< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Partneralimentatie

Verdiencapaciteit alimentatiegerechtigde (fictief)

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.252.971/01

zaaknummer rechtbank : C/01/331045 / FA RK 18-819

beschikking van de meervoudige kamer van 7 november 2019

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. E.E. Frenken te Boxmeer,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. R.A. Knopper te Helmond.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 23 oktober 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is op 18 januari 2019 in hoger beroep gekomen van genoemde beschikking van 23 oktober 2018.

2.2.

De man heeft op 1 maart 2019 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 18 september 2019 met bijlagen, ingekomen op 19 september 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 20 september 2019 met bijlagen, ingekomen op 20 september 2019.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 3 oktober 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.3.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw de Aantekeningen mondelinge behandeling overgelegd (waarvan pagina 2 is vervallen, met uitzondering van de tekst op pagina 2 bij het laatste gedachtestreepje).

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Partijen zijn gehuwd op 23 maart 2007 te [plaats 1] . Zij zijn de ouders van:

- [minderjarige 1] ( [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ,

- [minderjarige 2] ( [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ,

- [minderjarige 3] ( [minderjarige 3] ), geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .

Met ingang van 7 november 2018 zijn de kinderen onder toezicht gesteld. De onder toezichtstelling zal naar verwachting worden verlengd.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 8 april 2019 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij deze beschikking is voorts, voor zover thans van belang, het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie ) van € 147,- per maand, afgewezen.

4.2.1.

De vrouw heeft in hoger beroep verzocht de bestreden beschikking voor zover het de partneralimentatie betreft te vernietigen, en in zoverre opnieuw rechtdoende, voor zover nodig onder aanvulling, althans verbetering van de gronden, alsnog te bepalen dat de man met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven registers van de burgerlijke stand zal bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 444,- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, althans een zodanig bedrag te bepalen en met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht.

4.2.2.

De grieven van de vrouw zien op de behoefte van de vrouw en op haar behoefte aan een aanvullende bijdrage in haar levensonderhoud.

4.3.

De man heeft verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans het hoger beroep van de vrouw af te wijzen als ongegrond en onbewezen.

5 De motivering van de beslissing

Ingangsdatum

5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de hierna door het hof vast te stellen partneralimentatie dient in te gaan op 8 april 2019 (de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand).

Behoefte kinderen

5.2.

Tussen partijen is evenmin in geschil dat voor de bepaling van de behoefte van de kinderen moet worden uitgegaan van een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 2.943,- per maand, te vermeerderen met een kindgebonden budget van € 43,- per maand, hetgeen leidt tot een behoefte van de kinderen van totaal € 840,- per maand (niveau 2017).

Analoog aan de wettelijke indexering bedraagt de behoefte van de kinderen met ingang van 1 januari 2019 totaal € 869,65 per maand.

Aandeel van de man in de kosten van de kinderen

5.3.

Uit het door partijen overeengekomen ouderschapsplan blijkt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 april 2018 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie ) zal voldoen van totaal € 550,- per maand.

Partijen zijn in het ouderschapsplan voorts een zorgregeling overeengekomen die, vanwege het werk van de man in ploegendienst, inhoudt dat de kinderen bij de man verblijven gedurende vier dagen achtereen in een periode van tien dagen (na de tweede nachtdienst vanaf 14.00 uur - na school - tot en met de vierde vrije dag tot 19.00 uur, waarbij de man de kinderen naar de vrouw brengt) .

In nader onderling overleg zijn partijen overeengekomen dat het totale aandeel van de man in de kosten van de kinderen, inclusief de kosten van de omgang (zorgkorting) € 804,- in totaal per maand bedraagt (niveau 2017). Uit voormelde onderlinge regeling leidt het hof af dat de zorgkorting dan totaal € 254,- per maand bedraagt, derhalve ongeveer 30% per maand.

Gelet op het feit dat partijen in het ouderschapsplan zijn overeengekomen dat de kinderalimentatie voor het eerst met ingang van 1 januari 2019 zal worden geïndexeerd, overweegt het hof dat het totale aandeel van de man in de kosten van de kinderen ingevolge de wettelijke indexering met ingang van 1 januari 2019 afgerond € 820,- per maand bedraagt.

Behoefte van de vrouw

5.4.

Tussen partijen is verder niet in geschil dat de behoefte van de vrouw conform de hofnorm in 2017 € 1.248,84 netto per maand bedraagt. Analoog aan de wettelijke indexering bedraagt de behoefte van de vrouw met ingang van 1 januari 2019 € 1.292,92 netto per maand.

Behoeftigheid en aanvullende behoefte van de vrouw

5.5.1.

De vrouw heeft aangevoerd dat zij niet zelf in de kosten van haar levensonderhoud kan voorzien en heeft daartoe het navolgende gesteld. Voor de berekening van haar aanvullende behoefte dient te worden uitgegaan van een te verwerven netto besteedbaar inkomen van

€ 402,- per maand. Indien van een fictief inkomen dient te worden uitgegaan dan kan hoogstens worden gerekend met een 20-urige werkweek met een bijbehorend netto besteedbaar inkomen van € 892,- netto per maand, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde productie 28 (in de Aantekeningen mondelinge behandeling van de advocaat van de vrouw is, naar het hof begrijpt gelet op de stellingen van de vrouw, abusievelijk, een bedrag vermeld van

€ 982,- netto per maand).

5.5.2.

De man is van mening dat de vrouw geacht kan worden 32 uur per week werkzaam te zijn en dat de vrouw een zodanige verdiencapaciteit heeft dat zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De vrouw moet in staat worden geacht werkzaam te zijn gedurende de schooltijden van de drie schoolgaande kinderen, waarbij van belang is dat de kinderen gemiddeld drie dagen per week bij de man verblijven. De vrouw is daarom niet behoeftig, aldus de man.

5.5.3.

Het hof overweegt het navolgende.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de vrouw thans werkzaam is bij cafetaria [cafetaria] te [plaats 2] en afwisselend ook bij het, van dezelfde eigenaar, aangrenzende café [café] . De vrouw werkt indien en voor zover de werkgever werk voor haar heeft in [cafetaria] of bij [café] , op de momenten die haar in verband met de zorg voor de kinderen passen. Uit de door de vrouw overgelegde salarisstroken over de maanden maart tot en met juli 2019 blijkt een salaris van gemiddeld € 250,- à € 300,- netto per maand. De vrouw heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat zij wel werk zoekt, maar dat zij wordt belemmerd in haar mogelijkheden door de extra zorg die zij heeft voor de kinderen (bezoeken aan arts, psycholoog en dergelijke) en ook door het feit dat zij niet op vaste dagen in de week beschikbaar is voor een werkgever, gelet op de incongruente zorgregeling die partijen zijn overeengekomen in verband met het werk in 10 daagse ploegendienst van de man.

Het hof overweegt dat er voor de vrouw weliswaar belemmerende factoren zijn om betaald werk te vinden, zoals de vrouw heeft gesteld, doch dat laat naar het oordeel van het hof onverlet dat van de vrouw in redelijkheid verwacht kan worden dat zij, mede gelet op de huidige leeftijd van de kinderen, in ieder geval werkzaam is gedurende de schooltijd van de kinderen en dat zij derhalve minimaal 20 uur per week betaalde arbeid kan verrichten. Het hof gaat ervan uit dat de vrouw met een 20-urige werkweek een netto besteedbaar inkomen kan verdienen van € 892,- per maand, zoals de vrouw zelf heeft berekend in de door haar overgelegde productie 28, welke berekening de man niet heeft weersproken.

Gelet op het voorgaande stelt het hof de aanvullende behoefte van de vrouw op een bedrag van (€ 1.292,92 minus € 892,- =) afgerond € 400,- netto per maand.

Draagkracht van de man

5.6.

De man heeft gesteld dat hij slechts in staat is om ten hoogste een partneralimentatie aan de vrouw te voldoen van € 148,- bruto per maand, zoals blijkt uit de door de man in hoger beroep overgelegde alimentatieberekening (productie 1 van de man). De vrouw is van mening dat de man in ieder geval in staat is om een partneralimentatie te voldoen van € 402,- bruto per maand.

5.7.

Het hof heeft de draagkracht van de man ter mondelinge behandeling besproken aan de hand van de door de vrouw als productie 30 overgelegde draagkrachtberekening. De advocaat van de man heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat uitgegaan kan worden van het in die berekening opgenomen fiscaal loon van de man van € 62.000,- en dat voorts die berekening gevolgd kan worden, met uitsluiting van de te lage door de vrouw opgenomen kosten van de kinderen van € 733,- per maand.

De vrouw heeft gesteld dat [minderjarige 1] nog maar een paar uur per keer bij de man verblijft en dat voor hem met een zorgkorting van 5% heeft te gelden, in tegenstelling tot de twee andere kinderen voor wie de overeengekomen zorgregeling wel wordt nagekomen. De man heeft dit gemotiveerd weersproken. Er is wel een keer in de vakantie een probleem met de zorgregeling voor [minderjarige 1] geweest, maar dat was een incident. De man en [minderjarige 1] ‘botsen’ af en toe, maar het gaat steeds beter tussen hen en de onderlinge band is goed. Het hof is van oordeel dat de vrouw, gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, haar stelling dat voor [minderjarige 1] een lagere zorgkorting dan voor de andere kinderen heeft te gelden, onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof gaat ook voor [minderjarige 1] uit van de eertijds door partijen zelf begrote zorgkorting van 30%. In de berekening dient derhalve rekening te worden gehouden met kosten van de kinderen van totaal € 820,- per maand, zoals begroot onder 5.3. hiervoor.

5.8.

Uitgaande van de voormelde productie 30 van de vrouw becijfert het hof het netto besteedbaar inkomen van de man aldus op € 3.535,- per maand. Het hof gaat per 8 april 2019 nog uit van de volledige aftrekbaarheid van de door de man betaalde rente, waarbij het hof de betaling door de man van het aandeel van de vrouw in de hypotheekrente kwalificeert als het voldoen aan een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting gelet op de wettelijke onderhoudsplicht die de man jegens de vrouw heeft.

Rekening houdend met de, door de man niet betwiste, maandelijkse lasten zoals opgenomen in productie 30, becijfert het hof de draagkrachtruimte van de man op € 1.978,- per maand. Daarvan is 60% beschikbaar voor het betalen van partneralimentatie. Rekening houdend met de kosten van de kinderen van € 820,- per maand, heeft de man een draagkracht om aan de vrouw een partneralimentatie te betalen van € 165,- per maand. Nu partneralimentatie aan de zijde van de man aftrekbaar is voor de inkomstenbelasting en dit fiscaal voordeel aan de vrouw toekomt, heeft de man de draagkracht om met ingang van 8 april 2019 (de maand april 2019 naar rato) een partneralimentatie te betalen van € 266,- per maand, aan welke bijdrage de vrouw behoefte heeft. Het hof verwijst naar de aan deze beschikking gehechte en van deze beschikking deel uitmakende draagkrachtberkening.

5.9.

Het voorgaande leidt tot de navolgende beschikking.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 23 oktober 2018, uitsluitend voor zover het de afwijzing van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft,

en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 8 april 2019 als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 266,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, J.C.E. Ackermans-Wijn,

H.M.A.W. Erven en bijgestaan door de griffier en is op 7 november 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature