< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Het hof is van oordeel dat de rechtbank in de geest van artikel 1:267 lid 2 BW heeft gehandeld en terecht het verzoek van de GI ex artikel 1:267 lid 2 BW aan de raad als doorgezonden heeft beschouwd.

Nu het hof zich onvoldoende voorgelicht acht is een nader raadsonderzoek wenselijk en wordt iedere verdere beslissing aangehouden

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 10 oktober 2019

Zaaknummers: 200.260.728/01 en 200.260.903/01

Zaaknummers eerste aanleg: C/01/343277 FA RK 19-685 en C/01/338217 FA RK 18-4450

in de zaken in hoger beroep van:

met zaaknummer 200.260.728/01:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. T.J. Kreeftenberg,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

Regio Zuidoost Nederland,

locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

met zaaknummer 200.260.903/01:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal appel,

verweerder in (voorwaardelijk) incidenteel appel,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. T.J. Kreeftenberg,

tegen

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in principaal appel,

appellante in (voorwaardelijk) incidenteel appel,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. L. Stam.

De zaak gaat over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

in de zaak met zaaknummer 200.260.728/01

- de moeder;

in de zaken met zaaknummers 200.260.728/01 en 200.260.903/01

de (voormalige) pleegouders [pleegouders] , hierna te noemen: de pleegouders;

Jeugdbescherming Brabant, statutair gevestigd te [vestigingsplaats] en kantoorhoudende te [kantoorplaats] , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI)

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is - in de zaak met zaaknummer 200.260. 903/01 - in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging: [locatie]

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg:

in de zaak met zaaknummer 200.260.728/01

naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 23 april 2019 (C/01/343277 FA RK 19-685); en

in de zaak met zaaknummer 200.260.903/01

naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 23 april 2019 ((C/01/338217 FA RK 18-4450).

2 Het geding in hoger beroep

In de zaken met zaaknummer 200.260.728/01 en zaaknummer 200.260.903/01:

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 7 juni 2019, heeft de vader het hof verzocht voormelde beschikkingen te vernietigen voor zover het betreft het beëindigen van zijn gezag en voor wat betreft zijn verzoek het ouderschapsplan aan de beschikking te hechten. De vader heeft het hof verzocht te bepalen dat:

1. hij met het eenzijdig gezag over [minderjarige] wordt belast;

2. het ouderschapsplan aan de beschikking wordt gehecht.

In de zaak met zaaknummer 200.260.728/01:

2.2.

Is er geen verweerschrift van de raad ter griffie van het hof ingekomen.

In de zaak met zaaknummer 200.260.903/01:

2.3.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 juli 2019, heeft de moeder het hof primair verzocht om, uitvoerbaar bij voorraad, de beschikkingen waarvan beroep te bekrachtigen.

Bij voorwaardelijk incidenteel appel en in het door de moeder gedane voorwaardelijk aanvullend verzoek heeft de moeder het hof, uitvoerbaar bij voorraad, verzocht haar te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] en de beschikking van 2 juni 2013 (C/01/238987/ FA RK 11-6273) te wijzigen en een zorgregeling tussen vader en [minderjarige] vast te stellen als volgt:

een weekend in de veertien dagen van vrijdagmiddag na school tot en met maandagochtend naar school,

alsmede de helft van de vakanties en feestdagen waarbij zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij de reguliere weekenden, waardoor er zo min mogelijk wissels nodig zijn en

waarbij tijdens de éénweekse vakanties [minderjarige] volledig bij de vader dan wel bij de moeder blijft tot maandagochtend naar school en

waarbij tijdens de tweeweekse vakanties de wissel op zaterdagavond 18.00 uur plaatsvindt en de ouder waar [minderjarige] in de laatste week verblijft tot maandagochtend blijft en vanuit die ouder weer naar school gaat en

de zomervakantie [minderjarige] drie weken aaneengesloten bij de ouder blijft

bij wie de vakantie in het weekend conform de reguliere weekendregeling begint en de wissel na drie weken plaatsvindt op zaterdagavond 18.00 uur, als mede vader,- en moederdag [minderjarige] het gehele weekend bij de betreffende ouder verblijft van vrijdagmiddag na school tot en met maandagochtend en die weekenden niet worden

ingehaald en

de feestdagen te laten aansluiten bij de reguliere weekenden met uitzondering van de kerstvakantie. In dat geval verblijft [minderjarige] de eerste week in de oneven jaren bij de moeder van vrijdagmiddag uit school tot en met de week er na op zaterdag 18:00 uur en vervolgens bij de vader vanaf zaterdag 18:00 uur tot maandagochtend de week erna naar school en het jaar daarop in de even jaren verblijft [minderjarige] de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder; en

de ouder bij wie [minderjarige] alsdan is haar naar de andere ouder brengt.

2.3.1.

Bij verweerschrift in incidenteel appel met producties, ingekomen ter griffie op 20 augustus 2019, heeft de vader het hof verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, althans de verzoeken van de moeder af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen.

In de zaken met zaaknummer 200.260.728/01 en zaaknummer 200.260.903/01:

2.4.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 juli 2019, heeft de GI het hof verzocht het hoger beroep van de vader af te wijzen en de beide bestreden beschikkingen in stand te laten.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2019.

De zaken met zaaknummers 200.260.728/01 en 200.260.903/01 zijn gelijktijdig behandeld.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. Kreeftenberg;

- de moeder, bijgestaan door mr. Stam;

- de raad, vertegenwoordigd door mr. [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] .

2.5.1.

Hoewel behoorlijk daartoe opgeroepen zijn de voormalige pleegouders van [minderjarige] niet ter zitting verschenen.

2.6.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de processen-verbaal van de mondelinge behandeling in de zaak met zaaknummer C/01/343277 FA RK 19-685 en in de zaak met zaaknummer C/01/338217 FA RK 18-4450 in eerste aanleg d.d. 26 maart 2019.

3. De beoordeling

In het principaal en (voorwaardelijk) incidenteel appel:

3.1.

Uit het ontbonden huwelijk van partijen is geboren:

- [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] .

3.2.

[minderjarige] staat sinds 29 december 2014 onder toezicht van de GI. Sindsdien is deze maatregel verlengd.

3.3.

Bij beschikking van 21 december 2018 heeft de rechtbank Oost-Brabant, voor zover thans van belang, de beslissing inzake het gezag, de hoofdverblijfplaats en de verdeling van de zorg - en opvoedingstaken aangehouden teneinde de raad in de gelegenheid te stellen om binnen zes weken na heden een verzoek tot beëindiging van het gezag van beide ouders in te dienen.

3.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking met zaaknummer C/01/343277 / FA RK 19-685 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het ouderlijk gezag van de vader en de moeder over [minderjarige] beëindigd en de GI tot voogd benoemd over [minderjarige] .

3.5.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking met zaaknummer C/01/338217 / FA RK 18-4450 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de verzoeken van partijen aangaande - kort samengevat - het hoofdverblijf van [minderjarige] , het ouderlijk gezag, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en het aanhechten van het ouderschapsplan afgewezen.

3.6.

De vader en de moeder kunnen zich met deze beide beslissingen niet verenigen en zij zijn hiervan ieder voor zich in hoger beroep gekomen.

3.7.

De vader voert - samengevat - het volgende aan.

De vader is teleurgesteld in de rol van de gezinsvoogd. Er ontbreekt visie en een eenduidig beeld bij de GI. Verder deelt de GI niet de zienswijze van Combinatie Jeugdzorg (CJZ) en heeft de GI onvoldoende tijd om de gezinsbeschermende taken uit te voeren, laat staan de voogdij over [minderjarige] te kunnen voeren.

Verder stelt de vader dat de in artikel 1:267 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) beschreven procedure niet is nagekomen, althans voor partijen onvoldoende duidelijk is gevolgd. De rechtbank heeft ten onrechte aangenomen dat er een verzoek tot doorgeleiding is gedaan. Er is sprake van partijdigheid doordat de GI, zonder medewerking van de raad, een verstrekkende maatregel heeft verzocht, waarbij zij zelf de maatregel gaan uitvoeren.

De beslissing van de rechtbank is derhalve gegeven op basis van een verzoek van een onbevoegde instantie dan wel op basis van een onjuiste procedure zodat er een ongeoorloofde inbreuk is gemaakt op het family life ex artikel 8 EVRM .

Voorts is er in de onderhavige zaak niet voldaan aan het vereiste in artikel 1:266 lid 1 onder a BW, zodat de beslissing van de rechtbank als zijnde ongegrond dient te worden afgewezen.

Artikel 1:266 BW geldt voor ouders die niet meer zelf voor hun kind kunnen zorgen en het kind uit huis is geplaatst. Voor de situatie dat de ouders nog wel zelf voor het kind kunnen zorgen is de minder ver strekkende maatregel van de ondertoezichtstelling bedoeld.

Indien er een lichtere maatregel voor handen is, dient voor deze maatregel gekozen te worden boven de zwaardere maatregel. De vader stelt daarom dat er ook op grond daarvan sprake is van inbreuk op zijn voornoemde family life.

Inmenging in het gezinsleven dient in een redelijke verhouding te staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd. Aan beide voorwaarden is volgens de vader niet voldaan.

Gezagsbeëindiging is bedoeld voor de situatie waarin het kind uit huis is geplaatst en daar het beste af is. Deze maatregel is niet bedoeld voor de onderhavige situatie waarin partijen de zorg delen en daarvoor een ouderschapsplan hebben ondertekend, aldus de vader.

Ook in de situatie waarin beide ouders solo-ouderschap hebben zonder gezag zal [minderjarige] belast worden met negatieve gevoelens van de ene ouder over de andere ouder. Deze belasting staat los van de gezagskwestie. Het verwerpen van de lichtere maatregel waarbij één van de ouders met het gezag wordt belast, is derhalve onvoldoende gemotiveerd.

Volgens vader kan er nu geen sprake zijn van opvoeding omdat [minderjarige] weet dat de vader

geen gezag heeft en zij niet naar hem hoeft te luisteren. [minderjarige] gaat nu bepalen wat er gebeurt en de GI kan niet adequaat ingrijpen als dat nodig is.

De rechtbank heeft (in de beschikking inzake C/01/338217/FA RK 18-4450) het verzoek van de vader tot wijziging van het gezamenlijk gezag in eenouder gezag ten onrechte afgewezen met de enkele verwijzing naar de ambtshalve beëindiging van het gezag.

De meest logische en minst verstrekkende maatregel is om de vader te belasten met het eenhoofdig gezag. Dit aangezien het gezamenlijk gezag contraproductief werkte omdat de moeder geen beslissingen kon nemen. Het enkele feit dat er geen communicatie met de moeder mogelijk is kan geen grond zijn voor het beëindigen van het gezag.

Hulp voor [minderjarige] is nodig maar lang vertraagd en uitgesteld omdat de moeder ontkende dat er problemen waren. Zij verzorgt [minderjarige] en vervult haar wensen maar zij voedt [minderjarige] niet op; zij houdt haar klein. De vader kan en wil zich als opvoeder van [minderjarige] inzetten en hulp aanvaarden bij het aangaan van de problemen met [minderjarige] . Daarom is hij de meest aangewezen persoon om het gezag uit te oefenen.

De angst van de moeder dat wanneer het gezag bij de vader alleen is hij geen rekening houdt met haar belangen, is ongegrond. De vader heeft er immers geen enkel belang bij om de moeder buiten spel te zetten. De vader zet zich al vanaf 2011 in voor [minderjarige] en maakt zich grote zorgen over haar welzijn. Hij voelt zich buitenspel gezet en ziet dat zij steeds verder afglijdt. Indien hij niet in staat wordt gesteld om het gezag uit te oefenen ziet hij geen andere optie dan zich helemaal aan de zorg voor [minderjarige] te onttrekken.

Tot slot stelt de vader dat de rechtbank (in de beschikking inzake C/01/338217/FA RK 18-4450) ten onrechte het verzoek van partijen om het ouderschapsplan aan te hechten heeft afgewezen en in het geheel geen aandacht besteed aan het feit dat partijen het eens zijn over de punten die hierin zijn geregeld. Een executoriale titel komt hierdoor te vervallen. Met name in het geval de vader met het eenhoofdig gezag wordt belast acht hij aanhechting van de tussen partijen gemaakte afspraken van belang.

3.8.

De moeder heeft de grieven van de vader gemotiveerd betwist.

Zij meent dat de rechtbank niet heeft beslist op verzoek van een onbevoegde instantie dan wel op basis van onjuiste procedure. Ook is er geen sprake van een inbreuk op artikel 8 EVRM .

Gelet op de wens van [minderjarige] om weer (week op en week af) bij de vader en de moeder te gaan wonen en niet langer in een pleeggezin, was het van belang dat de ouders niet meer in conflict konden raken over gezagszaken. Als één van de ouders immers met het gezag belast zou blijven, zou deze strijd niet gestaakt worden en ertoe leiden dat [minderjarige] nog steeds klem zou zitten. Daarom is de gezagsbeëindiging het meest in het belang van [minderjarige] . De ouders worden immers op deze manier allebei in staat gesteld om voor [minderjarige] te zorgen.

De moeder betwist derhalve dat er sprake is van een inbreuk op artikel 1:266 lid 2 onder a BW jo artikel 247 lid 2 BW , zoals de vader stelt.

De moeder is het eens met de GI dat wanneer één van de ouders belast wordt met het eenhoofdig gezag de andere ouder dat niet kan verdragen en dit te belastend is voor [minderjarige] . De vader laat, volgens de moeder, op geen enkele manier zien dat hij in staat is in het belang van [minderjarige] te handelen. De moeder vreest voor haar welzijn en voorziet dat wanneer de vader het eenhoofdig gezag krijgt, [minderjarige] zodanig klem komt te zitten dat haar ontwikkeling stagneert en er een neerwaartse spiraal zal ontstaan.

Ten aanzien van het ouderschapsplan stelt de moeder zich op het standpunt dat op het moment dat geen van de ouders het gezag heeft, het ouderschapsplan juridisch geen kader kent. Geen van de ouders is dan immers de wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige] . Aanhechting van het ouderschapsplan aan de beschikking is daarom niet mogelijk.

Dat neemt niet weg dat de ouders wel uitvoering kunnen blijven geven aan de afspraken die zij gemaakt hebben, waarbij de moeder wijst op de beperkte geldigheidsduur van de door de ouders gemaakte afspraken.

Voorwaardelijk incidenteel appel en voorwaardelijk aanvullend verzoek

Ingeval het hof van oordeel is dat één van de ouders met het gezag belast moet blijven, verzoekt de moeder haar met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten en een andere zorgregeling vast te stellen. Dit nu de vader het belang van [minderjarige] niet voldoende ziet en [minderjarige] klem en verloren raakt wanneer de vader alleen het gezag zou hebben.

De moeder stelt daartoe dat sinds [minderjarige] (medio april 2019) weer voor de helft van de tijd bij de moeder en de vader woont, [minderjarige] aangeeft dat zij minder vaak bij de vader wil zijn.

[minderjarige] heeft aangegeven dat de vader zich negatief uitlaat over de moeder en dat hij snel boos wordt zonder dat [minderjarige] begrijpt waarom. De moeder heeft vermoedens van drankmisbruik aan de kant van de vader. Verder verslechteren de schoolprestaties van [minderjarige] en heeft zij ook aan school aangegeven dat zij spanningen ervaart bij de vader.

De moeder betreurt het tot slot dat de vader zichzelf geen ruimte geeft om vader voor [minderjarige] te zijn en geen hulpverlening voor zichzelf accepteert.

3.9.

In het verweerschrift van de vader ten aanzien van het voorwaardelijk incidenteel appel en haar voorwaardelijk aanvullend verzoek van de moeder, wijst hij erop dat [minderjarige] bij hem niet aangeeft dat zij minder bij hem wil zijn. [minderjarige] vindt het juist heel erg fijn bij hem. De vader ontkent dan ook wat de moeder stelt. [minderjarige] is makkelijk beïnvloedbaar en de gezinsvoogd neemt haar verhalen voor waar aan zonder hoor en wederhoor te plegen en onderneemt gelijk actie. De vader krijgt op die manier geen kans om zijn kant van het verhaal te vertellen.

[minderjarige] is gewend om haar zin te krijgen; daardoor reageert zij heftig als dit niet gebeurt. Zij praat haar gedrag dan goed door een verhaal te verzinnen, aldus de vader. De vader benadrukt verder dat uit het verslag van Pscyho Motorische Therapie (PMT) geen zorgen over de interactie tussen [minderjarige] en de vader volgen.

In tegenstelling tot hetgeen de moeder stelt, heeft de vader lange tijd hulp van een psycholoog en heeft hij daarbij veel baat. De moeder legt ten onrechte de schuld bij hem.

Hoewel de vader een goede band heeft met [minderjarige] , is het niet altijd gemakkelijk om haar op te voeden. Zij is niet stabiel en niet congruent in haar denken. Ook heeft zij een kort lontje.

De vader wijst erop dat er sinds de beslissingen van de rechtbank er veel druk op [minderjarige] is komen te liggen. Zij ervaart dat haar uitspraken grote gevolgen hebben voor de gang van zaken en kan niet omgaan deze druk. De situatie waarin [minderjarige] bepaalt wat er gebeurt brengt voor haar geen rust en de al eerder uitsproken zorgen van de vader zijn werkelijkheid geworden.

De vader ziet geen reden om de zorgregeling aan te passen en stelt dat de moeder degene is die de strijd voert via [minderjarige] en door middel van belastende emails aan de voogd.

De vader weerlegt gemotiveerd de door de moeder gemaakte verwijten.

Zodra de moeder alleen het gezag krijgt over [minderjarige] , zal de vader volledig buiten spel worden gezet. Zij accepteert de vader niet als volwaardig ouder in het leven van [minderjarige] .

Hij zal zich dan noodgedwongen terugtrekken omdat dan van opvoeden van [minderjarige] geen sprake kan zijn.

De vader concludeert dat gezagsbeëindiging van beide ouders geen rust heeft gebracht maar de verstandhouding juist heeft verslechterd. De vader is als opvoeder buiten spel gezet en de moeder bepaalt via [minderjarige] wat er gebeurt.

3.10.

Ter zitting in hoger beroep heeft de vader daar nog aan toegevoegd dat hij heel graag [minderjarige] wil helpen om haar uit het loyaliteitsconflict te halen. De vader voelt echter dat hij vanuit de GI wordt tegengewerkt, er een verkeerd beeld van hem is ontstaan en hij zich keer op keer moet verdedigen tegen (in zijn ogen) onterechte beschuldigingen.

3.11.

Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder daar nog aan toegevoegd dat uit het feit dat de vader direct in hoger beroep is gegaan van de bestreden beschikkingen volgt dat er bij hem geen wil is om mee te werken aan een situatie die voor [minderjarige] goed is. De vader heeft zichzelf niet de kans gegeven om dit te laten slagen.

De moeder is erg blij met de PMT en de hulp van de GI. Haar ervaring is niet dat er aan de kant van de GI sprake is van tijdgebrek, zoals de vader stelt.

3.12.

De GI voert in het verweerschrift - kort samengevat - het volgende aan.

Anders dan de vader stelt, heeft CJZ geconcludeerd dat beide ouders beschikken over de opvoedkwaliteiten die [minderjarige] nodig heeft om zich voldoende te kunnen ontwikkelen waardoor de GI heeft ingezet op handhaving van het co-ouderschap.

Daarbij tekent de GI aan dat wanneer de vader met het eenhoofdig gezag wordt belast dit niet strijdverlagend zal werken voor [minderjarige] .

[minderjarige] wil bij beide ouders wonen onder de voorwaarde dat zij stoppen met ruzie maken en zal een blijvende uithuisplaatsing volgens de GI mogelijk meer trauma teweeg kunnen brengen dan het verblijf bij de ouders.

[minderjarige] laat aangepast gedrag zien en wil het goed doen voor alle volwassenen om zich heen. Er zijn bij de GI grote zorgen over de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] nu zij zeer lange tijd aan de spanningen van de complexe scheiding is blootgesteld. Door de complexe echtscheiding lijkt [minderjarige] haar eigenheid te zijn verloren. CJZ heeft PMT geadviseerd.

De ontwikkelingsmogelijkheden van [minderjarige] hebben volgens de CJZ mogelijk alleen een kans van slagen, indien er een derde besluiten kan nemen over inzet en keuzes van [minderjarige] .

De huidige constructie is in de ogen van de GI de enige wijze om [minderjarige] ultieme wens om op te mogen groeien bij haar beide ouders te kunnen realiseren.

De GI heeft de mogelijkheid om te schuiven met de 50-50 regeling ingeval één van de ouders de strijd naar de voorgrond blijft halen en daardoor de belasting op [minderjarige] weer toe zal nemen.

3.12.1.

Ter zitting in hoger beroep heeft de GI daaraan toegevoegd dat [minderjarige] zich duidelijk is gaan uitspreken over hoe de situatie bij de vader thuis is en dat haar verhaal consistent is. De GI maakt zich zorgen om [minderjarige] maar blijft erbij dat de gezagsbeëindiging gehandhaafd moet worden. De GI hoopt dat er op termijn door deze maatregel rust komt in het leven van [minderjarige] .

3.13.

De raad heeft ter zitting van het hof verklaard dat het verzoek van de GI niet is doorgeleid door de raad en benadrukt dat een gezagsbeëindiging in dit geval geen passend middel is. Daarvoor wordt door de raad verwezen naar hetgeen is geadviseerd in het raadsrapport van 19 maart 2019. Er dient een beslissing te worden genomen omtrent het gezag, aldus de raad.

3.14.

Het hof overweegt het volgende.

In de zaak met zaaknummer 200.260.728/01

3.14.1.

Ingevolge artikel 1:267 lid 1 van het BW kan de be ëindiging van het gezag worden uitgesproken op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of het openbaar ministerie. Tevens is degene die niet de ouder is en de minderjarige gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt bevoegd tot het doen van het verzoek indien de raad voor de kinderbescherming niet tot een verzoek overgaat.

Uit lid 2 volgt dat indien de raad niet tot een verzoek als bedoeld in het eerste lid overgaat nadat hij een verzoek tot onderzoek hiertoe van de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling over de minderjarige uitvoert, heeft ontvangen, hij dit schriftelijk meedeelt aan die gecertificeerde instelling. De gecertificeerde instelling kan na ontvangst van die mededeling de raad voor de kinderbescherming verzoeken het oordeel van de rechtbank te vragen of beëindiging van het gezag noodzakelijk is. De raad voor de kinderbescherming die van de gecertificeerde instelling zodanig verzoek ontvangt, vraagt binnen twee weken na de dagtekening van dat verzoek het oordeel van de rechtbank of een beëindiging van het gezag moet volgen. In dat geval kan de rechtbank de beëindiging van het gezag ambtshalve uitspreken.

3.14.2.

Voordat het hof toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van de verzoeken in hoger beroep, ligt allereerst de vraag voor of er sprake is van inbreuk op artikel 1:267 lid 2 BW , zoals de vader onder meer stelt in zijn eerste grief.

De vader voert daartoe aan dat de in artikel 1:267 lid 2 BW beschreven procedure door de rechtbank niet, althans voor partijen onvoldoende duidelijk, is gevolgd. Dit maakt dat de beslissing van de rechtbank op het verzoek van een onbevoegde instantie dan wel op basis van een onjuiste procedure is genomen, aldus de vader.

De moeder heeft dit gemotiveerd betwist.

Het hof oordeelt als volgt.

Artikel 1:267 BW lid 1 noemt de raad en het OM als verzoekers van een gezagsbeëindigende maatregel. Uit het tweede lid volgt dat ook de GI de mogelijkheid heeft om via de raad het oordeel van de rechtbank te vragen over een gezagsbeëindigende maatregel in het geval de raad niet zelf tot een verzoek overgaat. Uit de Memorie van Toelichting (MvT) volgt dat de wetgever inziet dat er situaties zijn waarin een verschil van mening blijft bestaan tussen de raad en de GI over de vraag of een ondertoezichtstelling of gezagsbeëindigende maatregel aangewezen is. Het wordt niet wenselijk geacht dat de gecertificeerde instelling zich moet neerleggen bij de beoordeling van de raad, of het OM moet verzoeken een maatregelverzoek in te dienen; wel acht de wetgever het wenselijk dat een mogelijk bedreigende situatie te allen tijde aan de rechter kan worden voorgelegd (MvT, p. 15). In het geval dat de raad schriftelijk heeft medegedeeld dat hij niet tot een maatregelverzoek zal overgaan, kan de gecertificeerde instelling de raad verzoeken om binnen twee weken het oordeel van de rechtbank te vragen of een gezagsbeëindigende maatregel noodzakelijk is. In dat geval legt de raad zijn resultaten van het onderzoek aan de rechtbank voor, maar doet geen verzoek tot een maatregel, zodat de raad zo niet gedwongen wordt als verzoeker op te treden terwijl hij zijn verzoek niet kan onderbouwen (MvT, p. 15). De rechtbank kan dan ambtshalve de gezagsbeëindiging uitspreken.

De behandeling van de zaak is bij voornoemde beschikking van 21 december 2018 aangehouden om de raad in de gelegenheid te stellen een verzoek tot beëindiging van het gezag van beide ouders in te dienen. Vervolgens heeft de raad zijn verzoek tot beëindiging van het gezag van beide ouders (bij brief van 1 februari 2019) weer ingetrokken per brief van 15 maart 2019. De rechtbank heeft daarna ter zitting op 26 maart 2019 de raad uitdrukkelijk uitgenodigd om het verzoek van de GI door te zenden. De raad kon op deze uitnodiging niet ingegaan. De rechtbank heeft vervolgens het inleidende verzoek van de GI ex artikel 1:267 lid 2 BW aan de raad desalniettemin als doorgezonden beschouwd.

Hoewel de gang van zaken ter zitting in eerste aanleg ten aanzien van de te volgen procedure ex artikel 1:267 lid 2 BW mogelijk niet de schoonheidsprijs verdient, lijkt deze werkwijze met name te zijn ingegeven door tijdsdruk en het streven om in het belang van [minderjarige] - wier belang uiteindelijk het zwaarst weegt en ook behoort te wegen in het licht van internationale regelingen als bijvoorbeeld het Verdrag inzake de rechten van het kind (zie onder meer art. 3 lid 1; vgl. ook de preambule bij dit verdrag) - zo snel mogelijk te beslissen. Mede gelet op hetgeen volgt uit de MvT, is het hof van oordeel dat de raad op de uitnodiging ter zitting van de rechtbank in had moeten gaan en zijn resultaten van het onderzoek op dat moment aan de rechtbank voor had moeten leggen, zodat de rechtbank daarover (ambtshalve) meteen kon beslissen. Dit klemt temeer daar de raad, na aanhouding van de zaak op 21 december 2018, op 1 februari 2019 inderdaad een verzoek om beëindiging van het gezag van beide ouders heeft ingediend om dat vervolgens op 15 maart 2019 weer in te trekken. Het hof is van oordeel dat door deze handelwijze van de raad vertraging is ontstaan waardoor de procedure van artikel 1:267 BW in het gedrang is gekomen, terwijl men ter zitting van 26 maart 2019 inmiddels al weer drie maanden verder was.Dit maakt dat het hof van oordeel is dat de rechtbank in de geest van artikel 1:267 lid 2 BW heeft gehandeld en derhalve terecht het verzoek van de GI ex artikel 1:267 lid 2 BW aan de raad als doorgezonden heeft beschouwd.

Het voorgaande brengt met zich dat het hof toekomt aan de verdere inhoudelijke behandeling van de onderhavige zaken in hoger beroep.

In de zaken met zaaknummer 200.26.728/01 en 200.260.903/01

3.14.3.

Ingevolge artikel 1:266 lid 1 van het BW kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen be ëindigd worden indien:

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

3.14.4.

Uit de stukken maar met name hetgeen ter zitting in hoger beroep is gebleken dat [minderjarige] zich - nadat zij week op week af bij de vader respectievelijk de moeder woont - minder geliefd en gehoord voelt door de vader. Zij geeft bij de GI aan dat zij steeds vaker last heeft van de boosheid en negativiteit van de vader. Ook heeft zij dit geuit op school. Daar wordt opgemerkt dat zij steeds vaker verdrietig is, minder goed aan leren toekomt en haar achterstand steeds groter wordt. De moeder heeft dit punt beaamd terwijl de vader dit uitdrukkelijk betwist. Door de GI is aangevoerd dat zij na de gezagsbeëindiging, ondanks het bestaande ouderschapsplan, verschillende beslissingen ten behoeve van [minderjarige] heeft moeten nemen omdat de ouders dit niet zelf hebben kunnen regelen. Dit was met name op het gebied van de inschrijving van [minderjarige] bij een van de ouders, haar inschrijving bij de huisarts, het regelen van de kinderbijslag en de ziektekostenverzekering.

3.14.5.

Het hof acht zich op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen. Hierbij spelen de recente ontwikkelingen, met name de omstandigheid dat [minderjarige] sinds medio april 2019 conform een 50/50 regeling weer om en om bij beide ouders woont, een grote rol.

Gelet op de zorgelijke signalen die rondom [minderjarige] zijn gesignaleerd, welke signalen overigens door de ouders, de GI en raad worden erkend, is het hof van oordeel dat er aanvullende informatie nodig is. Verder is tijdens de zitting in hoger beroep onder meer de suggestie van het hof om tot een zogenoemde “Schottenaanpak” over te gaan besproken.

3.14.6.

Het hof zal dan ook de raad verzoeken om (in aanvulling op het eerdere raadsonderzoek van 19 maart 2019) een nader onderzoek in te stellen en te rapporteren en te adviseren omtrent de volgende vragen:

- Is op dit moment en gelet op de signalen die [minderjarige] nu laat zien het co-ouderschap, de meest aangewezen opvoedingsvorm voor [minderjarige] , waarin zij zich zodanig kan ontwikkelen dat zij de rust krijgt om zonder zorgen op te groeien?

- Zo ja, wat is er (aanvullend) nodig om de huidige zorgen met betrekking tot [minderjarige] weg te nemen, zodat zij aan deze gewenste ontwikkeling toekomt?

- Wat zijn de mogelijkheden en belemmeringen van de ouders en [minderjarige] om met ondersteuning van het sociale netwerk en de hulpverlening de zorgen weg te nemen? Hebben de ouders en [minderjarige] daarvoor professionele ondersteuning nodig, en, zo ja, in welke vorm?

- Dient in dat geval de gezagsbeëindiging te worden gehandhaafd met de GI als voogd of kan er worden volstaan met een lichtere kinderbeschermings-maatregel zoals een ondertoezichtstelling, waarbij één of beide van de ouders met het gezag wordt belast.

- Zo nee, welke opvoedingsvorm past - in plaats van het co-ouderschap - het beste bij de behoefte van [minderjarige] en zorgt ervoor dat zij zich zodanig kan ontwikkelen dat zij de rust krijgt om zonder zorgen op te groeien?

- Op welke wijze dient het ouderlijk gezag over [minderjarige] in dat geval te worden uitgeoefend?

- Komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet in het antwoord op de voornoemde onderzoeksvragen zijn vermeld, maar die wel van belang zijn met betrekking tot [minderjarige] ? Zo ja, welke zijn dit?

3.14.7.

Het hof zal de verdere behandeling van de zaak zes maanden aanhouden, teneinde de resultaten van het onderzoek en het advies van de raad af te wachten. Partijen zullen vervolgens door het hof in de gelegenheid worden gesteld binnen twee weken schriftelijk te reageren op het rapport en het advies van de raad.

3.14.8.

Het hof zal, in beide zaken, iedere verdere beslissing aanhouden tot PRO FORMA 9 april 2020.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en (voorwaardelijk) incidenteel appel:

verzoekt de raad een onderzoek in te stellen conform hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 3.14.6. is overwogen;

verzoekt de raad tijdig vóór de hierna te noemen pro forma datum rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 9 april 2020.

Deze beschikking is gegeven door mrs. L.Th.L.G. Pellis, J.C.E. Ackermans-Wijn en H.J. Witkamp en is op 10 oktober 2019 uitgesproken door mr. J.C.E. Ackermans-Wijn in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature