie daar een hoop mogelijkheden voor jou en de diamanten".

Bijlage 25 (pagina 1140) van B-2464:

A-3869 en A-3870 verklaarden mij dat zij [verdachte] hoorden zeggen dat hij er nu geen geld voor

wilde, maar het meer zag als een investering in hun toekomst.

A-3869 bij de rechter-commissaris:

We hadden gemerkt dat [vriendin verdachte] graag met dolfijnen wilde zwemmen en hadden daarom geld

bij ons om haar en [verdachte] met de dolfijnen te laten zwemmen. Er is geen druk opgelegd. Er

was voor [verdachte] en mij allebei een win-win situatie. Het gesprek had een ontspannen

karakter.

Ik had hem geld aangeboden. Hij zei toen dat hij het zag als een investering voor de

toekomst met betrekking tot de telefoons. Ik zou namelijk telefoons van hem afnemen. Ik

noemde het aantal van 52 telefoons, maar hij verbeterde mij en zei dat het 56 telefoons

betrof. Dat van die 52 en 56 telefoons weet ik zeker. Zoals het in mijn pv staat is het correct.

Ik heb het woord toekomst niet gebruikt. [verdachte] zei als eerste tegen mij dat hij geen geld

aannam, maar het zag als een investering voor de toekomst.

De volgorde was volgens mij zo. Ik bood hem 400 dollar aan voor het zwemmen met de

dolfijnen. Er was in mijn beleving toen sprake van een korte bedenktijd bij hem. Daarom

vroeg ik aan hem of het niet genoeg was aangezien ik geen reactie kreeg. Vervolgens zei hij

dat het gezien moest worden als een investering voor de toekomst. Na de opmerking of het

niet genoeg is, bood ik volgens mij 500 aan.

Het is op een vrij opvallende manier gegaan. Ik heb gezegd dat het mes aan twee kanten

snijdt. Hij heeft niet gezegd dat hij het niet kan doen.

B-2464 bij de rechter-commissaris op 11-4:

Wij hebben ingebracht dat wij geïnteresseerd zijn in informatie over ons die bij de politie

bekend is. [verdachte] gaf aan dat hij over politie-informatie kon beschikken. Hij had dat al in

eerdere gesprekken te Curaçao aangegeven. De officier van justitie houdt voor op pagina

ZD.01.1141, "de beide A's hoorden [verdachte] zeggen dat hij er nu geen geld voor wilde, maar

het meer zag als een investering in hun toekomst". Dat is door beiden zo gezegd. Als het

anders was gegaan, dat de ene dat had gezegd, dan had ik dat ook als zodanig vastgelegd.

Bijlage 30 (pagina 1153) van A-3869:

25-9-2017. Ik vroeg [verdachte] wat hij nodig had om na te zoeken en hoe hij die gegevens wilde

hebben. [verdachte] zei: "Schrijf maar op, ik heb je voornamen, achternaam en geboortedatum

nodig". [verdachte] vroeg of ik ook mijn e-mail adres op de kaart kon zetten. [verdachte] zei dat hij mij

zou mailen als het encryptiesteem van de telefoons klaar zou zijn. [verdachte] zei dat hij nog 2

maanden nodig heeft om het systeem en de telefoons klaar te hebben. Wij spraken

vervolgens over de telefoons die [verdachte] aan mij zou kunnen leveren en de kosten daarvan.

[verdachte] vertelde dat hoe meer er afgenomen werden, hoe lager de prijs zou zijn. Hij zei dat hij

een voorlopige prijs zou maken en wat gegevens over die telefoons, foto's hiervan en andere

dingen, in een e-mail naar mij zou sturen. Ik vroeg [verdachte] nogmaals hoe hij de betaling ziet

voor het zoeken in de politiecomputer naar informatie over mijn persoon en die andere man

[het hof begrijpt: [naam 6] en [naam 5]]. [verdachte] antwoordde dat hij onze samenwerking in de toekomst als een investering zag.

Bijlage 36 (pagina 1166) van A-3869:

28-9-17. [verdachte] keek mij aan en zei: "Er is geen onderzoek op jou, dat kan ik namelijk zien".

[verdachte] zei dat de informatie over mijn persoon zo weinig was, dat hij had besloten mij dit

mondeling mee te delen. Vervolgens ging het gesprek over de telefoons en het systeem wat

[verdachte] met 2 anderen aan het ontwikkelen is en waarover ik op Curaçao te kennen had

gegeven interesse in te hebben en bij goed functioneren in ieder geval 56 toestellen à 2000

euro wilde kopen. [verdachte] zei dat hij op korte termijn de twee programmeurs wilde spreken.

[verdachte] zei dat het hackers zijn die aan de goede kant staan. Ook begon [verdachte] over het samen

met mij zaken doen in Oekraïne op het gebied van diamanten. Ik zou dan eerst een keer

samen met hem naar Oekraïne gaan om mij te oriënteren en waarbij hij mij zou introduceren

bij een aantal mensen.

Ik stelde voor weer in de auto te gaan zitten. In de auto pakte ik uit een tas een envelop. Ik

bood deze envelop aan [verdachte] aan en zei hierbij dat het nog die envelop was met 400 dollar

die op Curaçao eigenlijk bestemd was voor hem en zijn vrouw om naar de dolfijnen te gaan

in ruil voor informatie die [verdachte] zou opzoeken over mij in het politiesysteem. [verdachte] wilde

deze envelop met geld niet aannemen en zei dat wat hij voor mij had opgezocht in het

politiesysteem, hij ziet als een investering voor in de toekomst met betrekking tot de

telefoondeal in Afrika en het samen zaken doen op gebied van diamanten in Oekraïne.

A-3869 bij de rechter-commissaris:

In de auto kwam de 400 dollar weer ter sprake. Het was een kwestie van opnieuw proberen.

Hij nam het bedrag niet aan en zei dat hij het zag als een investering in de toekomst in

relatie tot niet alleen onze handel in diamanten, maar ook onze telefoondeal. Hij heeft het

als volgt gezegd: eerst de telefoondeal en daarna de diamantenhandel.

Hij heeft wel degelijk gezegd dat het ging om een investering in de toekomst. Hij heeft dit

gezegd in relatie tot de telefoondeal en de handel in diamanten waarover wij gesproken

hadden. Hij had mij gevraagd om samen met hem een handel te beginnen in diamanten te

Oekraïne. Dat heeft hij mij meerdere keren gevraagd tijdens mijn inzet op Curaçao. Hij

sprak over kennissen te Oekraïne die diamanten konden slijpen en hij sprak over een contact

van hem die te Afrika in diamanten opereerde.

A-3869 bij de rechter-commissaris:

Er was voor [verdachte] en mij allebei een win-win situatie.

(ZD.01 pagina 1089)

BOB.155 kopie bevel pseudokoop/pseudodienstverlening artikel 126i Sv (bijlage 1):

Bepaalt, de wijze waarop aan dit bevel uitvoering wordt gegeven, daaronder begrepen strafbaar gesteld handelen, als hierna omschreven: getracht zal worden in contact met verdachte te komen om te bezien of hij gegevens afkomstig uit politieonderzoeken en/of geautomatiseerde politiesystemen, al dan niet tegen een tegenprestatie, zou kunnen en willen leveren;

De afname van voornoemde goederen en de daartoe te voeren besprekingen zullen worden

uitgevoerd door een of meer opsporingsambtena(a)r(en) als bedoeld in artikel 141, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering, zonder dat kenbaar is dat deze optreedt/optreden als opsporingsambtena(a)r(en);

Bepaalt, dat de opsporingsambtena(a)r(en) bij de tenuitvoerlegging van dit bevel verdachte(n) niet mag/mogen brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht;

(ZD.01 pagina 1090)

BOB.154 kopie bevel stelselmatige inwinning van informatie artikel 126j Sv (bijlage 2):

Door vorenbedoelde perso(o)n(en) zal/zullen contacten worden gelegd en/of onderhouden met [verdachte] voornoemd teneinde op deze wijze met het oog op de opsporing van voormeld(e) misdrijf/misdrijven systematisch en/of gericht informatie in te winnen over [verdachte] voornoemd.

(ZD.01 pagina’s 1091-1092)

Kopie bevel stelselmatige inwinning van informatie artikel 177o Sv Curaçao (bijlage 3):

Bepaalt dat de wijze waarop aan dit bevel uitvoering wordt gegeven als hierna omschreven: door vorenbedoelde perso(o)n(en) zal/zullen contacten worden gelegd en/of onderhouden met [verdachte] voornoemd teneinde op deze wijze met het oog op de opsporing van voormelde misdrijf/misdrijven systematisch en/ of gericht informatie in te winnen over [verdachte] voornoemd.

Bepaalt dat de opsporingsambtenaar bij de tenuitvoerlegging van dit bevel, een ander niet zal brengen tot strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.

(ZD.01 pagina’s 1093-1094 )

Kopie bevel pseudokoop/pseudodienstverlening artikel 177n Sv Curaçao (bijlage 4):

Bepaalt de wijze waarop aan dit bevel uitvoering wordt gegeven, daaronder begrepen strafbaar gesteld handelen, als hierna omschreven:

getracht zal worden in contact met verdachte te komen om te bezien of hij gegevens afkomstig uit politieonderzoeken en/of geautomatiseerde politiesystemen, al dan niet tegen

een tegenprestatie, zou kunnen en willen leveren.

Bepaalt dat de opsporingsambtenaar bij de tenuitvoerlegging van dit bevel verdachte niet mag brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.

Met betrekking tot feit 3: omkoping (in relatie tot [medeverdachte 5] )

Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummer(s), wordt/worden – tenzij anders vermeld – bedoeld paginanummer(s) van een proces-verbaal of geschrift uit het eindproces-verbaal Zijdehaai, met onderzoeksnummer 20150054 van de Rijksrecherche, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, bestaande uit een algemeen dossier (AD.00 en AD.01), een persoonsdossier (PD.01, PD.02, PD.03, PD.04 en PD.05) en een zaaksdossier (ZD.01, ZD.02 en ZD.03), met (per dossier) doorgenummerde pagina's.

(ZD.01, p. 737-803)

DOC 001: proces-verbaal overdracht Afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten van 7 juli

2015, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , inhoudende:

Verklaring [getuige 1] (p. 747-751):

Blue View is een indexsysteem. Opsporing Basis kan niveau 3 en 4 in zien en krijgt hit/no

op niveau 5. Accounts Blue View zijn strikt persoonlijk en mag niet gedeeld worden.

KL008416 heeft een Blue view account vanaf 29-8-2011 om 10.18 uur. KL008416 had 20

abonnementen. De gebruiker kan zelf een abonnement aanmaken. De info komt in zijn

mailbox binnen. KL08416 is de enige afnemer. Een abonnement verloopt standaard na 3

maanden, dan moetje het verlengen. Een Blue View Registratie Export is een PDF file.

Relaas:

[verdachte] is werkzaam als generalist tactische recherche. Is sinds 26 januari 2009

werkzaam als zij-instromer niveau 4 (p.740). Hij is nog niet afgestudeerd op niveau 4.

DOC 001: (zie hierboven)

(p. 740) [verdachte] was achtereenvolgens bij de Landelijke Eenheid, Dienst Verkeer in

Maasbracht werkzaam (2013) en sinds 2014 bij de Dienst Infrastructuur, locatie Croeselaan

Utrecht.

AMB 257: proces-verbaal van bevindingen van 20 juni 2016 op ambtseed/belofte

verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] (p. 679- 713):

Om Blue View te kunnen raadplegen moet door middel van een inlogscherm worden

ingelogd met een gebruikersnaam en een wachtwoord. De gebruikersnaam is het

dienstnummer van de betreffende politie ambtenaar. (p. 699)

Resultaten van bevragingen kunnen worden geëxporteerd als PDF of Excel bestand en

kunnen vervolgens worden opgeslagen, bijvoorbeeld op een harde schijf van de computer of

op een externe opslagplaats zoals een USB stick of andere gegevensdrager, indien de

gebruiker in het systeem rechten heeft om gegevens op een USB stick op te slaan. [verdachte]

had deze rechten.

Voor exporteren is geen aparte bevoegdheid nodig. In de naam van het document tijdens

registratie krijgt zit de tekst 'Registratie Export'. Daarnaast valt uit de bestandsnaam af te

leiden in welk jaar, maand, dag en tijdstip de export is gemaakt en wordt het

accountnummer (dienstnummer) van de gebruiker vermeld. Er is een waarschuwing

opgenomen aan de gebruiker: ... 'het oneigenlijk gebruik dan wel misbruik van deze

gegevens is ten strengste verboden. Daarnaast is het verstrekken van deze gegevens aan

derden welke niet de vereiste autorisatie bezitten eveneens ten strengste verboden... (p. 700)

Op 15 juni 2015 had [verdachte] diverse abonnementen lopen. Er liepen abonnementen op 24

personen, die automatisch werden bevraagd op een zogenaamde lange KENO: dit zijn de vier beginletters van de achternaam van de persoon, eerste voorletter van de eerste voornaam, gevolgd door geboortejaar, geboortemaand en geboortedag.

[verdachte] heeft vanaf 30 augustus 2011 in totaal 52 abonnementen gehad, waaronder op 12

personen van wie informatie werd aangetroffen bij [medeverdachte 4] . Het vermoeden bestaat dat het

merendeel van deze abonnementen, 44 van de 52 , niet werk gerelateerd zijn.

Na oktober 2011 zijn er geruime tijd geen abonnementen meer afgesloten. In juli 2012 sluit

[verdachte] een abonnement af op de KENO van verdachte [medeverdachte 5] .

(ZD.01, p. 361)

AMB172: Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 december 2015:

Een onder [verdachte] in beslag genomen mobiele telefoon, met goednummer 1.11.01.001, is

op 17 december 2015 onderzocht. Op de telefoon is een bestand aangetroffen. In de

bestandsnaam staat onder meer: [medeverdachte 25 + geboortedatum] .

Het volgende werd gezegd.

[medeverdachte 25 + geboortedatum] : ik ben verhuisd.

[verdachte] : Waar zit jij nou ergens dan?

[medeverdachte 25 + geboortedatum] : ik woon nou op [adres 15] .

Noot verbalisant: In [adres 15] bevindt zich een straat genaamd [adres 15] .

(PD.05, p. 97-98 en p. 106-107)

AMB 279: Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 september 2016:

Volgens de logbestanden van Blue View bevragingen van [verdachte] bevroeg hij op acht

data (17 februari 2012, 9 juli 2012, 31 oktober 2012, 27 november 2014, 11 maart 2015, 18

mei 2015, 21 juli 2015 en 12 augustus 2015) een persoon met als KENO: [medeverdachte 5] , [medeverdachte 5]

, [medeverdachte 5] , [medeverdachte 5] .

Volgens de logbestanden van Blue View bevragingen heeft [verdachte] op 19 februari 2013

en 30 maart 2015 bevraagd opzoeksleutel [adres 13] . [medeverdachte 5] stond toen

ingeschreven op [adres 13] .

[verdachte] had op [medeverdachte 5] een Blue View abonnement van 23 juli 2012 tot en met

26 september 2013. Hierdoor kreeg hij een wekelijkse update van nieuwe gegevens die over

[medeverdachte 5] bekend waren.

[verdachte] had een Blue View abonnement op [medeverdachte 25 + geboortedatum] van 13 februari 2013 tot

en met 27 mei 2013.

In de logfiles van de Blue View bevragingen bevroeg [verdachte] in de periode van

17 februari 2012 tot en met 12 augustus 2015 (in totaal op 13 dagen) met [medeverdachte 25 + geboortedatum] , [medeverdachte 25 + geboortedatum] , [medeverdachte 25 + geboortedatum] , [medeverdachte 25 + geboortedatum] en [medeverdachte 25 + geboortedatum] .

Volgens de gegevens van de gemeentelijke basisadministratie staat [medeverdachte 25 + geboortedatum]

, van 1-11-2007 tot 7-03-2013 ingeschreven op het

adres [adres 12] .

(ZD.01, p. 115)

Proces-verbaal (relaas) van 31 oktober 2016:

Op 23 november 2012 wordt aan de [adres 12] een hennepkwekerij

aangetroffen. Volgens de gemeentelijke basisadministratie staat daar [medeverdachte 25 + geboortedatum] ingeschreven.

Op de dag waarop de hennepkwekerij aangetroffen wordt, wordt dit adres door [verdachte]

bevraagd in Blue View. Die dag bevraagt [verdachte] daarna ook [medeverdachte 25 + geboortedatum] in persoon.

Die dag bevraagt hij ook zeven andere adressen. Bij raadpleging van Blue View bleek dat al

deze zeven adressen hennep gerelateerd waren. Omstreeks het einde van 2012 waren er van

al deze adressen meldingen of andere mutaties die te maken hadden met hennephandel of

hennepteelt dan wel bewoners die voor hennep gerelateerde incidenten stonden

geregistreerd.

(ZD.01. p. 114 en 119)

Proces-verbaal (relaas proces-verbaal) d.d. 31 oktober 2016:

Een vergelijking van de foto op de facebookpagina van [medeverdachte 25 + geboortedatum] met de foto

van [medeverdachte 25 + geboortedatum] toont aan dat dit dezelfde persoon is. In de telefoon van [medeverdachte 5] (IBN

LLL.001) werd een filmpje aangetroffen met foto's van [medeverdachte 5] met [medeverdachte 25 + geboortedatum] .

Op de site VK.com (een Russische variant van Facebook) staat een profiel van ene [medeverdachte 5]

die zichzelf de broer noemt van [medeverdachte 25 + geboortedatum] . De foto bij dit profiel is

van [medeverdachte 5] .

Uittreksel Justitiële documentatie, d.d. 15 januari 2018, p. 4:

Arrondissementsparket 's- Hertogenbosch 01-217215-12, art 3 ahf/ond B Opiumwet,

hennepteelt. Pleegdatum 1 februari 2011 te Helmond. Sepot, sepotgrond: onvoldoende

bewijs.

Datum beslissing: 23 oktober 2012.

(ZD.01, p. 116-117)

Proces-verbaal (relaas proces-verbaal) d.d. 31 oktober 2016:

Bij onderzoek van de gegevens welke door de verdachte [verdachte] waren opgevraagd van

de verdachte [medeverdachte 5] bleek dat dit grotendeels gegevens waren in de relationele

sfeer. [medeverdachte 5] staat in een relatie tot een vrouw genaamd [vriendin medeverdachte 5/getuige] . Samen

met deze vrouw heeft [medeverdachte 5] een zoontje genaamd [zoon medeverdachte 5] . Door [vriendin medeverdachte 5/getuige] werd vanaf

eind 2013 verschillende keren aangifte of melding gedaan van mishandeling, stalking en

huisvredebreuk tegen [medeverdachte 5] .

(ZD.01, p. 1371)

GET. 023: Proces-verbaal van verhoor [vriendin medeverdachte 5/getuige] van

13 september 2016:

Op 6 juli 2016 verhoorden wij [vriendin medeverdachte 5/getuige] als getuige. De getuige verklaarde:

Ik heb vanaf 2012 tot april 2014 een relatie gehad met [medeverdachte 5] . Wij hebben

een zoontje, [zoon medeverdachte 5] . Na de zwangerschap begon het geweld direct. Ik denk dat ik wel 20

keer aangifte dan wel een melding heb gedaan. [medeverdachte 5] en ik waren goed bekend bij de

politie in die tijd. De persoon op de foto die u toont van een persoon die zich [medeverdachte 5]

noemt, is [medeverdachte 5] .

Ik ben er op een gegeven moment achter gekomen dat als ik een aangifte had gedaan dat

kort daarna [medeverdachte 5] daarvan wist. Ik merkte ook dat een verhoor van hem of een onderzoek

nooit zin heeft gehad omdat ik het gevoel kreeg dat hij zich kon voorbereiden. Hij kon een

ander verhaal maken of iets opzetten, waardoor het een ander verhaal werd en hij reactie

uitlokte. Hij heeft naar mijn mening de ruimte gekregen om mijn aangifte te manipuleren.

(ZD.01, p. 1390)

Telefoongesprek tussen [vriendin medeverdachte 5/getuige] (C) en haar vader (V) d.d. 5 juli 2016:

C: ik doe aangifte en hij weet het.

V: [vriendin medeverdachte 5/getuige] , zoals het de vorige keer is gegaan dat hij een mol wist te bereiken.

C: ja dezelfde mol. Het maakt de cirkel rond. Dat hij kan zien dat die informatie ehh... gewoon miljoenen sporen in dat digitale centrum, in dat grote geheel. ... dat hij die mol

naar mij is gegaan en die link naar [medeverdachte 5] ... ze zien het precies (ik geloof) wat hij die man

welke informatie die heeft opgevraagd, die mol ja.

(ZD.01, p. 1394)

Telefoongesprek tussen [vriendin medeverdachte 5/getuige] (C) en haar moeder d.d. 8 juli 2016:

C: [medeverdachte 5] moet zich maandag [hof: 11 juli 2016] melden. Hij wordt gearresteerd voor

omkoping van een ambtenaar. Dat weet je toch? Daar hebben we het toch vaker over gehad?

M: Dus hij heeft jou gebeld?

C: hij heeft ook toegegeven aan mij dat hij degene is die de mol naar Nederland heeft gehaald, dus ik euh, maar dat weten hun denk ik niet. Ik weet dat ze niet die informatie

hebben euh van dat er geld voor betaald is.

C: die [verdachte] die was toen [zoon medeverdachte 5] één was, toen [zoon medeverdachte 5] begon te lopen, zat [medeverdachte 5] in Kiev.

Toen kon ik hem heel de week niet bereiken.

(In haar verhoor van 13 september 2016 verklaart [vriendin medeverdachte 5/getuige] dat [zoon medeverdachte 5] is geboren op 28

november 2013, GET 024, ZD.01, p. 1381).

En [medeverdachte 5] heeft vandaag tegen mij gezegd dat hij daar dat daar die rechercheur was

Want [medeverdachte 5] vertrouwt mij. Dat daar die rechercheur was bij [medeverdachte 25 + geboortedatum] . Dat [medeverdachte 5] had

gezegd wil jij niet wat verdienen? Ja ja ja zei die, dat wil ik wel. [medeverdachte 5] heeft hem naar

Nederland gehaald, in die zin van in Nederland geïntroduceerd als bij hem kun je dingen

kopen en dat is zo'n groot netwerk geworden. Alle criminelen bij hem informatie kopen.

(ZD.01, p. 1400)

Telefoongesprek tussen [vriendin medeverdachte 5/getuige] (C) en [medeverdachte 23] d.d. 11 juli 2016:

C: [medeverdachte 5] is degene geweest die [verdachte] geïntroduceerd heeft. Ja joh, wil je niet wat geld

verdienen. En zodoende en met name in de onderwereld van Noord-Brabant heeft hij

connecties, die [verdachte] , waar hij geld verdient. Komt daar een inval, oh eens even kijken, ja ik

heb hier een lijst voor me liggen, er komen daar en daar invallen, en dan konden die

criminelen zich voorbereiden.

(ZD.01, p. 1402)

Telefoongesprek van [vriendin medeverdachte 5/getuige] (C) met verdachte d.d. 26 augustus 2016:

J: hoezo krijg ik 6 jaar bajes?

C: wat jij hebt gedaan staat toch 12 jaar voor?

J: Wat heb ik gedaan dan?

C: moet ik dat herhalen over de telefoon of zal ik maar gewoon mijn mond dicht houden?

J: ik heb helemaal niets gedaan, dus je kunt het gewoon zeggen.

C: je hebt toch [verdachte] vanuit de Oekraïne naar Nederland gehaald en geïntroduceerd in de

onderwereld? Jij heb toch informatie gekocht van hem? Onder andere over mij?

J: ik ken geen mensen in de onderwereld en ik ken hem ook niet.

C: ok, maar dat zei je wel tegen mij. Jij bent hier de leugenaar en niet ik.

(ZD.01, p. 715)

AMB 277: Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 september 2016:

Op 12 juli 2016 werd een telefoon in beslag genomen (IBN nummer LLL.001). Deze

telefoon was eigendom van verdachte [medeverdachte 5] . Op de image back up van deze

telefoon zag ik een groot aantal images (foto's) staan, waaronder de volgende twee foto's.

IMG.3853.Jpeg en IMG.4219.Jpeg. Dit betrof in beide gevallen een foto van een

computerscherm. Deze foto was als bijlage van een MMS-bericht verzonden door [medeverdachte 5]

aan [naam 7] (broer van [vriendin medeverdachte 5/getuige] ) op 19 maart 2016. Dit betrof een

foto van een e-mail bericht afkomstig van [vriendin medeverdachte 5/getuige] en gericht aan K. [medewerker politie/getuige]

(medewerkster intake politie), de dato 26 november 2014. Het betrof een deel

van een bericht waarin [naam 7] aangeeft dat [medeverdachte 5] in de hennepteelt in Spanje zit

en daar ook coffeeshops heeft.

'Beste [medewerker politie/getuige] , ik ben zojuist door [medeverdachte 5] geïnformeerd met het volgende. [medeverdachte 5] heeft 'buiten' met iemand gesproken van het CID? Het gaat om een chef. Deze man zou hij gesproken hebben over mijn bijlagen (vertrouwelijk en persoonlijk verhaal) wat niet is opgenomen in de aangifte. Deze krijgt (koopt) maandag [medeverdachte 5] van deze man. Deze

informatie kan hij onmogelijk van/via iemand anders gehad hebben, omdat helemaal

niemand dit weet. Het is niet mijn bedoeling dat dit bij wie dan ook terecht komt en zeker

niet bij [medeverdachte 5] of nog erger zijn derden.'

(ZD.01, p. 1388)

Bijlage bij GET.024:

Afdruk van de foto van bovengenoemd e-mail bericht van [vriendin medeverdachte 5/getuige] aan [medewerker politie/getuige] .

(ZD.01, p. 1377)

GET. 024: Proces-verbaal van verhoor d.d. 13 september 2016 van getuige [vriendin medeverdachte 5/getuige]

:

(De politie toont [vriendin medeverdachte 5/getuige] de foto van het e-mail bericht van [vriendin medeverdachte 5/getuige] aan [medewerker politie/getuige] )

In het verleden heeft hij dergelijke informatie vaker gehad. Hij zei dan kijk eens wat ik allemaal weet en wat je doet. CID is Criminele Inlichtingen Dienst of zoiets. De relatie

buiten-CID-chef: dat zal [medeverdachte 5] zo gezegd hebben. [medeverdachte 5] heeft dat toen zo tegen mij

gezegd, zoals het daar staat. Hij heeft dit dus tegen mij gezegd.

(De politie houdt [vriendin medeverdachte 5/getuige] het telefoongesprek van 8 juli 2016 voor, waarin [vriendin medeverdachte 5/getuige] verklaart

over het introduceren van de mol bij criminelen in Nederland)

Als ik dat zo zeg in dat gesprek met mijn moeder, dan moet ik mij daarbij aansluiten. Hij zal dat wel zo gezegd hebben. Er zal zoiets gezegd zijn door [medeverdachte 5] , anders zeg ik dat in dit gesprek met mijn moeder niet zo. Ik denk dat het zo gegaan is zoals ik dat in het gesprek zeg.

(Vraag: zou iemand anders dan [medeverdachte 5] tegen je hebben kunnen zeggen dat hij [verdachte] vanuit

de Oekraïne hierheen heeft gehaald?)

Nee.

(Vraag: heeft hij jou deelgenoot gemaakt van zijn aanbod aan [verdachte] toen zij in Kiev waren?)

Ja, anders zeg ik dat niet tegen mijn moeder.

Het klopt dat [medeverdachte 5] van 4 t/m 9 december 2014 in Kiev is geweest. Ik weet van horen

zeggen dat [medeverdachte 25 + geboortedatum] een jeugdvriend is van [medeverdachte 5] . Ik heb hem 4 jaar geleden wel eens

ontmoet.

(Politie houdt [vriendin medeverdachte 5/getuige] het telefoongesprek van 11 juli met [medeverdachte 23] voor, waarin zij

verklaart over het introduceren van [verdachte] M door [medeverdachte 5] in het Brabants crimineel milieu)

Dat zijn mijn woorden.

(Over het betalen door [medeverdachte 5] voor informatie)

In 2014 hadden [medeverdachte 5] en ik een discussie over iets dat ik bij de politie had gemeld. [medeverdachte 5]

was er heel erg op gefocust om deze informatie te krijgen. Toen zei [medeverdachte 5] tegen mij: 'Nu

moet ik weer 800 euro betalen om die informatie te krijgen'. Dat is wat ik weet over

betalingen die [medeverdachte 5] gedaan zou hebben voor het verkrijgen van informatie.

(PD.05, p. 169)

GET. 025: Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] d.d. 14 september 2016:

Ik ben de moeder van [vriendin medeverdachte 5/getuige] .

Vraag: wist jij dat [medeverdachte 5] beschikte over informatie die hij van [verdachte] had

gekocht?

Antwoord: [vriendin medeverdachte 5/getuige] heeft mij zoiets wel eens verteld. Ik weet niet meer precies wat. [medeverdachte 5]

had toen gezegd dat hij alles wist van haar.

Vraag: Heb jij ooit een signaal gehad dat hij de beschikking had over iemand bij de politie?

Antwoord: Ik heb wel eens gehoord dat hij iemand had met lange armpjes. Dat heeft

[vriendin medeverdachte 5/getuige] of [medeverdachte 5] mij eens verteld. Dat was dus iemand die informatie kon leveren.

Vraag: heb jij wel eens van [medeverdachte 5] gehoord of vernomen dat hij iemand bij de politie had

die hij betaalde?

Ik heb dat wel eens van [vriendin medeverdachte 5/getuige] gehoord. Hij had tegen haar gezegd dat hij dan weer moest

betalen voor informatie. Dat was op een moment dat [vriendin medeverdachte 5/getuige] weer aangifte had gedaan. Ik

dacht dat dit een bedrag van 700 of 900 euro was. [medeverdachte 5] had toen letterlijk gezegd: 'dan

moet ik weer zoveel betalen'.

Vraag: in het telefoongesprek van 8 juli 2016 vertelt [vriendin medeverdachte 5/getuige] u dat [medeverdachte 5] tegen haar die

morgen heeft verteld dat hij de Mol uit Kiev heeft gehaald en geïntroduceerd in Nederland.

Wat kunt u hierover verklaren?

Antwoord: ik heb wel eens van die [medeverdachte 25 + geboortedatum] gehoord en [medeverdachte 5] zou die mol naar Nederland

hebben gehaald. [vriendin medeverdachte 5/getuige] heeft mij dat inderdaad verteld. Ik heb dat allemaal van [vriendin medeverdachte 5/getuige]

gehoord.

Vraag: waar kent u [medeverdachte 25 + geboortedatum] van?

Antwoord: [medeverdachte 5] heeft hem een keer aan de lijn gehad toen hij bij mij thuis was. Volgens

mij is het een vriend van [medeverdachte 5] .

Vraag: uit diverse andere gesprekken die u met [vriendin medeverdachte 5/getuige] heeft, blijkt dat u op de hoogte bent

van enkele zaken met betrekking tot [medeverdachte 5] en de zogenaamde politiemol.

Wat kunt u hierover verklaren?

Antwoord: ik weet dat [medeverdachte 5] dingen wist uit de aangiftes van [vriendin medeverdachte 5/getuige] . Ik heb ook een keer

aangifte gedaan tegen [medeverdachte 5] en toen heeft [medeverdachte 5] tegen [vriendin medeverdachte 5/getuige] gezegd dat het allemaal

wel meeviel wat haar moeder had verklaard. Daarmee was voor mij duidelijk dat hij wist

wat ik bij de politie had verklaard.

(PD 05, p. 174)

GET. 028: Proces-verbaal van verhoor getuige [medewerker politie/getuige] , d.d. 21 september

2016:

Ik ben als Bijzonder Opsporingsambtenaar (BOA) werkzaam in de functie van assistent

medewerker intake en service bij de politie in Eindhoven. Ik doe dit werk al ongeveer 10

jaar.

Vraag: wij tonen u een foto van e-mail bericht van 26 november 2014, afkomstig van

[vriendin medeverdachte 5/getuige] en gericht aan u. Heeft u de mail ontvangen?

Antwoord: ja, ik zie hem in de computer staan. Ik heb de mail ontvangen op 13 november

2014 om 11.38 uur.

Vraag: voor de aanvang van dit verhoor deelden wij u mede dat het ging om een politieman

die informatie doorgaf aan een verdachte. Wij hoorden u toen zeggen: 'dan had ze toch

gelijk'. Wat bedoelde je daar mee?

Antwoord: [vriendin medeverdachte 5/getuige] heeft meerdere keren mondeling aan mij aangegeven dat [medeverdachte 5] haar

vertelde dat het niet uitmaakte wat zij vertelde bij de politie. Hij zei namelijk dat hij een

politieman had die hem alle informatie gaf die hij nodig had.

Verhoor van [vriendin medeverdachte 5/getuige] bij de rechter-commissaris, d.d. 16 mei 2017 (per abuis

gedateerd 6 april 2017)

Ik heb het gevoel dat ik niet heb gelogen tijdens de twee politieverhoren.

Toen [zoon medeverdachte 5] 1 jaar was, is er een rechtszaak gestart die nu nog loopt. U (raadsman mr. Van

den Biezenbos) merkt op dat het kort geding heeft plaatsgevonden op 27 november 2014.

Met betrekking tot feit 5: gewoontewitwassen

(ZD.04 pagina 333)

5.3.5.

Werkelijk contante uitgaven inclusief bankstortingen

( ... ) Bankstortingen ING -bankrekening:

Volgens de gevorderde en verstrekte gegevens van de bankrekening

NL32INGB0749990252 (t.n.v. [verdachte] ) hebben in de onderzoeksperiode van 29

augustus 2011 tot en met 29 september 2015 in totaal 21 contante geldstortingen

plaatsgevonden voor een totaalbedrag van € 59.692,47. (...).

Als totaal van de bankstortingen op de bankrekening t.n.v. [verdachte] is in de

berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag opgenomen van

€ 59.692,47.

(ZD.04 pagina’s 333-334)

Bankstortingen bankrekening [bedrijf 1] .:

[verdachte] is betrokken bij meerdere ondernemingen, zoals de door hem op 2 juni

2015 opgerichte onderneming [bedrijf 1] . Uit de opgevraagde bankrekening

NL15INGB0006858620 ten name van [bedrijf 1] blijkt uit de opgevraagde

mutatiegegevens dat op 3 juni 2015 € 10.600,00 contant op de bankrekening is gestort: (...)

Uit de verstrekte gegevens door de ING-bank blijkt dat bovengenoemd ING-bankrekeningnummer is geopend op 19 maart 2015. Verder blijkt dat [verdachte] enig

pashouder en gemachtigde is voor die rekening van [bedrijf 1] In de omschrijving van de

twee genoemde stortingen is "002" opgenomen. Dit is vermoedelijk het nummer van de bij

de storting gebruikte pas. Volgens de gegevens van de ING-bank is aan [verdachte]

voor de bankrekening van [bedrijf 1] een (tijdelijke) pas afgegeven van 19 maart 2015

tot en met 29 juni 2015 met nummer 002 (AMB.023).

Er zijn geen onderliggende documenten aangetroffen, die de herkomst van de geldbedragen

van deze stortingen zouden kunnen verklaren. [verdachte] is enig

aandeelhouder/bestuurder is, de onderneming heeft geen personeel en [verdachte] is

als enige voor de bankrekening van [bedrijf 1] is gemachtigd en als houder van pasnummer

002 is geregistreerd.

(pagina SF0.698)

Andere contante geldafstortingen:

Zoals eerder geverbaliseerd is verdachte [verdachte] bestuurder en enig aandeelhouder van de

rechtspersoon [bedrijf 1] Op de bankrekening met IBAN nummer

NL15INGB0006858620 ten name van [bedrijf 1] worden op 3 juni 2015 een tweetal

contante geldbedragen gestort, te weten een bedrag van € 10.000,00 en een bedrag van

€ 600,00. (...)

(ZD.01 pagina 632)

AMB211:

Op 2 juni 2014 heeft verdachte een contant geldbedrag van € 150,00 via Western Union laten transfereren naar [vriendin verdachte] in Kiev.

(ZD.04 pagina’s 2-25)

Proces-verbaal witwassen d.d. 21 november 2017 verbalisanten Pelders en De Wit:

5.1.

Onderzoek Kamer van Koophandel (pagina’s 15-17):

Uit raadpleging van het handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat de

verdachte [verdachte] diverse inschrijvingen heeft als eigenaar en bestuurder van

ondernemingen (DOC.058) met name:

Naam Functie

[bedrijf 1] Bestuurder /enig aandeelhouder

Aandeelhouder/directeur [bedrijf 1]

Naar [bedrijf 1] , gevestigd op de [adres 2] (woonadres [verdachte] ) is

nader onderzoek gedaan. [bedrijf 1] is een rechtspersoon in de vorm van een besloten

vennootschap die op 2 juni 2015 is opgericht met een geplaatst en gestort kapitaal van

€ 600,00. [verdachte] staat geregistreerd als enig aandeelhouder en algemeen

directeur. Binnen de onderneming zijn geen personen werkzaam.

Als activiteiten van [bedrijf 1] staat in het handelsregister omschreven:

Handel in en reparatie van personenauto's en lichte bedrijfsauto's (geen import van nieuwe),

Koeriers en verhuur van personenauto's en lichte bedrijfsauto's (geen operational lease).

Daarnaast ook handel in met name voertuigen, transport- en koeriersdiensten, verhuren en

leasen van voertuigen. Zie AMB0.19, DOC.050, DOC.058 en DOC.059.

(AD.01 pagina’s 54-60)

AMB.197 proces-verbaal aanvraag machtiging tot handhaven van beslag als conservatoir beslag van verbalisant [verbalisant 23] d.d. 2 febuari 2016:

In de woning aan de [adres 2] (locatie H) zijn twee geldleningsovereenkomsten aangetroffen op naam van [vriendin verdachte] en [verdachte] . Beide geldleningsovereenkomsten zijn ondertekend te Kiev:

• H.02.04.002.001; Een aflossingsvrije geldleningsovereenkomst voor onbepaalde duur

tussen [verdachte] (debiteur) en [vriendin verdachte] (crediteur) van 1 januari 2014. Hierin

verklaart [vriendin verdachte] dat zij € 35.000,00 leent aan [verdachte] . Volgens de

geldleningsovereenkomsten zijn deze afgesloten op basis van 6% rente op jaarbasis.

• H.02.04.002: Een aflossingsvrije geldleningsovereenkomst voor onbepaalde duur tussen

[verdachte] (debiteur) en [vriendin verdachte] (crediteur) van 1 januari 2015. Hierin verklaart lavorska dat zij € 25.000,00 leent aan [verdachte] . Volgens de geldleningsovereenkomsten zijn deze afgesloten op basis van 6% rente op jaarbasis.

In de opgevraagde financiële bankgegevens zijn geen mutaties gevonden die in relatie kunnen staan met deze overeenkomsten ofwel een ontvangst van € 25.000,00 en € 35.000,00 door [verdachte] . (pagina 56)

Verklaring afgelegd door de verdachte ter openbare terechtzitting van de rechtbank d.d. 15 januari 2018, p. 3, aangehecht aan het proces-verbaal van die datum:

Met betrekking tot de geldleningsovereenkomsten met [vriendin verdachte] : (…)

Ik wil u nogmaals op attenderen dat deze overeenkomsten tijdens de zoeking zijn aangetroffen. Het onderzoeksteam wil u ervan overtuigen dat het hier zou gaan om “valse of vervalste” documenten. Dit aangezien ik op 1 -1-2014 en 1-1-2015 niet fysiek aanwezig was in Kiev en dat de documenten ondertekend zijn met de plaatsnaam Kiev.

Met betrekking tot feit 6: voorhanden hebben van valse paspoorten

(ZD.03 pagina’s 75-76 en 145-146)

Bevindingen verbalisant, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

Op 29 september 2015 werd een doorzoeking gedaan van de woning gelegen aan de

[adres 3] . Tijdens deze doorzoeking werden onder nummer 1.14.01.014,

twee Britse paspoorten in beslag genomen. Het betrof de volgende paspoorten:

1. Paspoort United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland nr. 305221402 op naam

van [naam 1] , geboren op [geboortedag 5] -1970;

2. Paspoort United Kingdom of Great Britain and Northem Ireland nr. 305742506 op naam

van [naam 2] , geboren op [geboortedag 6] -1966.

Beide paspoorten zijn door de Koninklijke Marechaussee te Eindhoven onderzocht en

bleken echt en onvervalst te zijn. Wel bleken beide voorzien te zijn van dezelfde pasfoto.

Uit diverse Britse en Nederlandse onderzoeken was gebleken dat met name Britse

criminelen anoniem konden opereren in Groot-Brittannië en Nederland door het aannemen

van een andere valse identiteit. Deze criminelen maakten daarvoor gebruik van Fraudulently

Obfained Genuine Passports (frauduleus verkregen paspoorten) of zogenaamde "FOG's".

FOG paspoorten betreffen dus echte Britse paspoorten, die door bedrog zijn verkregen, op

naam van echt bestaande Britse personen, maar waarop de foto geplaatst is van de betrokken

crimineel. Uit de verstrekte gegevens van de Serieus Organised Grime Agency blijkt dat

beide genoemde Britse paspoorten zogenoemde FOG paspoorten betreffen, welke op

frauduleuze wijze zijn aangevraagd bij Her Majesty's Passport Office in Groot-Brittannië en

voorzien zijn van een foto van een Britse crimineel genaamd:

Naam: [naam 3]

Voornamen: [naam 3]

Geboortedatum: [geboortedag 7] 1966

Geboorteplaats: [geboorteplaats 3]

Parketnummer: 01/879982-15

[verdachte]

Geboorteland: Groot - Brittannië

Geslacht: Man

Nationaliteit: Brits burger

Genoemde goederen werden aangetroffen in de woning van de ouders van verdachte [verdachte]

. Tot kort voor zijn aanhouding woonde de verdachte daar echter samen met zijn ouders. Beide paspoorten waren voorzien van dezelfde pasfoto.

(ZD.03 pagina 147)

Kopie paspoort op naam van [naam 2].

(ZD.03 pagina 148)

Kopie paspoort op naam van [geboortedag 5] .

Verklaring verdachte ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 9 mei 2017, p. 11:Ik heb een tijdje gewerkt in Wijk bij Duurstede bij de afdeling archivering van de politie. Ik moest daar onder andere nietjes en plastic uit stukken halen. Eén van de leidinggevenden daar toen heeft tegen mij gezegd dat ik paspoorten in een vuilnisdoos voor plastic afval moest doen. Omdat ik die doos toen niet zag staan heb ik de bij mijn ouders aangetroffen Britse paspoorten meegenomen. De Britse paspoorten zijn op de een of andere manier samen met wat andere spullen bij mijn ouders op zolder terecht gekomen.

Bewijsoverwegingen

Uit de gebruikte bewijsmiddelen blijkt het volgende.

Inleiding met betrekking tot feit 1, 2 en 3

Introductie

Tijdens het strafrechtelijk onderzoek ‘Bergaster’ in 2015 tegen de verdachte [medeverdachte 4] , werden er – in de cloud-omgeving van de digitale administratie van bedrijven [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] – zogenaamde Blue View Registratie Export documenten aangetroffen. In een map werd een 15-tal files (zo’n 5000 pagina’s) op naam gevonden. De namen werden herkend als bij de politie bekende subjecten. Deze Blue View registratie documenten bleken in juni 2013 te zijn gegenereerd door de gebruiker KLP008416, welk verbalisantnummer is gekoppeld aan politiemedewerker [verdachte] .

Door de afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten van de landelijk Eenheid van de

Nationale Politie werd een oriënterend onderzoek gedaan en naar aanleiding van de

bevindingen van die afdeling werd op 29 juni 2015 door de Rijksrecherche een onderzoek

gestart op verdachte.

De loopbaan van verdachte bij de politie

Verdachte is op 26 januari 2009 aangesteld als aspirant in tijdelijke dienst gedurende de

initiële opleiding (zes jaar) bij de Dienst Nationale Recherche (hierna: DNR). Hij is een zij-instromer op niveau 4. Op 21 november 2008 tekende verdachte daartoe een geheimhoudersverklaring van de Landelijke Eenheid en op 15 december 2008 werd een verklaring van geen bezwaar voor deze functie afgegeven. Op 22 april 2009 legde verdachte de ambtseed af en ondertekende hij het eedsformulier.

Op 13 juli 2010 werd verdachte aangesteld als generalist tactische recherche tot en met

31 juli 2011 en op 28 juli 2011 werd de proeftijd verlengd tot en met 31 januari 2012. Op

1 februari 2012 volgde een vaste aanstelling bij de DNR.

Op 14 oktober 2011 ontving het hoofd van het Bureau Veiligheid en Integriteit KLPD een

brief ‘Weigering verklaring van geen bezwaar’ (hierna: VGB) met betrekking tot verdachte, waarin wordt vermeld dat verdachte van deze weigering op de hoogte is gesteld.

Door deze weigering kon verdachte niet bij de DNR blijven werken en werd hij op

verschillende locaties tewerkgesteld. Hij werkte onder andere in 2013 bij de Dienst Verkeer van het KLPD in Driebergen in Maasbracht en in 2014 bij de Landelijk Eenheid, Dienst Infra, locatie Croeselaan te Utrecht. Daarnaast werkte hij nog in de regio Venlo en Eindhoven ten behoeve van het behalen van modules in het kader van zijn opleiding.

De opleiding van verdachte verliep niet vlekkeloos, zijn studietijd moest meerdere malen

worden verlengd, voor het laatst in het vierde kwartaal van 2014. Bij niet afstuderen zou

eventueel ontslag volgen.

Tussenconclusie 1

Verdachte is aldus aan te merken als een ambtenaar in de zin van artikel 84 van het

Wetboek van Strafrecht. De verdachte was in de tenlastegelegde periode werkzaam als politieagent en had uit hoofde van zijn functie, zo blijkt uit zijn beëdiging, een algemene geheimhoudingsplicht.

Blue View

Blue View is een indexsysteem, waarin dumps plaatsvinden van diverse politiesystemen,

zoals BVO, Summ-it, HKS, BVH, Luris, FIU, afkomstig van bijna alle opsporingsinstanties

van Nederland (Kmar, FIOD et cetera).

Accounts in Blue View zijn strikt persoonlijk en mogen niet gedeeld worden.

Om Blue View te raadplegen wordt ingelogd met een gebruikersnaam en een wachtwoord.

De gebruikersnaam is het dienstnummer van de verbalisant, KLP008416, zijnde verdachte.

Hij had een Blue View account vanaf 29 augustus 2011 om 10.18 uur, op niveau Opsporing

basis 3 en 4. Bevragingen geschieden op een zogenaamde lange KENO, een zoeksleutel

gebaseerd op onder andere achternaam en geboortejaar van de te bevragen persoon.

Resultaten van bevragingen kunnen worden geëxporteerd als PDF- of Excelbestand. Vervolgens kunnen deze worden opgeslagen op bijvoorbeeld een harde schijf van een computer of op een USB-stick, indien de gebruiker rechten heeft om gegevens op een USB-stick op te slaan. Verdachte had die rechten. In de naam die het document krijgt tijdens het exporteren zit de tekst ‘Registratie Export’. Uit de bestandsnaam is af te leiden op welke datum de export is gemaakt en wat het accountnummer is van de gebruiker.

Op het eerste blad van elke export is een waarschuwing opgenomen voor de gebruiker:

‘Het oneigenlijk gebruik dan wel misbruik van deze gegevens is ten strengste verboden.

Daarnaast is het verstrekken van deze gegevens aan derden welke niet de vereiste autorisatie bezitten eveneens ten strengste verboden’. De gebruiker kan pas verder gaan met

exporteren als hij aangeeft dat hij de bovenstaande waarschuwing heeft gelezen en op OK drukt.

Tussenconclusie 2

Het hof stelt vast dat verdachte toegang had tot vertrouwelijke politiegegevens.

Artikel 7 van de Wet Politiegegevens bepaalt dat de politieambtenaar aan wie

politiegegevens ter beschikking zijn gesteld, in beginsel verplicht is tot geheimhouding

daarvan, behoudens voor zover een of bij of krachtens de wet gegeven voorschrift tot

verstrekking verplicht, de bepalingen van paragraaf 3 verstrekking toelaten of de politietaak

in bijzondere gevallen tot verstrekking noodzaakt. Van enige uitzonderingsgrond is uit het

dossier niets gebleken.

Verdachte was uit hoofde van zijn ambt derhalve bekend met deze geheimhoudingsplicht,

hij wist dat de informatie in Blue View vertrouwelijk was en werd daar bij export van gegevens nogmaals op gewezen.

Abonnementen en bevragingen in Blue View

Vanaf 30 augustus 2011 heeft verdachte 52 abonnementen gehad. Na oktober 2011 werden

geruime tijd geen abonnementen afgesloten. Dit betreft de periode nadat de VGB was geweigerd, te weten na 19 oktober 2011. In juli 2012 werd weer een abonnement afgesloten. Verdachte deelde geen abonnementen met andere gebruikers.

Verdachte had in Blue View op 15 juni 2015 24 abonnementen lopen op personen.

Deze abonnementen moeten actief worden aangemaakt, driemaandelijks worden verlengd en worden afgesloten. De personen werden automatisch bevraagd op een lange KENO en de gebruiker, in casu verdachte, kreeg elke week berichten op zijn werk e-mailadres met de nieuwe resultaten van zijn abonnementen. Op 14 september 2015 liepen er in de account van verdachte 23 abonnementen op personen.

Voorts is uit het overzicht van het totaal aantal bevragingen van verdachte in de onderzoeksperiode, gebleken dat het totale logbestand van verdachte in de periode van 30 augustus 2011 tot en met 29 september 2015 uit 28.521 regels in Blue View bestaat. Die regels werden zowel door zoekvragen als zoekresultaten gegenereerd.

Tussenconclusie 3

Verdachte heeft abonnementen op personen aangemaakt en tevens verlengd, ook nadat hij in verband met de weigering van de VGB niet meer deelnam aan opsporingsonderzoeken binnen de DNR. Bovendien heeft hij ruim 28.000 bevragingen in Blue View gedaan in de tenlastegelegde periode.

De verdediging heeft aangevoerd dat manipulatie via de inloggegevens van verdachte – te weten zijn gebruikersnaam en wachtwoord – door een ander dan verdachte niet kan worden uitgesloten. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Zoals hierboven uiteengezet zijn op het Blue View account van verdachte, gedurende ruim 4 jaar, tientallen abonnementen op personen afgesloten en duizenden zoekopdrachten naar personen uitgevoerd. Indien iemand anders dan verdachte deze handelingen zou hebben verricht, zou dat betekenen dat verdachte gedurende ruim 4 jaar niet heeft opgemerkt dat een derde ook gebruik maakte van zijn inloggegevens en dit zeer veelvuldig deed. Dit is naar het oordeel van het hof volstrekt onwaarschijnlijk, nu bij het afsluiten van abonnementen op personen, verdachte automatisch wekelijks een bericht ontving per e-mail waarin de nieuwe resultaten kenbaar werden gemaakt. Indien niet verdachte maar een derde deze abonnementen zou hebben afgesloten, zou dit verdachte moeten zijn opgevallen en had het in de rede gelegen dat verdachte met het vermoeden dat zijn inloggegevens werden misbruikt, daarvan een melding zou hebben gemaakt. Nu verdachte nimmer een dergelijke melding heeft gemaakt, gaat het hof voorbij aan het volstrekt onwaarschijnlijke verweer dat een ander dan verdachte gebruik kan hebben gemaakt van zijn inloggegevens. Het hof neemt daarbij mede in overweging, dat de verdediging dit verweer op geen enkele, laat staan aannemelijke, wijze heeft onderbouwd. Het is louter een suggestie. Daar komt bij, dat ook overigens uit het onderzoek Zijdehaai niet is gebleken dat andere personen met de inloggegevens van verdachte bevragingen hebben gedaan. Het hof verwerpt daarom dit verweer.

Voorts is door de verdediging aangevoerd dat de 28.521 logregels in Blue View niet representatief zijn voor het aantal zoekopdrachten, nu elke mutatie in Blue View een nieuwe logregel creëert. Verdachte schat zelf dat hij ongeveer 5000 bevragingen heeft uitgevoerd. Ter onderbouwing van dit verweer heeft de verdediging het navolgende naar voren gebracht.

a. Verdachte heeft bij de rechter-commissaris en ter zitting in eerste aanleg en hoger beroep aangevoerd dat niet kan worden aangenomen dat alle bevragingen in die periode illegaal werden gedaan. Hij werd immers, ook nadat hij niet meer bij de DNR werkzaam was, juist speciaal in onderzoeken ingezet met de vraag om gebruik te maken van zijn accreditatie voor Blue View en ook omdat hij een zekere handigheid had in het bevragen van dat systeem.

b. Daarnaast heeft verdachte ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat hij het systeem weliswaar veelvuldig heeft geraadpleegd, maar dat deze bevragingen werden gedaan ter bevrediging van zijn nieuwsgierigheid, een soort hobby, zoals anderen voor hun plezier op internet surfen.

Het hof overweegt, samen met de rechtbank, met betrekking tot deze stellingen van verdachte het volgende:

a. Dat verdachte wel eens door collega's zou zijn benaderd om Blue View te bevragen

wordt ook door de getuigen [getuige 3] en [getuige 2] bij de rechter-commissaris niet

ontkend, zij het dat zij hem zelf nooit gevraagd hebben Blue View te raadplegen. Het hof sluit dan ook niet uit dat het heel wel kan zijn dat verdachte op verzoek wel eens ten behoeve van opsporingsonderzoeken Blue View heeft bevraagd, ook nadat hij niet meer bij de DNR werkzaam was. Hij had immers zijn accreditatie op niveau 3 en 4 gewoon behouden. Gelet op de enorme hoeveelheid gevoelige informatie die door verdachte is bevraagd, welke niet allemaal volledig is onderzocht, is het niet uit te sluiten dat verdachte op verzoek van collega's daadwerkelijk wel eens informatie uit het systeem heeft opgevraagd. Door verdachte is overigens geen enkel voorbeeld aangewezen waarbij dat het geval zou zijn geweest. Het hof is echter van oordeel, dat dit onverlet laat dat door verdachte zonder enige professionele aanleiding of intern verzoek ook grote hoeveelheden vertrouwelijke informatie zijn bevraagd en geëxporteerd en aangetroffen zijn bij derden zoals het hof hierna nog zal bespreken. Wat er ook zij van het verweer, het staat een bewezenverklaring niet in de weg. Het verweer faalt daarom reeds in zoverre.

b. Dat verdachte het systeem ook wel eens uit nieuwsgierigheid raadpleegde, zoals hij verklaart, valt eveneens niet geheel uit te sluiten. Verdachte heeft deze bewering echter niet nader toegelicht of onderbouwd met concrete voorbeelden. Daarover wilde verdachte, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, niet verklaren. Het hof acht het dan ook volstrekt onaannemelijk dat verdachte alle bevragingen die hij niet in het kader van zijn taakvervulling als politieagent heeft verricht louter uit nieuwsgierigheid heeft gedaan. Uit het dossier blijkt dat verdachte regelmatig hem bekende personen heeft bevraagd, personen die veelal in verband konden worden gebracht met hennepteelt/-kwekerijen. Zo bevroeg verdachte regelmatig zijn medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Daarbij moeten ook gegevens zijn verstrekt door derden bijvoorbeeld met betrekking tot identificatiegegevens van personen of adressen.

Ook valt op, dat verdachte vaak personen bevroeg voorafgaand, tijdens en na een onderzoek of doorzoeking. Dit was bijvoorbeeld het geval bij zijn oom, de heer [oom verdachte] .

Dat verdachte niet louter uit nieuwsgierigheid maar zeker ook op verzoek van derden bevragingen deed, blijkt uit hetgeen het hof hierna met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit zal overwegen, namelijk dat hij op verzoek van een tweetal undercover-agenten bevragingen heeft gedaan. Bovendien, zelfs al zou verdachte een aantal bevragingen louter uit nieuwsgierigheid hebben gedaan, verdachte wist en behoorde te weten dat hij uitsluitend gerechtigd was Blue View te raadplegen in het kader van zijn politietaak en daarvan is naar het oordeel van het hof bij het hobbymatig door het systeem zoeken ten behoeve van zichzelf geen sprake. Ook dit deel van het verweer gaat daarom niet op.

Met betrekking tot feit 1: medeplegen schending ambtsgeheim

De advocaat-generaal is van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, nu op grond van het bewijs kan worden vastgesteld dat de geheime informatie bij anderen terecht is gekomen door toedoen van verdachte.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken, nu – kort gezegd – niet uit het dossier is gebleken dat verdachte, na het opvragen van informatie, deze informatie ook daadwerkelijk heeft verspreid. Zo is niet duidelijk hoe de PDF-bestanden bij [medeverdachte 4] terecht zijn gekomen; het is slechts een aanname dat verdachte dit heeft gedaan.

Voorts heeft de verdediging bepleit dat slechts een bewezenverklaring kan volgen voor de bevragingen in Blue View waarvan ook daadwerkelijk stukken zijn aangetroffen, nu het dossier verder geen bewijs bevat dat de geheime gegevens van de andere bevragingen daadwerkelijk zijn verstrekt aan onbevoegde derden.

Het hof zal, evenals de rechtbank, de bewijsmiddelen die in het dossier aanwezig zijn bespreken aan de hand van de door verdachte afgesloten abonnementen, diens werkwijze en de in het dossier genoemde namen van onderzoeken en personen.

De abonnementen

Op 23 juli 2012 sloot verdachte een abonnement af op de KENO van medeverdachte [medeverdachte 5] .

Op de lange KENO van medeverdachte [medeverdachte 2] wordt op 28 juni 2013 een abonnement

gemaakt.

Op 15 juni 2015 had verdachte nog abonnementen lopen op onder andere de KENO van

medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .

Op 14 september 2015 liepen deze abonnementen nog. Op die datum was toen één nieuw abonnement op de KENO van [medeverdachte 22] . Voornoemd abonnement werd afgesloten op 7 juli 2015.

In een in beslag genomen agenda van het jaar 2013 van verdachte werd een lijst met namen van personen aangetroffen, welke lijst precies overeenkomt met de tussen 31 augustus 2011 en 29 september 2015 door verdachte bevraagde personen.

Tussenconclusie 4

Verdachte maakte abonnementen aan op onder andere de medeverdachten in het onderhavige onderzoek. Nu deze abonnementen over een langere periode liepen en de abonnementen driemaandelijks moesten worden verlengd, heeft verdachte de betreffende abonnementen dus bewust in stand gehouden. Verdachte bevroeg een vaste groep personen gedurende een langere tijd. Over de concrete bevragingen en abonnementen en de beweegredenen daarvoor heeft verdachte, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, niet willen verklaren.

De werkwijze

I.

Vanuit het politiedomein worden (bijvoorbeeld) op 7 november 2014 e-mails verzonden naar het politieacademie domein. De verstuurde e-mails bevatten Blue View export registraties. De verstuurde e-mails worden niet meer aangetroffen in de mailbox van het politieacademie domein. Wel wordt een verwijzing gevonden naar een bijlage, die op een externe mediadrager is geplaatst.

II.

Op 7 september 2015 werd een bevel stelselmatige informatie-inwinning en pseudokoop op

verdachte afgegeven. De raadsman heeft ten aanzien van het WOD-traject (onder andere voor wat betreft de overtreding van het Talloncriterium en de methoden van het verbaliseren door A-3869 en A-3870) verschillende verweren gevoerd. Voor het oordeel van het hof hieromtrent wordt verwezen naar hetgeen hierna met betrekking tot feit 3 wordt overwogen.

Op 27 september 2015 keerde verdachte terug uit Curaçao, waar hij met verbalisant A-3869

afspraken had gemaakt over het raadplegen van de politiesystemen op de persoon van de

informant, die bij verdachte bekend was als [naam 6] en op een persoon, die bij

verdachte bekend was gemaakt als [naam 5] .

Op 28 september 2015 om 10.27 uur kocht verdachte bij de Mediamarkt in Son en Breugel een USB-stick PNY en een prepaid telefoon, die hij contant afrekende. Vervolgens reed hij naar het politiebureau aan de Croeselaan in Utrecht, waar hij tussen 11.43 uur en 12.49 uur een groot aantal bevragingen deed op [naam 6] en [naam 5] . De bewuste USB-stick is op 30 september 2015 in de woning van de ouders van verdachte in Weert terug gevonden. Op de USB-stick stonden Blue View Exportbestanden met betrekking tot [naam 6] en [naam 5] .

Op 28 september 2015 om ongeveer 14.00 uur verlaat de verdachte het politiebureau in Utrecht en op verzoek van A-3869 vindt om 15.30 uur een ontmoeting plaats bij McDonalds in Best. Op aanwijzing van verdachte rijdt verdachte met A-3869 mee naar een openbare picknickplaats aan de A2. Daar brengt verdachte A-3869 mondeling op de hoogte van zijn bevindingen. Daarbij merkt verdachte op dat de informatie zo minimaal was dat hij had besloten om A-3869 een en ander mondeling mede te delen.

III.

Bij de doorzoeking van de [adres 4] werd een grote hoeveelheid

bewerkte Blue View informatie op papier aangetroffen (zie hierna) met leesaanduidingen en met namen van geadresseerden erop aangebracht.

Tussenconclusie 5

Verdachte e-mailde exportrapportages van zijn politie-emailadres naar zijn mailbox bij de politieacademie en zette de informatie over op (bijvoorbeeld) USB-sticks. Verdachte heeft over het hoe en waarom van deze werkwijze zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, geen verklaring willen afleggen.

Verdachte verstrekte informatie zowel mondeling als schriftelijk aan afnemers. Daarbij

werd de nodige behoedzaamheid in acht genomen. Met betrekking tot de aan A-3869 verstrekte informatie heeft verdachte ter zitting van het hof toegegeven dat de verstrekking op de wijze zoals verwoord aan A-3869 heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van de aangetroffen informatie op papier heeft verdachte niet willen verklaren.

Onderzoeken Bergaster en Fuut / medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1]

I. Onderzoek Bergaster

In de in de cloud opgeslagen digitale administratie van verdachte [medeverdachte 4] werden 15 PDF-bestanden gevonden met onder andere de namen [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , te herleiden tot

bij de politie bekende subjecten.

- ‘ [medeverdachte 2] ’ zou medeverdachte [medeverdachte 2] , geboren 31 juli 1978, betreffen.

- ‘ [medeverdachte 1] ’ zou medeverdachte M.F.W. [medeverdachte 1] , geboren 15 februari 1970, betreffen.

Deze bestanden zijn op 25 en 28 juni 2013 geëxporteerd. Op die data registreert verdachte

bijzonder verlof. Desondanks stuurde verdachte op 25 juni 2013 om 15.10 uur en 15.13 uur

vanaf zijn politie-emailadres twee e-mails en op 28 juni 2013 te 12.23 uur nog één.

Bij het openen van de PDF van [medeverdachte 2] bleek dat het ging om een bestand van 468 pagina's,

geëxporteerd op 25 juni 2013 te 13.38 uur.

Het bestand van [medeverdachte 1] betrof 265 pagina's, geëxporteerd op 25 juni 2013 te 13.54 uur.

Op 7 maart 2013 bevraagt verdachte medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] voor de eerste

keer in Blue View. In een memo in een in beslag genomen Samsung Galaxy SIII (aangetroffen in een woning aan de [adres 3] , de woning van de ouders van verdachte) van 6 maart 2013 staan de namen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] met enige specifieke details, die – naar het hof begrijpt – nodig voor het genereren van een KENO.

In een map met mini processen-verbaal die op 29 september 2015 tevens in de woning van de ouders van verdachte ( [adres 3] ) in beslag zijn genomen, stonden op het

bovenste vel de gegevens van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] die – naar het hof begrijpt – nodig

zijn voor het genereren van een KENO op deze personen. Ook in een agenda over het jaar 2013 (tevens inbeslaggenomen in de woning aan de [adres 3] ) werd een lijst met namen aangetroffen, waaronder die van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] en mogelijk [medeverdachte 2] . In een oude telefoon van verdachte werd een memo van 25 juni 2013 aangetroffen, met daarin de namen van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] .

Verder blijkt dat vlak voor de actiedag in het onderzoek ‘Bergaster’ 13 auto's uit de

bedrijfsvoorraad van [bedrijf 2] zijn overgeschreven op naam van onder andere [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . De sleutels van één van deze auto's zijn op 29 september 2015 aangetroffen in de woning in Veldhoven waar [medeverdachte 1] verbleef.

Tussenconclusie 6

Reeds in 2013 bevroeg verdachte medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in Blue View en

exporteerde deze gegevens, die uiteindelijk in de cloud van [bedrijf 2] terechtkwamen.

Verdachte maakte geen deel uit van het onderzoeksteam in het onderzoek Bergaster, noch is gebleken van een andere politietaak die de betreffende bevragingen en het exporteren van de daaruit vloeiende gegevens zou kunnen verklaren. Derhalve had verdachte geen valide reden om Blue View op deze personen te bevragen. Bovendien hebben zowel verdachte en als medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hieromtrent geen verklaring afgelegd.

II. Onderzoek Fuut

Het onderzoek Fuut betreft een verdenking van bedrieglijke bankbreuk. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zouden aan de verdachte in het onderzoek Fuut een groot geldbedrag hebben geleend. In het kader van dit onderzoek werd op 29 juli 2015 rond 12.00 uur [medeverdachte 3] door de FIOD gehoord.

Op diezelfde dag wordt waargenomen dat verdachte om 16.18 uur uit het gebouw van de

politieacademie te Eindhoven komt en in een Peugeot [kentekens] ) stapt. De Peugeot wordt

om 16.42 uur geparkeerd op een parkeerterrein De Plaatse in Veldhoven en verdachte

begeeft zich naar het terras van een grand café. Om 18.37 uur heeft verdachte contact met de

bestuurder van een Ford Mondeo ( [kentekens] ). De bestuurder van de Ford Mondeo is

[medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft deze Ford Mondeo geleased. Verdachte stapt in. Om 18.53 uur staat de Ford Mondeo geparkeerd op de oprit van de [adres 4] . In deze woning verblijft [medeverdachte 1] ; hij staat er echter niet ingeschreven.

Om 19.17 uur wordt een Audi A5 ( [kentekens] ) geparkeerd in de straat en twee mannen,

[medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , gaan de woning binnen. [medeverdachte 3] heeft bij de politie verklaard dat hij wel eens met [medeverdachte 2] in een woning in Veldhoven is geweest om daar te praten en te kaarten. Hij trof toen in die woning verdachte en [medeverdachte 1] . Die zaten samen op de bank. Bij die gelegenheid hebben [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] gesproken over het gesprek met de FIOD, het zou kunnen zijn dat de beide [verdachte + medeverdachte 1] (verdachte en [medeverdachte 1] ) dat hebben opgevangen, aldus [medeverdachte 3] .

Het onderzoek Fuut werd door verdachte op 28 juli 2015 en 3 augustus 2015 in Blue View

uitgebreid bevraagd. Op 3 augustus 2015 raadpleegt verdachte rechtstreeks op het

onderzoek en geeft ook twee zoekopdrachten: ‘vervalst fuut’ en ‘saxo fuut’. Bij het

onderhoud van de FIOD met [medeverdachte 3] was op 29 juli 2015 gesproken over een vervalst bankafschrift van de Saxobank.

Tussenconclusie 7

Nu verdachte vlak vóór en vlak na de ontmoeting met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in de woning van [medeverdachte 1] het onderzoek Fuut uitgebreid bevroeg, kan het naar het oordeel van het hof niet anders dan dat hij dit deed op verzoek van een of meer van zijn medeverdachten. Verdachte had met name op de KENO van [medeverdachte 2] al vele bevragingen gedaan en er liep ook een abonnement op [medeverdachte 2] . Verdachte had geen enkele reden of motief om juist op dit onderzoek bevragingen te doen; hij was geen lid van het onderzoeksteam van de FIOD en er is geen enkele valide andere reden voor de raadpleging, anders dan dat hij daar door anderen om is verzocht. Ook hieromtrent heeft verdachte geen nadere verhelderende verklaring willen afleggen.

III.A

Op 29 september 2015 werd een achter een afgesloten schot onder de trap in de [adres 4] verborgen bundel documenten in beslag genomen van

in totaal 167 pagina's met informatie over vele subjecten. Het bleek te gaan om bewerkte

Blue View producten: het was het resultaat van verschillende downloads en bewerkingen.

Er was informatie toegevoegd.

Op het document [medeverdachte 22] staat getypt op de linkerbovenhoek:

‘ [medeverdachte 2] [het hof begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2]]

Bovenstaande inzake onderstaand onderzoek hennep (reeds verstrekt)’.

Op het document Gortworst in de linkerbovenhoek getypt:

‘10x afgeschermd onderzoek DOOMER (zie eerdere uitleg)’.

Op het document Zaak in de linkerbovenhoek is getypt:

‘Let op inzet IMSI catcher bij verdachten’.

Op één van de andere pagina's staat het tijdstip van export: 12-08-2015 13.25.06. De tekst

betreft een mutatie van een onderzoek, dat door verdachte blijkens zijn logfiles op

12 augustus 2015 om 13.42.32 is bevraagd. Vervolgens zijn er 152 mutaties uit Blue View

geëxporteerd.

Op gevouwen hoekjes op twee A4tjes stond: onder andere ‘ [medeverdachte 2] ’. ‘ [medeverdachte 2] ’ bleek een deel

van een mutatie van 19 augustus 2015. Op dit mutatienummer heeft verdachte op 25 augustus 2015 en 28 september 2015 gezocht.

Op één van de pagina's is een vingerafdruk van [medeverdachte 2] aangetroffen.

Op zeven pagina's uit de bundel werden vingerafdrukken van verdachte aangetroffen.

Op 1 september 2015 werd om 17.58 uur gezien dat verdachte in Weert in een BMW [kentekens] ) stapte en om 18.26 uur reed hij over de Run in Veldhoven. Vervolgens stond de

BMW geparkeerd op het parkeerterrein De Plaatse te Veldhoven. Om 18.50 uur staat de

Ford Mondeo (7 TXS 33) geparkeerd op de oprit van de [adres 4] . Om 19.07

uur arriveert een Audi ( [kentekens] ) ter hoogte van nummer 40. De bestuurder, die na

onderzoek geïdentificeerd kan worden als [medeverdachte 2] , stapt uit. Om 19.58 uur verlaat hij de woning. Om 20.04 uur verlaat verdachte de woning en stapt hij bij [medeverdachte 1] als bijrijder in de Ford Mondeo. Om 20.12 uur stopt de Mondeo bij de BMW. Om 20.39 uur is de BMW in Weert en om 21.04 stapt verdachte zijn woning binnen met een voorwerp in zijn hand.

Op 27 augustus 2015 werd Blue View door verdachte bevraagd. Er werd een groot aantal

bevragingen gedaan en informatie werd geëxporteerd. [medeverdachte 2] werd uitgebreid bevraagd en vermoedelijk werd een BVH-registratie geëxporteerd, handelende over de overgeschreven auto's in het onderzoek Bergaster.

Op 1 september 2015 zijn er twee externe gegevensdragers aangesloten geweest op de

computer van [medeverdachte 1] . Uit de linkfiles op die computer kan worden afgeleid dat op één van die gegevensdragers op die computer bestanden zijn geopend. In totaal zijn er 27 fragmenten tekst gevonden in de computer van [medeverdachte 1] , onder meer 4 fragmenten op de KENO [medeverdachte 2] en 9 fragmenten op het onderzoek Fuut.

III.B

Op 30 september 2015 werd in de garage van de [adres 4] in een

plastic tas een briefje gevonden met de tekst:

'Ab: [medeverdachte 22] '.

Een papiertje met ongeveer gelijkluidende gegevens werd aangetroffen in een plastic bakje in een kastje in de woning van verdachte in Weert.

Op 22 juni 2015 is door verdachte in Blue View gezocht op de KENO van deze persoon en

de registraties worden vermoedelijk geëxporteerd. Op 23 juni 2015 worden de registraties

(opnieuw) geëxporteerd. Op 7 juli 2015 wordt wederom een raadpleging gedaan. Er wordt

een abonnement aangemaakt op de lange KENO van de persoon.

Op 21 en 28 juli 2015 wordt de KENO bevraagd. Op 25 augustus 2015 wordt opnieuw

bevraagd en wordt een BVH-registratie, die ook op 22 en 23 juni 2015 en op 5 augustus

2015 door verdachte is geraadpleegd, geëxporteerd. Deze registratie is gestart naar

aanleiding van een melding van activiteiten die verband hielden met het kweken van hennep

na een inbraak in een woning en de registratie werd in de loop van de tijd steeds uitgebreid.

De registratie werd voor de laatste maal geraadpleegd en geëxporteerd op 28 september

2015 om 11.23.19 uur. De verdachte in die zaak was de huurder van de woning: [medeverdachte 22]

.

De tekst van de in de bergplaats gevonden documenten met daarop getypt ‘ [medeverdachte 22] ’ en

handgeschreven ‘AB’, gaan over de persoon [medeverdachte 22] en is afkomstig uit mutaties

in de bovengenoemde registratie die door verdachte op verschillende tijdstippen is

geraadpleegd.

In de computer van [medeverdachte 1] zijn in de 'unallocated space' sporen aangetroffen van teksten die te herleiden zijn naar één van deze mutaties. Deze mutatie betreft een proces-verbaal dat is gesloten op 24 augustus 2015. Op 25 augustus 2015 is de mutatie in Blue View geraadpleegd en geëxporteerd.

Tussenconclusie 8

Uit deze bewijsmiddelen volgt dat verdachte in de periode van juni 2015 tot en met september 2015 informatie uit Blue View heeft geëxporteerd, onder meer ten aanzien van [medeverdachte 2] . Uit het feit dat de geëxporteerde informatie niet alleen was uitgeprint, maar ook was bewerkt ten behoeve van de afnemer en was voorzien van extra aanwijzingen alsmede uit het aantreffen van dactyloscopische sporen van zowel verdachte op de aangetroffen bundel papieren, blijkt naar het oordeel van het hof dat verdachte met een duidelijk doel buiten zijn politietaak informatie heeft gegenereerd. Uit het feit dat op een van de papieren uit die bundel eveneens een dactyloscopisch spoor van [medeverdachte 2] is aangetroffen, blijkt bovendien dat [medeverdachte 2] in elk geval een deel van die informatie op enig moment in handen heeft gekregen. Uit de aangetroffen teksten op de documenten blijkt tevens dat de informatie werd verstrekt om anderen van buiten de politieorganisatie te waarschuwen, op de hoogte te stellen van lopende onderzoeken en van ingezette opsporingsmiddelen.

Het hof stelt vast dat [medeverdachte 1] zijn verblijfplaats aan de [adres 4] beschikbaar stelde om de (papieren) informatie goed te verbergen, dat er informatie op de computer van [medeverdachte 1] werd bekeken / verwerkt en dat de woning van [medeverdachte 1] werd gebruikt om de afnemer(s) van de informatie te ontmoeten / te spreken. Daarnaast bracht [medeverdachte 1] verdachte naar en van het adres in Veldhoven. [medeverdachte 1] moet volledig op de hoogte zijn geweest van het handelen van [verdachte] .

Onderzoek Gutenberg

Zoals reeds aangehaald, werd in de in de cloud opgeslagen digitale administratie van [medeverdachte 4] een 15-tal PDF-bestanden gevonden met onder andere de naam ‘ [medeverdachte 6] ’.

[medeverdachte 6] is te herleiden naar [medeverdachte 6] (geboren op [medeverdachte 6] 1981), hoofdverdachte in het onderzoek Gutenberg. De voornoemde bestanden waren uit Blue View Registratie geëxporteerd. Ook aan de bovenzijde van deze PDF stond de gebruikersnaam van verdachte, KLP08416, en een datum vermeld. Het PDF-bestand van 476 pagina’s inzake [medeverdachte 6] werd op 28 juni 2013 te 12.27.36 uur door [verdachte] bevraagd en geëxporteerd.

In de voornoemde een map met mini processen-verbaal die op 29 september 2015 in de woning van de ouders van verdachte ( [adres 3] ) in beslag zijn genomen, bevatte het bovenste vel tevens de gegevens van [medeverdachte 6] , die – naar het hof begrijpt – nodig zijn voor het genereren van een KENO op deze persoon.

Binnen het onderzoek Gutenberg van DNR Son en Breugel werden bij doorzoekingen op 23 september 2014 situaties aangetroffen die duiden op schoning van deze locaties.

[verdachte] heeft deel uitgemaakt van de DNR Son en Breugel en heeft kennelijk nog steeds toegang tot de teammap 20. Verder is met de inlogcode van [verdachte] in de

periode 15 januari 2014 tot 15 september 2014 in Blue View tenminste 94 maal gezocht op de naam [medeverdachte 6] . Verder werd de term Gutenberg 183 maal aangetroffen in het bestand met bevragingen in Blue View.

Tussenconclusie 9

Verdachte heeft [medeverdachte 6] , de hoofdverdachte in het onderzoek Gutenberg, en de term Gutenberg veelvuldig bevraagd in Blue View. Deze gegevens zijn tevens geëxporteerd, zo blijkt uit het feit dat een PDF- bestand genaamd ‘ [medeverdachte 6] ’ werd aangetroffen in de digitale administratie bij [medeverdachte 4] . Uit inbeslaggenomen gegevens blijkt dat de gegevens van verdachte [medeverdachte 6] , die nodig waren voor het genereren van een KENO op hem, op een vel papier genoteerd stonden. Het hof overweegt dat niet is gebleken dat verdachte een valide reden had om [medeverdachte 6] en het onderzoek Gutenberg te raadplegen in Blue View.

Het hof is van oordeel dat gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, en mede gelet op de omstandigheid dat bij de doorzoekingen ‘schone locaties’ werden aangetroffen, het niet anders kan zijn dan dat verdachte op verzoek van een ander en ten behoeve van [medeverdachte 6] de geheime politie-informatie in het onderzoek Gutenberg heeft bevraagd en vervolgens heeft geëxporteerd en verstrekt. Met deze informatie werd verdachte [medeverdachte 6] gewaarschuwd en op de hoogte gesteld van de lopende onderzoeken en ingezette opsporingsmiddelen. Het is het hof ambtshalve bekend dat [medeverdachte 6] , hoofdverdachte is in het onderzoek Gutenberg, niet is gearresteerd en nog steeds voortvluchtig is.

[oom verdachte] / medeverdachte [medeverdachte 5]

Verdachte zoekt verschillende keren op zijn oom [oom verdachte] in de periode van januari

tot en met september 2014. Op 19 januari 2015 zoekt verdachte op ‘ [adres 8]

’ en ‘ [adres 8] ’. Op 27 juni 2015 zoekt verdachte op onder andere ‘ [adres 8] ’.

Op 17 augustus 2015 wordt een ontmanteld apaanlaboratorium aangetroffen in de woning

[adres 8] . In de loods bij de woning bevindt zich een hennepkwekerij.

De huurder van deze woning en loods is [oom verdachte] .

Op 21 januari 2015 raadpleegde verdachte Blue View op de locatie ‘ [adres 9]

’. Op 24 februari 2015 is een opgeruimde hennepplantage in een loods aan de

[adres 9] aangetroffen. Huurder van de loods is [oom verdachte] .

Op 8 en 10 januari 2014 zocht verdachte meermalen op ‘ [adres 11] ’,

‘ [adres 11] ’, ‘ [adres 10] ’ en ‘ [adres 10] ’. Op 7 januari 2014

werden op beide locaties hennepkwekerijen aangetroffen. Huurder van deze locaties was

[oom verdachte] .

Zoals eerder opgemerkt, maakte verdachte reeds in 2012 een abonnement aan op Van den

Akker, dit liep tot september 2013.

Op 17 februari 2012 raadpleegde verdachte in Blue View medeverdachte [medeverdachte 5]

voor het eerst, op dezelfde dag en op vrijwel het zelfde tijdstip dat verdachte een zekere

[medeverdachte 25 + geboortedatum] ook bevraagt. [medeverdachte 5] en [medeverdachte 25 + geboortedatum] kenden elkaar. Op 23 november 2012

wordt aan de [adres 12] een hennepkwekerij aangetroffen. Volgens de

GBA staat [medeverdachte 25 + geboortedatum] op dat adres ingeschreven. Het adres wordt door verdachte uitgebreid bevraagd op die datum. Verdachte raadpleegt die dag ook nog op een aantal andere hennep-gerelateerde adressen. In 2012 werd [medeverdachte 5] zelf verdacht van betrokkenheid bij

hennepteelt. Dit alles wijst erop dat verdachte Blue View op [medeverdachte 5] heeft bevraagd

om hem op de hoogte te houden van lopende opsporingsonderzoeken in verband met

hennepteelt.

Uit tapgesprekken en de verklaring van de getuige [vriendin medeverdachte 5/getuige] blijkt dat de latere bevragingen

(tot en met augustus 2015) op [medeverdachte 5] vooral de relationele problemen tussen

[vriendin medeverdachte 5/getuige] en [medeverdachte 5] betroffen waarbij de politie werd ingeschakeld. [medeverdachte 5] , [medeverdachte 25 + geboortedatum] en verdachte zouden elkaar kennen via een wederzijdse kennis in Oekraïne. [medeverdachte 5] zou verdachte in Nederland hebben geïntroduceerd als iemand van wie men informatie zou kunnen kopen, aldus getuige [vriendin medeverdachte 5/getuige] .

Tussenconclusie 10

Verdachte raadpleegde Blue View niet alleen op adressen waar hennepkwekerijen waren ontmanteld, maar ook op adressen waar hennepkwekerijen waren gevestigd voordat die locaties binnen de politiesystemen werden opgenomen. Uit het feit dat de bevraagde adressen allen een duidelijke link laten zien met de oom van verdachte of met [medeverdachte 25 + geboortedatum] en [medeverdachte 5] , maakt het hof, evenals de rechtbank, op dat verdachte deze bevragingen ten behoeve van zijn familielid [oom verdachte] of ten behoeve van kennissen zoals [medeverdachte 25 + geboortedatum] en [medeverdachte 5] heeft gedaan. Uit de bewijsmiddelen volgt ook, dat verdachte Blue View raadpleegde voor [medeverdachte 5] , waar het ging om relationele problemen.

Conclusie

Vooropgesteld moet worden dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat het ‘schenden’ van een geheim in de zin van artikel 272 Wetboek van Strafrecht moet worden uitgelegd als het verstrekken van geheime gegevens aan een ander die tot kennisneming daarvan onbevoegd is (vgl. HR 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:527). Gelet daarop is het hof van oordeel dat verdachte zijn ambtsgeheim niet heeft geschonden door geheime gegevens voor zichzelf te ontsluiten. Echter, het hof stelt – op grond van hetgeen hiervoor overwogen en de daarbij genomen tussenconclusies – vast dat verdachte zijn geheimhoudingsplicht gedurende lange tijd bij herhaling heeft geschonden door politie-informatie te delen met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] en andere belanghebbenden, zoals zijn oom [oom verdachte] en [medeverdachte 6] . Uit de wijze waarop verdachte de informatie aan derden zoals [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] overbracht, concludeert het hof dat deze geen van allen bevoegd was om van de informatie kennis te nemen.

Het verweer van de verdediging dat niet vaststaat dat verdachte daadwerkelijk geheime politie-informatie heeft verspreid wordt door het hof verworpen. Immers, vast is komen te staan dat verdachte in Blue View veelvuldig bevragingen heeft gedaan anders dan ter vervulling zijn politietaak. Bovendien is gebleken dat verdachte met een aantal van de bevraagde personen, al dan niet levenden lijve, contact heeft gehad. In de gedragingen van verdachte over een lange periode is een patroon te zien. Uit de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, blijkt dat een deel van de door verdachte uit Blue View geëxporteerde vertrouwelijke politie-informatie bij verdachte [medeverdachte 4] is aangetroffen. Hoewel niet concreet is gebleken hoe die informatie bij [medeverdachte 4] terecht is gekomen, kan het naar het oordeel van het hof niet anders dan dat die informatie via hem – verdachte – bij [medeverdachte 4] is beland. Het past namelijk in het genoemde patroon. Zo is door verdachte uit Blue View geëxporteerde informatie ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte 2] in geprinte vorm in het huis van medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen en is op een vel daarvan een dactyloscopisch spoor van [medeverdachte 2] gevonden. Daaruit blijkt dat in elk geval een deel van die informatie op enig moment in handen van [medeverdachte 2] terecht is gekomen. Verder past het bij het feit dat verdachte op verzoek van twee undercover-agenten bevragingen omtrent hun persoon heeft gedaan in Blue View. Ook de verklaring van de getuige [vriendin medeverdachte 5/getuige] , dat [medeverdachte 5] verdachte in Nederland heeft geïntroduceerd als iemand van wie men informatie zou kunnen kopen, ondersteunt dit patroon.

Ook het verweer van de verdediging dat slechts een bewezenverklaring kan volgen voor de bevragingen in Blue View waarvan daadwerkelijk stukken zijn aangetroffen, wordt door het hof verworpen. Nu verdachte zelf geen aannemelijke verklaring heeft willen geven over concrete, niet in het dossier uitgewerkte bevragingen, acht het hof het voldoende aannemelijk geworden dat verdachte ook buiten de door de Rijksrecherche in het dossier opgenomen gevallen Blue View op grote schaal heeft bevraagd, informatie heeft geëxporteerd en aan onbevoegden heeft verstrekt. Ook dit past volledig in het geschetste patroon.

Medeplegen

De verdediging heeft bepleit dat van het medeplegen schending ambtsgeheim geen sprake kan zijn, nu de geobserveerde contacten in de woning van [medeverdachte 1] in dat verband geen redengevend bewijs opleveren. Niet duidelijk is waarom verdachte zich in die woning bevond en wat er bij die gelegenheid werd besproken, aldus de verdediging.

Juridisch kader

Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of verdachte dit feit heeft medegepleegd in de zin van art. 47 eerste lid, sub 1, Sr.

Het hof stelt als toetsingskader het volgende voorop. Op grond van bestendige jurisprudentie voor medeplegen moet daarbij sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht dient te zijn. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. In de praktijk is een belangrijke en moeilijke vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. Die vraag laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval.

Indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht en derhalve eerder zien op het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf, rust op de rechter de taak om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Voor de vraag of sprake is van de vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan in dat geval onder meer rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt, nu het erom gaat dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.

Indien de verdachte hoofdzakelijk gedragingen na de uitvoering van het strafbare feit heeft verricht, is in uitzonderlijke gevallen medeplegen denkbaar. Maar een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal dan wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding, terwijl in de bewijsvoering in zulke uitzonderlijke gevallen ook bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.

Het beslissingskader zoals dat in het hier voorgaande is weergegeven kan, met begrippen die niet steeds precies van elkaar af te grenzen zijn, niet anders dan globaal zijn. Dat hangt enerzijds samen met de variëteit van concrete omstandigheden in afzonderlijke gevallen, waarbij ook de aard van het delict een rol kan spelen. Anderzijds is van belang de variëteit in de mate waarin die concrete omstandigheden kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen (vgl. in dezen: HR 02 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411).

Daarbij dient in deze zaak betrokken te worden de vraag of er in dit geval sprake kan zijn

van medeplegen van overtreding van artikel 272 Sr, een zogenaamd kwaliteitsdelict.

Immers, medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] waren niet werkzaam bij de

politie, maar waren ‘burgers’.

Het hof is, samen met de rechtbank, van oordeel dat voor een veroordeling wegens het medeplegen van een kwaliteitsdelict voldoende is dat één van de deelnemers over de kwaliteit beschikt en dat de anderen daar weet van hadden. In casu was daarvan bij medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] sprake.

Medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5]

Anders dan de rechtbank acht het hof het medeplegen van schending van het ambtsgeheim door [verdachte] , tezamen met de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] niet bewezen. Hoewel is gebleken dat verdachte de namen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] veelvuldig raadpleegde en abonnementen in Blue View op hen had lopen en er vertrouwelijke informatie uit dat systeem door verdachte is geëxporteerd en bij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] terecht is gekomen, al dan niet op hun verzoek, is er geen wettig en overtuigend bewijs dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] aan dit strafbare feit door verdachte hebben deelgenomen in de vorm van medeplegen. Naar het oordeel van het hof bevat het dossier onvoldoende bewijs dat tussen verdachte, [verdachte] en andere personen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] van voldoende gewicht was.

Medeverdachte [medeverdachte 1]

Ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte 1] , overweegt het hof als volgt.

Uit de bovenstaande feiten en omstandigheden blijkt in de eerste plaats dat [medeverdachte 1] voldoende wetenschap had van de 'kwaliteit' van [verdachte] , namelijk dat hij politie-agent was. Daarnaast is in het vorenstaande het volgende naar voren gekomen.Uit de observaties van 29 juli 2015 blijkt dat verdachte meerijdt in de Ford Mondeo van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] haalt verdachte op vanaf een terras naar zijn verblijfplaats aan de [adres 4] . Ook [medeverdachte 3] verklaart vaker in deze woning te zijn geweest, waarbij hij verdachte en [medeverdachte 1] dan samen op de bank aantrof.

Op 29 september 2015 werd achter een afgesloten schot onder de trap op de verblijfplaats van [medeverdachte 1] [adres 4] ) een verborgen bundel documenten in beslag genomen van in totaal 167 pagina's met informatie over vele subjecten. Dit bleek te gaan om bewerkte Blue View producten, welke mutaties door verdachte op 12 augustus 2015 zijn bevraagd en vervolgens zijn er 152 mutaties uit Blue View geëxporteerd.

Op 1 september 2015 werd gezien dat verdachte opnieuw meerijdt in de Ford Mondeo van [medeverdachte 1] om vervolgens naar de woning aan de [adres 4] te gaan. Enige tijd later verlaat verdachte de woning en stapt hij wederom in bij [medeverdachte 1] als bijrijder in de Ford Mondeo. Bergaster.

Op 1 september 2015 zijn er twee externe gegevensdragers aangesloten geweest op de computer van [medeverdachte 1] . Uit de linkfiles op die computer kan worden afgeleid dat op één van die gegevensdragers op die computer bestanden zijn geopend. In totaal zijn er 27 fragmenten tekst gevonden in de computer van [medeverdachte 1] , onder meer 4 fragmenten op de KENO [medeverdachte 2] en 9 fragmenten op het onderzoek Fuut.

Op 30 september 2015 werd in de garage van de [adres 4] in een plastic tas een briefje gevonden met de gegevens van [medeverdachte 22] . Gelijkluidende gegevens worden aangetroffen in een plastic bakje in een kastje in de woning van verdachte in Weert. Door verdachte wordt de KENO van deze persoon veelvuldig gezocht, een abonnement afgesloten en de registraties worden meermaals geëxporteerd.

De tekst van de in de bergplaats gevonden documenten met daarop getypt ‘ [medeverdachte 22] ’ en handgeschreven ‘AB’, gaan over de persoon [medeverdachte 22] en is afkomstig uit mutaties in de bovengenoemde registratie die door verdachte op verschillende tijdstippen is geraadpleegd. In de computer van [medeverdachte 1] zijn in de 'unallocated space' sporen aangetroffen van teksten die te herleiden zijn naar één van deze mutaties. Deze mutatie betreft een proces-verbaal dat is gesloten op 24 augustus 2015. Op 25 augustus 2015 is de mutatie in Blue View geraadpleegd en geëxporteerd.

Uit deze feiten en omstandigheden blijkt dat [medeverdachte 1] een bepalende rol had bij het schenden van het ambtsgeheim door verdachte ten behoeve van derden, onder meer met betrekking tot vertrouwelijke politie-informatie betreffende de onderzoeken Fuut en Bergaster. [medeverdachte 1] stelde niet alleen zijn woning beschikbaar als ontmoetingsplek, hij verborg ook vertrouwelijke politie-informatie van verdachte op een geheime bergplaats, hij gebruikte zijn computer om informatie te lezen en/of te bewerken of liet zijn computer daarvoor gebruiken, hij maakte het mogelijk dat verdachte en afnemers van de informatie elkaar in zijn woning konden ontmoeten en hij haalde verdachte daartoe op en bracht hem weer terug. Daarmee was gedurende die maanden sprake een intensieve samenwerking tussen beiden. De onderlinge taakverdeling was zo dat verdachte zorgde voor de gegevens en [medeverdachte 1] hielp met de verspreiding van die gegevens zodat onbevoegden daarvan kennis konden nemen. Daardoor hielp [medeverdachte 1] verdachte met de afhandeling van het delict, de schending van zijn ambtsgeheim. Gelet daarop is er naar het oordeel van het hof sprake van een bewuste en nauwe samenwerking van voldoende gewicht tussen de verdachte en [medeverdachte 1] . De rol van [medeverdachte 1] vormde immers een wezenlijke bijdrage in het geheel van handelingen.

Het hof concludeert dan ook op grond van het bovenstaande dat verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] zich schuldig heeft gemaakt aan het gedurende langere tijd bij herhaling schenden van het ambtsgeheim.

Met betrekking tot feit 2: computervredebreuk

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat dit feit bewezen kan worden verklaard.

Door de verdediging is vrijspraak bepleit. Daartoe heeft zij – kort gezegd – het volgende aangevoerd. Er is geen sprake van het zogenaamd ‘hacken’ zoals bedoeld in artikel 138ab Wetboek van Strafrecht. De rechtbank heeft het begrip ‘binnendringen’ verkeerd uitgelegd. Dit artikel strekt zich namelijk niet tot de bescherming van de (inhoud van) gegevens, maar is bedoeld om het binnendringen op zich strafbaar te stellen. Dit blijkt des te meer uit het nieuwe artikel 138c Wetboek van Strafrecht, in welk artikel het met rechtmatig toegang wederrechtelijk overnemen van gegevens strafbaar is gesteld. Van dergelijk binnendringen is thans geen sprake, nu verdachte beschikte over een rechtmatige 'sleutel', te weten zijn accreditatie om Blue View te raadplegen. Bovendien is geen sprake van een valse hoedanigheid, doorbreken van beveiliging of technische ingreep van de zijde van verdachte, aldus de verdediging.

Het hof stelt, onder verwijzing naar artikel 80sexies Sr zoals geldend ten tijde van het tenlastegelegde, samen met de rechtbank vast dat – zoals bij de bespreking van feit 1 aan de orde is geweest – het Blue View systeem een geautomatiseerd werk is, in casu zijnde een digitaal verzamelsysteem dat door politieambtenaren in de uitoefening van hun politietaak kan worden geraadpleegd mits zij daarvoor zijn geaccrediteerd en beschikken over een autorisatie. Er moeten om in het beveiligde systeem te komen een gebruikersnaam (dienstnummer) en wachtwoord worden gegeven. Verdachte beschikte over een zodanige autorisatie vanaf 29 augustus 2011 tot zijn aanhouding op 29 september 2015.

Het hof overweegt omtrent het verweer dat verdachte rechtmatig beschikte over een autorisatie waarmee hij Blue View kon raadplegen en dat daarmee geen veroordeling ter zake van het onder 2 tenlastegelegde kan volgen, als volgt.

Het wetsartikel omtrent computervredebreuk luidt – voor zover in casu van toepassing – als volgt:

Artikel 138ab

1. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren geldboete van de vierde categorie wordt, als schuldig aan computervredebreuk, gestraft hij die opzettelijk en wederrechtelijk binnendringt in een geautomatiseerd werk of in een deel daarvan. Van binnendringen is in ieder geval sprake indien de toegang tot het werk wordt verworven:

a. door het doorbreken van een beveiliging,

b. door een technische ingreep,

c. met behulp van valse signalen of een valse sleutel, of

d. door het aannemen van een valse hoedanigheid.

2. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft computervredebreuk, indien de dader vervolgens gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt of overgedragen door middel van het geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevindt, voor zichzelf of een ander overneemt, aftapt of opneemt.

Het schenden van artikel 138ab Sr was tot de inwerkingtreding van de Wet kraken en leegstand (Stb. 2010, 320) tot 1 oktober 2010 geregeld in art. 138a Sr. Op grond van de parlementaire stukken kan ter zake van het huidige art. 138ab Sr – het toenmalige art. 138a Sr – het volgende worden opgemerkt.

De strafbaarstelling van art. 138ab Sr beschermt degene die blijkens feitelijke beveiliging heeft duidelijk gemaakt dat hij zijn gegevens heeft willen afschermen tegen nieuwsgierige blikken door het systeem daartegen te beveiligen. De bescherming van gerechtvaardigde belangen van houders van gegevensbestanden die, opgeslagen in computers, vooral via de telecommunicatie-infrastructuur voor onbevoegde blikken toegankelijk zijn, wordt via deze strafbaarstelling geboden doordat het doorbreken van een aangebrachte beveiliging wordt strafbaar gesteld. Daarbij is aansluiting gezocht bij de bestaande strafbaarstelling betreffende de huisvredebreuk. De eisen rondom wederrechtelijke binnendringing zijn in de sfeer van de informatietechniek in deze strafbaarstelling vertaald in het bestanddeel ‘binnendringen’, inhoudende dat een beveiliging moet zijn doorbroken. In de Memorie van Toelichting is hierover opgenomen: ‘Het gaat er om dat de degeen die de computer binnendringt door het doorbreken van de beveiliging, heeft blijk gegeven de wetenschap te hebben gehad dat hij een beveiligd systeem binnendringt en doelbewust enige inspanning heeft gedaan de beveiliging te doorbreken’ (vgl. Kamerstukken II 1989/90, 21 551, nr. 3, p. 16).

Het aangehaalde lid 1 van artikel 138ab Sr geeft aan dat van ‘binnendringen’ in ieder geval sprake is indien de toegang tot het werk wordt verworven met behulp van een valse sleutel of door het aannemen van een valse hoedanigheid. In de Kamerstukken van het toenmalige wetsvoorstel wordt over het bestanddeel ‘valse sleutel’ weergegeven dat een password een sleutel is die de gebruiker toegang geeft tot het systeem of tot een deel daarvan. Daarbij werd aangehaald dat de Hoge Raad in zijn arrest van 20 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9359, NJ 1987/130) heeft bepaald dat een huissleutel die wordt gebruikt tot opening van een slot door iemand die daartoe niet is gerechtigd, een valse sleutel is en dat niet is vereist dat ten aanzien van de sleutel enige beveiligingsmaatregel is genomen. Onder verwijzing naar artikel 90 Sr, waarin geen definitie van het begrip ‘valse sleutels’ wordt gegeven maar enkel wordt aangegeven wat onder het begrip dient te worden begrepen (‘alle tot opening van het slot niet bestemde werktuigen’) – waarbij de wetgever heeft aangegeven dat “(O)nverschillig (is) of het werktuig al of niet een sleutel, zoo het slechts niet die sleutel is, die voor opening van dat slot bestemd is.” (zie H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, Deel I, tweede druk, p. 544) – stelt het hof dat de jurisprudentie van de Hoge Raad verder ter zake van ‘valse sleutel’ heeft uitgemaakt dat ook onrechtmatig gebruik van bijvoorbeeld een bankpas of een tankpas kan worden aangemerkt als het gebruik maken van een ‘valse sleutel’. Anders gezegd: de Hoge Raad geeft een ruime uitleg aan het begrip ‘valse sleutels’ waarbij ook gebruik door een onbevoegde als een ‘valse sleutel’ kan worden aangemerkt (vgl. CAG Knigge in ECLI:NL:PHR:2017:1012 onder verwijzing naar HR 3 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2546).

Voor wat betreft de uitleg in de genoemde bepaling ter zake van het bestanddeel ‘valse hoedanigheid wijst het hof op de uitleg die de Hoge Raad daaraan geeft in zijn overzichtsarrest van 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892, NJ 2017/158, m.nt. Keijzer, rov. 2.3.4. De Hoge Raad heeft ter zake van het aannemen van een valse hoedanigheid overwogen dat het daarbij in de kern gaat om dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de 'persoon' van de verdachte wat betreft diens hoedanigheid, waarbij die onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen teneinde daarvan misbruik te maken. Daarbij heeft de Hoge Raad specifiek aangegeven dat de in de rechtspraak wel gebruikte formulering dat een verdachte zich als een 'bonafide' deelnemer aan het rechtsverkeer heeft gepresenteerd, met betrekking tot het aannemen van een valse hoedanigheid slechts relevant is als zo een presentatie als bonafide (potentiële) wederpartij berust op voldoende specifieke gedragingen die in de desbetreffende context erop zijn gericht bij het beoogde slachtoffer een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen teneinde daarvan misbruik te maken.

De verdachte heeft op enig moment, namelijk toen hij werkzaam zou worden bij de Nationale Recherche toegang gekregen tot het beveiligde Blue View systeem. Om Blue View te kunnen raadplegen, heeft verdachte moeten inloggen met een gebruikersnaam (zijn dienstnummer) en een wachtwoord. Daarmee verkreeg verdachte ook de bevoegdheid om de resultaten van bevragingen te kunnen exporteren als PDF of Excel-bestand en op te slaan op een bijvoorbeeld een externe opslagplaats, zoals een USB stick. Verdachte werd daarbij uitdrukkelijk via het systeem gewaarschuwd dat oneigenlijk gebruik dan wel misbruik van deze gegevens, waaronder het verstrekken van deze gegevens aan derden welke niet de vereiste autorisatie bezitten, ten strengste verboden was. Zoals hierboven weergegeven zijn deze werkzaamheden spoedig gestaakt omdat hij geen “Verklaring van geen bezwaar” verkreeg. Desalniettemin heeft verdachte nog jaren dit systeem ingezien.

Het hof oordeelt dat verdachte op grond van de in het voorgaande weergegeven feiten en omstandigheden het beveiligde politiesysteem Blue View, dat hij in het kader van zijn specifieke werkzaamheden als politieambtenaar op die betreffende gegevens niet behoefde en niet behoorde in te zien, heeft misbruikt om informatie/gegevens over criminelen in te zien, deze informatie/gegevens over te nemen en deze informatie/gegevens ook aan deze criminelen te verstrekken. Hij is met behulp van de aan hem toegekende autorisatie het systeem Blue View opzettelijk en wederrechtelijk binnengedrongen om inzage te krijgen van gegevens waar hij niet toe bevoegd was en vervolgens deze over te nemen. Door op deze wijze de betreffende gegevens in te zien en over te nemen, heeft verdachte, wetende dat het een beveiligd systeem betrof, doelbewust de beveiliging van dit systeem doorbroken en is hij derhalve het systeem binnengedrongen. Hij heeft zich daarbij bediend van een valse sleutel en het aannemen van een valse hoedanigheid. Verdachte heeft immers weliswaar geautoriseerd maar onbevoegd ter zake van de betreffende gegevens zich opzettelijk en wederrechtelijk de toegang verschaft tot het systeem Blue View. Daarbij was aan verdachte de autorisatie verstrekt om het systeem te raadplegen om in het kader van zijn werk als politieambtenaar naspeuringen te verrichten, maar niet om daarmee informatie in te winnen en dit aan criminelen te verstrekken waardoor deze zich aan die naspeuringen konden onttrekken. Tevens heeft verdachte in de context van zijn handelen als politieambtenaar voldoende specifieke gedragingen verricht om een onjuiste voorstelling van zaken in het leven roepen met betrekking tot de hoedanigheid van de 'persoon' van de verdachte. Verdachte heeft namelijk onder de voorstelling van de hoedanigheid van een persoon die gerechtigd was om op grond van zijn werkzaamheden inzage in de betreffende gegevens te mogen verrichten, zich de toegang verschaft tot het systeem Blue View, teneinde daarvan misbruik te maken. Verdachte bevroeg vele personen in het Blue View systeem zonder dat is gebleken dat daartoe in de uitoefening van zijn politietaak enige aanleiding bestond. Zowel de collega’s van verdachte als de maatschappij mocht erop vertrouwen – mede gelet de aard en de functie van verdachte en de ambtseed die hij heeft moeten afleggen – dat zij te maken hadden met een betrouwbare en onkreukbare ambtenaar. Verdachte heeft echter op bedrieglijke wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen van en in de politie.

Anders dan de verdediging is het hof van mening dat de strafbaarstelling opgenomen in artikel 138c Sr geen inbreuk maakt op een mogelijke bewezenverklaring van hetgeen aan verdachte onder 2 is tenlastegelegd en strafbaar is gesteld onder artikel 138ab Sr. De wetgever heeft in artikel 138c Sr strafbaar gesteld het opzettelijk en wederrechtelijk voor zichzelf of voor een ander overnemen van niet-openbare gegevens die zijn opgeslagen door middel van een geautomatiseerd werk. De bepaling is vooral van belang voor gevallen waarin de dader rechtmatige toegang heeft tot de gegevens, maar deze wederrechtelijk overneemt (vgl. Kamerstukken II 2015/16, 34 372, nr. 3, p. 64). In de onderhavige zaak had verdachte weliswaar autorisatie om toegang te krijgen tot het systeem Blue View, maar hij was niet bevoegd tot het inzien en overnemen van de gegevens waar het in de onderhavige strafzaak om gaat. Verdachte heeft derhalve met behulp van de aan hem toegekende autorisatie het systeem Blue View opzettelijk en wederrechtelijk binnengedrongen om inzage te krijgen van gegevens waar hij niet toe bevoegd was en vervolgens deze overgenomen.

Het hof is dan ook van oordeel dat de tenlastegelegde computervredebreuk bewezen kan worden verklaard.

Met betrekking tot feit 3: omkoping

Onder feit 3 is verdachte – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij als politieambtenaar geld

en/of beloftes heeft aangenomen, dan wel gevraagd om hem ertoe te bewegen in strijd met zijn plicht vertrouwelijke informatie te verstrekken aan daartoe niet gerechtigde derden. Daarmee zou hij zich schuldig hebben gemaakt aan (passieve) omkoping.

De advocaat-generaal heeft zich op de gronden als verwoord in het schriftelijk requisitoir op het standpunt gesteld dat dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen, inclusief het aannemen van giften, te weten geldbedragen.

De verdediging heeft van dit feit vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de algemene overweging uit het zogenoemde Mr. Big-arrest van de Hoge Raad, inhoudende dat naast verslaglegging door middel van verbalisering het in de rede ligt dat die communicatie auditief of audiovisueel wordt geregistreerd, ook in de onderhavige zaak van toepassing moet zijn. Temeer nu:

er twijfels bestaan over wie de frase ‘investeren in de toekomst’ zou hebben gezegd;

de waarnemingen van verbalisanten A-3869 en A-3870 niet nauwkeurig zijn geverbaliseerd;

de processen-verbaal gezamenlijk zijn opgemaakt en later dan gebruikelijk zijn ondertekend;

er ongeoorloofde druk op verdachte is uitgeoefend.

Het gebrek aan auditieve of audiovisuele opnamen waardoor verificatie of falsificatie van het WOD-traject onmogelijk is geworden terwijl deze formele en materiële gebreken kent, gecombineerd met de voorgaande omstandigheden, maken dat – naar de mening van de verdediging – de resultaten uit het WOD-traject niet gebruikt zouden moeten worden bij een eventuele bewijsconstructie. Het deel op grond waarvan blijkt dat verdachte pertinent geen geldelijke tegenprestatie wilde ontvangen, wordt door de verdediging niet betwist. Nu verdachte geen geld wilde aannemen van de verbalisanten en verder alleen een volstrekt ondefinieerbare uitlating aangaande een onzekere toekomst overblijft, is geen sprake van een tegenprestatie, aldus de verdediging.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Partiële vrijspraak: aannemen van geldbedragen en vragen van een gift/belofte/dienst

Met betrekking tot het aannemen van geld overweegt het hof, in navolging van de rechtbank, het volgende.

Onder feit 1 heeft het hof bewezen verklaard dat verdachte geheime politie-informatie

heeft opgevraagd in Blue View en deze gegevens heeft verstrekt aan daartoe niet-gerechtigde derden. In sommige gevallen betrof dit verdachten in grootschalige

opsporingsonderzoeken. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat verdachte voor de bewezen diensten is betaald. Strafrechtelijk bewijs dient echter niet te zijn gebaseerd op vermoedens en veronderstellingen, maar op wettige bewijsmiddelen. Naar het oordeel van het hof is er onvoldoende wettig bewijs dat verdachte geld is betaald of aangeboden voor het verstrekken van de politie-informatie. Verdachte heeft hieromtrent zelf niet willen verklaren, er zijn geen verklaringen van medeverdachten die hem op dit punt belasten en ook de ingezette bijzondere opsporingsmiddelen hebben geen bewijs van betaling of het aanbieden van geldbedragen opgeleverd.

De advocaat-generaal heeft in hoger beroep nogmaals gewezen op de verklaring van getuige C. [vriendin medeverdachte 5/getuige] . Zij heeft verklaard van medeverdachte [medeverdachte 5] te hebben gehoord dat criminelen van verdachte informatie kopen. Ook zou [medeverdachte 5] haar in 2014 hebben verteld dat hij ‘weer 800 euro moet betalen om die informatie te krijgen’. Volgens de advocaat-generaal doelde [vriendin medeverdachte 5/getuige] daarbij op informatieverstrekking van verdachte aan [medeverdachte 5] .

Uit de gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat verdachte aan [medeverdachte 5] persoonsgegevens heeft verstrekt ten behoeve van het aanmaken van een KENO, waarmee verdachte gedurende langere tijd verschillende malen in Blue View zonder legitieme reden bevragingen heeft gedaan op de persoon van [medeverdachte 5] , alsmede dat verdachte een abonnement heeft gehad op de persoon van [medeverdachte 5] in dat systeem. De door verdachte aldus opgevraagde vertrouwelijke informatie is blijkens de verklaringen van [vriendin medeverdachte 5/getuige] , haar moeder [getuige 4] en [medewerker politie/getuige] ook bij [medeverdachte 5] terechtgekomen, terwijl [medeverdachte 5] daartoe niet gerechtigd was. Verdachte heeft aldus gehandeld in strijd zijn met geheimhoudingsplicht en ambtseed.

Uit de verklaringen van [vriendin medeverdachte 5/getuige] en haar moeder [getuige 4] blijkt voorts dat [medeverdachte 5] voor die informatie aan verdachte heeft betaald. Daarbij overweegt het hof dat de verklaringen van [vriendin medeverdachte 5/getuige] en haar moeder [getuige 4] , worden ondersteund door een afgeluisterd telefoongesprek tussen hen beiden en niet op zichzelf staan, maar tevens worden ondersteund door het feit dat uit het systeem blijkt dat door verdachte in de betreffende periode daadwerkelijk bevragingen zijn gedaan op [medeverdachte 5] .

Voorts heeft de advocaat-generaal betoogd dat verdachte over een onverklaarbaar vermogen zou beschikken. Het hof zal onder feit 5 nader ingaan op dit onverklaarbare vermogen. In ieder geval is naar het oordeel van het hof geen sprake van een vermogen verkregen uit eigen misdrijf.

Verder heeft de advocaat-generaal naar voren gebracht dat de omvang van de handelingen van verdachte (te weten het grote aantal door hem afgesloten en telkens verlengde abonnementen en de grote hoeveelheid aan informatie die hij uit de systemen heeft gehaald), alsmede de ontmoetingen tussen verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en de bij [medeverdachte 1] aangetroffen politie-informatie naast het vermogen van ruim € 235.000,- aanwijzingen vormen dat verdachte is betaald voor zijn handelingen. Hoewel deze omstandigheden inderdaad aanwijzingen daarvan zouden kunnen zijn, blijft het daar naar het oordeel van het hof ook bij. Wettig en overtuigend bewijs voor de betalingen aan verdachte ontbreekt. Nu wettig bewijs van het betalen of aanbieden van geldbedragen ontbreekt, rest het hof maar één conclusie: verdachte dient van dit onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

Het hof zal verdachte eveneens vrijspreken voor het onder feit 3 cumulatief onderdeel tenlastegelegde dat ziet op hetgeen is strafbaar gesteld onder artikel 363 lid 1, onder sub 2, 3 en 4 Sr. De advocaat-generaal is zelf niet nader ingegaan op deze in artikel 363 lid 1 Sr strafbaar gestelde onderdelen van het delict. Uit de bewijsmiddelen kan niet worden opgemaakt dat verdachte een gift of belofte dan wel een dienst heeft aangenomen of gevraagd, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem gedaan, verleend of aangeboden werd ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan of nagelaten, noch dat hij een gift of belofte dan wel een dienst heeft gevraagd teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten.

Bewezenverklaring: aannemen van een belofte

De tenlastelegging is op dit onderdeel toegesneden op de contacten die politie-informanten

in het kader van het Werken onder Dekmantel (WOD) hebben gelegd met verdachte tijdens

diens vakantie op Curaçao van 15 september 2015 tot en met 26 september 2015. De

wettelijke grondslag van dit WOD-traject was gelegen in het bevel stelselmatige inwinning

van informatie van 7 september 2015 (ex artikel 126j Sv van 7 september 2015 en artikel 177o Sv Curaçao) en op een bevel pseudokoop van 7 september 2015 (ex artikel 126i Sv en

artikel 177n Sv Curaçao). In het bevel pseudokoop staat dat ‘getracht zal worden in contact

met verdachte te komen om te bezien of hij gegevens afkomstig uit politieonderzoeken en/of

geautomatiseerde politiesystemen, al dan niet tegen een tegenprestatie, zou kunnen en

willen leveren’.

Het WOD-traject werd uitgevoerd door twee informanten, A-3869 en A-3870, onder

begeleiding van B-2464. De informanten maakten contact met verdachte en zijn toenmalige

echtgenote op 15 september 2015 tijdens de vlucht naar Curaçao. Op Curaçao hadden ze

geregeld contact met verdachte en zijn echtgenote. Onder feit 1 is reeds bewezen verklaard

dat verdachte enkele dagen na terugkeer uit Curaçao in Nederland geheime gegevens uit de

Blue View heeft verstrekt aan informant A-3869.

In de processen-verbaal van informant A-3869 (deels mede ondertekend door informant

A-3870) is het volgende gerelateerd.

Op 18 september 2015 raakt verdachte in gesprek met informant A-3869 en vertelt dat hij

zich bezighoudt met het opzetten van bedrijven in de Oekraïne, met name gericht op

telefoons met encryptie.

Op 23 september 2015 zegt verdachte tegen A-3869 dat hij speciale, niet afluisterbare

encrypted telefoons aan hem zou kunnen leveren. De informant zegt dan dat hij wel zou

willen weten wat er over hem in de politiecomputer staat. Dan zou verdachte weten met wie

hij te maken had en zou verdachte nog kunnen besluiten om van een eventuele deal met

betrekking tot de telefoons af te zien. De informant wijst verdachte op een tas met daarin

400 dollar en verklaart hem later nog eens 500 euro te kunnen betalen voor de te verstrekken

informatie. De informanten hebben hierover het volgende gerelateerd: ‘Vervolgens zei [verdachte] [het hof begrijpt: verdachte] dat hij geen geld wil, maar het als een investering ziet in de toekomst. Ik vulde hem aan ... Je doelt op de aankoop van mij bij jou van 52 telefoons?’ [verdachte] reageerde met: ‘nee, 56’. (We hebben in een eerder gesprek samen een optelling gedaan van het aantal encrypted telefoons dat ik in eerste instantie nodig zou hebben.) Wij, A-3869 en A-3870, hoorden dat [verdachte] zei: ‘schrijf je naam en geboortedatum maar op, dan zie ik wel wat ik kan doen’. En kort daarna zegt hij: ‘Je moet echt mee naar Kiev komen, ik zie daar een hoop mogelijkheden voor jou en je diamanten’.

A-3869 heeft op 25 september 2015 aan verdachte de namen en geboortedata van twee

gefingeerde personen (zie hierboven onder feit 1) doorgegeven met het verzoek deze

personen na te trekken in het politiesysteem. Verdachte stemde daarmee in. Verdachte vroeg

ook naar het e-mailadres van de informant en zei dat hij hem zou mailen als het

encryptiesysteem van de telefoons klaar zou zijn. Hij had nog twee maanden nodig om het

systeem en de telefoons klaar te hebben. ‘Wij spraken vervolgens over de telefoons die

[verdachte] aan mij zou kunnen leveren en de kosten daarvan inclusief de server. [verdachte] vertelde

dat hoe meer er afgenomen werden, hoe lager de prijs zou zijn. Hij zei dat hij een

voorlopige prijs zou maken en wat gegevens (...) in een e-mail naar mij zou sturen’.

Afgesproken werd dat verdachte na terugkeer in Nederland de gevraagde gegevens uit de

politiesystemen aan de informant zou verstrekken. Informant A-3869 vroeg verdachte hoe hij de betaling zag voor het zoeken naar informatie in de politiecomputer. Verdachte antwoordde dat hij ‘onze samenwerking in de toekomst als een investering zag’, aldus informant A-3869.

Op 28 september neemt A-3869 per sms-bericht contact op met verdachte en spreken ze af

elkaar te ontmoeten in Best. Verdachte deelt de informant mee wat hij over hem en de

tweede persoon in de politiesystemen heeft gevonden aan lopend onderzoek en justitiële

documentatie. Vervolgens ging het gesprek weer over de telefoons ‘waar ik op Curaçao te

kennen had gegeven interesse in te hebben en bij goed functioneren in ieder geval 56

telefoontoestellen à 2000 euro wilde kopen en de daarbij behorende servers ter waarde van

enkele honderden euro's per server. (...) Ook begon [verdachte] over het samen met mij zaken

doen in Oekraïne op het gebied van diamanten. Ik zou dan eerst een keer samen met hem

naar Oekraïne gaan om mij te oriënteren, waarbij hij mij zou introduceren bij een aantal

mensen’, aldus informant A-3869. De informant biedt hem ter plaatse 400 dollar aan in ruil

voor de door verdachte verstrekte politie-informatie. Verdachte wil het geld niet aannemen

‘en zei dat wat hij voor mij had opgezocht in het politiesysteem, hij ziet het als een

investering voor in de toekomst met betrekking tot de telefoondeal in Afrika en het samen

zaken doen op gebied van diamanten in Oekraïne’.

Uit deze processen-verbaal blijkt naar het oordeel van het hof een directe samenhang

tussen de bereidheid van de informant om zaken te doen met verdachte en het verstrekken

van de politie-informatie door verdachte aan deze informant. Verdachte wist – op z'n minst

in de zin van voorwaardelijk opzet – dat de informant diens bereidheid tot zaken doen (mede) toonde om hem ertoe te bewegen vertrouwelijke politie-informatie te verstrekken. Door in te gaan op die bereidheid heeft verdachte een belofte, in de zin van een in het

vooruitzicht gesteld toekomstig voordeel, aangenomen.

Aan de overtuiging dat verdachte de belofte heeft aangenomen draagt bij dat niet goed

denkbaar is dat verdachte geheel vrijblijvend zijn ambtsgeheim zou schenden zonder

daarvoor een tegenprestatie te verlangen.

De verdediging heeft een aantal verweren gevoerd met betrekking tot het WOD-traject en heeft geconcludeerd dat de bevindingen van dat traject niet tot het bewijs kunnen dienen. Allereerst heeft zij aangevoerd dat de algemene overweging uit het Mr. Big-arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2019:1982), inhoudende dat naast verslaglegging door middel van verbalisering het in de rede ligt dat die communicatie auditief of audiovisueel wordt geregistreerd (rov. 5.2.2.), ook in de onderhavige zaak van toepassing moet zijn.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Uit het bevel pseudokoop blijkt dat in het WOD-traject geprobeerd zou worden om in contact te komen met verdachte om te bezien of hij gegevens afkomstig uit politieonderzoeken en/of geautomatiseerde politiesystemen, al dan niet tegen een tegenprestatie, zou kunnen en willen leveren. Het bevel stelstelmatig inwinnen beschrijft dat dit bevel bedoeld is om contact te leggen en/of te onderhouden met verdachte teneinde op deze wijze met oog op de opsporing van voormelde misdrijf/misdrijven systematisch en/of gericht informatie in te winnen over verdachte.

Uit de hiervoor omschreven werkwijze van informanten A-3869 en A-3870 komt naar voren dat hun inzet met name beoogde om van verdachte geheime politie informatie over de twee gefingeerde personen te ontvangen. Uit de manier waarop de informanten te werk gingen, namelijk als zogenaamde undercovers, blijkt dat er naar het oordeel van het hof geen sprake is van een situatie als in het Mr. Big-arrest. In zijn algemeenheid gaat het bij de opsporingsmethode ‘Mr. Big’ als volgt. Er is, net als bij de onderhavige zaak, wel sprake van de inzet van zogenaamde undercovers, maar deze informanten zijn werkzaam in een door justitie opgezette ‘nep’(-criminele) organisatie. Deze organisatie kent een grote baas, de zogenaamde Mr. Big. De verdachte wordt vervolgens in deze ‘nep’(-criminele) organisatie betrokken. Hij begint met het doen van wat kleine klusjes. Na verloop van tijd doet de organisatie de verdachte een aanbod in de vorm van een grote klus. Indien hij deze klus wil aannemen, dient verdachte schoon schip te maken tegenover Mr. Big. Oftewel, verdachte dient op te biechten wat hij op zijn kerfstok heeft, om zo het vertrouwen van de organisatie te winnen en zodat de organisatie hem kan helpen.

Zoals blijkt uit deze algemene omschrijving van de Mr. Big-opsporingsmethode, wordt door de informanten niet getracht om van verdachte goederen – in het onderhavige geval ‘gegevens afkomstig uit politieonderzoeken en/of geautomatiseerde politiesystemen’ – af te nemen. Het doel van de Mr. Big-opsporingsmethode is het krijgen van een verklaring omtrent een reeds gepleegd feit. Doordat in het onderhavige geval sprake is van de pseudokoop, is – naar het oordeel van het hof – geen sprake van een situatie waarop de overwegingen van de Hoge Raad uit het Mr. Big-arrest van toepassing zijn. Het hof verwerpt dan ook dit verweer.

Voorts heeft de verdediging als verweer gevoerd dat de processen-verbaal van de informanten en de begeleider formele gebreken vertonen. In de processen-verbaal is vermeld dat ze opgemaakt en gesloten zijn op een nader genoemde datum, steeds in september 2015. Vrijwel alle processen-verbaal zijn echter pas ondertekend op een datum in begin november 2015, in een enkel geval zelfs begin december 2015. Daar komt bij dat in sommige gevallen een proces-verbaal is ondertekend door de beide informanten. Onduidelijk is waarom niet is gekozen voor per informant apart opgemaakte processen-verbaal, aldus de verdediging.

Het hof verwerpt dit verweer. Begeleider B-2464 heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat de informanten hem op Curaçao elke dag mondeling informeerden over wat er die dag was voorgevallen. De tijdsspanne tussen het einde van een inzet op een dag en de debriefing was maximaal enkele uren. B-2464 legde de bevindingen digitaal vast en gebruikte het digitale bestand dan later voor het opmaken van een proces-verbaal. Als de beide informanten gezamenlijk iets constateerden, dan maakten zij samen een proces-verbaal op; als ze afzonderlijk iets bevonden, dan maakten ze ieder voor zich een proces-verbaal op.

Informant A-3869 heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij zo snel mogelijk zijn

bevindingen vastlegde in notities. Aan de hand daarvan maakte hij dan zo snel mogelijk

proces-verbaal op.

In een proces-verbaal van 12 april 2017 heeft mr. F.A. Claassens, als jurist werkzaam bij de

afdeling Afgeschermde Operaties van de landelijke eenheid van de politie, gerelateerd dat

iemand die werkt bij het team WOD een opgemaakt proces-verbaal opslaat in een afgeschermde digitale omgeving. Pas op het moment dat het WOD-dossier wordt overgedragen aan het onderzoeksteam van de politie worden de processen-verbaal geprint

en ondertekend.

De hierboven geschetste gang van zaken bij het opmaken en ondertekenen van processen-verbaal geeft het hof geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de inhoud van de processen-verbaal van de informanten en hun begeleider. Het hof verwerpt dit verweer.

Tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 27 maart 2017 heeft verdachte een notitie overgelegd, waarin hij in detail de door de informanten geverbaliseerde lezing van de gang

van zaken betwist. Dit twistpunt heeft de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep op 20 april 2020 nogmaals naar voren gebracht. Volgens verdachte heeft niet hijzelf, maar de informant steeds gesproken over een ‘investering in de toekomst’. De link met de aankoop van 52 encrypted telefoons is volgens verdachte in de gesprekken met de informant niet gelegd. Verdachte betwist ook dat bij het verstrekken van de politie-informatie na terugkeer uit Curaçao is gesproken over een telefoondeal en zaken doen in diamanten.

Het hof ziet, evenals de rechtbank, echter geen aanleiding op deze onderdelen te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de processen-verbaal van de informanten. Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking.

Informant A-3869 heeft op ambtseed geverbaliseerd dat verdachte op drie momenten – te weten op 23, 25 en 28 september 2015 – heeft gezegd dat hij het verstrekken van politie-informatie ziet als een investering in de toekomst. Als de lezing van verdachte wordt gevolgd, dan zou de informant dus tot drie keer toe op dit essentiële onderdeel het gesprek met verdachte op ambtseed onjuist hebben weergegeven. Dat is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk. Bovendien heeft informant A-3869 in zijn verhoor bij de rechter-commissaris onder ede nogmaals bevestigd dat verdachte zelf degene is geweest die de bewuste uitdrukking heeft gebruikt. Over het gesprek op 23 september 2015 verklaart de informant bij de rechter-commissaris: ‘Zoals het in mijn proces-verbaal staat is het correct. Ik heb het woord toekomst niet gebruikt. [verdachte] zei als eerste tegen mij dat hij geen geld aannam, maar het zag als een investering in de toekomst’. Over het gesprek op 28 september 2015 verklaart de informant: ‘Hij heeft wel degelijk gezegd dat het ging om een investering in de toekomst. Hij heeft dit gezegd in relatie tot de telefoondeal en de handel in diamanten. Hij had mij meerdere keren gevraagd om samen met hem een handel te beginnen in diamanten te Oekraïne’. In het proces-verbaal van bevindingen van B-2464 relateert de begeleider ook over het gesprek van 23 september 2015 ‘dat A-3869 en A-3870 [verdachte] hoorden zeggen dat hij er nu geen geld voor wilde, maar het meer zag als een investering in hun toekomst’. Opmerkelijk is nog dat verdachte volgens de door hem zelf gegeven lezing van de gang van zaken op de door de informant gebruikte term ‘investering in de toekomst’ niet afwijzend reageert, maar zowel op 23 als op 28 september 2015 antwoordt met ‘ja zoiets’. Dit terwijl hij het aanbod van betaling van geld wel steeds stellig afwijst. Het hof verwerpt dit verweer.

De verdediging heeft in dit verband nog ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep gewezen op tegenstrijdigheden in de verklaringen van de informanten en hun begeleider tijdens hun verhoren bij de rechter-commissaris. Met name gaven zij uiteenlopende antwoorden op de vraag of tijdens het WOD-traject sprake was van een vooraf besproken strategie of dat er meer improviserend werd geopereerd.

Naar het oordeel van het hof doet dit echter niet af aan de conclusie dat op essentiële onderdelen de processen-verbaal van de informanten en hun begeleider een betrouwbare weergave van de gang van zaken tijdens het WOD-traject bevatten. Het hof verwerpt dan ook het gevoerde betrouwbaarheidsverweer.

Ten slotte heeft de verdediging als verweer gevoerd dat verdachte onder druk is gezet om de

politie-informatie te verstrekken en geld aan te nemen. Met name heeft de verdediging

gewezen op de inzet van de politie-informanten op 23 september 2015. Die dag zou

informant A-3869 in een zeer kort tijdsbestek negen argumenten hebben aangevoerd om

verdachte over te halen vertrouwelijke politie-informatie te verstrekken.

Het hof overweegt hierover, overeenkomstig de rechtbank, als volgt.

In artikel 126i Sv is de pseudokoop en pseudodienstverlening wettelijk geregeld. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de opsporingsambtenaar bij de tenuitvoerlegging van het bevel een verdachte niet mag brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht. Dit is overigens tevens opgenomen in het bevel pseudokoop. Het hof dient te beoordelen of aan dit zogeheten Tallon-criterium is voldaan.

Allereerst stelt het hof hiertoe vast dat onder feit 1 en 2 bewezen is verklaard dat verdachte zich vóór zijn verblijf in Curaçao al geruime tijd op grote schaal schuldig had gemaakt aan schending van het ambtsgeheim en computervredebreuk. Het verstrekken van politiegegevens aan de informant past dus in een al enkele jaren bestaand delictpatroon.

Het is het hof niet gebleken dat de informanten een zo grote druk op verdachte hebben

uitgeoefend dat hij hieraan geen weerstand kon bieden. In het gesprek tussen verdachte en

informant A-3869 op 23 september 2015 probeert de informant verdachte over te halen

politie-informatie te verstrekken. De argumenten die de informant daarvoor aanvoert zijn

naar het oordeel van het hof niet van dien aard dat daaruit blijkt dat verdachte onder grote druk werd gezet. Verdachte noemt zelf als voorbeeld van een ‘psychologisch drukmiddel’ dat de informant hem op 23 september 2015 aanbood een bezoek aan de dolfijnen voor verdachte en zijn vrouw te betalen, een bedrag van 400 dollar. Het hof stelt evenwel vast dat verdachte zich vrij voelde dit aanbod te weigeren, evenals het direct daarna gedane aanbod om later nog eens 500 euro te ontvangen voor de verstrekte politie-informatie. Bovendien voelt verdachte zich vrij om te spreken van een investering in de toekomst. Ook bij de verstrekking van de politiegegevens bij terugkeer in Nederland weigert verdachte het aangeboden geld te accepteren. Ook toen was de druk op verdachte blijkbaar niet zo groot dat hij het aanbod van betaling niet kon weigeren.

Zelf heeft hij in eerder genoemde notitie verklaard dat hij zich overrompeld voelde door het

aanbod van de betaling van het bezoek aan de dolfijnen. Toen hij uiteindelijk akkoord ging

met het verstrekken van de politiegegevens ‘besefte ik dat ik mij zojuist had vastgelegd aan

iets wat ik helemaal niet wilde doen. (...) Ik voelde een bepaalde druk voortkomen uit hem,

waardoor ik niet meer terug durfde te komen op ons gesprek. (...) Ik kon niet meer terug. Ik

heb dit nooit gewild. Door de druk die door A-3869 en A-3870 werd opgelegd (blijven

vragen, meerdere keren, alsook de psychologische truc met de dolfijnen) heb ik mij laten

verleiden tot het plegen van een strafbaar feit wat ik nooit had willen plegen.’, aldus verdachte.

Informant A-3869 heeft bij de rechter-commissaris echter verklaard dat het gesprek op

23 september 2015 plaatsvond in een ontspannen sfeer. Er was volgens de informant ‘niet

veel nodig’ om verdachte te overtuigen. Ook als verdachte dat zelf niet zo heeft ervaren,

dan nog had hij naar het oordeel van het hof alle gelegenheid bij nader inzien terug te

komen op de gedane toezegging. Na zijn vakantie op Curaçao vloog hij op 25 september

2015 terug naar Nederland. Op 28 september 2015 nam informant A-3869 per sms weer

contact op met verdachte. Als hij zich al op Curaçao overrompeld voelde, dan had hij bij

terugkeer in Nederland nog alle tijd om zich te beraden, terug te komen op zijn toezegging

en alsnog te weigeren de gevraagde informatie te verstrekken. In plaats daarvan spreekt hij

diezelfde dag met de informant af, raadpleegt de gegevens uit Blue View, koopt een USB-stick bij de Mediamarkt, exporteert de gevraagde gegevens op de USB-stick, verstrekt de

gegevens aan de informant en herhaalt dat hij dat ziet als een investering in de toekomst. Bovendien stelde verdachte zelf voor om die dinsdag A-3869 te ontmoeten in de omgeving van Eindhoven. Het initiatief lag daarbij dus bij verdachte.

Het hof concludeert uit het voorgaande dat is voldaan aan het Tallon-criterium. Het

verweer wordt dan ook verworpen.

Conclusie

Het hof komt, evenals de rechtbank, op basis van de bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van het onder feit 3 ten laste gelegde voor zover het betreft het

aannemen van een belofte en een dienst als bedoeld in artikel 363, eerste lid, sub a Sr. Het hof zal verdachte vrijspreken van de beide overige cumulatief ten laste gelegde feiten.

Met betrekking tot feit 5: gewoontewitwassen

Aan verdachte is onder 5 – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen van geldbedragen (‘gewoontewitwassen’) doordat hij steeds contante geldbedragen voorhanden heeft gehad waarmee hij telkens stortingen heeft gedaan op zijn eigen bankrekeningen en op de bankrekening van [bedrijf 1] en waarmee hij contante betalingen heeft verricht terwijl hij wist dat dit geld afkomstig was uit enig misdrijf.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat het hof, conform de rechtbank, verdachte dient vrij te spreken van het derde gedachtestreepjes (de Porsche Cayenne) en het vierde gedachtestreepje (de BMW750). Voorts heeft zij aangevoerd dat verdachte voldoende heeft onderbouwd waar het zogenaamde onverklaarbare vermogen van ruim € 79.397,47 (het verschil tussen de inkomsten en uitgaven) vandaan komt. Verdachte dient dan ook integraal te worden vrijgesproken van dit feit.

De advocaat-generaal heeft het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft zich bij de bewezenverklaring beperkt tot de contante stortingen die in Nederland zijn gedaan, in totaal € 70.422,47. De overige bedragen zijn in België gestort, welk land niet in de tenlastelegging is opgenomen. De advocaat-generaal heeft betoogd dat hij, anders dan de rechtbank, voor wat betreft het onverklaarbare vermogen blijft uitgaan van een bedrag van € 79.381,04. De advocaat-generaal is van oordeel dat de verdachte – ten gevolge van de bij raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van [vader verdachte] – voor wat betreft de contante betalingen van € 8.000,00 ten behoeve van de aankoop van de Peugeot 107, dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Juridisch kader

Het in artikel 420ter lid 1 Sr opgenomen delict ‘gewoontewitwassen’ is de specialis van het generalis witwas-artikel 420bis Sr. In de onderhavige zaak is de vraag of een brondelict ten grondslag ligt aan het bewezenverklaarde witwassen. Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring voor het in de delictsomschrijving van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp (in casu: het contante geld) afkomstig is uit een concreet aangeduid misdrijf. Wel is voor een bewezenverklaring ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ is kan – indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf – niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs (vgl. HR 18-12-2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, rov. 2.3.1.-2.4.).

Het hof stelt vast dat het onderzoek in deze strafzaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat de voorwerpen waarop de witwasgedragingen van verdachte betrekking zouden hebben van enig misdrijf afkomstig zijn. Het hof dient daarom vast te stellen of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat sprake is van een vermoeden van witwassen.

Het hof leidt, samen met de rechtbank, leidt uit de beschikbare bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af.

Contante stortingen

Verdachte heeft in de tenlastegelegde periode contante stortingen verricht op bankrekeningen van hemzelf in Nederland en in België en op de bankrekening van [bedrijf 1]

B.V., een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid waarvan verdachte enig

aandeelhouder en bestuurder was. Omdat in de tenlastelegging niet is opgenomen dat de

verweten handelingen ook in België zijn verricht, zal het hof, evenals de rechtbank, zich beperken tot de geldbedragen die zijn gestort op de Nederlandse bankrekening van verdachte met nummer NL32INGB0749990252 (in totaal € 59.692,47) en de geldbedragen die zijn gestort op de bankrekening van [bedrijf 1] met nummer NL15INGB0006858620 (in totaal € 10.600,00) en een money transfer van € 150,00 op 20 juni 2014. In totaal gaat het om een contant geldbedrag van € 70.442,47.

Verdachte heeft verklaard dat het contante geld waarmee hij de diverse stortingen heeft

verricht afkomstig was uit de navolgende bronnen:

Een contant geldbedrag van in totaal € 60.000,00 dat hem is geleend door zijn voormalige echtgenote [vriendin verdachte] . Verdachte heeft op 1 januari 2014 en 1 januari 2015 overeenkomsten gesloten met [vriendin verdachte] , waarin is vastgelegd dat zij respectievelijk € 35.000,00 en € 25.000,00 leent aan verdachte.

Een contante investering van € 60.000,00 van de heer [investeerder] . In een (uit

de Oekraïne afkomstige) notariële akte d.d. 21 april 2017 is vastgelegd dat de heer

[investeerder] verklaart dat hij een bedrag in contanten ter hoogte van € 60.000,00 aan verdachte heeft gegeven als investering in de oprichting van een bedrijf van

verdachte, genaamd ‘ [bedrijf 7] ’.

3) Een contant geldbedrag van € 8.000,00 dat verdachte op 3 juni 2015 van zijn ouders

heeft ontvangen voor de verkoop van zijn Peugeot 107 aan zijn ouders.

Het openbaar ministerie heeft nader onderzoek verricht naar deze door verdachte gegeven mogelijke bronnen. Het hof zal ze hierna achtereenvolgens bespreken.

1. De leenovereenkomsten van 1 januari 2014 en 1 januari 2015 met [vriendin verdachte]

Bij de doorzoeking van de woning van verdachte aan de [adres 2] op

29 september 2015 zijn twee geldleningsovereenkomsten aangetroffen. Het gaat hierbij om:

- Een overeenkomst voor een geldlening voor onbepaalde duur tussen verdachte en [vriendin verdachte] van 1 januari 2014, waarbij [vriendin verdachte] aan verdachte een bedrag leent van

€ 35.000,00. De geldlening is volgens de overeenkomst afgesloten op basis van een rente van 6% op jaarbasis. Op de lening hoeft niet te worden afgelost.

- Een overeenkomst voor een geldlening voor onbepaalde duur tussen verdachte en

[vriendin verdachte] van 1 januari 2015, waarbij [vriendin verdachte] aan verdachte een bedrag leent van

€ 25.000,00. De geldlening is volgens de overeenkomst afgesloten onder betaling van een rente van 6% op jaarbasis. Op de lening hoeft niet te worden afgelost.

Gebleken is dat verdachte op de data van ondertekening van de twee overeenkomsten, te

weten 1 januari 2014 en 1 januari 2015, niet in de Oekraïne aanwezig was. De verdachte heeft in hoger beroep verklaard te persisteren bij zijn verklaring in eerste aanleg. Ter terechtzitting in eerste aanleg op 15 januari 2018 heeft verdachte verklaard dat de overeenkomst van 1 januari 2014 is ondertekend in januari 2014 en dat de overeenkomst van 1 januari 2015 is ondertekend in december 2014. De reden dat beide overeenkomsten desondanks zijn gedateerd op de datum van 1 januari zou ermee te maken hebben dat dit eenvoudiger was voor het berekenen van de jaarrente, aldus verdachte. Verdachte heeft eveneens verklaard dat het slechts gaat om overeenkomsten tussen hen onderling, dat zij destijds het een en ander op papier hadden gezet omdat ze toen nog niet gehuwd waren en dat het nooit de intentie is geweest om dit alles strikt formeel vast te leggen.

Het hof constateert dat de overeenkomsten in ieder geval op andere data zijn ondertekend dan op de data die in de overeenkomsten zijn opgenomen.

Voorts constateert het hof dat ter terechtzitting in eerste aanleg op 15 januari 2018 desgevraagd is gebleken dat bij of ten tijde van de echtscheiding in de Oekraïne tussen verdachte en [vriendin verdachte] geen schriftelijke afspraken zijn gemaakt over het al dan niet terugbetalen van de gelden die verdachte volgens de geldleningsovereenkomsten van [vriendin verdachte] zou hebben ontvangen en die hij als gevolg daarvan aan [vriendin verdachte] nog verschuldigd zou zijn. Gelet op het feit dat de geldleningen zelf wel schriftelijk zijn vastgelegd komt dat het hof onlogisch en vreemd voor. Verdachte heeft immers zelf verklaard dat zij de leningen

schriftelijk hadden vastgelegd omdat ze toen nog niet gehuwd waren. Een logische stap zou

zijn om, nu zij niet meer gehuwd zijn, ook de eventuele terugbetalingsverplichting in een

dergelijke overeenkomst vast te leggen. Dat verdachte en [vriendin verdachte] nog met elkaar ‘on

speaking terms’ zouden zijn en dat zij het geld nu niet zou terugvragen omdat zij weet dat

verdachte dat geld niet heeft doet daar niet aan af; dat zijn onzekere omstandigheden die in

de (nabije) toekomst zomaar kunnen veranderen.

In de opgevraagde overzichten van de bankrekeningen van zowel verdachte als van [vriendin verdachte]

zijn geen mutaties gevonden die in relatie kunnen staan met deze overeenkomsten of met de

in de overeenkomsten genoemde geldbedragen van € 35.000,00 respectievelijk € 25.000,00,

zodat daaruit niet kan blijken dat [vriendin verdachte] het geldbedrag van € 60.000,00 daadwerkelijk aan verdachte beschikbaar heeft gesteld. Uit onderzoek naar het inkomen van [vriendin verdachte] in zowel de Oekraïne als in Nederland is naar het oordeel van het hof vast komen te staan dat het zeer onwaarschijnlijk is dat [vriendin verdachte] zelfs maar heeft beschikt over een geldbedrag van in totaal € 60.000,00. Gebleken is immers dat over de periode van 2011 tot en met 2015 geen inkomsten [vriendin verdachte] in de Oekraïne bekend zijn, met uitzondering van een bedrag in 2014 van € 33,00.

[vriendin verdachte] had in Nederland geen eigen inkomen, zij was financieel volledig afhankelijk van

verdachte. Verdachte heeft op 27 maart 2017 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij

nooit had gevraagd naar de financiële omstandigheden van [vriendin verdachte] , maar dat hij uit de

leefomstandigheden van [vriendin verdachte] in Oekraïne had afgeleid dat zij vermogend was omdat zij

een groot appartement had en omdat haar vader een bedrijf had met meerdere werknemers.

Op vragen over de werksituatie van [vriendin verdachte] tijdens hun relatie wenste verdachte geen

antwoord te geven.

Uit de verklaring van de vader van [vriendin verdachte] van 14 november 2016 blijkt dat [vriendin verdachte] geen

eigen appartement had, maar bij haar ouders woonde en dat zij in ieder geval sinds de

bruiloft met verdachte op 14 februari 2015 niet (meer) heeft gewerkt. Dat haar ouders

vermogend waren blijkt evenmin; de vader van [vriendin verdachte] heeft op 14 november 2016

verklaard dat zij niet naar Nederland konden reizen omdat ze dat niet konden betalen.

[vriendin verdachte] heeft verder in september 2015 op Curaçao tegenover A-3870 verklaard dat zij

financieel volledig afhankelijk was van verdachte, dat zij gestudeerd had in Kiev en ook in

Nederland wilde gaan studeren, dat het bedrijf van haar vader failliet was gegaan, haar vader

nu geen baan meer had en dat het geld in de Oekraïne door de oorlog een stuk minder waard

was geworden.

[vriendin verdachte] heeft in hoger beroep, bij de raadsheer-commissaris op 3 oktober 2019, geen verklaring willen afleggen.

Het komt het hof hoogst onwaarschijnlijk voor dat verdachte zoals hij zegt, geen zicht

had op de financiële omstandigheden van zijn voormalige echtgenote, dat hij niet op de

hoogte was van haar (al dan niet bestaande) arbeidsverleden en dat hij niet op de hoogte was

van het faillissement van het bedrijf van zijn schoonvader. Ter terechtzitting van 15 januari

2018 wenste verdachte nog steeds geen vragen te beantwoorden over het eventuele

arbeidsverleden van [vriendin verdachte] of over haar financiële omstandigheden in de periode van hun

relatie. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, zoals gezegd, gepersisteerd bij zijn verklaring in eerste aanleg. Verdachte heeft derhalve geen nieuwe inzichten willen geven omtrent hetgeen door de rechtbank in het vonnis is overwogen.

Uit deze feiten en omstandigheden leidt het hof af dat nergens uit is gebleken dat

[vriendin verdachte] ten tijde van het aangaan van de geldleningsovereenkomsten over grote financiële

reserves beschikte. Evenmin is gebleken dat haar ouders zodanig vermogend waren dat zij

geldbedragen van een totale omvang van € 60.000,00 aan hun dochter beschikbaar hadden kunnen stellen teneinde deze geldbedragen zonder terugbetalingsverplichtingen aan haar toekomstige echtgenoot te lenen.

Het hof acht op grond van het vorenstaande, tezamen en in onderlinge samenhang

bezien, de verklaring van verdachte dat [vriendin verdachte] het in de geldleningsovereenkomsten

opgenomen geldbedrag van in totaal € 60.000,00 beschikbaar heeft gehad en ook

daadwerkelijk contant aan verdachte beschikbaar heeft gesteld ongeloofwaardig.

Het standpunt van de verdediging – inhoudende dat het openbaar ministerie iets wat zij eerst volstrekt ongeloofwaardig vindt, nu wel geloofwaardig acht en dat dit ook kan gelden voor wat betreft de leenovereenkomsten met [vriendin verdachte] – doet aan het bovenstaande niet af.

Het hof concludeert dat de geldleningsovereenkomsten tussen verdachte en [vriendin verdachte]

fictieve overeenkomsten zijn waaraan geen gevolg is gegeven.

2. De investering van € 60.000 van [investeerder]

Verdachte heeft voor het eerst op 27 maart 2017 tijdens zijn verklaring bij de rechter-commissaris gesteld dat hij van een derde een bedrag van € 60.000,00 in contanten zou

hebben ontvangen als investering in het door verdachte op te richten bedrijf in encrypted

telefoons. Verdachte weigerde toen om de naam van deze derde te noemen. Kort nadien

heeft de raadsman van verdachte een in de Oekraïense taal opgestelde verklaring van

overgelegd, die daarna is vertaald en aan het dossier is toegevoegd. Het gaat

om een notariële akte die in Oekraïne is opgemaakt waarin een verklaring van de heer [investeerder]

is opgenomen over de investering die hij in juni 2013 heeft gedaan in het nieuw

op te richten bedrijf van verdachte. Ter terechtzitting van 15 januari 2018 heeft verdachte

een schriftelijk stuk overgelegd dat hij heeft voorgelezen, waarin hij (onder meer) nader

verklaart over de bewuste notariële akte en over de investering van [investeerder] . Ter terechtzitting in hoger beroep op 20 april 2020 heeft verdachte aangegeven te persisteren bij de verklaring.

Vast is komen te staan dat de akte is opgemaakt op 21 april 2017, terwijl het geld al in 2013

zou zijn geïnvesteerd. Het hof acht het, samen met de rechtbank, opmerkelijk dat een in de ogen van het hof forse contante investering van € 60.000,00 in een nieuw op te richten bedrijf van een bevriende relatie niet schriftelijk wordt vastgelegd, op welke manier dan ook. De rechter-commissaris heeft verdachte al in maart 2017 gevraagd naar eventuele

betalingsbewijzen. Naar zeggen van de raadsman van verdachte zou daar nog onderzoek

naar worden gedaan. Desgevraagd is ter terechtzitting van 15 januari 2018 gebleken dat dit

onderzoek niets heeft opgeleverd. Hieruit kan dus niet blijken dat er door [investeerder]

contant geld aan verdachte beschikbaar is gesteld.

In voornoemde notariële akte is geen geboortedatum opgenomen van [investeerder] en er is

geen nummer vermeld van een op zijn naam gesteld identiteitsbewijs. Dat dit in Oekraïne gebruikelijk is, zoals verdachte stelt, is het hof niet gebleken. Wel is in de akte

opgenomen dat de notaris de identiteit heeft gecontroleerd, maar niet duidelijk hoe dat is

gedaan. Het hof constateert dat hierdoor in ieder geval aan derden de mogelijkheid

wordt ontnomen om te verifiëren of de persoon die de schriftelijke verklaring aflegt, is wie

hij zegt te zijn. Een andere mogelijkheid om dit te verifiëren is ook komen te vervallen,

omdat [investeerder] , in tegenstelling tot de eerdere berichten van de verdediging dat

vrijwillig naar Nederland zou komen om bij de rechter-commissaris een

verklaring af te leggen, toch uiteindelijk niet als getuige kon worden gehoord.

Uit de verklaringen van verdachte ter terechtzitting van 15 januari 2018 is het het hof nog steeds niet helder geworden waar het geldbedrag van € 60.000,00 van [investeerder] nu

precies aan is besteed. Verdachte heeft verklaard dat het geld aan diverse kostenposten is

opgegaan, waaronder aan diverse privé-kosten. Verdachte heeft voorts verklaard dat

het geld gewoon aan hem heeft gegeven, dat hij dit niet terug hoefde te hebben

en dat verdachte geen enkele verantwoording hoefde af te leggen over de besteding van dit

geld. In hoger beroep heeft verdachte hieromtrent niet nader willen verklaren.

Het komt het hof echter volstrekt logisch voor dat een investeerder van een fors geldbedrag in een nieuw op te zetten bedrijf wel wil weten wat er met zijn geld gebeurt en dat daarover op welke manier dan ook enige verantwoording moet worden afgelegd. Dat dit hier niet zo was komt het hof dan ook vreemd en onlogisch voor. Hetzelfde geldt voor het feit dat er geen betalingen van (mogelijk) rendement in welke vorm dan ook zouden zijn gevraagd door [investeerder] .

Voor wat betreft het verweer van de verdediging dat de vader van verdachte, [vader verdachte] , zich de naam [investeerder] niet kan herinneren maar dat hij zich wel herinnert dat zijn zoon bezig was met een bedrijf in ecrypted telefoons en dat hij een investeerder had gevonden voor zijn bedrijf, overweegt het hof het volgende. Deze getuigenverklaring is niet concreet van aard en geeft naar het oordeel van het hof onvoldoende reden om aan het bovenstaande af te doen. Het hof komt op basis van die getuigenverklaring dan ook niet tot een andere conclusie.

Het hof acht op grond van het vorenstaande, tezamen en in onderlinge samenhang

bezien, de verklaring van verdachte dat [investeerder] het in voornoemde akte opgenomen

contante geldbedrag van € 60.000,00 daadwerkelijk aan verdachte beschikbaar heeft gesteld

ongeloofwaardig. Het standpunt van de verdediging – inhoudende dat het openbaar ministerie iets wat zij eerst volstrekt ongeloofwaardig vindt, nu wel geloofwaardig acht en dat dit ook kan gelden voor wat betreft de investering van [investeerder] – doet ook aan het bovenstaande niet af. Het hof concludeert dat voornoemde notariële akte ziet op een fictieve investeringsovereenkomst tussen verdachte en [investeerder] .

3. De contante storting van € 10.600,00 waaronder de contante betaling voor de Peugeot 107

Verdachte heeft bij de rechter-commissaris op 23 maart 2017 verklaard dat hij de Peugeot

107 op 3 juni 2015 heeft verkocht aan zijn ouders en dat het daarvoor ontvangen contante

geld toen direct is gestort op de rekening van [bedrijf 1] .

De mutaties op de bankrekening van [bedrijf 1] zijn nader onderzocht. Gebleken is dat er

op 3 juni 2015 en op 6 juni 2015 bedragen van € 5.000,00 respectievelijk € 4.000,00 van de

ING-bankrekening van verdachte eindigend op nummer 232 zijn overgemaakt op de

rekening van [bedrijf 1] , met steeds als omschrijving ‘inbreng in B.V.’. Op 3 juni 2015

heeft verdachte een bedrag van € 5.000,00 opgenomen uit het op naam van verdachte staand

doorlopend krediet bij ING met nummer A058 l 1250 met als omschrijving ‘tbv BV’. Op

8 juni 2015 wordt wederom een bedrag van € 5.000,00 opgenomen uit datzelfde doorlopend

krediet. Uit deze overboekingen blijkt niet van de storting van het contant ontvangen

geldbedrag van € 8.000,00.

Voorts is uit het onderzoek gebleken dat op 3 juni 2015 twee contante geldstortingen op de

bankrekening van [bedrijf 1] hebben plaatsgevonden, namelijk één storting van

€ 10.000,00 en één storting van € 600,00. Volgens verdachte zou hiermee de storting van het contante bedrag van € 8.000,00 verklaard zijn. De rechtbank heeft in eerste aanleg geoordeeld dat deze verklaring niet afdoende was. In hoger beroep is daar echter nog iets bijgekomen. Op 22 januari 2019 legt [vader verdachte] , de vader van verdachte, een verklaring af bij de raadsheer-commissaris. Tijdens dit verhoor verklaart hij onder meer dat hij en zijn vrouw op 3 juni 2015 de Peugeot 107 van verdachte hebben gekocht en dat zij € 8.000,00 voor deze auto hebben betaald. Dit bedrag hebben zij contant afgerekend omdat hij van oudsher gewend is om contant geld voorhanden te hebben en hij het contante geld al had liggen. Voorts verklaart hij: ‘Op de dag van de aankoop van de auto is mijn vrouw met [verdachte] [het hof begrijpt: verdachte] naar de ING gegaan om het geld daar te storten. Later die dag, na mijn werk, heb ik de auto op mijn naam overgeschreven, op het postkantoor samen met [verdachte] . Het kan zijn dat er uiteindelijk een ander bedrag is gestort, meer dan 8.000 euro, maar dan zit daar geld van [verdachte] zelf bij. Wij hebben toen 8.000 euro gegeven.’

Op basis van deze getuigenverklaring stelt ook de advocaat-generaal zich op het standpunt dat vrijspraak moet volgen voor de contante betaling ten behoeve van de Peugeot 107. Het hof acht de verklaring van verdachte in samenhang met de getuigenverklaring van

[vader verdachte] , een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Voor wat betreft het resterende bedrag van de contante storting van € 10.000,00, te weten

€ 2.000,00, alsmede voor wat betreft de andere contante storting van € 600,00, overweegt het hof als volgt. Met betrekking tot deze laatste storting heeft de verdediging naar voren gebracht dat dit een storting betrof voor het aandelenkapitaal van het bedrijf van verdachte, [bedrijf 1] Gelet op de hoogte van dit resterende bedrag, in totaal € 2.600,00, welk bedrag in de ogen van het hof niet als onwaarschijnlijk fors is aan te merken, levert dit bedrag op zichzelf geen vermoeden van witwassen op. Overigens is voor wat betreft die € 2.600,00 ook geen nader onderzoek gedaan door het openbaar ministerie. Het hof spreekt verdachte daarom vrij voor wat betreft de tweetal contante stortingen van in totaal

€ 10.600,00.

Porsche Cayenne en BMW 750

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij geld heeft witgewassen door een contant geldbedrag van € 12.500,00 te betalen voor de aankoop van een Porsche Cayenne en door

een contant geldbedrag van € 5.000,00 te betalen voor de aankoop van een BMW 750.

Verdachte heeft op 8 maart 2013 uit een lening met nummer T.057-12657 een bedrag van

€ 14.500,00 op zijn bankrekening eindigend op nummer 232 ontvangen. Tijdens de

doorzoeking van de woning van de ouders van verdachte aan de [adres 3] op 29 september 2015 is een factuur aangetroffen van het bedrijf Nextcar(s) te Weert, voor de aankoop van een Porsche Cayenne op 9 maart 2013. Er is onderzoek verricht naar de financiële administratie van Nextcar. Daaruit blijkt dat Nextcar op 9 maart 2013 een Porsche Cayenne met kenteken [kentekens] heeft verkocht voor een bedrag van € 14.250,00. Gebleken is uit de grootboekadministratie dat naar de bankrekening van het bedrijf Nextcar te Weert op 11 maart 2013 een bedrag van € 1.000,00 is overgemaakt, dat op diezelfde bankrekening op 11 maart 2013 een bedrag van € 12.500,00 is gestort en dat op 12 maart 2013 een bedrag van € 750,00 is overgemaakt met vermelding Porsche Cayenne [kentekens] . Naar het oordeel van het hof is uit voormeld onderzoek gebleken dat de betaling voor de Porsche Cayenne volledig is verricht met het geldbedrag van € 14.500,00 dat afkomstig was uit voornoemde geldlening.

De Porsche Cayenne is later ingeruild voor een BMW 750, tegen bijbetaling van een bedrag

van € 5.000,00. Niet is gebleken dat nader onderzoek is gedaan naar die bijbetaling, zodat het hof, evenals de rechtbank, niet kan beoordelen of die € 5000,00 deel uitmaakt van de tenlastegelegde contante stortingen.

Voorts is het hof ook niet gebleken dat hier sprake is van een vermogensbestanddeel met een criminele herkomst, dat zich binnen het na vermenging gevormde vermogen niet meer laat individualiseren. Derhalve is dan ook geen sprake van vermenging van geld met een criminele herkomst met geld dat is verkregen via legale activiteiten. Het hof zal verdachte van deze onderdelen van de tenlastelegging vrijspreken.

Overige contante geldopnamen en betalingen

Het hof zal verdachte vrijspreken van deze onderdelen van de tenlastelegging, nu deze

onderdelen niet nader zijn omschreven.

Conclusie

Het hof is van oordeel dat uit het onderzoek naar de verklaringen die verdachte heeft

gegeven over de herkomst van de door hem in de tenlastegelegde periode gestorte contante

geldbedragen ter hoogte van in totaal € 59.842,47 (€ 59.692,47 en € 150,00) is gebleken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen waarop de verdenking van witwassen betrekking heeft, een legale herkomst hebben. Daaruit concludeert het hof dat het niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen tot een totaalbedrag van € 59.842,47 onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn. Naar het oordeel van het hof is eveneens vast komen te staan dat verdachte wist dat die geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren. Verdachte heeft getracht rookgordijnen op te werpen door fictieve

geldleningsovereenkomsten op te stellen, door een fictieve investeringsovereenkomst in een

notariële akte te laten opnemen en door een niet te traceren contante betaling van zijn ouders

op te voeren.

Voor wat betreft de tweetal contante stortingen van in totaal € 10.600,00 acht het hof de verklaring van verdachte voldoende aannemelijk.

Eigen misdrijf?

Uit het voorliggende procesdossier komt de gedachte naar voren dat verdachte voor het schenden van zijn ambtsgeheim gelden heeft ontvangen. Het onderzoeksteam heeft geen relatie kunnen leggen tussen ontvangen gelden en stortingen en momenten waarbij het ambtsgeheim zou zijn geschonden. Uitsluitend in de zaak van [medeverdachte 5] acht het hof bewezen dat de verdachte gelden – en hierbij gaat het om hooguit enkele duizenden euro’s – van een afnemer van de informatie heeft ontvangen. Verdachte heeft op geen enkel moment te kennen gegeven dat de geldstromen waar het hier om handelt van eigen misdrijf afkomstig zijn. Sterker nog: hij heeft leugenachtige constructies in het leven geroepen, om de gelden te verantwoorden.

Dat de gelden die ontvangen zijn van [medeverdachte 5] op enigerlei wijze deel uitmaken van de witgewassen gelden zoals hierboven weergegeven is gesteld noch gebleken. Uitsluitend wanneer er een verband bestaat tussen de misdrijven en het daarmee verdiende geld en de geldbedragen waarvan sprake is in het kader van witwassen, dient kwalificatie van het feit achterwege te blijven.

Nu verdachte zich in criminele kringen begaf waarin grote geldbedragen omgingen en niet gesteld of gebleken is dat de betreffende bedragen van eigen misdrijf afkomstig waren, gaat het hof ervan uit dat dit niet het geval is geweest.

Gewoontewitwassen

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in de tenlastegelegde

periode herhaaldelijk schuldig heeft gemaakt aan witwassen. De contante stortingen vonden

met regelmatige tussenpozen en systematisch plaats in een – gelet op de hoogte van de

geldbedragen – relatief korte periode. Naar het oordeel van het hof is daarmee sprake

van gewoontewitwassen.

Met betrekking tot feit 6: het voorhanden hebben van valse paspoorten

Aan verdachte is onder 6 – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij op 29 september 2015 in

Weert twee valse of vervalste paspoorten aanwezig heeft gehad.

Volgens de advocaat-generaal kan dit feit wettig en overtuigend worden bewezen.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte geen enkel crimineel oogmerk had ten behoeve van het voorhanden hebben van deze paspoorten. Verdachte moest deze paspoorten, in het kader van zijn archiefwerkzaamheden als politieambtenaar in Driebergen, nog vernietigen. Bovendien lagen de paspoorten in de betreffende woning niet bepaald gereed voor gebruik en zijn de paspoorten absoluut ondeugdelijk om ingezet te worden, aldus de verdediging.

Het hof leidt, grotendeels met de rechtbank, uit de beschikbare bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af.

Het hof gaat uit van de juistheid van het door een verbalisant opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, waaruit blijkt dat beide paspoorten echt en onvervalst zijn. Doordat de paspoorten echt zijn maar door bedrog zijn verkregen, is naar het oordeel van het hof sprake van valse paspoorten.

Op 29 september 2015 zijn bij een doorzoeking in de woning van verdachte in Weert twee

Engelse paspoorten aangetroffen die waren voorzien van identieke pasfoto's. Verdachte

heeft verklaard dat hij deze paspoorten in een te archiveren dossier heeft aangetroffen toen

hij als politieambtenaar archiefwerkzaamheden verrichtte. De paspoorten moesten worden

vernietigd. Verdachte heeft de paspoorten vervolgens meegenomen. Verdachte heeft de paspoorten in de woning van zijn ouders gelegd, alwaar ze bij een doorzoeking zijn aangetroffen.

Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 9 mei 2017 verklaard dat hij wist dat er iets mis was met de door hem meegenomen paspoorten. Ter terechtzitting in hoger beroep, op 17 en 20 april 2020, heeft de verdachte omtrent dit feit niet meer aanvullend willen verklaren. Uit hetgeen hiervoor overwegen blijkt dat verdachte de valse paspoorten voorhanden had.

Gelet op de in de bewijsmiddelen opgenomen feiten en omstandigheden komt het hof, evenals de rechtbank, tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte op 29 september 2015 in Weert twee valse paspoorten voorhanden heeft gehad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder feit 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van enig geheim waarvan hij weet dat hij uit hoofde van zijn ambt en wettelijk voorschrift verplicht is het te bewaren, opzettelijk schenden, meermalen gepleegd

en

enig geheim waarvan hij weet dat hij uit hoofde van zijn ambt en wettelijk voorschrift verplicht is het te bewaren, opzettelijk schenden, meermalen gepleegd.

Het onder feit 2 bewezen verklaarde levert op:

computervredebreuk, terwijl de dader vervolgens gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt en worden overgedragen door middel van het geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevindt, voor zichzelf en een ander overneemt.

meermalen gepleegd.

Het onder feit 3 bewezen verklaarde levert op:

als ambtenaar een belofte aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen.

Het onder feit 5 bewezen verklaarde levert op:

van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Het onder feit 6 bewezen verklaarde levert op:

een reisdocument voorhanden hebben, waarvan hij redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vals of vervalst is, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

De eis van de advocaat-generaal

Volgens de advocaat-generaal kunnen de onder 1, 2, 3, 4, 5, en 6 tenlastegelegde feiten

wettig en overtuigend worden bewezen. De advocaat-generaal heeft gevorderd om aan

verdachte voor deze feiten een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van vijf jaar met

aftrek van het voorarrest. Als bijkomende straf heeft de advocaat-generaal gevorderd dat

verdachte uit zijn recht wordt ontzet om de eerste 10 jaren een publiek ambt uit te oefenen.

Tevens heeft de advocaat-generaal de gevangenneming van verdachte bij uitspraak gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft voor een aantal feiten vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft hij een strafmaatverweer gevoerd. Daartoe heeft de raadsman een aantal vergelijkbare zaken aangehaald, waarbij de opgelegde gevangenisstraf een stuk lager lag dan de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van 5 jaar. Deze zaken kunnen volgens de raadsman wellicht niet één op één worden vergeleken maar tonen wel een pallet aan.

Daarnaast heeft de raadsman gewezen op het nadeel dat verdachte heeft ondervonden van de exorbitant negatieve media-aandacht voor deze zaak die volgens de raadsman mede door toedoen van onder andere voormalig korpschef van de nationale politie in Nederland

G. Bouman en door de voormalig minister van justitie en veiligheid A. van der Steur tot ongekende proporties lijkt te zijn gerezen. Bouman heeft verdachte in de media ‘de rotste appel aller tijden’ genoemd en Van der Steur heeft gezegd ‘dat het wat hem betreft passend is als een zeer hoge straf wordt opgelegd’. De rechtbank heeft hieromtrent overwogen dat verdachte het recht op een eerlijk proces niet is onthouden en daarmee dat de voornoemde uitlatingen niet straf matigend hoeven mee te werken. Volgens de raadsman is dit wel het geval, nu artikel 6 lid 2 EVRM zich niet alleen recht tot de rechter maar ook tot gezagsdragers en daarmee dus ook tot Bouman en Van der Steur.

Het oordeel van het hof

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich als politieambtenaar schuldig gemaakt aan:

Het (mede)plegen van schending van ambtsgeheimen/wettelijke geheimhoudingsplichten;

Computervredebreuk;

Ambtelijke omkoping;

Gewoontewitwassen;

Het voorhanden hebben van valse reisdocumenten.

Verdachte is, ondanks zijn strikte geheimhoudingsplicht, zonder ambtelijk doel gericht

gaan zoeken in het hem uit hoofde van zijn functie ter beschikking staande en voor hem

toegankelijke politiesysteem Blue View en hij heeft de door hem gevonden informatie

veelvuldig gedeeld met medeverdachten en anderen. Gezien het grote aantal bevragingen en abonnementen op andere personen dan de medeverdachten, gaat het hof er bij de bepaling van de strafmaat dan ook vanuit dat verdachte bij een aanzienlijk aantal andere personen dan de medeverdachten het ambtsgeheim heeft geschonden.

Niet alleen heeft verdachte de vertrouwelijk politie-informatie schaamteloos met anderen

gedeeld, hij heeft er zich op enig moment ook voor laten betalen in de vorm van een belofte

voor een toekomstige zakelijke samenwerking bij de handel van onder andere versleutelde

(encrypted) telefoons en diamanten. Het afleggen van de ambtseed als politieambtenaar heeft verdachte er ook niet van weerhouden om zijn persoonlijk belang voorop te stellen.

Door zich niet als integer politieambtenaar te gedragen, heeft verdachte het vertrouwen in en het aanzien van de politie zeer ernstig geschaad. Een onkreukbaar politiekorps is voor het functioneren van de rechtsstaat een absoluut vereiste. Verdachte heeft ook het in hem door zijn werkgever gestelde vertrouwen jarenlang ernstig geschonden. Hij heeft met zijn handelen het politieoptreden in een aantal gevallen daadwerkelijk gefrustreerd, waardoor daders van strafbare feiten de dans (deels) zijn ontsprongen. Daarbij ging het ook om (hoofd)verdachten in grootschalige opsporingsonderzoeken. Er zijn sterke aanwijzingen dat het kwalijke handelen van verdachte vooral was gericht op het informeren van criminelen die zich bezig hielden met hennepteelt.

Verdachte zou dit zichzelf zwaar moeten aanrekenen, maar daarvan is het hof uit de

proceshouding van verdachte niet gebleken. Integendeel. Zo heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep veelal aangegeven geen vragen te willen beantwoorden. Hij heeft voornamelijk slechts willen verklaren over het WOD-traject en de volgens hem daarmee gepaarde (psychologische) druk op hem. Verdachte heeft, op de ambtelijke omkoping na, van meet af geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. Bovendien heeft hij zich tijdens de zittingen in eerste aanleg meer dan eens laatdunkend uitgelaten over collega's met wie hij in het verleden had gewerkt, maar ook over diegenen die betrokken waren bij het opsporingsonderzoek tegen hem.

Het motief van de verdachte is, door zijn veelal zwijgende proceshouding, het hof niet gebleken. Verdachte heeft geen enkele verklaring willen afleggen over wat hem tot zijn strafbare gedrag heeft bewogen.

Het is een feit dat deze zaak en de rol van verdachte daarin breed zijn uitgemeten in de pers

en de social media. Deze media-aandacht heeft verdachte echter over zichzelf afgeroepen,

hij is immers degene die in zijn functie van ambtsdrager, politieagent, ernstige strafbare feiten gedurende lange tijd heeft gepleegd. De grote media-aandacht geeft ook aan hoe zeer verdachte de rechtsorde heeft geschokt.

Door voormalig korpschef van de nationale politie in Nederland G. Bouman en door de voormalig minister van justitie en veiligheid A. van der Steur zijn mededelingen gedaan die vooruitliepen op het ten aanzien van verdachte te vellen rechterlijk oordeel. Van een inbreuk op artikel 6 lid 2 EVRM is evenwel geen sprake, nu het hof altijd, en daarmee ook in de onderhavige zaak, voorop stelt dat de verdachte voor onschuldig wordt gehouden tot zijn schuld is bewezen. Het hof is dan ook pas tot een oordeel gekomen na afweging van de voorliggende feiten en omstandigheden die uit het dossier blijken. Hoewel het hof van oordeel is dat dergelijke uitlatingen in de media over een nog niet onherroepelijk strafzaak – mede gelet op die onschuldpresumptie – niet gepast zijn, ziet het hof geen aanleiding om door deze omstandigheden een lagere straf op te leggen. Om die reden zullen de negatieve media-aandacht die verdachte heeft gekregen niet leiden tot een verlaging van de aan verdachte op te leggen straf.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf houdt het hof rekening met de omstandigheid dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel van de Justitiële Informatiedienst d.d. 29 januari 2020, niet eerder (onherroepelijk) is veroordeeld ter zake van enig strafbaar feit.

Het over een langere periode en zeer frequent schenden van het ambtsgeheim en het plegen van computervredebreuk, alsmede ambtelijke omkoping, het gewoontewitwassen en voorhanden hebben van valse documenten, rechtvaardigt naar het oordeel van het hof een gevangenisstraf van lange duur. De ernst van de bewezenverklaarde feiten en de grote schade die verdachte daarmee heeft berokkend aan het imago van de politieorganisatie, maken ook dat een forse straf op zijn plaats is. De Nederlands politiemacht dient trots te zijn op zijn imago van onkreukbaarheid en op het feit dat agenten niet omkoopbaar zijn. Door het handelen van verdachte als voormalig politieambtenaar heeft dit imago van de politie als organisatie onherstelbare schade geleden. De ernst van deze feiten voor de samenleving kunnen dan ook moeilijk worden onderschat; reden waarom het hof tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar komt. Daarbij is meegewogen dat het hof tot een gedeeltelijke vrijspraak van verdachte komt voor deelneming aan de criminele organisatie (tot welk feit de advocaat-generaal tot een bewezenverklaring had gerekwireerd), maar het hof is van oordeel dat de hoogte van de straf niettemin passend is gezien de ernst van de bewezenverklaarde feiten. De door de raadsman aangehaalde zaken, welke volgens hem een palet aantonen voor wat betreft de strafmaat in dergelijke zaken, lenen zich er naar het oordeel van het hof niet voor om als voorbeeld te dienen voor de onderhavige zaak. Hoewel er bij de strafoplegging rekening wordt gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten en zaken worden opgelegd, blijft elke uitspraak maatwerk. Een lagere straf dan de opgelegde gevangenisstraf, zou naar het oordeel van het hof dan ook geen recht doen aan de ernst van de gepleegde feiten.

Daarnaast zal het hof bepalen dat verdachte voor de duur van 10 jaar zal worden ontzet van het recht om een ambt te bekleden. Dit is de wettelijk maximaal toelaatbare termijn voor deze bijkomende straf. De oplegging van deze bijkomende straf, en de duur daarvan, worden naar het oordeel van het hof gerechtvaardigd door de ernstige mate waarin verdachte het in hem gestelde vertrouwen heeft geschonden. De samenleving moet, met name vanwege de brutale wijze waarop verdachte het vertrouwen heeft geschonden dat hem

toekwam in de uitvoering van zijn publieke taak als politiefunctionaris, zo lang mogelijk

moet worden beschermd tegen een eventuele terugkeer van verdachte als bekleder van een

publiek ambt.

Het hof heeft zich tevens rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkómen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

In de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 30 september 2015, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft op 19 februari 2018 vonnis gewezen. In eerste aanleg is dus sprake van een termijnoverschrijding, nu de behandeling niet is afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na de ingangsdatum van de redelijke termijn. Deze overschrijding bedraagt ongeveer 4,5 maand.

Verdachte heeft op 1 maart 2018 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst dit arrest op 4 mei 2020. In hoger beroep is dus eveneens sprake van een termijnoverschrijding, nu de behandeling in hoger beroep niet is afgerond met een eindarrest binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep. Deze overschrijding bedraagt ongeveer 2 maanden.

De beide overschrijdingen zijn, mede gelet op de omvang van de zaak, de omstandigheid dat in hoger beroep op verzoek van de verdediging getuigen zijn gehoord en de totale duur van de strafprocedure bezien, dermate gering, dat het hof hieraan geen andere consequentie zal verbinden dan de constatering dat de redelijke termijn in bovengenoemde mate is geschonden.

Met betrekking tot het verzoek van de advocaat-generaal om bij uitspraak tot gevangenneming van verdachte over te gaan, overweegt het hof als volgt.

Op 10 mei 2017 heeft de rechtbank ambtshalve het eerder op 1 juni 2016 geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met onmiddellijke ingang opgeheven. De rechtbank was van oordeel dat de gronden die tot het verlenen van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis hadden geleid, naar het oordeel van de rechtbank niet meer aanwezig waren, zodat het bevel

voorlopige hechtenis ambtshalve werd opgeheven.

Naar het oordeel van de rechtbank was anders dan op 10 mei 2017 thans wel een grond

aanwezig om de gevangenneming te bevelen, te weten het vluchtgevaar. Daarbij nam de

rechtbank allereerst in aanmerking dat verdachte is veroordeeld tot een langdurige

gevangenisstraf. Ten tweede is verdachte, zoals hij ter zitting van 15 januari 2018 heeft

verklaard, na de opheffing van de voorlopige hechtenis om allerlei redenen feitelijk met zijn

huidige echtgenote gaan wonen in de Oekraïne. Zijn adres in Nederland betreft volgens

verdachte slechts een inschrijvingsadres.

Op 19 februari 2018 heeft de rechtbank de gevangenneming van verdachte bevolen. Op 26 februari 2018 is de voorlopige hechtenis van verdachte weer ingegaan. Abusievelijk is toen als aanvangsdatum 26 maart 2018 ingevoerd. Daarmee was de vordering tot verlenging van de voorlopige hechtenis op 3 mei 2018 te laat ingediend, waardoor verdachte in vrijheid werd gesteld. Daarna is verdachte opnieuw naar de Oekraïne gegaan, waar hij thans nog verblijft. Om die reden zal het hof de gevangenneming bevelen van verdachte. Dit bevel zal afzonderlijk worden geminuteerd.

De inbeslaggenomen goederen

Voor wat het beslag is de advocaat-generaal het eens met de beslissingen van de rechtbank, te weten de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen voorwerpen met nummer 52, 53, 72, 73, 75, 76, 77 en 78.

De raadsman heeft zich in hoger beroep niet uitgelaten over de inbeslaggenomen goederen.

Het hof is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen kunnen worden teruggegeven aan verdachte. Dit omdat de goederen toebehoren aan verdachte en het belang van strafvordering zich niet verzet tegen teruggave.

Over de op de lijst van in beslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerpen die inmiddels

zijn vernietigd zal het hof geen beslissing nemen. Uit artikel 134, tweede lid, Sv volgt

immers dat het beslag door de vernietiging is geëindigd.

Ook over de overige op de lijst van inbeslaggenomen goederen vermelde goederen waarop

conservatoir beslag (conform art. 94a Sv) berust zal het hof nu geen beslissing nemen.

Het gaat bij conservatoir beslag immers om de bewaring van voorwerpen voor het recht tot

verhaal van geldboete of ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 47, 57, 138ab, 231, 272, 363 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2, 3, 5 en 6 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzet de verdachte van het recht tot het bekleden van voor de duur van 10 (tien) jaren.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 52, 53, 72, 73, 75, 76, 77 en 78.

Beveelt de gevangenneming van de verdachte, welk bevel afzonderlijk is geminuteerd.

Aldus gewezen door:

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mr. A.R. Hartmann en mr. J. Nederlof, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.G. Gersen, griffier,

en op 4 mei 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature