< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Partneralimentatie

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.233.656/01

zaaknummer rechtbank : C/03/226865 / FA RK 16-3678

beschikking van de meervoudige kamer van 24 oktober 2019

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. E. Meuwissen te Maastricht,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. A.F.G. Bergmans-Jeurissen te Sittard.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 16 november 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is op 16 februari 2018 in hoger beroep gekomen van de voormelde beschikking van 16 november 2017.

2.2.

De man heeft op 29 maart 2018 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3.

De vrouw heeft op 9 mei 2019 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 31 augustus 2017;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 3 januari 2019 met als bijlagen de producties 33 tot en met 38, ingekomen op 3 januari 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 4 januari 2019 met als bijlagen de producties 35 tot en met 37, ingekomen op 4 januari 2019;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 4 januari 2019 met als bijlage de aanslag BsGW 2018 behorend bij productie 37;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 14 januari 2019 met als bijlage productie 39, ingekomen op 14 januari 2019.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft op 15 januari 2019 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2.6.

Van de mondelinge behandeling is een verkort proces-verbaal opgemaakt in verband met het opstarten van een mediationtraject.

2.7.

Op 22 maart 2019 is ingekomen een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 22 maart 2019, waaruit blijkt dat partijen niet in onderling overleg tot overeenstemming zijn gekomen en waarin het hof is verzocht een beslissing in deze zaak te geven.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Partijen zijn gehuwd op 6 september 1997. Bij bestreden beschikking is de echtscheiding uitgesproken. Het huwelijk van partijen is op 5 maart 2018 ontbonden door inschrijving van de voormelde beschikking in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, de uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie ) met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (5 maart 2018) bepaald op € 1.179,- per maand.

4.2.

De grieven van de vrouw zien op de behoefte van de vrouw, op haar aanvullende behoefte en op de draagkracht van de man.

De vrouw heeft in het principaal hoger beroep verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking, uitsluitend voor zover het de partneralimentatie betreft, te vernietigen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie alsnog met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking te bepalen op € 4.559,- bruto per maand.

4.3.

De man heeft in het principaal hoger beroep verzocht de vrouw in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoek af te wijzen.

4.4.

De grieven van de man zien op de behoefte van de vrouw, op de aanvullende behoefte van de vrouw en op zijn draagkracht.

De man heeft in het incidenteel hoger beroep verzocht de bestreden beschikking te vernietigen uitsluitend voor zover het de partneralimentatie betreft, en in zoverre opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de man met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand geen partneralimentatie aan de vrouw dient te betalen.

4.5.

De vrouw heeft in incidenteel appel verzocht het zelfstandig verzoek van de man af te wijzen.

4.6.

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep gezamenlijk beoordelen.

5 De motivering van de beslissing

In het principaal en incidenteel hoger beroep

Ingangsdatum

5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de hierna vast te stellen door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie dient in te gaan op de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, te weten 5 maart 2018, zodat het hof daarvan uitgaat.

5.2.

Uit proceseconomische overwegingen beoordeelt het hof eerst de draagkracht van de man.

Draagkracht van de man

Inkomen van de man

5.3.

Het hof houdt rekening met de AOW-uitkering, met ingang van 1 januari 2018 van

€ 1.173,33 bruto per maand bedraagt, nog te vermeerderen met vakantietoeslag van € 71,24 bruto per maand, zijnde totaal € 14.933,- bruto per jaar (zie productie 32 van de man in hoger beroep). Uit de voormelde brief van 16 maart 2018 van het ABP aan de man blijkt dat het ABP pensioen van de man na verevening € 1.577,86 bruto per maand bedraagt, dit is

€ 18.934,32 bruto per jaar.

Tussen partijen is voorts niet in geschil dat rekening gehouden moet worden met het forfaitair rendement van het vermogen van de man van € 477.190,-. Voorts dient ook aan de zijde van de man rekening te worden gehouden met netto huurinkomsten, doch partijen verschillen van mening over het bedrag waarmee voor de berekening van de draagkracht van de man gerekend moet worden.

Huurinkomsten en kosten ter zake verhuur

5.4.

De vrouw heeft in het beroepschrift gesteld dat de bruto huurinkomsten van de man

€ 80.190,- per jaar bedragen. De man heeft daarop in zijn verweerschrift op het principaal hoger beroep aan gesloten, althans heeft hij een minimaal verschil geconstateerd met het door hem gesteld bedrag aan bruto huurinkomsten van € 79.620,- per jaar. De vrouw is in haar verweerschrift in incidenteel hoger beroep uitgegaan van een bedrag van € 80.000,- per jaar. Ter mondelinge behandeling heeft de voorzitter partijen voorgehouden om uit te gaan van € 80.000,-. Partijen hebben het hof ter mondelinge behandeling niet van zodanige informatie voorzien dat van andere huurinkomsten dan € 80.000,- bruto per jaar moet worden uitgegaan.

5.5.1.

De man heeft in zijn verweerschrift op het principaal hoger beroep gesteld dat hij voor de panden [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] , kosten moet maken, totaal € 28.273,31 per jaar, zoals blijkt uit het door de man in zijn verweerschrift in principaal hoger beroep opgestelde overzicht als reactie op grief 3 van de vrouw. De man heeft zijn netto huurinkomsten gesteld op € 51.347,- netto per jaar.

De vrouw heeft (een aantal van de) door de man gestelde kosten gemotiveerd betwist. De vrouw is van mening dat rekening gehouden moet worden met huurinkomsten van € 67.957,- netto per jaar.

5.5.2.

Het hof overweegt te dien aanzien het navolgende.

5.5.2.1. Ten aanzien van het beheer:

De man rekent voor de hiervoor genoemde drie panden voor het administratief beheer respectievelijk € 1.920,-, € 3.840,- en € 1.920,-, totaal € 7.680,- per jaar. Voor het technisch beheer gaat de man uit van respectievelijk € 1.500,-, € 1.500,- en € 750,- derhalve totaal van € 3.750,- per jaar.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist. Zij acht een percentage van maximaal 6% van de bruto huurinkomsten redelijk voor het volledige beheer, administratief en technisch beheer tezamen.

Het hof overweegt het navolgende.

Uit de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling is gebleken dat de man het administratief en technisch beheer aan respectievelijk zijn dochter en zijn zoon heeft overgelaten. Het hof gaat voor de kosten van het administratief beheer naar redelijkheid en billijkheid uit van een in de praktijk gangbaar percentage van 5% van de bruto huuropbrengst, te vermeerderen met 21% BTW, derhalve van een bedrag van € 4.840,- per jaar.

Ten aanzien van het technisch beheer is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat de door de man gestelde kosten betrekking hebben op materialen en bestede uren. De vrouw heeft erkend dat het onderhoud tijdens het huwelijk van partijen werd verricht door de zoon van de man. De man heeft ter onderbouwing van zijn stelling weliswaar oude nota’s over de periode van 2014 tot 2016 (productie 17 in eerste aanleg, productie 28 in hoger beroep) overgelegd, doch het hof acht de door de man opgegeven kosten voor de drie panden van totaal € 3.750,- per jaar reëel, zodat het daarmee rekening houdt. Het hof volgt de vrouw niet in haar stelling dat de man die kosten met zijn zoon moet verrekenen omdat de man een vordering heeft zijn zoon van € 100.000,-, nu een dergelijke verrekening tijdens het huwelijk ook niet heeft plaats gevonden, zodat niet zonder meer valt in te zien waarom dat thans wel het geval zou moeten zijn.

5.5.2.2. Ten aanzien van de brandbeveiliging:

Het hof rekent naar redelijkheid en billijkheid met een bedrag van € 250,- per jaar, nu brandblussers regulier gecontroleerd, en waar nodig vervangen, plegen te worden.

5.5.2.3. De overige kosten, zoals door de man in het overzicht in het verweerschrift in principaal hoger beroep opgenomen, komen het hof, mede gelet op de door de man overgelegde stukken, voldoende aannemelijk voor, zodat met die kosten volgens de opgave van de man rekening wordt gehouden.

5.5.2.4. Het voorgaande leidt ertoe dat het hof rekening houdt met een bedrag van totaal afgerond € 24.933,- per jaar ter zake door de man gemaakte kosten, welke kosten op de bruto huurinkomsten in mindering moeten worden gebracht. Het hof houdt rekening met netto huurinkomsten van de man van € 80.000,- minus € 24.933,- = € 55.067,- per jaar.

5.6.

Rekening houdend met de toepasselijke heffingskortingen becijfert het hof het netto besteedbaar inkomen van de man op € 6.437,- per maand, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte en van deze beschikking deel uitmakende draagkrachtberekening (bijlage I).

Draagkrachtloos inkomen van de man

Normbedrag Participatiewet

Het hof houdt rekening met het op de Participatiewet gebaseerde normbedrag, exclusief de ondergrens woonkostencomponent, voor een zelfstandig wonende AOW- gerechtigde alleenstaande, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud.

Woonlasten

Het hof houdt voorts, evenals de rechtbank, rekening met de forfaitaire eigenaarslasten van

€ 95,- per maand.

Ziektekosten

Het hof houdt voorts, evenals de rechtbank, rekening met de navolgende maandelijkse lasten:

- € 150,- aan premie ZVW;

- € 32,- aan verplicht eigen risico;

minus € 35,- (2018) zijnde het in het normbedrag Participatiewet begrepen nominale deel premie ZVW voor een alleenstaande.

5.7.

De door de rechtbank in de draagkrachtberekening opgenomen posten 130, 132 en 134 (verwervingskosten, aflossing schulden en overige kosten) ten bedrage van respectievelijk

€ 1.667,-, € 330,- en € 553,- per maand, zijn in hoger beroep in geschil.

5.8.

Zowel de man als de vrouw hebben een grief gericht tegen post 130.

Partijen hebben gesteld dat de rechtbank ten onrechte rekening heeft gehouden met onderhoudskosten van € 20.000,- op jaarbasis, zijnde € 1.667,- per maand. Partijen hebben elkaars stellingen gemotiveerd betwist.

5.9.1.

De vrouw heeft, verkort weergegeven, het navolgende gesteld. De door de man gestelde verbouwingen zijn deels al in 2017 uitgevoerd, zodat de kosten daarvan niet meer drukken op de draagkracht van de man in 2018. Het onderhoud wordt verricht door de zoon van de man en de door de zoon gemaakte kosten kan de man verrekenen met de vordering van de man op de zoon van € 100.000,-. Subsidiair is de vrouw van mening dat de resterende onderhoudskosten, uitgesmeerd over vijf jaar, zijn beperkt tot een bedrag van € 12.000,- per jaar, zijnde € 1.000,- per maand.

5.9.2.

De man heeft, verkort weergegeven, het navolgende gesteld. Post 130 heeft betrekking op rente en aflossing van een noodzakelijke hypothecaire geldlening van € 150.000,-. Dit betreft het pand aan de [adres 1] . Naast het reguliere onderhoud van € 10.000,-per jaar is, conform een bouwtechnisch onderzoek, een investering nodig van € 99.704,- ter zake achterstallig onderhoud. Daarbij moet de man een rekening-courantschuld van € 53.000,- aflossen. In totaal dient een bedrag van € 22.000,- per jaar in het draagkrachtloos inkomen te worden opgenomen, zijnde € 12.000,- (aflossing en rente op hypotheek of rekening-courant) en € 10.000,- (onderhoudskosten), zijnde totaal € 1.833,- per maand.

5.9.3.

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling is gebleken dat op dit moment feitelijk van een hypothecaire lening van € 150.000,- geen sprake is. Dàt er sprake is van investeringskosten, hetgeen ook reëel is te achten, is door de vrouw niet betwist. Nu de vrouw zich kan vinden in een bedrag van € 1.000,- per maand, houdt het hof daarmee bij post 130 in de draagkrachtberekening rekening. Het hof volgt de vrouw niet in haar stelling dat - in geval deze kosten door de zoon van de man worden berekend aan hem - deze kosten zonder meer kunnen worden verrekend met de vordering die de man op zijn zoon heeft, nu van een dergelijke verrekening tijdens het huwelijk ook geen sprake was, zoals het hof hiervoor ook reeds vaststelde.

5.10.

Zowel de man als de vrouw hebben een grief gericht tegen post 132. Partijen hebben gesteld dat de rechtbank ten onrechte rekening heeft gehouden met een bedrag van € 330,- per maand ter zake aflossing van schulden. Partijen hebben elkaar stellingen gemotiveerd betwist.

5.10.1

De vrouw heeft, verkort weergegeven, gesteld dat de man slechts rente betaalt van

€ 200,- per maand betaalt ter zake de rekeningcourantschuld en dat de man verder geen aflossingen doet.

De man heeft gesteld dat het bedrag van € 330,- ziet op de rentelast van 6% over de schenkingen van de man aan zijn kinderen en de dochter van de vrouw. In eerste aanleg heeft de man per abuis verzuimd de rentebetaling over de rekeningcourantschuld van € 216,39 per maand in zijn draagkrachtberekening mee te nemen, zodat in totaal bij post 132 een bedrag van afgerond € 546,- per maand meegenomen dient te worden.

5.10.2.

Het hof overweegt het navolgende.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben beide partijen ermee ingestemd dat ter zake de rentebetaling op de rekeningcourantschuld rekening wordt gehouden met een bedrag van € 207,- per maand. Van aflossing is geen sprake. Uit de aangifte Inkomstenbelasting 2015 van de man (productie 30 van de vrouw in hoger beroep) blijkt dat er sprake is van schuldig gebleven schenkingen van de man aan de kinderen ten bedrage van € 44.120,-. De vrouw heeft door de man gestelde het rentepercentage van 6% niet weersproken, zodat het hof uitgaat van een rente 6% x € 44.120,- = € 2.647,20 per jaar, zijnde € 220,60 per maand. In totaal houdt het hof bij post 132 rekening met een van afgerond € 428,- per maand (zie bijlage II).

5.11.1.

De vrouw heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte bij post 134 rekening heeft gehouden met kosten van € 6.632,- per jaar, zijnde € 553,- per maand, ter zake het pand van de man te [plaats] (België).

De vrouw is van mening dat de man zich van de kosten van het pand kan bevrijden. De kosten betreffen ook luxe-uitgaven van de man die in redelijkheid niet op de draagkracht van de man mogen drukken. De man kan het pand verkopen of verhuren. De onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw prevaleert boven de lasten van het pand te [plaats] , aldus de vrouw.

De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist.

5.11.2.

Het hof overweegt het navolgende.

De man heeft ter mondelinge behandeling onder meer het navolgende onweersproken verklaard. Het pand (een molen) was al in het bezit van de man toen hij met de vrouw in het huwelijk trad. Partijen verbleven er regelmatig. Het pand is (in ieder geval tot 2024) onverkoopbaar omdat het in een deelgenootschap valt. De deelgenoot is in 1994 en overleden en het is volgens de testamentuitvoerder ondoenlijk om de erfgenamen op te sporen. Het pand mag niet (meer) permanent bewoond worden en het mag niet worden verhuurd. De man organiseert er wel regelmatig bijeenkomsten in verband met zijn hobby filosofie.

Het hof ziet in de stukken en het verhandelde aanleiding om ten aanzien van de door de man opgevoerde kosten uitsluitend de algemene onderhoudskosten mee te nemen, zoals de man in bijlage 19 eerste aanleg heeft opgegeven, zijnde: gemeentelijke belastingen, OG belasting, verzekeringen, onderhoud en olie, totaal ten bedrage van € 312,65 per maand. De gebruikskosten, zijnde: elektra, internet en telefoon, schoonmaak en TV schotel, dient de man in redelijkheid uit zijn vrije ruimte te voldoen. Gelet op het voorgaande houdt het hof rekening bij post 134 rekening met een bedrag van afgerond € 313,- per maand.

Vaststelling draagkrachtruimte en draagkracht van de man

5.12.

Uitgaande van bovengenoemd netto besteedbaar inkomen en rekening houdend met de voormelde lasten, heeft de man een draagkrachtruimte van € 3.434.- per maand en een draagkracht van € 2.060,- per maand (zie bijlage I).

Betaalde partneralimentatie is aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Rekening houdend met het fiscaal voordeel dat de man door deze aftrek geniet, hetgeen ten goede komt aan de vrouw, heeft de man de draagkracht om € 2.592,- per maand te betalen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

5.13.

Het hof dient te beoordelen of de vrouw behoefte heeft aan een dergelijke bijdrage van de man in haar levensonderhoud.

Financiële positie van de vrouw

5.14.

Tussen partijen is niet in geschil dat uitgegaan dient te worden van de uitkering van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn van € 4.488,- bruto per jaar. Het pensioen van de vrouw is ten tijde van de mondelinge behandeling (nog) niet verevend. Partijen hebben er ter mondelinge behandeling mee ingestemd dat aan de zijde van de vrouw rekening wordt gehouden met het niet-verevende pensioen. Voorts ontvangt de vrouw, evenals de man, een AOW-uitkering, die met ingang van 1 januari 2018 € 1.173,33 bruto per maand bedraagt, nog te vermeerderen met vakantietoeslag van € 71,24 bruto per maand, zijnde totaal € 14.933,- bruto per jaar. Uit de, eveneens bij productie 32 van de man overgelegde, brief van 16 maart 2018 van het ABP aan de man blijkt dat het ABP pensioen van de man is verevend op grond waarvan de vrouw een bedrag ontvangt van € 55,51 bruto per maand, dit is € 678,- bruto per jaar.

Tussen partijen is voorts niet in geschil dat rekening gehouden moet worden met het forfaitair rendement van vermogen van de vrouw van € 222.768,-. Uit de door partijen in hoger beroep overgelegde draagkrachtberekening blijkt dat beiden rekening hebben gehouden met netto huurinkomsten van € 10.585,- per jaar, zoals de voorzitter partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling - door partijen onweersproken - heeft voorgehouden, zodat het hof daarvan uitgaat.

Het hof houdt voorts, evenals de rechtbank, rekening met het eigenwoningforfait van

€ 1.507,- per jaar, de aftrekbare hypotheekrente van € 3.275,- per jaar de toepasselijke heffingskortingen. Het hof becijfert het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 2.288,- per maand, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte en van deze beschikking deel uitmakende berekening (bijlage II).

Behoefte en aanvullende behoefte van de vrouw

5.15.

Uitgaande van voormeld inkomen van de vrouw en een bijdrage die de man maximaal aan de vrouw kan voldoen van € 2.592,- per maand (dit is € 31.104 per jaar) beschikt de vrouw over een netto besteedbaar inkomen van € 3.857,- per maand, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte en van deze beschikking deel uitmakende berekening (bijlage III). De vraag rijst of de vrouw behoefte heeft aan een dergelijke bijdrage van de man ter voorziening in de kosten van levensonderhoud.

5.16.

Partijen verschillen van mening over de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw.

Het hof inventariseert als volgt.

De vrouw heeft in eerste aanleg gesteld dat zij een huwelijksgerelateerde behoefte heeft, op basis van de hof-formule van € 7.414,- netto per maand. Nadat de man in eerste aanleg stelde dat de vrouw een behoeftelijst diende over te leggen, stelde de vrouw haar behoefte op

€ 6.489,98 netto per maand. In hoger beroep heeft de vrouw haar behoefte op basis van de behoefte lijst gesteld op € 6.125,28 netto per maand. De man heeft in eerste aanleg de behoefte van de vrouw op € 2.713,21 netto per maand gesteld. In hoger beroep stelt de man de behoefte van de vrouw op € 2.283,35 netto per maand. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw , aanhakend bij de beschikking voorlopige voorzieningen op basis van de hofnorm bepaalde behoefte van de vrouw, vastgesteld op € 5.000,- netto per maand.

In hoger beroep heeft de man ten aanzien van de behoeftelijst van de vrouw een grief gericht tegen de overwegingen van de rechtbank ter zake de ziektekosten van de vrouw, de belastingen, de auto, de woning, het huishouden en de persoonlijke verzorging. In eerste aanleg heeft de man een overzicht overgelegd (productie 23 van de man) waaruit blijkt dat hij zelf een bedrag van € 3.032,21 netto per maand aan eigen kosten voor levensonderhoud uitgeeft

Gelet op de uiteenlopende standpunten van partijen ter zake de behoefte van de vrouw en al hetgeen partijen naar voren hebben gebracht en gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw, is het hof alles overziend en in onderlinge samenhang beschouwd, naar redelijkheid van oordeel dat de vrouw met ingang van 5 maart 2018 in ieder geval dient te beschikken over een netto besteedbaar inkomen van € 3.857,- per maand en dat zij derhalve in ieder geval behoefte heeft aan een bijdrage van de man in haar levensonderhoud van € 2.592,- per maand bruto per maand.

Jusvergelijking

5.17.

Om te beoordelen of partijen met een te betalen respectievelijk te ontvangen partneralimentatie van € 2.592,- per maand over een gelijke vrije besteedbare ruimte beschikken dient een jusvergelijking te worden gemaakt. Daartoe dient het hof het draagkrachtloos inkomen van de vrouw nog te beoordelen.

Draagkrachtloos inkomen van de vrouw

Normbedrag Participatiewet

Het hof houdt rekening met het op de Participatiewet gebaseerde normbedrag, exclusief de ondergrens woonkostencomponent, voor een zelfstandig wonende AOW-gerechtigde alleenstaande, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud.

Woonlasten

Het hof houdt voorts, evenals de rechtbank, rekening met de navolgende maandelijkse lasten:

- € 273,- aan aftrekbare hypotheekrente;

- € 48,25 aan niet-aftrekbare hypotheekrente;

- € 371,- aflossing/premie levensverzekering;

- € 95,- aan (forfaitaire) overige eigenaarslasten.

Ziektekosten

Het hof houdt, evenals de rechtbank, rekening met de navolgende maandelijkse lasten:

- € 133,- aan premie ZVW;

- € 32,- aan verplicht eigen risico;

minus € 35,- (2018) zijnde het in het normbedrag Participatiewet begrepen nominale deel premie ZVW voor een alleenstaande.

Onderhoudskosten panden

Het hof houdt, evenals de rechtbank, rekening met € 600,- per maand ter zake onderhoudskosten voor het onroerend goed van de vrouw.

5.18.

Uitgaande van bovengenoemd netto besteedbaar inkomen van € 2.288,- per maand en rekening houdend met de voormelde lasten, heeft de vrouw een draagkrachtruimte van nihil (zie bijlage II).

5.19.

Bij vergelijking van bovenstaande financiële omstandigheden van partijen en rekening houdend met alle fiscale aspecten, is het hof van oordeel dat de man met ingang van 5 maart 2018 een partneralimentatie dient te voldoen van € 2.557,- per maand, waartoe de man in staat is en met welke partneralimentatie partijen eenzelfde vrij te besteden bedrag over houden, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte en van deze beschikking deel uitmakende jusvergelijking (bijlage IV).

5.20.

Analoog aan de wettelijke indexering bedraagt deze bijdrage met ingang van 1 januari 2019 € 2.608,14 per maand.

5.21.

Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 16 november 2017, uitsluitend voor zover aan het betreft de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw,

en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud dient te voldoen:

- van 5 maart 2018 tot en met 31 december 2018 een bedrag van € 2.557,-per maand;

- met ingang van 1 januari 2019 een bedrag van € 2.608,14 per maand,

de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, J.F.A.M. Graafland -Verhaegen en E.H. Schijven-Bours en bijgestaan door de griffier en is op 24 oktober 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature