< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

bekrachtiging beschikking toestemming wijziging verblijfplaats door GI op grond van 1:265i BW

Uitspraak



GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 7 november 2019

Zaaknummer : 200.263.199/01

Zaaknummers 1e aanleg : C/03/265868 JE RK 19-1559 en C/03/265874 JE RK 19-1561

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende op een bij het hof bekend adres binnen het hofressort,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.G. van Ek,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

verweerder, hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling).

Deze zaak heeft betrekking op de minderjarigen:

[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2011, hierna: [minderjarige 1] , en

[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2014, hierna: [minderjarige 2] .

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [de pleegmoeder] (hierna te noemen: de pleegmoeder), voor wie als advocaat optreedt mr. V.A.C. Kerckhoffs;

- [de vader van minderjarige 1] (hierna te noemen: de vader van [minderjarige 1] ), voor wie als advocaat in eerste aanleg optrad mr. W.H.W.J. de Brouwer. De vader van [minderjarige 1] is uitsluitend belanghebbende in de zaak voor zover deze betrekking heeft op [minderjarige 1] ; hij is geen belanghebbende in de zaak voor zover deze betrekking heeft op [minderjarige 2] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuid- Oost Nederland, hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van de gedingen in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 28 juni 2019 en van 10 juli 2019. Bij deze beschikking heeft de rechtbank de GI toestemming verleend tot wijziging in het verblijf van [minderjarige 1] naar de vader zonder gezag en van [minderjarige 2] naar een regulier pleeggezin.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 juli 2019, heeft de moeder verzocht voormelde beschikkingen te vernietigen en opnieuw beschikkende te bepalen dat de verblijfplaats van de minderjarigen met onmiddellijke ingang weer bij de pleegmoeder zal zijn dan wel een beslissing te nemen die het hof in goede justitie zal nemen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 september 2019, heeft de GI aangegeven het eens te zijn met de beschikking van de rechtbank.

2.3.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 september 2019, heeft de pleegmoeder verzocht de beschikking van 10 juli 2019 te vernietigen en opnieuw beschikkende te bepalen dat de verblijfplaats van de minderjarigen met onmiddellijke ingang weer bij haar zal zijn dan wel een beslissing te nemen die het hof in goede justitie zal nemen.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- mr. Van Ek, namens de moeder;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] ;

- de pleegmoeder, bijgestaan door mr. Kerckhoffs;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

2.5.

De vader van [minderjarige 1] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2.6.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- een V8-formulier d.d. 30 september 2019, ingekomen op 30 september 2019, met een productie van de zijde van de pleegmoeder.

3 De beoordeling

3.1.

[minderjarige 1] is op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] geboren uit de relatie van de moeder met [de vader van minderjarige 1] . De vader heeft [minderjarige 1] erkend. De moeder heeft het eenhoofdig gezag.

[minderjarige 2] is op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] geboren uit de relatie van de moeder met [de vader van minderjarige 2] . De vader heeft [minderjarige 2] erkend. De moeder heeft het eenhoofdig gezag. De vader van [minderjarige 2] is op [datum] 2016 overleden.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden hierna samen “de kinderen” genoemd.

3.2.

Bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 10 januari 2018 zijn beide kinderen voor de duur van 12 maanden onder toezicht gesteld van de GI en is ten aanzien van beide kinderen voor de duur van 6 maanden, dus tot 10 juli 2018, een machtiging verleend tot uithuisplaatsing in het netwerkpleeggezin van de pleegmoeder. De pleegmoeder is de oma van moederszijde van de kinderen. Bij beschikking van 3 juli 2018 is de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 10 januari 2019. Bij beschikking van 9 januari 2019 zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 10 januari 2020.

3.3.

Op verzoek van de GI is bij beschikking van 28 juni 2019 van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, uitvoerbaar bij voorraad, een beschikking spoed wijziging machtiging uithuisplaatsing gewezen waarbij machtiging is verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] naar de niet met gezag belaste vader, en van [minderjarige 2] naar een regulier pleeggezin, met ingang van 27 juni 2019, voor de duur van twee weken, met bepaling dat de GI, [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en de overige belanghebbenden zullen worden gehoord ter zitting van 8 juli 2019 te Maastricht.

3.4.

Bij beschikking van 10 juli 2019 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, de GI toestemming verleend tot wijziging in het verblijf van [minderjarige 1] naar de vader zonder gezag en van [minderjarige 2] naar een regulier pleeggezin.

3.5.

De moeder kan zich met deze beslissingen niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - het volgende aan.

De GI heeft in de inleidende verzoeken betoogd dat de pleegmoeder [minderjarige 1] voortrekt en [minderjarige 2] achterstelt, dat zij onvoldoende meewerkt aan contact tussen [minderjarige 1] en zijn vader, dat zij onvoorspelbaar is en besluiten neemt die niet in het belang van de kinderen zijn, de moeder zonder medeweten en toestemming van de GI op de kinderen laat passen, en niet met de hulpverlening meewerkt.

In een gesprek van de pleegmoeder met de GI op 27 juni 2019 heeft zij aangegeven dat zij “ermee stopte”. Dat is aanleiding geweest voor een mondeling spoedverzoek. Ten onrechte. Er was sprake van hoog oplopende emoties bij de pleegmoeder. Er was echter geen onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ter zitting van 8 juli 2019 heeft de pleegmoeder erop gewezen dat in het verzoek verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing door de GI nog is gesteld dat de pleegmoeder de kinderen een stevig en positief opvoedingsklimaat biedt.

Sinds eind 2018 heeft de pleegmoeder de gezinsvoogd niet gezien.

Kennelijk heeft de GI moeite met de bezoeken van de moeder aan de kinderen. Daar had ook middels een schriftelijke aanwijzing iets aan gedaan kunnen worden, of door een omgangsregeling voor te leggen aan de rechtbank.

De moeder acht wijziging van het verblijf van de kinderen niet in hun belang en acht het evenmin in hun belang om hen van elkaar te scheiden .

De moeder stelt vraagtekens bij de opvoedingsvaardigheden van de vader van [minderjarige 1] .

De GI heeft onvoldoende ingezet op verbetering van de communicatie tussen GI en de pleegmoeder, de communicatie tussen de moeder en de pleegmoeder, en structuur in de contactmomenten van de moeder met de kinderen.

3.6.

De pleegmoeder sluit zich aan bij het beroepschrift van de moeder en stelt in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, kort samengevat, nog het volgende.

De pleegmoeder heeft de kinderen een goede basis en goede opvoeding gegeven. Dit blijkt ook uit de volgende passage uit het rapport van de GI van 8 november 2018: “De kinderen zijn bij oma geplaatst waardoor er een bepaalde mate van continuïteit en stabiliteit is bereikt. Het contact tussen moeder en kinderen is een hele tijd positief verlopen echter door het toestandsbeeld van moeder is er op dit moment alleen omgang mogelijk die door oma wordt begeleid. Oma biedt de kinderen een stevig en positief opvoedingsklimaat en heeft oog voor hetgeen de kinderen nodig hebben. Met de kinderen gaat het zodoende op dit moment ook goed mede omdat moeder toch een rol blijft spelen in het leven van de kinderen mede door de inspanningen van oma”.

Er is na november 2018 geen overleg meer geweest tussen de GI en de pleegmoeder.

Er is geen noodzaak voor een wijziging van het verblijf. De uitspraak van de pleegmoeder “ik stop ermee” is niet voldoende om een dergelijke ingrijpende maatregel te nemen.

3.7.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat – het volgende aan.

De GI blijft achter de inleidende verzoeken staan. Bestreden wordt dat er in november 2018 nog geen zorgen waren.

De zorgen liggen met name in het onderscheid dat de pleegmoeder maakt tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De situatie met [minderjarige 2] is steeds nijpender geworden en er was sprake van incidenten op school. De pleegmoeder verzette zich tegen overplaatsing van [minderjarige 2] naar speciaal onderwijs, dat hij volgens haar niet nodig heeft. Ronde Tafel Overleg met de pleegmoeder lukte niet. De pleegmoeder liet de moeder toe in huis en liet haar op de kinderen passen, ondanks het feit dat met haar besproken was dat contact met de moeder wel veilig en verantwoord moet zijn.

De pleegmoeder kwam op gesprekken niet opdagen. Ook vanuit Xonar kwamen er steeds meer signalen dat de samenwerking niet goed verliep. Begin juni 2019 en begin juli 2019 zijn er schrijnende meldingen van Veilig Thuis van escalaties tussen de moeder en de pleegmoeder geweest.

Het gaat nu goed met de kinderen. [minderjarige 1] woont bij zijn vader in [plaats 1] en heeft zijn draai gevonden. De vader van [minderjarige 1] woont bij zijn oma (dus de overgrootmoeder van [minderjarige 1] ) en er is een betrokken netwerk. [minderjarige 2] woont bij een pleeggezin in [plaats 2] en ook met hem gaat het goed. Er zijn wel problemen om hem in te schrijven op speciaal onderwijs aldaar omdat de moeder tot nog toe daarvoor geen toestemming heeft gegeven.

Er is geen contact van de moeder met de kinderen. Bij een afspraak met dat doel, via de advocaat van de moeder, is de moeder niet komen opdagen. Ook met de pleegmoeder hebben de kinderen geen contact gehad omdat zij in het buitenland verbleef.

[minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben wel onderling contact gehad. De GI acht het op dit moment in elk geval nog van belang dat zij apart geplaatst zijn vanwege de ongelijke verhouding waarvan sprake was en de vaderrol die [minderjarige 1] jegens [minderjarige 2] aannam in het gezin van de pleegmoeder.

3.8.

De raad heeft geadviseerd om de kinderen te laten waar zij nu zijn en eraan te werken de pleegmoeder een belangrijke rol als oma in het leven van de kinderen te laten spelen.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Op grond van artikel 1:265i BW behoeft de gecertificeerde instelling de toestemming van de kinderrechter voor wijziging in het verblijf van een minderjarige die ten minste een jaar door een ander als de ouder is opgevoed en verzorgd als behorende tot zijn gezin. De toestemming wordt door de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling verleend en slechts afgewezen indien de kinderrechter dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt.

3.9.2.

Het hof zal de bestreden beschikkingen waarbij de door de GI verzochte toestemming voor wijziging van het verblijf van de kinderen is verleend, bekrachtigen en overweegt daartoe het volgende. Het hof stelt voorop dat vaststaat dat de pleegmoeder de kinderen naar beste kunnen heeft verzorgd en opgevoed. Uit de overgelegde stukken, waaronder het evaluatieverslag van Xonar van 19 februari 2019, en het verhandelde ter terechtzitting is echter gebleken dat de samenwerking van de pleegmoeder met de GI dermate problematisch en stroef verliep dat er onwenselijke en zelfs gevaarlijke situaties ontstonden waarvan de kinderen de dupe dreigden te worden, en dat dat niet op een andere wijze dan door een wijziging van de verblijfplaats te kenteren was. De kind-eigen problematiek van beide kinderen en de ernstige psychiatrische stoornis van de moeder maakten dat de pleegmoeder overbelast raakte, waarbij zij onvoldoende in staat bleek om de noodzakelijke hulp te aanvaarden en aan minimale veiligheidseisen te voldoen. Zo ontbrak het [minderjarige 2] aan positieve bekrachtiging door de pleegmoeder en werden zijn problemen de laatste tijd alleen maar forser, waarbij de pleegmoeder onmachtig was om zijn gedrag aan te sturen en [minderjarige 1] nam op momenten de ouderrol over wat tot een ongezonde situatie leidde. Het hof is dan ook, al deze feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, van oordeel dat het in het belang van de kinderen niet noodzakelijk was om de door de GI verzochte toestemming tot wijziging in het verblijf, af te wijzen. Het hof neemt bij dit oordeel in aanmerking dat het op dit moment goed gaat met de kinderen, te weten [minderjarige 1] bij zijn vader en [minderjarige 2] in het pleeggezin.

Met betrekking tot de door de rechtbank verleende spoedmachtiging was naar het oordeel van het hof sprake van een dreigend onmiddellijk en ernstig gevaar voor de kinderen, op grond waarvan de toestemming tot wijziging van de verblijfplaats van de kinderen moest worden verleend zonder dat betrokkenen vooraf zijn gehoord. Het feit dat de pleegmoeder aangaf er direct mee te willen stoppen en dat ook al vaker had gezegd, was voor de GI terecht beslissend om met het belang van de kinderen voor ogen een veilige en stabiele plek voor hen elders te zoeken.

Het hof hoopt niettemin dat de pleegmoeder, die heeft aangegeven in Griekenland te willen blijven wonen als de kinderen niet naar haar terugkeren, alsnog over haar eigen schaduw kan springen en in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ertoe kan komen om niet uit hun leven te verdwijnen.

3.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikkingen dienen te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikkingen van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 28 juni 2019 en van 10 juli 2019;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, C.D.M. Lamers en M.L.F.J. Schyns, en is op 7 november 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature