< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep.

Diefstal (in vereniging) van pinpassen en pinnen van geldbedragen met die pinpassen. Herkenning c.q. conclusies omtrent daderschap aan de hand van beelden en/of foto's en de bewijskracht daarvan; voldoende betrouwbaar?

Schending redelijke termijn teniet gedaan door voortvarende behandeling in hoger beroep.

Vorderingen benadeelde partijen.

Uitspraak



Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001188-18

Uitspraak : 18 december 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 5 april 2018 in de strafzaak met parketnummer

02-800265-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989 ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij vonnis, waarvan beroep, is de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Nu de benadeelde partij zich in hoger beroep niet opnieuw heeft gesteld, is haar vordering niet aan het oordeel van het hof onderworpen, zodat het hof hierop geen beslissing zal nemen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, eventueel met aanvulling van gronden.

De verdediging heeft primair bepleit dat het hof verdachte integraal zal vrijspreken van het ten laste gelegde. Subsidiair heeft de verdediging het hof verzocht te volstaan met de oplegging van een taakstraf dan wel een straf waarvan de duur gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd, reeds omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraken door de rechtbank van de onder 1 ten laste gelegde deelstreepjes die zien op de diefstallen (al dan niet in vereniging) van de pinpassen toebehorende aan [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en van het onder 2 ten laste gelegde deelstreepje dat ziet op de diefstal al dan niet in vereniging door middel van valse sleutels van een geldbedrag toebehorende aan voornoemde [benadeelde 1] .

Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is- voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen – ten laste gelegd dat:

1.zij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) gelegen in de periode van 18 maart 2011 tot en met 5 januari 2017, in één of meer plaats(en) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meer pinpas(sen), te weten op of omstreeks

 18 maart 2011 in Sleeuwijk, althans in Nederland, een pinpas toebehorende aan

[benadeelde 3] [eind proces-verbaal PL2000-2012251155, p. 82-107] en/of

 30 juli 2011 in Tilburg, althans in Nederland, een pinpas toebehorende aan

[benadeelde 4] [separaat dossier PL204M-2012020343, p. 38-101] en/of

 28 juni 2012 in Hattem, althans in Nederland, een pinpas toebehorende aan

[benadeelde 5] en [benadeelde 6] [eind proces-verbaal PL2000-2012251155, p. 108-116] en/of

 10 juli 2012 in Rosmalen, althans in Nederland, een pinpas toebehorende aan

[benadeelde 7] [eind proces-verbaal PL2000-2012251155, p. 56-81] en/of

 22 augustus 2012 in Breda, althans in Nederland, een pinpas toebehorende aan

[benadeelde 8] [separaat dossier PL202N-2012187661] en/of

 25 november 2012 in Breda, althans in Nederland, een pinpas toebehorende aan

[benadeelde 9] [separaat dossier PL202N-2012251155] en/of

 11 januari 2014 in Breda, althans in Nederland, een pinpas toebehorende aan

[benadeelde 10] [eind proces-verbaal PL2000-2012251155, p. 167-204] en/of

 10 mei 2013 in Sliedrecht, althans in Nederland, een pinpas toebehorende aan

[benadeelde 11] [eind proces-verbaal PL2000-2012251155,

p. 220-296] en/of

 5 september 2015 in Breda, althans in Nederland, een pinpas toebehorende aan

[benadeelde 12] [eind proces-verbaal PL2000-2012251155, p. 205-219]

althans (telkens) een pinpas geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

2.zij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) gelegen in de periode van 18 maart 2011 tot en met 5 september 2015, in één of meer plaats(en) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (uit één of meer geldautomaten en/of één of meer betaalautomaten en/of uit muntrolautomaten) heeft weggenomen één of meer geldbedrag(en), te weten:

 800 euro, althans enig geldbedrag, (18 maart 2011 in Sleeuwijk, althans in Nederland,) met een pinpas + code in gebruik/toebehorende bij/aan

[benadeelde 3] [eind proces-verbaal PL2000-2012251155, p. 82-107] en/of

 5973 euro, althans enig geldbedrag, (28 juni 2012 in Hattem en/of Heino, althans in Nederland,) met een pinpas + code in gebruik/toebehorende bij/aan

[benadeelde 5] en [benadeelde 6] [eind proces-verbaal PL2000-2012251155, p. 108-116] en/of

 700 euro, althans enig geldbedrag, (10 juli 2012 in Rosmalen, althans in Nederland,) met een pinpas + code in gebruik/toebehorende bij/aan [benadeelde 7] [eind proces-verbaal PL2000-2012251155, p. 56-81] en/of

 4074 euro, althans enig geldbedrag, (22 augustus 2012 in Breda, althans in Nederland,) met een pinpas + code in gebruik/toebehorende bij/aan [benadeelde 8] [separaat dossier PL202N-2012187661] en/of

 3569 euro, althans enig geldbedrag, (25 november 2012 in Breda en Gilze, althans in Nederland,) met een pinpas + code in gebruik/toebehorende bij/aan [benadeelde 9] [separaat dossier PL202N-2012251155] en/of

 2313 euro, althans enig geldbedrag, (10 mei 2013 in Sliedrecht en Gorinchem, althans in Nederland,) met een pinpas + code in gebruik/toebehorende bij/aan [benadeelde 11] [eind proces-verbaal PL2000-2012251155,

p. 220-296] en/of

 909 euro, althans enig geldbedrag, (5 september 2015 in Breda en Eindhoven, althans in Nederland,) met een pinpas + code in gebruik/toebehorende bij/aan

[benadeelde 12] [eind proces-verbaal PL2000-2012251155, p. 205-219],

welke geldbedrag(en) (telkens) geheel of ten dele toebehoorde aan voornoemde personen, althans aan een ander of anderen dan aan haar, verdachte, en/of één of meer van haar mededader(s), en waarbij zij, verdachte, en/of één of meer van haar mededader(s) dus (telkens) het weg te nemen geld onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel (gestolen pinpas + pincode).

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Ten aanzien van de (gekwalificeerde) diefstal van de pinpas (feit 1) en een geldbedrag (feit 2) toebehorende aan [benadeelde 8]

Op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen zou enkel kunnen worden vastgesteld dat verdachte samen met een andere vrouw in de betreffende winkel is geweest waar aangeefster [benadeelde 8] rond hetzelfde tijdstip boodschappen heeft gedaan. Het hof acht dit onvoldoende om tot de vaststelling te kunnen komen dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de pinpas van aangeefster [benadeelde 8] heeft gestolen en hiermee geld heeft gepind. Het hof zal verdachte derhalve van deze feiten vrijspreken.

Ten aanzien van de (gekwalificeerde) diefstal van de pinpas (feit 1) toebehorende aan [benadeelde 10] en de (gekwalificeerde) diefstal van de pinpas (feit 1) en een geldbedrag (feit 2) toebehorende aan [benadeelde 11]

In deze zaken bevindt zich enkel een proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant

[verbalisant] waarin hij relateert verdachte te herkennen op de beelden c.q. afbeeldingen, die hij heeft vergeleken met een verdachtenfoto van verdachte uit het Herkenningssysteem van de politie, en zijn er geen andere bewijsmiddelen voorhanden die op het daderschap van verdachte wijzen. Nu voornoemde verbalisant tevens relateert dat hij verdachte nimmer heeft gezien of gesproken, acht het hof de enkele herkenning van deze verbalisant in dit specifieke geval onvoldoende om te kunnen vaststellen dat het niet anders kan geweest zijn dan dat verdachte (één van) de dader(s) is geweest. Mitsdien heeft het hof op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat verdachte deze feiten heeft begaan, zodat zij hiervan zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.zij op tijdstippen gelegen in de periode van 18 maart 2011 tot en met 25 november 2012 in Nederland, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, heeft weggenomen pinpassen, te weten op

 18 maart 2011 in Sleeuwijk, een pinpas toebehorende aan [benadeelde 3] en

 30 juli 2011 in Tilburg, een pinpas toebehorende aan [benadeelde 4] en

 10 juli 2012 in Rosmalen, een pinpas toebehorende aan [benadeelde 7] en

 25 november 2012 in Breda, een pinpas toebehorende aan [benadeelde 9]

en

zij op 28 juni 2012 in Hattem tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, heeft weggenomen een pinpas toebehorende aan [benadeelde 5] en [benadeelde 6] ;

en

zij op 5 september 2015 in Breda tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, heeft weggenomen een pinpas toebehorende aan [benadeelde 12] ;

2.zij op tijdstippen gelegen in de periode van 18 maart 2011 tot en met 25 november 2012, in Nederland, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit één of meer geldautomaten en/of één of meer betaalautomaten en/of uit muntrolautomaten heeft weggenomen één of meer geldbedrag(en), te weten:

 800 euro (18 maart 2011 in Sleeuwijk) toebehorende aan [benadeelde 3] en

 700 euro (10 juli 2012 in Rosmalen) toebehorende aan [benadeelde 7] en

 3569 euro (25 november 2012 in Breda en Gilze) toebehorende aan

[benadeelde 9] ,

waarbij zij, verdachte, telkens het weg te nemen geld onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel (gestolen pinpas + pincode);

en

zij op tijdstippen op 28 juni 2012 in Hattem en Heino tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit één of meer geldautomaten en/of één of meer betaalautomaten en/of uit muntrolautomaten heeft weggenomen 5973 euro, toebehorende aan [benadeelde 5] en [benadeelde 6] waarbij zij, verdachte, en/of haar mededader telkens het weg te nemen geld onder hun/haar bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel (gestolen pinpas + pincode);

en

zij op tijdstippen op 5 september 2015 in Breda en Eindhoven tezamen en in vereniging met een anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit één of meer geldautomaten en/of één of meer betaalautomaten en/of uit muntrolautomaten heeft weggenomen 909 euro, toebehorende aan [benadeelde 12] waarbij zij, verdachte, en/of haar mededaders telkens het weg te nemen geld onder hun/haar bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel (gestolen pinpas + pincode).

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdediging heeft bepleit dat het hof verdachte dient vrij te spreken van het ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft hiertoe in de kern aangevoerd dat de herkenningen van de verbalisanten onvoldoende betrouwbaar zijn om hieruit de betrokkenheid van verdachte af te leiden.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat behoedzaam dient te worden omgegaan met herkenningen c.q. conclusies omtrent daderschap aan de hand van beelden en/of foto’s en de bewijskracht daarvan. Bij de beoordeling van het bewijs is dan ook van doorslaggevend belang of deze herkenningen c.q. conclusies voldoende betrouwbaar zijn om daadwerkelijk tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van een herkenning c.q. conclusie aan de hand van camerabeelden en/of afbeeldingen is onder meer van belang in hoeverre op deze (af)beeld( ing )en voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn. Of hiervan sprake is, hangt af van de kwaliteit van de (af)beelding(en), evenals de mate van zichtbaarheid van persoonskenmerken op die (af)beeld(ing)en. Daarnaast is ook van belang onder welke omstandigheden en met welke frequentie de waarnemer de door hem herkende persoon eerder heeft gezien en hoe de herkenning tot stand is gekomen. Ten slotte speelt bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van een herkenning c.q. validiteit van een conclusie omtrent daderschap aan de hand van beelden ook mee of en in hoeverre andere bewijsmiddelen voorhanden zijn die op het daderschap van de afgebeelde persoon wijzen.

Het hof is allereerst van oordeel dat van de zich in het dossier bevindende afbeeldingen en zogenaamde “stills” van camerabeelden die verband houden met de onderscheidenlijke diefstallen (al dan niet in vereniging) van pinpassen (feit 1) en diefstallen (al dan niet in vereniging) door middel van valse sleutels van geldbedragen, voor zover zij ten grondslag liggen aan tot het bewijs gebezigde herkenningen, gezegd kan worden dat deze van een zodanige kwaliteit zijn dat deze een betrouwbaar oordeel over herkenning toelaten. De verdediging mag worden toegegeven dat de ene afbeelding duidelijker is dan de ander, maar dit maakt niet dat deze beelden van onvoldoende kwaliteit zijn om een betrouwbare herkenning mogelijk te maken. Daar komt bij dat ten aanzien van een aantal herkenningen de bewegende beelden zijn bekeken door verbalisanten.

De hiervoor bedoelde behoedzaamheid in acht nemend en hetgeen hiervoor is vooropgesteld toetsend op de herkenningen van de verdachte, oordeelt het hof de positieve herkenningen van verdachte als (één van) de dader(s) van de ten laste gelegde feiten door de verschillende verbalisanten – voor zover deze zijn gebezigd tot het bewijs – voldoende betrouwbaar om te kunnen bijdragen tot het bewijs dat verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt.

Hierbij merkt het hof nog op dat het gaat om verbalisanten die ambtshalve contact met verdachte hebben gehad en die ieder voor zich verdachte herkennen. Bovendien vinden de herkenningen in alle ten laste gelegde zaken in voldoende mate steun in andere herkenningen, dan wel andere bewijsmiddelen die in de richting van verdachte wijzen als (één van) de dader(s) van de bewezen verklaarde feiten.

Ten aanzien van de zaak [benadeelde 7] is door de raadsvrouw met betrekking tot de foto’s die in het dossier zijn gevoegd nog aangevoerd dat de persoon die is te zien op de foto op pagina 69 van het dossier niet verdachte kan zijn, omdat deze persoon een veel langer/ovaler gezicht heeft dan verdachte. Het hof overweegt dienaangaande dat het beeld van de camera vertekent. Dit is ook waarneembaar op de foto’s op de pagina’s 68 en 71: de vorm van het gelaat is hier veel ronder dan op de foto op pagina 69. Bovendien is op de foto op pagina 71 duidelijk te zien dat die persoon een gouden tand heeft precies op dezelfde plek als verdachte deze had.

De feiten en omstandigheden die de raadsvrouw ook voor het overige heeft aangevoerd, acht het hof onvoldoende zwaarwegend om als contra-indicatie ten aanzien van de betrouwbaarheid van de tot het bewijs gebezigde herkenningen te kunnen aanmerken.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Ook het verweer van de verdediging dat in de zaak van aangeefster [benadeelde 5] en haar man [benadeelde 6] verdachte niet degene is die pint en zij derhalve dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, wordt verworpen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Blijkens het proces-verbaal verhoor benadeelde (p. 93 en 94 van het voorgeleidingsproces-verbaal) heeft [benadeelde 6] op 28 juni 2012 omstreeks 12.30 uur zijn boodschappen bij een supermarkt in Hattem afgerekend door te pinnen. Vervolgens liep hij naar zijn auto toe die voor de supermarkt geparkeerd stond. Terwijl hij bij de auto stond en de boodschappen in zijn handen had, werd [benadeelde 6] door twee meisjes aangesproken die hem de weg naar de bushalte vroegen. Tijdens dit gesprek stonden de meisjes op 30 centimeter van [benadeelde 6] . Hierna is aangever in de auto gestapt en is hij naar de volgende winkel gereden. Daar kwam hij erachter dat hij zijn pinpas niet meer had. Rond 14.00 uur heeft hij vervolgens, weer thuis in Hattem, zijn pinpas laten blokkeren. Ook heeft hij de signalementen van de meisjes opgegeven, waarbij hij heeft verklaard dat één van de meisjes een gouden tand had rechtsboven naast haar hoektand en dat zij een lengte had van circa 1.40 m.

Het hof is van oordeel dat deze omschrijving zeer goed aansluit bij de uiterlijke kenmerken van verdachte. Gelet hierop is voor het hof voldoende komen vast te staan dat één van deze meisjes verdachte betrof, temeer ook omdat zij bij de pintransactie die vervolgens volgde bij een pinautomaat van de Rabobank in Hattem met de Rabobank-pinpas van [benadeelde 6] en diens vrouw, door meerdere verbalisanten is herkend. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van het optreden van verdachte en het andere meisje in het contact met [benadeelde 6] is het hof van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en het andere meisje. Beide meisjes hebben [benadeelde 6] benaderd, zijn op zeer korte afstand van hem gaan staan bij gelegenheid waarvan de pinpas moet zijn weggenomen en zijn vervolgens samen naar de pinautomaat in Hattem gegaan, alwaar met de pinpas van [benadeelde 6] en [benadeelde 5] als eerste transactie bij de Rabobank in Hattem een bedrag van 1.250 euro is gepind. Aldus is naar ’s hofs oordeel sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en dus van medeplegen. Verdachte heeft zelf geen aanknopingspunten aangedragen voor het oordeel dat haar rol van een minder gewicht zou zijn dan voor medeplegen is vereist. Het enkele feit dat verdachte niet zelf de pintransactie zou hebben uitgevoerd, zoals is aangevoerd door de raadsvrouw, maakt dat niet anders. Op de beelden van de pintransactie bij de Rabobank in Hattem is te zien dat verdachte samen met de andere vrouw optrekt en zich zeer nabij de andere vrouw bevindt op het moment dat beiden bij de geldautomaat in Hattem staan. De blik van verdachte is ook gericht op de pinautomaat.

Ten aanzien van de zaak [benadeelde 3] overweegt het hof dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte zeer nabij aangeefster heeft gestaan op het moment dat aangeefster een pintransactie verricht. Zeer kort daarna mist aangeefster haar portemonnee. Ongeveer een kwartier nadat verdachte zeer nabij aangeefster had gestaan is het verdachte die de bewezen verklaarde 800 euro pint met de pinpas van aangeefster met gebruikmaking van de pincode van aangeefster, na eerst het saldo opgevraagd te hebben. Gelet op deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat het verdachte is geweest die de pinpas heeft gestolen en vervolgens daarmee geld heeft opgenomen.

Ten aanzien van de zaak [benadeelde 9] overweegt het hof dat het daderschap van verdachte bij beide feiten rechtstreeks uit de bewijsmiddelen voortvloeit. Verdachte wordt herkend als de vrouw die met aangeefster meekijkt terwijl zij pint bij een pinapparaat in de Albert Heijn en die aangeefster vervolgens achterna loopt. Gelet op de zeer korte tijdspanne tussen het moment dat verdachte met aangeefster in de winkel op de camerabeelden zichtbaar is en het moment waarop van de rekening van aangeefster meerdere geldbedragen worden afgeschreven, is het hof - de gelijksoortige modus operandi zoals die blijkt uit de gang van zaken bij de andere diefstallen en het daderschap van verdachte daarbij in aanmerking genomen – van oordeel dat redelijkerwijs geen andere conclusie mogelijk is dan dat verdachte de pinpas van aangeefster heeft weggenomen en daarmee geld van de rekening van aangeefster heeft gepind.

Ten aanzien van de zaak [benadeelde 12] overweegt het hof nog dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen zich aan de diefstal heeft schuldig gemaakt. Naar het oordeel van het hof vloeit dit rechtstreeks voort uit de gebezigde bewijsmiddelen. Zo blijkt uit de camerabeelden van de Albert Heijn dat twee vrouwen achter aangeefster staan op het moment dat aangeefster per pin de boodschappen afrekent, dat één van de vrouwen de caissière afleidt terwijl de ander de pincode afkijkt. Beide vrouwen volgen vervolgens de aangeefster. Verdachte wordt positief herkend als één van deze vrouwen. Daarna heeft aangeefster haar pinpas niet meer gebruikt. Binnen een uur na het afkijken van de code wordt om 13.23 uur met de gestolen pinpas geld opgenomen bij een ING-bank. Op de beelden van de Rabobank van de volgende transactie waarmee met de pinpas van aangeefster geld is opgenomen om 13.39 uur, wordt een man gezien. Hiervoor was de eerder afgekeken pincode onontbeerlijk en deze pincode moet de man derhalve ter beschikking zijn gesteld. Het hof is van oordeel dat – bij gebreke van aanknopingspunten van de zijde van verdachte voor een ander oordeel – het hier gaat om een gezamenlijke wijze van handelen die vanaf het begin in de Albert Heijn tot en met de geldopnames voortvloeide uit en gedragen werd door een gezamenlijk gemaakt plan om van aangeefster de pinpas weg te nemen om daar vervolgens, met gebruikmaking van de eerder afgekeken pincode, geld mee op te nemen. Ieder van de betrokkenen had daarin weliswaar zijn eigen rol, maar steeds werd er gezamenlijk gehandeld met het oog op het uiteindelijk te bereiken doel: geld van aangeefsters rekening afhalen. Ook hier is dus sprake van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking en daderschap van verdachte.

Niet door het hof besproken verweren vinden hun weerlegging in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen.

Het hof verwerpt de verweren in al hun onderdelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, meermalen gepleegd

en

diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd

en

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zestal diefstallen van pinpassen, waarbij twee diefstallen in vereniging hebben plaatsgevonden. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een vijftal diefstallen door middel van valse sleutels, door met voornoemde buitgemaakte pinpassen geldbedragen te pinnen tot in totaal een bedrag van € 11.951,--. Twee van deze gekwalificeerde diefstallen heeft verdachte in vereniging gepleegd.

Bij voornoemde (gekwalificeerde) diefstallen had verdachte het met name gemunt op (hoog) bejaarde kwetsbare personen, zich veelal voortbewegend met een hulpmiddel. Daarbij heeft zij zich enkel laten leiden door haar eigen gewin en heeft zij zich niet bekommerd om de gevolgen hiervan voor de benadeelden. Blijkens de aangiftes zijn veel slachtoffers van verdachtes handelen hevig geschrokken en soms angstig geworden om met hun pinpas te betalen.

Voorts heeft het hof ten nadele van verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat de (gekwalificeerde) diefstallen zijn gepleegd gedurende een lange periode. Daarbij is verdachte gestructureerd en gewiekst te werk gegaan, door eerst de pincode af te kijken, vervolgens de pinpas te stelen en werden er vervolgens hoge geldbedragen van de rekening gepind, waarbij door tevens een aantal malen muntrollen op te nemen de daglimiet op de pinpas werd omzeild.

Gelet op deze feiten en omstandigheden acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van één jaar in beginsel passend en geboden en kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een taakstraf dan wel een straf waarvan de duur gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, nu dit de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt.

Het hof heeft echter ook acht geslagen op de persoon van verdachte en haar persoonlijke omstandigheden. Door en namens verdachte is hierover naar voren gebracht dat verdachte inmiddels moeder is van twee jonge dochters en een pleegdochter heeft. Voorts is het hof gebleken dat verdachte onlangs voor de eerste keer gedetineerd is geweest en dat de detentieperiode haar zwaar is gevallen. Als gevolg hiervan heeft verdachte stappen ondernomen in haar persoonlijk leven om niet meer in een dergelijke situatie terecht te komen.

Gelet op deze persoonlijke omstandigheden alsmede de ouderdom van de feiten is het hof van oordeel dat de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, het meest passend is bij de persoon van verdachte en de ernst van en de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan. Met de oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf beoogt het hof enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking te brengen en anderzijds de strafoplegging dienstbaar te maken aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Tot slot heeft de verdediging nog een beroep gedaan op schending van de redelijke termijn.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

In beginsel heeft als redelijke termijn te gelden dat de rechtbank binnen 2 jaren vonnis wijst nadat de termijn een aanvang heeft genomen. Anders dan is gesteld door de verdediging is het hof niet gebleken dat vanwege de Staat een handeling is verricht waaraan verdachte redelijkerwijs de verwachting kon ontlenen dat zij zou kunnen worden vervolgd eerder dan 13 april 2015, zijnde de datum waarop verdachte in verzekering is gesteld. Als redelijke termijn in hoger beroep heeft te gelden 2 jaren na het instellen van appel.

Het hof stelt vast dat in eerste aanleg de redelijke termijn met bijna een jaar is geschonden. De rechtbank heeft immers eerst op 5 april 2018 vonnis gewezen.

Voorts heeft het hof bij de vaststelling of er sprake is van de schending van de redelijke termijn rekening gehouden met de omstandigheid dat in hoger beroep sprake is van een voortvarende behandeling, nu het hof na ruim 8 maanden na het instellen van het hoger beroep uitspraak doet. Daarmee is de schending van de redelijke termijn teniet gedaan. Immers, het hof zal binnen 3 jaar en 9 maanden na het aanvangsmoment van de redelijke termijn arrest wijzen, hetgeen resulteert in het gegeven dat over de gehele strafprocedure geen sprake meer is van een overschrijding van de redelijke termijn. Het hof zal derhalve volstaan met de constatering dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden.

Beslag

Op de zich in het dossier bevindende beslaglijst staat als inbeslaggenomen en nog niet teruggeven voorwerp een breekijzer vermeld. Verdachte heeft hierover verklaard dat dit breekijzer niet haar eigendom is. Gelet hierop is voor het hof niet duidelijk geworden wie rechthebbende is van het inbeslaggenomen breekijzer. Derhalve is het hof niet in staat de teruggave daarvan aan een met name te noemen persoon te gelasten. Het hof zal dientengevolge ten aanzien van het beslag de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 11]

De benadeelde partij [benadeelde 11] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.313,31. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen, vermeerderd met de (niet gevorderde) wettelijke rente.

Nu verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, wordt vrijgesproken, kan de benadeelde partij [benadeelde 11] in haar vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 8]

De benadeelde partij [benadeelde 8] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 456,05, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 356,05, vermeerderd met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Nu verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, wordt vrijgesproken, kan de benadeelde partij [benadeelde 8] in haar vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij (de erven van) [benadeelde 13]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 321,55. De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk in haar vordering verklaard. De erven van de benadeelde partij hebben zich bij schrijven van 25 juli 2018 in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Daarbij is vermeld dat [benadeelde 13] op 13 februari 2018 is overleden.

Nu verdachte niet voor het feit waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, wordt vervolgd, kan de benadeelde partij niet in haar vordering worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14 b, 14c, 47, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart verdachte niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor zover dit betrekking heeft op de onder 1 ten laste gelegde deelstreepjes die zien op de diefstallen (al dan niet in vereniging) van de pinpassen respectievelijk toebehorende aan [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en op het onder 2 ten laste gelegde deelstreepje dat ziet op de diefstal (al dan niet in vereniging) door middel van een valse sleutel van een geldbedrag toebehorende aan voornoemde [benadeelde 1] .

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder 1 ten laste gelegde deelstreepjes die zien op de diefstallen (al dan niet in vereniging) van de pinpassen toebehorende aan respectievelijk [benadeelde 8] , [benadeelde 10] en [benadeelde 11] en op de onder 2 ten laste gelegde deelstreepjes die zien op de diefstallen (al dan niet in vereniging) door middel van valse sleutels van de geldbedragen respectievelijk toebehorende aan voornoemde [benadeelde 8] en [benadeelde 11] heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een breekijzer (goednr. G1331549).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 11]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 11] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 8]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 8] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij (de erven van) [benadeelde 13]

Verklaart de benadeelde partij (de erven van) [benadeelde 13] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door:

mr. J.J.M. Gielen-Winkster, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. R.J.H. de Brouwer, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. Tatters, griffier,

en op 18 december 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature