< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Verhuur steiger voor restauratiewerkzaamheden aan de stuw in Valkenburg aan de Geul. Na overvloedige regenval raakt de steiger door losgeraakte boom en opstuwend water beschadigd. Wie is huurder: de hoofdaannemer of de onderaannemer? Er is sprake van een tekortkoming in nakoming van de verbintenis om de steigermaterialen aan het eind van de huurperiode weer in onbeschadigde staat aan verhuurder ter beschikking te stellen. Is de tekortkoming in de gegeven omstandigheden toerekenbaar aan de onderaannemer? Hoogte schade? Tussenarrest voor uitlating door partijen.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.202.791/01

arrest van 11 september 2018

in de zaak van

[steigerbouw] Steigerbouw B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. G.M.O. Puddu te Sittard,

tegen

[services] Services B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. A.J.T.M. Hendriks te Weert,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 27 december 2016 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer 4740247 \ CV EXPL 16-568 gewezen vonnis van 24 augustus 2016.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenarrest van 27 december 2016 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

het proces-verbaal van comparitie van 13 februari 2017;

de memorie van grieven met een productie (nr. 21);

de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De beoordeling

6.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

[appellante] exploiteert een onderneming die onder meer steigers verhuurt voor diverse soorten projecten.

[geïntimeerde] houdt zich bedrijfsmatig onder meer bezig met straal- en conserveringsmaatregelen.

Medio 2010 is een overeenkomst van aanneming van werk tot stand gekomen tussen Waterschap Roer en Maas (hierna: het Waterschap) als opdrachtgever en [project & maintenance] Projects & Maintenance bv (hierna: [project & maintenance] ) als opdrachtnemer, ter zake het restaureren van de stuw in Valkenburg aan de Geul.

[project & maintenance] heeft vervolgens als hoofdaannemer een overeenkomst gesloten met [geïntimeerde] als onderaannemer, ter zake het uitvoeren van straalwerkzaamheden aan de stuw.

Bij e-mail van 21 juli 2010 heeft [project & maintenance] aan [geïntimeerde] onder meer het volgende meegedeeld:

‘Zoals besproken zorgen jullie voor een steiger (…). De steiger is voor alle partijen te gebruiken en dient dus iets langer dan jullie werkzaamheden duren, te staan.’

- [appellante] heeft aan [geïntimeerde] een offerte van 29 juli 2010 uitgebracht voor, kort gezegd, het monteren, verhuren en weer demonteren van steigers ten behoeve van de restauratie van de stuw. Op de offerte staan meerdere posten genoemd, die tezamen € 6.812,-- exclusief btw belopen. Op blz. 2 van de offerte staat onder meer het volgende:

‘ De bovengenoemde prijzen zijn gebaseerd op de navolgende condities:

(…)

onze werkzaamheden en materialen dienen onder Uw CAR - verzekering te vallen (of onder die van de hoofdaannemer c.q. opdrachtgever);’

[appellante] heeft de voor de werkzaamheden benodigde steiger in de sluis gemonteerd.

[geïntimeerde] heeft de door [project & maintenance] aan haar opgedragen straalwerkzaamheden uitgevoerd op 7, 8 en 10 september 2010. De steiger is daarna blijven staan, zodat ook andere partijen werkzaamheden aan de stuw konden uitvoeren.

Bij e-mail van 20 september 2010 heeft [medewerker project & maintenance 1] van [project & maintenance] onder meer het volgende meegedeeld aan [medewerker van geintimeerde] van [geïntimeerde] :

‘De stuw moet per 28-09 volledig worden gesloten. Dit houdt in dat van de steiger de delen (planken) onder de stuw voor deze datum moeten zijn verwijderd. De steiger zelf moet nog blijven staan. Tevens moet op 21-09 of 22-09 het plastic worden verwijderd.

(…)

Let wel de steiger zelf moet blijven staan!’

Bij factuur van 23 september 2010 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] € 4.720,-- (btw verlegd) in rekening gebracht aan [geïntimeerde] voor het monteren en demonteren van de steiger. [geïntimeerde] heeft deze factuur voldaan.

Bij e-mail van donderdag 28 oktober 2010 heeft [medewerker project & maintenance 1] van [project & maintenance] aan [medewerker van geintimeerde] van [geïntimeerde] onder meer het volgende meegedeeld:

‘De bestaande steiger wordt a.s. vrijdag gedemonteerd.

De nieuwe steiger wordt maandag a.s. geplaatst, duur ca. 2 dagen.

Aanvullende opmerkingen: Steiger moet 1 dag voor het straalwerk ingepakt worden in krimpfolie. als jullie straalwerk gereed is, snijden jullie deze dezelfde avond nog van de steiger af (de folie mag er maximaal 3 dagen omheen zitten).

(…)

Het waterschap is bang/angstig voor hoogwater.

Hiervoor de volgende vragen:

- Hoe snel kan de steiger in geval van calamiteit weg worden gehaald?

- Wie moeten wij hiervoor benaderen (ook ’s nachts)?

- Wanneer komt de tekening/berekening bij ons binnen?

(…)

Overeengekomen prijs voor de werkzaamheden eur. 4.500,- excl BTW.

Inkoopopdracht wordt morgen verstrekt door [medewerker project & maintenance 2] .

- Per faxbericht van dinsdag 2 november 2010 heeft [medewerker project & maintenance 2] van [project & maintenance] aan [geïntimeerde] onder meer het volgende meegedeeld:

‘Hierbij geeft [project & maintenance] u opdracht voor het bouwen van een steiger en het stralen van de kademuren zoals besproken met onze heer [medewerker project & maintenance 1] .

Voor een totaalbedrag van 4.500,-- euro excl BTW

een en ander volgens mail van 28-10-10 van [medewerker project & maintenance 1] .’

[geïntimeerde] heeft vervolgens op of omstreeks 8 november 2010 de aan haar opgedragen nadere straalwerkzaamheden verricht.

Bij e-mail van woensdag 10 november 2010 heeft [medewerker van het waterschap] van het waterschap aan [medewerker project & maintenance 1] van [project & maintenance] en aan enkele andere geadresseerden onder meer het volgende meegedeeld:

‘De afvoersituatie in de Geul is op dit moment nogal onvoorspelbaar.

Vandaag is 9 mm neerslag gevallen in het stroomgebied van de Geul. (…) Het is moeilijk in te schatten tot hoever de afvoer zal stijgen. (…) Het hele systeem gaat steeds sneller en meer reageren op de neerslag omdat de berging in het systeem vol raakt (het wordt natter).

In de loop van de dag en morgenochtend wordt het droger en zal de afvoer weer afnemen.

Voor de dagen daarna: (…)

Pas na zondag wordt weer droger weer verwacht.

Ik verwacht op dit moment tot vrijdag geen afvoeren die tot capaciteitsproblemen kunnen leiden. In het weekend zou dat wel kunnen gebeuren. Echter is het nog te vroeg om daar nu iets over te zeggen. Naar het weekend toe zal de weersverwachting nog een paar keer worden bijgesteld.

De afvoer zal zeker tot en met zondag verhoogd blijven met voor de uitvoering van de werkzaamheden moeilijk te voorspellen neerslagpieken. Op locatie zal moeten worden beoordeeld in hoeverre dit tot problemen leidt met de uitvoering van de werkzaamheden.’

- [medewerker project & maintenance 1] van [project & maintenance] heeft de e-mail van 10 november 2010 op donderdag 11 november 2010 aan [medewerker van geintimeerde] van [geïntimeerde] doorgestuurd met daarbij het volgende bericht:

‘Zie onderstaande!

De situatie in Valkenburg wordt critisch.

Mogelijk moet de steiger morgen verwijderd worden.’

Op zaterdag 13 november 2010 is door het stijgende water een boom met de stroom meegevoerd en deze boom heeft zich vastgezet voor de steiger. Deze boom zorgde voor een bovenstroomse opstuwing van het water en, door de druk van het water tegen de boom, voor schade aan de steiger waardoor de steiger op enkele punten los raakte. Om verder schade bovenstrooms door opstuwend water en schade aan de stuw te voorkomen, ontstond de noodzaak om de steiger onmiddellijk te verwijderen. Medewerkers van [project & maintenance] waren op dat moment ter plaatse aanwezig. De steiger is vervolgens niet op normale wijze gedemonteerd, hetgeen in de gegeven omstandigheden niet mogelijk was, maar met een mobiele graafmachine uit de Geul getrokken. Door al deze omstandigheden is de steiger, althans zijn onderdelen daarvan, beschadigd.

Bij brief van 25 november 2010 heeft [expertise] Expertise, de assurantietussenpersoon van [project & maintenance] , aan [appellante] onder meer het volgende meegedeeld:

‘Zoals u bekend is, hebben de CAR-verzekeraars van [project & maintenance] Projects & Maintenance B.V. ons verzocht hen te adviseren omtrent de omvang van de kosten na bovengenoemde gebeurtenis. (…)

Aan ons werd kenbaar gemaakt, dat tijdens demontagewerken van de steiger hierin gebreken zouden zijn ontstaan. Aan ons is door de verzekeraar van [project & maintenance] Projects & Maintenance B.V. kenbaar gemaakt dat het hulpmateriaal niet is meeverzekerd op de CAR-polis van [project & maintenance] Projects & Maintenance B.V.’

Bij factuur van 9 december 2010 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] € 18.962,65 inclusief btw (€ 15.935,-- exclusief btw) in rekening gebracht ter zake schade aan de steiger. [geïntimeerde] heeft deze factuur niet voldaan.

[geïntimeerde] heeft het door [appellante] aan haar in rekening gebrachte bedrag van € 18.962,65 inclusief btw bij factuur van 31 december 2010 doorbelast aan [project & maintenance] . De omschrijving op deze factuur luidt: ‘Kosten i.v.m. waterschade Stuw Walram te Valkenburg’. [project & maintenance] heeft deze factuur niet voldaan.

Bij brief van 21 februari 2011 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] onder meer het volgende meegedeeld:

‘In opdracht van uw bedrijf hebben wij de steiger gemonteerd, voor de veroorzaakte schade bent u verantwoordelijk en hiervoor hebben wij u aansprakelijk gesteld (…)

Het nu willen afwenden van de schade op de verzekering van [appellante] is de omgekeerde wereld en is ook niet mogelijk.

Wij verwachten dat onze factuur binnen een termijn van 10 werkdagen is betaald.’

- Bij brief van 25 februari 2011 heeft [geïntimeerde] aan [project & maintenance] onder meer het volgende meegedeeld:

‘In bijlage het schrijven dat wij ontvingen van [appellante]

Aangezien wij het steiger voor U hebben geregeld en de afhandeling verder bij U lag zult u begrijpen dat wij het probleem van de schade toch weer bij U zullen neerleggen.

De steiger is voor u rekening gebouwd en u bent in onze ogen dan ook verantwoordelijk voor het juiste gebruik.

Misschien is het raadzaam om een afspraak te maken met [appellante] en dat wij samen tot een oplossing komen.’

- Ruim drie en een half jaar later, bij brief van 19 december 2014, heeft [appellante] aan [geïntimeerde] onder meer het volgende meegedeeld:

‘Naar aanleiding van ons aangetekend schrijven d.d. 5-11-2014 en het telefonisch onderhoud, hebben wij vastgesteld dat u niet tot betaling van de factuur, betreffende de geplaatste en beschadigde steiger in de stuw te Valkenburg, bent overgegaan.

In opdracht van Gebr. [geïntimeerde] straalbedrijf heeft [appellante] het steigerwerk uitgevoerd aan de stuw conform offerte (…)

In onze offerte is uitdrukkelijk opgenomen dat onze werkzaamheden en materialen onder uw CAR-verzekering dienen te vallen (of onder die van de Hoofdaannemer c.q. opdrachtgever).

(…) Herhaaldelijk hebben wij met uw opdrachtgever [project & maintenance] , alsook met Waterschap Roer en Overmaas overleg gevoerd teneinde de schade vergoed te krijgen. Helaas tot op heden zonder resultaat.

Straalbedrijf [geïntimeerde] is als opdrachtgever en contractspartij van [appellante] aansprakelijk voor de door [appellante] geleden schade en gehouden de schade te vergoeden. Op uw beurt kunt u [project & maintenance] eveneens aansprakelijk stellen danwel oproepen in vrijwaring in de procedure.

Dit is de laatste aanmaning. Wij zien betaling van de factuur inzake de geleden schade binnen 7 dagen na heden tegemoet (…)’

- [geïntimeerde] heeft niet aan deze aanmaning voldaan.

6.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [appellante] veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een hoofdsom van € 18.962,65 inclusief btw, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 23 december 2010 en vermeerderd met € 964,62 aan buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

6.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellante] in de inleidende dagvaarding, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

Tussen [appellante] en [geïntimeerde] is een overeenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de verhuur van de steiger door [appellante] aan [geïntimeerde] . In de offerte, op basis waarvan de overeenkomst tot stand gekomen is, is uitdrukkelijk opgenomen dat de werkzaamheden van [appellante] en de materialen onder de CAR-verzekering van de opdrachtgever dienen te vallen (danwel onder de CAR-verzekering van de hoofdaannemer c.q. opdrachtgever). Door de gebeurtenissen in het weekend van 13 november 2010 is de door [appellante] aan [geïntimeerde] verhuurde en in de stuw gemonteerde steiger onherstelbaar beschadigd geraakt. Dit heeft voor [appellante] een schadepost opgeleverd van € 18.962,65 inclusief btw (de kostprijs voor het vervangen van de verloren gegane steiger). [geïntimeerde] moet deze schade aan [appellante] te vergoeden omdat [geïntimeerde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenis om de steiger te verzekeren (punt 17 inleidende dagvaarding).

6.2.3.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

6.2.4.

In het eindvonnis van 24 augustus 2016 heeft de kantonrechter, samengevat, als volgt geoordeeld.

[appellante] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij met [geïntimeerde] een overeenkomst heeft gesloten ter zake de steiger en dat [geïntimeerde] in de nakoming van die overeenkomst is tekortgeschoten door geen CAR-verzekering af te sluiten waarbij de steiger is verzekerd (rov. 4.1).

Als wordt aangenomen dat tussen [appellante] een [geïntimeerde] een huurovereenkomst tot stand gekomen is met betrekking tot de steiger, dat [geïntimeerde] op grond van die overeenkomst een CAR-verzekering had moeten afsluiten en dat [geïntimeerde] dit vervolgens niet gedaan heeft, dan staat vast dat [geïntimeerde] tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst (rov. 4.2 en 4.4)

Op [appellante] rust de stelplicht en bewijslast van het door haar gestelde causale verband tussen de tekortkoming en de schade. [appellante] heeft niet gesteld dat, indien [geïntimeerde] een CAR-verzekering zou hebben afgesloten, de verzekeraar tot uitkering zou zijn overgegaan. Er staat dus niet vast dat er causaal verband bestaat tussen de tekortkoming en de schade. De vordering van [appellante] moet daarom worden afgewezen (rov. 4.5).

De vordering moet bovendien ook worden afgewezen omdat [geïntimeerde] het gestelde schadebedrag gemotiveerd heeft betwist en [appellante] dat bedrag onvoldoende heeft onderbouwd en ook overigens geen aanknopingspunten heeft gegeven op grond waarvan de schade kan worden begroot (rov. 4.6 tot en met 4.8).

Op grond van deze oordelen heeft de kantonrechter de vordering van [appellante] afgewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld.

6.3.

[appellante] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen.

Met betrekking tot de grieven I en II: de door [appellante] gestelde tekortkomingen van [geïntimeerde] en het causaal verband tussen die tekortkomingen en de schade

6.4.1.

Grief I is gericht tegen rov. 4.1 van het bestreden vonnis. In de toelichting op de grief voert [appellante] aan dat [geïntimeerde] niet alleen in de nakoming van de (volgens [appellante] ) tussen partijen gesloten overeenkomst is tekortgeschoten door geen CAR-verzekering af te sluiten waarbij de steiger is verzekerd, maar ook door de gehuurde steigermaterialen aan het eind van de huurperiode niet in onbeschadigde staat aan [appellante] ter beschikking te stellen.

6.4.2.

Naar het oordeel van het hof kan in het midden blijven of [appellante] de in de toelichting op de grief gestelde tweede tekortkoming – het aan het eind van de huurperiode niet in onbeschadigde staat ter beschikking stellen van de steiger aan [appellante] – ook al in het geding bij de kantonrechter op voldoende duidelijke wijze heeft gesteld. Het stond [appellante] immers vrij haar stellingen in haar memorie van grieven aan te vullen met deze tweede tekortkoming. Het hof zal deze tweede gestelde tekortkoming in het navolgende behandelen.

6.5.1.

Grief II is naar de kern genomen gericht tegen het in rov. 4.5 van het vonnis neergelegde oordeel van de kantonrechter dat geen causaal verband bestaat tussen het niet afsluiten van een CAR-verzekering door [geïntimeerde] en de door [appellante] geleden schade, en dat de vordering van [appellante] reeds daarom moet worden afgewezen.

6.5.2.

In de toelichting op de grief heeft [appellante] niet betwist dat geen causaal verband bestaat tussen het niet afsluiten van een CAR-verzekering door [geïntimeerde] en de door [appellante] geleden schade, en dat de vordering van [appellante] dus niet kan worden gebaseerd op het niet afsluiten van een CAR-verzekering door [geïntimeerde] . Dit strekt dus ook voor het hof tot uitgangspunt.

6.5.3.

[appellante] voert in de toelichting op de grief uitsluitend aan dat [geïntimeerde] tekortgeschoten is in de nakoming van de verbintenis om de gehuurde steigermaterialen aan het eind van de huurperiode weer in onbeschadigde staat aan [appellante] ter beschikking te stellen (de bij de behandeling van grief I genoemde tweede tekortkoming), en dat tussen die tekortkoming en de geleden schade wel degelijk causaal verband bestaat. Met betrekking tot deze grief geldt hetzelfde als hiervoor in rov. 6.4.2 ten aanzien van grief I overwogen: het stond [appellante] vrij haar stellingen in haar memorie van grieven aan te vullen met deze genoemde tweede tekortkoming en met haar betoog over het causaal verband tussen die tekortkoming en de schade. Het hof zal deze stellingen hieronder behandelen.

Totstandkoming huurovereenkomst steigermaterialen tussen [appellante] en [geïntimeerde]

6.6.1.

Naar aanleiding van de grieven I en II zal het hof allereerst de vraag beantwoorden of tussen [appellante] als verhuurder en [geïntimeerde] als huurder een huurovereenkomst tot stand gekomen is met betrekking tot de door [appellante] in de stuw gemonteerde steigermaterialen.

6.6.2.

Het hof beantwoord die vraag bevestigend. Het hof neemt daarbij de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking.

Bij e-mail van 21 juli 2010 heeft [project & maintenance] aan [geïntimeerde] de afspraak bevestigd dat [geïntimeerde] zou zorgen voor de aanwezigheid van een steiger in de stuw en dat die steiger ook na afronding van de straalwerkzaamheden nog moest blijven staan zodat die ook door andere partijen gebruikt kon worden.

[appellante] heeft aan [geïntimeerde] desgevraagd een offerte van 29 juli 2010 uitgebracht voor het monteren, verhuren en weer demonteren van steigers ten behoeve van de restauratie van de stuw.

[appellante] heeft de voor de werkzaamheden benodigde steiger in de sluis gemonteerd.

Bij factuur van 23 september 2010 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] € 4.720,-- (btw verlegd) in rekening gebracht aan [geïntimeerde] voor het monteren en demonteren van de steiger.

[geïntimeerde] heeft deze factuur voldaan.

Het hof neemt voorts aan dat [geïntimeerde] de bedragen die voor de huur van de steiger zijn voldaan aan [appellante] , heeft doorbelast aan [project & maintenance] . [geïntimeerde] heeft niet gesteld dat zij dat niet heeft gedaan. Al deze feiten en omstandigheden wijzen erop dat ter zake de verhuur van de steiger een overeenkomst tot stand gekomen is tussen [appellante] als verhuurder en [geïntimeerde] als huurder. Gelet op deze feiten en omstandigheden heeft [geïntimeerde] de desbetreffende stelling van [appellante] niet voldoende gemotiveerd betwist.

Is de huurovereenkomst eind oktober 2010 beëindigd?

6.7.1.

[geïntimeerde] heeft als verweer tegen de vordering van [appellante] aangevoerd dat de huurovereenkomst ter zake de steiger, indien [geïntimeerde] daarbij als huurder is aan te merken, op vrijdag 29 oktober 2010 is geëindigd omdat de steiger toen, zoals blijkt uit de e-mail van 28 oktober 2010 van [medewerker project & maintenance 1] , geheel is gedemonteerd. Volgens [geïntimeerde] is ter zake het daarna opbouwen van een nieuwe steiger een huurovereenkomst tot stand gekomen tussen [appellante] als verhuurder en [project & maintenance] zelf als huurder.

6.7.2.

[appellante] heeft deze stelling betwist, volgens haar is de steiger enkel aangepast en is [geïntimeerde] in elk geval als huurder blijven optreden. Volgens [appellante] blijkt dat onder meer uit een door haar aan [geïntimeerde] verzonden factuur van 9 december 2010 ten bedrage van € 1.914,75 (btw verlegd) ter zake het wederom monteren / demonteren van de steiger. Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] ook deze factuur voldaan.

6.7.3.

Het hof constateert dat [geïntimeerde] heeft erkend dat zij de laatstgenoemde factuur voldaan heeft (conclusie van dupliek sub 12). [geïntimeerde] heeft niet betwist dat deze factuur betrekking heeft op de aanpassing van de steiger van eind oktober 2010. Dit wijst erop dat [geïntimeerde] ook na die aanpassing als huurder en dus als wederpartij van [appellante] is blijven optreden. Ook het hiervoor in rov. 6.1 genoemde e-mailbericht van [project & maintenance] aan [geïntimeerde] van 28 oktober 2010 en faxbericht van [project & maintenance] aan [geïntimeerde] van 2 november 2010 wijzen erop dat [geïntimeerde] ook na de aanpassingen aan de steiger van eind oktober 2010 als contractuele wederpartij van [appellante] is blijven optreden en dat [project & maintenance] dus niet vanaf dat moment zelf de steiger rechtstreeks van [appellante] is gaan huren.

6.7.4.

Het voorgaande voert tot de tussenconclusie dat op zaterdag 13 november 2010, toen de schade aan de steigermaterialen ontstond, nog een huurovereenkomst ter zake die materialen bestond tussen [appellante] en [geïntimeerde] .

Is [geïntimeerde] tekortgeschoten in de nakoming van de verbintenis om de steigermaterialen aan het eind van de huurperiode weer in onbeschadigde staat aan [appellante] ter beschikking te stellen?

6.8.

[geïntimeerde] heeft niet betwist dat in de huurovereenkomst de verbintenis van de huurder besloten ligt om de steigermaterialen aan het eind van de huurperiode weer in onbeschadigde staat aan [appellante] ter beschikking te stellen. [geïntimeerde] heeft evenmin betwist dat de steiger door de gebeurtenissen van 13 november 2010 beschadigd is. Omdat in het voorgaande is geoordeeld dat [geïntimeerde] op de genoemde datum nog de huurder van de steiger was, staat vast dat [geïntimeerde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenis om de steigermaterialen aan het eind van de huurperiode weer in onbeschadigde staat aan [appellante] ter beschikking te stellen. Op de vraag of deze tekortkoming aan [geïntimeerde] kan worden toegerekend, zal het hof in het navolgende nog ingaan.

Heeft [appellante] haar rechten op schadevergoeding verwerkt?

6.9.1.

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat [appellante] het door haar gestelde recht op schadevergoeding van [geïntimeerde] heeft verwerkt door eerst te trachten de verzekeraar van [project & maintenance] , [project & maintenance] zelf en het waterschap tot vergoeding van de schade te bewegen.

6.9.2.

Het hof verwerpt dit verweer. De pogingen van [appellante] om de schade te verhalen op de verzekeraar van [project & maintenance] , [project & maintenance] zelf en het waterschap, hebben in samenspraak met [geïntimeerde] plaatsgevonden en waren mede in het belang van [geïntimeerde] . Bovendien heeft [appellante] het door haar gestelde schadebedrag reeds bij factuur van 9 december 2010 aan [geïntimeerde] in rekening gebracht en bij haar brief aan [geïntimeerde] van 21 februari 2011 duidelijk gemaakt dat zij [geïntimeerde] aansprakelijk hield voor de schade. [geïntimeerde] diende er dus rekening mee te houden dat, indien de pogingen van [appellante] om de schade te verhalen op de verzekeraar van [project & maintenance] , [project & maintenance] zelf en het waterschap geen doel zouden treffen, [appellante] alsnog op betaling door [geïntimeerde] aanspraak zou maken. Dat vervolgens ruim drie en een half jaar is verstreken voordat [appellante] [geïntimeerde] in november/december 2014 tot betaling van de schade aansprak, maakt bij deze stand van zaken niet dat [appellante] haar rechten ter zake heeft verwerkt.

Is de tekortkoming aan [geïntimeerde] toe te rekenen?

6.10.1.

[appellante] heeft haar vordering tot schadevergoeding gebaseerd op artikel 6:74 lid 1 BW. Dat artikellid luidt als volgt:

‘Iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis verplicht de schuldenaar de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend.’

Daarop aansluitend bepaalt artikel 6:75 BW :

‘Een tekortkoming kan de schuldenaar niet worden toegerekend, indien zij niet is te wijten aan zijn schuld, noch krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.’

Ten aanzien van de aansprakelijkheid van een huurder voor schade aan een verhuurde zaak bepalen de leden 1 en 2 van artikel 7:218 BW het volgende:

‘1 De huurder is aansprakelijk voor schade aan de verhuurde zaak die is ontstaan door een hem toe te rekenen tekortschieten in de nakoming van een verplichting uit de huurovereenkomst.

2 Alle schade wordt vermoed daardoor te zijn ontstaan, behoudens brandschade en, in geval van huur van een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan, schade aan de buitenzijde van het gehuurde.’

6.10.2.

[geïntimeerde] heeft in haar memorie van antwoord in haar reactie op grief II (onder meer sub 42 en 44) aangevoerd dat de tekortkoming, bestaande uit het aan het einde van de huurperiode niet in onbeschadigde staat aan [appellante] ter beschikking stellen van de steiger, haar in de gegeven omstandigheden niet kan worden toegerekend. [geïntimeerde] had dat verweer in het geding bij de kantonrechter nog niet met zoveel woorden gevoerd, hetgeen kennelijk mede een gevolg is geweest van het feit dat het debat zich in het geding bij de kantonrechter meer toespitste op de door [appellante] in de inleidende dagvaarding gestelde tekortkoming ter zake het ontbreken van een CAR-verzekering die dekking verleende voor de schade. Het bij de memorie van antwoord door [geïntimeerde] gevoerde verweer ter zake de niet toerekenbaarheid van de tekortkoming ter zake het niet in onbeschadigde staat teruggeven van de gehuurde zaak is een reactie op deze door middel van de grieven I en II gestelde tekortkoming.

6.10.3.

[appellante] is na de memorie van antwoord in deze procedure niet meer aan het woord geweest. [appellante] heeft dus nog niet gereageerd op het verweer van [geïntimeerde] dat de tekortkoming niet aan haar kan worden toegerekend. Het hof acht het wenselijk om over een reactie van [appellante] op dat verweer te beschikken, alvorens over dat verweer te oordelen. Het hof zal [appellante] in de gelegenheid stellen om zich bij memorie na tussenarrest over het betreffende verweer uit te laten. [geïntimeerde] mag daarna nog bij antwoordmemorie na tussenarrest reageren.

6.10.4.

Het hof zal elk verder oordeel over de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] voor de schade nu aanhouden.

Met betrekking tot grief IV: subsidiaire grondslag onrechtmatige daad

6.11.1.

Door middel van grief IV heeft [appellante] een subsidiaire grondslag aan haar vordering ten grondslag gelegd. Voor het geval het niet in onbeschadigde staat ter beschikking stellen van de steiger aan [appellante] niet kan worden bestempeld als een tekortkoming van [geïntimeerde] in de nakoming van de huurovereenkomst, stelt [appellante] dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellante] en om die reden de schade moet vergoeden.

6.11.2.

Deze grief hoeft niet afzonderlijk besproken te worden. Het hof heeft reeds geoordeeld dat [geïntimeerde] in de nakoming van de huurovereenkomst tekortgeschoten is. Als het hof in een vervolgarrest (na een uitlating van partijen over de toerekenbaarheid van de tekortkoming) oordeelt dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade, is een grondslag aanwezig voor schadevergoeding en heeft de grondslag onrechtmatige daad geen toegevoegde waarde. Als het hof in het vervolgarrest tot het oordeel komt dat [geïntimeerde] , bij gebreke aan toerekenbaarheid van de tekortkoming, niet aansprakelijk is voor de schade, kan ook niet worden gezegd dat sprake is van een aan [geïntimeerde] toerekenbare onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW .

Met betrekking tot grief III: de omvang van de geleden schade

6.12.1.

Grief III is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de vordering van [appellante] (ook) moet worden afgewezen omdat [appellante] het gestelde schadebedrag onvoldoende heeft onderbouwd en ook overigens geen aanknopingspunten heeft gegeven op grond waarvan de schade kan worden begroot. In de toelichting op de grief heeft [appellante] gesteld dat zij de schade heeft berekend aan de hand van de in de geleverde steiger verwerkte materialen (zoals buizen, planken, enzovoort). Volgens [appellante] is aan de hand van de technische tekening van de steiger zoals die door [appellante] is opgebouwd, precies te reconstrueren wat de kostprijs van de steiger is geweest. [appellante] heeft als productie 21 bij de memorie van grieven een overzicht overgelegd van de volgens haar bij de opbouw van de steiger gebruikte materialen, aantallen en prijzen. Volgens [appellante] is aan de hand van deze specificatie het door haar gestelde schadebedrag van € 15.935,-- exclusief btw (€ 18.962,65 inclusief btw) becijferd.

6.12.2.

[geïntimeerde] heeft er in haar reactie op de grief op gewezen dat [appellante] de door haar genoemde technische tekening niet heeft overgelegd. Ook heeft [geïntimeerde] gesteld dat het door [appellante] als productie 21 bij de memorie van grieven overgelegde overzicht onleesbare informatie bevat. [geïntimeerde] heeft voorts betwist dat alle onderdelen van de steiger door de gebeurtenissen van 13 november 2010 beschadigd zijn geraakt.

6.12.3.

Het hof stelt voorop dat de door [appellante] overgelegde productie 21 een uitdraai van een Excelbestand of vergelijkbaar bestand betreft in een zeer klein lettertype. Ook bij uitvergroting van deze productie zijn onderdelen daarvan, door het feit dat de productie in zeer klein lettertype is afgedrukt en de kwaliteit van de overgelegde kopie te wensen overlaat, niet goed leesbaar. Het hof heeft wel kunnen vaststellen dat het overzicht op de (uit 1 bladzijde bestaande) productie, uit drie deeloverzichten bestaat, die elk een eerste kolom hebben met de aanduiding “aantal” en een laatste kolom met de aanduiding “koopprijs”. Het hof zal [appellante] opdragen om bij memorie na tussenarrest aanzienlijk uitvergrote en beter leesbare versies van deze drie deeloverzichten over te leggen.

6.12.4.

[appellante] dient bij deze memorie na tussenarrest voorts een duidelijke (niet te klein afgedrukte) kopie over te leggen van de technische tekening die zij in de toelichting op grief III heeft genoemd. [appellante] kan er ook voor kiezen de een exemplaar van die tekening de deponeren ter griffie van het hof, en gelijktijdig een identiek exemplaar aan de wederpartij ter beschikking te stellen.

6.12.5.

[appellante] heeft zich ter onderbouwing van de door haar gestelde schade mede beroepen op als productie 19 bij de conclusie van repliek overgelegde foto’s. In het aan het hof overgelegde procesdossier bestaat de genoemde productie uit zwartwitkopieën van foto’s. De kwaliteit van deze kopieën is matig, waardoor de afbeeldingen niet goed zichtbaar zijn. Het hof zal [appellante] in de gelegenheid stellen om bij de door haar te nemen memorie na tussenarrest kleurenafdrukken (of kleurenkopieën van goede kwaliteit) van deze foto’s over te leggen, dan wel te deponeren ter griffie van het hof (met gelijktijdige ter beschikkingstelling van kleurenafdrukken aan de wederpartij).

6.12.6.

Het hof zal elk verder oordeel over de gestelde schade en over de in dat kader door [geïntimeerde] voorts gevoerde verweren aanhouden.

Conclusie

6.13.

Uit het voorgaande volgt dat het hof nu een tussenarrest zal wijzen en elk verder oordeel zal aanhouden.

7 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 23 oktober 2018 voor een memorie na tussenarrest aan de zijde van [appellante] , waarin [appellante] zich moet uitlaten en stukken moet overleggen zoals hiervoor aangegeven in rov. 6.10.3, 6.12.3, 6.12.4 en 6.12.5, waarna [geïntimeerde] bij antwoordmemorie zal mogen reageren;

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en M.W.M. Souren en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 september 2018.

griffier rolraadsheer


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature