< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Het hof verwerpt het beroep op noodweer, omdat de wijze van verdedigen niet in verhouding staat tot de aanranding door het slachtoffer. Het hof is van oordeel dat de verdachte wel een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt, omdat de aanval door het slachtoffer bij de verdachte een hevige gemoedsbeweging heeft veroorzaakt ten gevolge waarvan de verdachte het slachtoffer met een mes heeft gestoken. De verdachte is om die reden niet strafbaar en wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



Parketnummer : 20-001487-18

Uitspraak : 9 september 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen, na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 1 september 2014, parketnummer 02-700059-14 in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (voormalig Zuid-Rhodesië) op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] .

De voorafgaande procesgang

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij vonnis van 1 september 2014 de verdachte vrijgesproken van moord en ter zake van doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de door de benadeelde partij ingediende vordering tot schadevergoeding toegewezen tot een bedrag van € 7.300,38, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf 1 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

Van de zijde van de verdachte is tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld.

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 2 november 2016 het vonnis van de rechtbank vernietigd. De verdachte is door het gerechtshof vrijgesproken van moord en ter zake van doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren met aftrek van voorarrest. Het gerechtshof heeft de door de benadeelde partij ingediende vordering tot schadevergoeding toegewezen tot een bedrag van € 7.300,38, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf 1 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

Zowel door de rechtbank als door het gerechtshof is het beroep van de verdediging op noodweer dan wel noodweerexces verworpen.

Tegen het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch is van de zijde van de verdachte cassatieberoep ingesteld.

De Hoge Raad heeft op 3 april 2018 het arrest van het gerechtshof vernietigd omdat het beroep op noodweer op ontoereikende gronden is verworpen. De Hoge Raad heeft vervolgens de zaak teruggewezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging op grond van noodweer(exces) en dat de benadeelde partij

– om die reden – niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

primairhij op of omstreeks 1 maart 2014 te Middelburg opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk die [slachtoffer] met een mes gestoken/gesneden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiairhij op of omstreeks 1 maart 2014 te Middelburg aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (steekwond/snijwond in de borstkas), heeft toegebracht, door opzettelijk die [slachtoffer] met een mes te steken/snijden, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;

meer subsidiairhij op of omstreeks 1 maart 2014 te Middelburg opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer] ), met een mes heeft gestoken/gesneden, ten gevolge waarvan deze is overleden.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak ten aanzien van moord

Het hof acht de primair (impliciet primair) ten laste gelegde moord niet wettig en overtuigend bewezen. Het enkele feit dat de verdachte – omwille van zijn eigen gevoel van veiligheid – al enige tijd een mes bij zich droeg, impliceert niet dat de verdachte het vooropgezette plan had om het slachtoffer met dat mes van het leven te beroven. De verdachte zal daarom overeenkomstig de eis van de advocaat-generaal en het standpunt van de verdediging worden vrijgesproken van de ten laste gelegde moord.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair (impliciet subsidiair) ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 1 maart 2014 te Middelburg opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk die [slachtoffer] met een mes gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Door met een mes vanaf een korte afstand te steken in het bovenlichaam van het slachtoffer, een plek waar zich vitale organen bevinden, heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer daardoor zou overlijden.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat de verdachte een beroep op noodweer(exces) toekomt en dat de verdachte mitsdien van alle rechtsvervolging zal moeten worden ontslagen. De verdediging heeft naar voren gebracht dat bij de beoordeling van het beroep op noodweer(exces) de verklaring van de verdachte als uitgangspunt dient te worden genomen, omdat deze verklaring – gelet op de andere verklaringen, in het bijzonder de verklaringen die bij de raadsheer-commissaris zijn afgelegd – voldoende aannemelijk is. Uit het dossier blijkt dat de verdachte werd aangevallen en dat hij heeft getracht zich aan de situatie te onttrekken door weg te rennen. Eenmaal in het halletje van café [café] aangekomen, draaide de verdachte zich om en zag hij dat het slachtoffer toch weer voor hem stond. Onder de gegeven omstandigheden bestond voor de verdachte geen reëel alternatief om zich aan de aanranding te onttrekken en kon dat ook niet van de verdachte worden gevergd. De verdachte werd wederom door het slachtoffer geslagen en hierop heeft de verdachte zich met zijn mes verdedigd.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen beroep

op noodweer(exces) toekomt. Het slachtoffer is niet in het halletje van café [café] geweest en voor de verdachte bestond de tijd en de ruimte om het café binnen te gaan. Er is geen sprake geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, zodat voor de verdachte de noodzaak om zich te verdedigen ontbrak.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de beantwoording van de vraag of de verdachte een geslaagd beroep op noodweer(exces) toekomt, gaat het hof uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Verdachte heeft verklaard dat hij, als gevolg van jarenlange bedreigingen en beledigingen, voor zijn eigen gevoel van veiligheid een mes bij zich is gaan dragen. Ook op 1 maart 2014 had hij het mes bij zich; hij droeg het mes in de binnenzak van zijn jas.

Verdachte liep die avond bij de Koningsbrug te Middelburg. Het latere slachtoffer, [slachtoffer] , en diens vrienden [getuige I] en [getuige II] , kwamen de verdachte tegemoet. Volgens getuige [getuige I] waren er al eerder confrontaties geweest tussen de verdachte en [slachtoffer] , welke bestonden uit schelden naar elkaar of waarbij [slachtoffer] de verdachte uitdaagde om te vechten.

Die avond heeft zich bij de Koningsbrug een confrontatie voorgedaan tussen de verdachte en [slachtoffer] waarbij op enig moment de verdachte door [slachtoffer] is geslagen. Dit volgt niet alleen uit de verklaring van de verdachte zelf, maar ook uit de verklaring van getuige [getuige I] dat hij heeft gezien dat [slachtoffer] de verdachte met zijn vuisten tegen de borst heeft gestompt. Het hof heeft geen aanwijzingen dat de verdachte degene is geweest die op dat moment de confrontatie heeft opgezocht.

Volgens getuige [getuige I] is de verdachte toen meteen weggerend, in de richting van eetcafé [café] . De verdachte heeft hierover verklaard dat hij [slachtoffer] koppelde aan een groep jongens die hem eerder had lastiggevallen en bedreigd en dat hij, na de confrontatie bij de Koningsbrug, is weggerend omdat hij zich op dat moment zeer bedreigd voelde. Daarbij speelde voor de verdachte ook een rol dat [slachtoffer] groter en sterker was dan de verdachte en dat bij [slachtoffer] meerdere jongeren waren waartegen verdachte niet was opgewassen.

Uit het onderzoek volgt dat [slachtoffer] , [getuige I] en [getuige II] vervolgens, toen de verdachte wegrende, achter de verdachte zijn aan gegaan. De verdachte heeft hierover verklaard dat daarbij werd geschreeuwd: ‘Pak hem’. Getuige [getuige I] heeft bevestigd dat [slachtoffer] dit heeft geroepen.

De verdachte heeft voorts verklaard dat hij, nadat hij de straat was overgestoken, wederom door [slachtoffer] is geslagen. Dit wordt niet bevestigd door getuige [getuige I] . [getuige I] heeft namelijk verklaard dat het stompen bij de Koningsbrug het enige contact is geweest tussen de verdachte en [slachtoffer] dat hij heeft gezien. Het hof kan echter ook niet uitsluiten dat de verdachte, voordat de confrontatie bij café [café] plaatsvond, nogmaals door [slachtoffer] is geslagen. De verdachte heeft dit vanaf de aanvang verklaard en is steeds bij die verklaring gebleven. Het hof gaat er dan ook van uit dat er een tweede confrontatie is geweest tussen de verdachte en [slachtoffer] waarbij [slachtoffer] de verdachte een klap heeft gegeven. De verdachte heeft verklaard dat de dreiging na deze tweede confrontatie met [slachtoffer] voor hem nog groter was geworden en dat hij toen naar café [café] is gerend.

Volgens de verdachte heeft hij tijdens zijn vlucht het mes uit de binnenzak van zijn jas gepakt. Hij heeft hierover verklaard dat hij de situatie bedreigend vond, dat hij bang was en dat hij het mes heeft gepakt voor het geval het mis zou gaan. De verdachte is vervolgens, met het mes in zijn hand, het halletje van het café ingevlucht, heeft zich toen omgedraaid en zag vervolgens [slachtoffer] voor zich staan. Het hof gaat ervan uit dat [slachtoffer] niet in het halletje van het café is geweest, zoals de verdachte aanvankelijk heeft verklaard, maar bij de deuropening is blijven staan. De verdachte heeft deze mogelijkheid niet uitgesloten en getuige [getuige I] heeft verklaard dat hij zeker weet dat [slachtoffer] niet in het café is geweest.

De verdachte heeft verklaard dat hij, toen hij [slachtoffer] voor zich zag staan, het mes in de richting heeft gehouden van [slachtoffer] . Uitgaande van de verklaring die de verdachte bij de politie heeft afgelegd, heeft hij toen tegen [slachtoffer] gezegd weg te gaan en heeft [slachtoffer] geprobeerd de verdachte te slaan. Het hof heeft geen aanleiding om aan deze verklaring van de verdachte te twijfelen, mede gelet op de omstandigheid dat de verdachte al eerder door [slachtoffer] was geslagen en [slachtoffer] achter de verdachte is aangerend.

Op dat moment heeft de verdachte [slachtoffer] met het mes gestoken. De verdachte heeft hierover verklaard dat vanaf het moment dat hij zag dat het slachtoffer vlak voor hem stond ‘een knopje’ in hem om ging en dat hij het mes heeft gebruikt om de situatie, die hij als zeer ernstig en bedreigend ervoer, te doen beëindigen.

Ten gevolge van de messteek is [slachtoffer] overleden.

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte heeft gehandeld uit noodweer dan wel of de verdachte een beroep op noodweerexces toekomt.

Het hof stelt voorop dat voor een succesvol beroep op noodweer is vereist dat sprake is van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van – in dit geval – verdachtes lijf en dat de verdediging tegen die aanranding voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Van een "ogenblikkelijke" aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding.

Voor noodweerexces geldt in alle gevallen dat van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:

de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van (onder andere) zijn eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien

op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

Voorts stelt het hof voorop dat volgens vaste rechtspraak de omstandigheid dat de verdachte een mes bij zich droeg, op zich genomen niet in de weg hoeft te staan aan een geslaagd beroep op noodweer of noodweerexces.

Het hof acht voor de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van noodweer van belang dat de verdachte niet degene is geweest die op 1 maart 2014 de confrontatie heeft gezocht. Uit hetgeen het hof heeft vastgesteld blijkt namelijk dat de verdachte door [slachtoffer] is geslagen en dat de verdachte is weggerend. De verdachte heeft derhalve juist getracht zich aan een – verdere – confrontatie te onttrekken.

De hierboven genoemde handelingen van [slachtoffer] jegens de verdachte, het – meermalen – slaan van de verdachte, het achtervolgen van de verdachte en – toen de verdachte in het café was, het proberen de verdachte te slaan, zijn aan te merken als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte.

De volgende vraag die moet worden beantwoord betreft de vraag of de verdediging van de verdachte voldoet aan de eis van subsidiariteit, met andere woorden: was de verdediging noodzakelijk?

Bij de beantwoording van deze vraag heeft het hof rekening gehouden met de volgende omstandigheden.

De verdachte heeft op meerdere momenten getracht zich te onttrekken aan de aanranding door [slachtoffer] door weg te rennen. De verdachte is uiteindelijk het halletje van café [café] in gevlucht. Uit de beschrijving die de verdachte van het halletje heeft gegeven – een ruimte van ongeveer een vierkante meter – leidt het hof af dat het daarbij ging om een klein voorportaal van het café, derhalve een zeer kleine ruimte. Toen de verdachte zich in het kleine halletje van het café bevond en zich omdraaide, stond [slachtoffer] wederom vlak voor hem, op een zeer korte afstand van de verdachte.

Nog daargelaten dat het de vraag is of de verdachte eenvoudig via de tussendeur het café had kunnen betreden en op die manier op afstand van het slachtoffer had kunnen blijven, kon, gelet op de korte afstand tussen de verdachte en [slachtoffer] , de zeer beperkte ruimte waarin de verdachte zich bevond, de onbekendheid van de verdachte met de situatie ter plaatse – verdachte heeft verklaard dat hij niet eerder in het café is geweest – en de voor de verdachte bedreigende situatie, van de verdachte op dat moment redelijkerwijs niet worden gevergd dat hij zich zou omdraaien (en daarmee met de rug naar [slachtoffer] zou komen te staan), de tussendeur zou openen en het café binnen zou gaan. Het hof is dan ook niet gebleken van een reële en redelijke mogelijkheid voor de verdachte om zich aan de bedreigende situatie te onttrekken. Daar komt bij dat eerdere pogingen van de verdachte om zich aan de aanranding te onttrekken (het wegrennen) ook geen effect hadden.

Het hof is van oordeel dat is voldaan aan het subsidiariteitsvereiste. Onder de hierboven genoemde omstandigheden bestond voor de verdachte geen reële en redelijke mogelijkheid om zich aan de aanranding te onttrekken.

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdediging door de verdachte, het steken met een mes, niet in onredelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding, anders gezegd: of het handelen van de verdachte voldoet aan de eis van proportionaliteit.

Het hof acht hiervoor de volgende omstandigheden van belang.

De verdachte is tweemaal geslagen door [slachtoffer] en toen de verdachte in het halletje van het café stond, heeft [slachtoffer] geprobeerd de verdachte te slaan. De verdachte heeft toen ter verdediging met een mes linksboven in de borstkas van [slachtoffer] gestoken. Het steekkanaal had een lengte van elf centimeter. Het hof is van oordeel dat deze wijze van verdedigen – het toebrengen van een diepe, potentieel dodelijke steekwond in de borstkas van het slachtoffer – niet in verhouding staat tot de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, die bestond uit het op verschillende momenten met de blote handen slaan door het slachtoffer, waarbij bovendien niet is gebleken dat ten gevolge daarvan bij de verdachte lichamelijk letsel is veroorzaakt. Aan de proportionaliteitseis is aldus niet voldaan. Het beroep op noodweer wordt mitsdien verworpen.

Ten aanzien van het beroep op noodweerexces overweegt het hof als volgt.

Nu naar het oordeel van het hof de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, dient te worden vastgesteld of die overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die door de daaraan voorafgaande ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding was veroorzaakt.

De verdachte werd op 1 maart 2014 geconfronteerd met fysiek geweld van de zijde van [slachtoffer] . Er waren al eerder confrontaties geweest tussen de verdachte en [slachtoffer] , waarbij [slachtoffer] de verdachte uitdaagde om te vechten.

Nadat de verdachte voor de eerste keer door [slachtoffer] was geslagen, is hij weggerend omdat hij de situatie zeer bedreigend vond. Omdat [slachtoffer] , [getuige I] en [getuige II] achter de verdachte aan zijn gerend, [slachtoffer] heeft geroepen: ‘pak hem’ en de verdachte nogmaals door [slachtoffer] werd geslagen, kwam aan de door de verdachte genoemde, door hem als zeer bedreigend ervaren situatie geen einde. Integendeel, na de tweede confrontatie werd – blijkens de verklaring van de verdachte – de dreiging voor hem nog groter. Daarbij speelde voor de verdachte ook een rol dat [slachtoffer] groter en sterker was dan de verdachte en dat bij [slachtoffer] meerdere jongeren waren waartegen hij niet was opgewassen. Ook de vlucht van de verdachte naar café [café] resulteerde er niet in dat de aanval door [slachtoffer] eindigde.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof aannemelijk geworden dat de aanval door [slachtoffer] en de achtervolging bij de verdachte een hevige gemoedsbeweging hebben teweeggebracht. Deze gemoedsbeweging bestond uit een grote mate van angst en vrees bij de verdachte dat hij in elkaar geslagen zou worden. Verdachte heeft verklaard dat de situatie anders was dan anders, nu het daadwerkelijk overging in fysiek geweld tegen hem en dat hij bang was voor ‘kopschoppen’. Tegelijkertijd lijkt het handelen van [slachtoffer] bij de verdachte een bepaalde mate van radeloosheid te hebben veroorzaakt. De verdachte heeft eerst – op verschillende momenten – tevergeefs getracht om zich aan de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] te onttrekken. In het halletje van het café werd de verdachte evenwel opnieuw geconfronteerd met de aanwezigheid van [slachtoffer] en met de dreiging van verder fysiek geweld. Uit de verklaring van de verdachte blijkt dat hij [slachtoffer] heeft gemaand weg te gaan maar dat [slachtoffer] desondanks probeerde de verdachte te slaan. Daardoor ging bij de verdachte ‘een knop om’, zoals hij zelf heeft verklaard, en heeft hij met het mes gestoken teneinde de aanval door [slachtoffer] te doen stoppen. Hij zag op dat moment geen andere mogelijkheid meer om zichzelf te redden.

Gelet hierop is naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk geworden dat de door de aanval veroorzaakte hevige gemoedsbeweging bij de verdachte van doorslaggevend belang is geweest voor de omstandigheid dat de verdachte het slachtoffer met een mes heeft gestoken.

Het hof overweegt hieromtrent nog het volgende. Indien – zoals in het onderhavige geval – in het verleden sprake is geweest van beledigingen en bedreigingen, is het voorstelbaar dat wraakgevoelens en/of gevoelens van boosheid jegens het (latere) slachtoffer bestaan en dat een hevige gemoedsbeweging in de kern is terug te voeren op die eerder bestaande emoties. Op basis van de inhoud van het dossier en hetgeen de verdachte daaromtrent heeft verklaard, is het hof echter gebleken dat de verdachte weliswaar boos was over de eerder tegen hem geuite beledigingen en bedreigingen, maar niet dat de op 1 maart 2014 door [slachtoffer] bij de verdachte veroorzaakte hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op die eerder bestaande emoties.

Het hof honoreert derhalve het beroep op noodweerexces. De verdachte is mitsdien niet strafbaar. Het hof zal de verdachte op die grond ontslaan van alle rechtsvervolging.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 16.300,38 (een bedrag van € 7.300,38 ter zake van materiële schade en een bedrag van € 9.000,00 aan immateriële schade, bestaande uit shockschade) te vermeerderen met de wettelijke rente..

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de door de benadeelde partij ingediende vordering tot schadevergoeding voor wat betreft de gevorderde materiële schade toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige – de gevorderde immateriële schade – niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Nu de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen niet bewezen dat de verdachte de primair (impliciet primair) ten laste gelegde moord heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte de primair (impliciet subsidiair) ten laste gelegde doodslag heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Aldus gewezen door:

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, voorzitter,

mr. R.C.A.M. Philippart en mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting, griffier,

en op 9 september 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Philippart is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Dossierpagina 32.

Verklaring verdachte ter terechtzitting hoger beroep d.d. 26 augustus 2019.

Dossierpagina 144.

Dossierpagina 149.

Verklaring verdachte ter terechtzitting hoger beroep d.d. 26 augustus 2019.

Proces-verbaal verhoor getuige [getuige I] d.d. 10 juli 2015, p. 3,4 en 6.

Proces-verbaal verhoor getuige [getuige I] d.d. 10 juli 2015, p. 3.

Dossierpagina 34 en 35.

Verklaring verdachte ter terechtzitting hoger beroep d.d. 26 augustus 2019.

Proces-verbaal verhoor getuige [getuige I] d.d. 10 juli 2015, p. 3 en proces-verbaal verhoor getuige [getuige II] 11 mei 2016, p. 4.

Verklaring verdachte ter terechtzitting hoger beroep d.d. 26 augustus 2019.

Proces-verbaal verhoor getuige [getuige I] d.d. 10 juli 2015, p. 4.

Dossierpagina 34 en 37.

Dossierpagina 48.

Verklaring verdachte ter terechtzitting hoger beroep d.d. 26 augustus 2019 en dossierpagina 38.

Verklaring verdachte ter terechtzitting hoger beroep d.d. 26 augustus 2019.

Proces-verbaal verhoor getuige [getuige I] d.d. 10 juli 2015, p. 5.

Dossierpagina 34.

Verklaring verdachte ter terechtzitting hoger beroep d.d. 26 augustus 2019.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature