< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

KBLux rekening en informatiebeschikkingen 2010 en 2011. Belanghebbenden hebben tot en met de HR geprocedeerd over de informatiebeschikking over een eerder jaar, maar zonder succes. Omdat in de hoger beroepsfase inzake de informatiebeschikkingen 2010 en 2011 nog meer informatie uit Luxemburg is verkregen heeft het Hof belanghebbenden in persoon opgeroepen ter zitting van het Hof te verschijnen. Het Hof wenst opheldering over die nadere informatie alsmede over de procesopstelling van belanghebbenden; zij hebben tegenover de Inspecteur het rekeninghouderschap erkend en aan hem een sluitingsverklaring van de KBLux-rekening overgelegd, maar stellen zich in hoger beroep bij monde van hun gemachtigde nog steeds op het standpunt geen rekeninghouder te zijn (geweest). Van de opgeroepen belanghebbenden is één der erfgenamen ter zitting van het Hof verschenen. De overige twee opgeroepen belanghebbenden zijn zonder geldige reden niet verschenen. Met toepassing van artikel 8:31 van de Awb verbindt het Hof hieraan de gevolgtrekking dat het hoger beroep ongegrond moet worden verklaard.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 17/00278 en 17/00279

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 9 maart 2017, nummers BRE 15/7278 en 15/7279, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde informatiebeschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Met dagtekening 27 augustus 2014 zijn aan belanghebbende informatiebeschikkingen zoals bedoeld in artikel 52a, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) gegeven. Deze beschikkingen zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur met dagtekening 15 oktober 2015, gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en belanghebbende een termijn van vier weken gesteld om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 24 januari 2018 te ‘s‑Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord [A] , advocaat te [B] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, [C] en [D] .

Het hoger beroep van belanghebbende is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de hoger beroepen van de erven van [E] , met kenmerknummers 17/00280 en 17/00281.

1.5.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.6.

Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat een nadere zitting wordt gehouden op 15 februari 2018 en dat belanghebbende voor die zitting op de voet van artikel 8:59 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in persoon wordt opgeroepen.

1.7.

Op grond van artikel 8:58 van de Awb heeft de Inspecteur v óór de nadere zitting stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.8.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 15 februari 2018 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende [F] , advocaat te [B] , en namens de Inspecteur [C] . Belanghebbende is niet verschenen.

Tijdens deze nadere zitting is het hoger beroep van belanghebbende gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de hoger beroepen van de erven van [E] , met kenmerknummers 17/00280 en 17/00281.

1.9.

Aan het einde van de nadere zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

1.10.

Van de zittingen zijn processen-verbaal opgemaakt, die in afschrift aan partijen zijn verzonden.

2 Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

“2.1. [belanghebbende] (hierna: de echtgenote), geboren op [geboortedatum 1] 1936, was gehuwd met [G] , geboren op [geboortedatum 2] 1933 en overleden op [datum] 2013 (hierna: de erflater). Uit dat huwelijk zijn twee kinderen geboren.

2.2.

De erfgenamen van erflater zijn diens echtgenote en de twee kinderen (de erven).

2.3.

Met dagtekening 27 augustus 2014 heeft de inspecteur aan zowel de erven als de echtgenote voor ieder jaar afzonderlijk een informatiebeschikking verzonden waarin naar aanleiding van de voor de jaren 2010 en 2011 ingediende aangiften IB/PVV vragen zijn gesteld over de gerechtigdheid van zowel de erflater als de echtgenote tot een bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer 1] bij de Kredietbank Luxembourg (hierna: KBL) in Luxemburg (hierna: de KBL-rekening). Daarin zijn voor ieder jaar telkens de volgende vragen en verzoeken opgenomen:

‘1. Is deze bankrekening/belegging in [jaar] nog steeds door u aangehouden?

2. Zo ja, wat was het saldo, inclusief de onderliggende sub- en beleggingsrekeningen, op 1 januari [jaar]?

3. Zo nee, waar wordt het eerder bij de KBL te Luxemburg gestalde vermogen in [jaar] aangehouden?

4. Wat is het saldo van die andere rekening(en) op 1 januari [jaar]?

5. Indien niet langer vermogen in het buitenland wordt aangehouden, wanneer en op welke binnenlandse rekening is dit vermogen gestort of wanneer en waarvoor is het aangewend?

6. Ik verzoek u de bescheiden met betrekking tot de buitenlandse rekening(en) (in kopie) voor deze jaren te overleggen.’

Tevens heeft de inspecteur belanghebbenden op artikel 25, derde lid, van de AWR gewezen.

2.4.1.

De inspecteur heeft eerder ter zake van de jaren 2008 en 2009 informatiebeschikkingen aan erflater en de echtgenote gegeven in verband met de KBL-rekening. Partijen hebben over die jaren al geprocedeerd.

2.4.2.

Inzake het jaar 2008 heeft deze rechtbank op 15 april 2016 (zaaknummers 14/2465 en 14/2466) geoordeeld over de in geschil zijnde vragen of de erflater en de echtgenote terecht als rekeninghouder zijn geïdentificeerd, of de inspecteur op grond van artikel 47 van de AWR terecht vragen aan belanghebbenden heeft gesteld en of belanghebbenden aan de verplichtingen van artikel 47 van de AWR hebben voldaan. De rechtbank heeft de inspecteur in het gelijk gesteld.

2.4.3.

Partijen hebben inzake het jaar 2009 tot en met de Hoge Raad geprocedeerd. De Hoge Raad heeft op 17 juni 2016 (zaaknummers 15/03892 en 15/03893) de cassatieberoepen van belanghebbenden tegen de uitspraken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 16 juli 2015 inzake de erven (kenmerk 14/00742) en de echtgenote (kenmerk 14/00741) ongegrond verklaard. Het hof had onder meer overwogen dat de stelling dat sprake is van een onrechtmatige bewijsgaring door de Nederlandse belastingdienst moet worden verworpen, dat de inspecteur in redelijkheid heeft kunnen veronderstellen dat erflater en/of de echtgenote

(mede-)rekeninghouder was van een rekening bij KB Lux, dat nimmer openheid van zaken is gegeven door belanghebbenden, dat een aanzienlijk saldo niet pleegt te verdwijnen uit het vermogen van een belastingplichtige en dat de inspecteur terecht de informatiebeschikkingen heeft gegeven.

2.4.4.

Aan erflater en de echtgenote zijn met betrekking tot bepaalde jaren in de periode 1990 tot en met 2007 (navorderings)aanslagen opgelegd met correcties in verband met de KBL-rekening. Hierover is door belanghebbenden geprocedeerd. Deze rechtbank heeft in deze zaken op 15 april 2016 uitspraak gedaan (BRE 14/3149 tot en met BRE 14/3159 met betrekking tot de echtgenote en BRE 14/3124, 14/3125, 14/3127 tot en met 14/3135, 14/3137 en 14/3140 tot en met 14/3148 met betrekking tot de erven). De rechtbank heeft daarin geoordeeld dat aannemelijk is dat erflater en de echtgenote rechthebbenden waren tot de KBL-rekening.”.

In aanvulling op de door de Rechtbank vastgestelde feiten stelt het Hof op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast:

2.5.

De Belastingdienst heeft op afdrukken van microfiches gegevens van Nederlandse rekeninghouders bij de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (hierna: de KBL) ontvangen van de Belgische autoriteiten. Op basis van de gegevens is een onderzoek ingesteld door de FIOD en de Belastingdienst, later bekend geworden als het Rekeningenproject.

2.6.

Op de afdrukken van microfiches stonden onder andere de volgende regels:

"JUSTIFICATIF DES SOLDES PAR RUBRIQUES IML AU 31/01/1994

(...)

[nummer 1] TER [H] 611.650,49

(…)

[nummer 2] VUE [J] 125,72”.

2.7.

Tot de gedingstukken behoort een proces-verbaal van ambtshandeling, opgemaakt op 21 februari 2013 door [K] , medewerker bij de FIOD/kantoor Haarlem, waarin onder meer het volgende is vermeld:

“Het cliëntenbestand KB Lux [is] door B/KIR gematcht met het BVR-bestand (Beheer van Relaties), een bestand van de Belastingdienst, waarin alle natuurlijke- en rechtspersonen zijn opgenomen die in Nederland wonen of zijn gevestigd. Tevens zijn in het BVR-bestand opgenomen alle natuurlijke- en rechtspersonen die in het buitenland wonen of zijn gevestigd en in Nederland belastingplichtig zijn. Het BVR-bestand wordt voor wat betreft de natuurlijke personen gevoed met gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie. In het BVR-bestand blijven historische gegevens bewaard.

Opgemerkt wordt dat in het BVR-bestand ten tijde van de identificaties rond de jaren 2001, 2002 de natuurlijke personen zijn opgenomen met voorletters en niet met voornamen.

Indien een rekening meer dan één rekeninghouder heeft, is er uit het BVR-bestand door B/KIR de volgende selectie gemaakt:

a. alle combinaties van beide achternamen waarbij in BVR een relatie staat vermeld. (bijv. gehuwd met, kind van, samenwonend etc)

b. alle combinaties van beide achternamen die in BVR op hetzelfde adres wonen (hebben gewoond)

c. alle combinaties van beide achternamen die in BVR onder hetzelfde dossiernummer staan (stonden) vermeld.

Tot slot zijn de gevonden sofinummers gekoppeld aan het bestand van het Centrale rijbewijzen- en Bromfietscertificatenregister (CRB), in welk bestand de sofinummers, de voornaam en de geslachtsnaam van alle natuurlijke personen met een rijbewijs of een bromfietscertificaat zijn opgenomen en welk bestand is aangekocht van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna genoemd: RDW-bestand).

Door de FIOD/kantoor Haarlem/afdeling Digitaal Ondersteuningsteam is uit het BVR-bestand en het RDW-bestand een nadere selectie gemaakt. Alleen die combinaties van namen zijn in de selectie ter nadere identificatie opgenomen waarbij er of géén voornaam na matching met het RDW-bestand bekend was, dan wel na matching de voornaam uit het RDW-bestand gelijk was aan de voornaam van het cliëntenbestand KB Lux én de eerste letter van de doop-, c.q. geboortenamen binnen het BVR-bestand overeen kwam met de eerste letter van de doop-, c.q. geboortenaam, zoals die op de microfiches voorkomt.

Op basis van het voorgaande verklaar ik, verbalisant, het volgende:

1. Op de afdruk van de microfiche van de KB Lux komt onder meer voor de na(a)m(en): [J] .

2. Uit eerder onderzoek naar rekeninghouders van de KB Lux is komen vast te staan dat indien deze notatiewijze wordt gehanteerd er volgens de systematiek van de KB Lux sprake is van gehuwden, in casu [L] , gehuwd met [de vrouw] .

3. Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux met het BVR-bestand komen één overeenkomst voor, waarbij [L] de partner is van [de vrouw] . Dit is [G] , geboren op [geboortedatum 2] -1933 met sofinummer [sofinummer 1] gehuwd met [de vrouw] , geboren op [geboortedatum 1] -1936 met sofinummer [sofinummer 2] .

Uit de match van de rekeninghouder(s), zoals vermeld op de microfiches van de KB Lux met de Belastingdienst ten dienst staande landelijke bestanden, komt één persoon als rekeninghouder in aanmerking, zijnde [E] met sofinummer [sofinummer 1] zoals onder voornoemd punt 3. staat vermeld.

(...).”.

2.8.

Ten aanzien van de onder 2.4.1 genoemde informatiebeschikking inzake het jaar 2008 alsmede ten aanzien van de onder 2.4.4. genoemde belastingaanslagen heeft het Hof bij uitspraken van 11 januari 2018 beslist op de hoger beroepen van belanghebbende (ECLI:NL:GHSHE:2018:94, respectievelijk ECLI:NL:GHSHE:2018:95). Bij uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2018:94 heeft het Hof de informatiebeschikking vernietigd, doch uitsluitend voor zover daarin is verzocht de vragen 1 en 2 te beantwoorden en de informatiebeschikking voor het overige gehandhaafd.

2.9.

De Inspecteur heeft bij brief van 30 juni 2014 aan belanghebbende vragen gesteld in verband met de belastingheffing voor het jaar 2010 en 2011. In die brief heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht om informatie te verstrekken en bescheiden over te leggen met betrekking tot de door haar aangehouden bankrekening bij de KBL met rekeningnummer [rekeningnummer 1] (hierna ook: de KBL-rekening).Tevens heeft de Inspecteur belanghebbende gewezen op de gevolgen van het niet voldoen aan de informatieverplichtingen.

2.10.

De gemachtigde heeft bij brief van 16 juli 2014 namens belanghebbende geantwoord dat belanghebbende niets heeft toe te voegen aan de beantwoording van (nagenoeg) gelijkluidende vragen met betrekking tot voorgaande belastingjaren, inhoudende dat zij ontkent ooit een rekening bij de KBL te hebben aangehouden.

2.11.

De Inspecteur heeft bij brief van 21 juli 2014 nogmaals verzocht de bij brief van 30 juni 2014 gevraagde informatie te verstrekken. Daarop heeft de gemachtigde bij brief van 25 augustus 2014 onder meer geantwoord dat het standpunt van belanghebbende gehandhaafd blijft. Vervolgens heeft de Inspecteur met dagtekening 27 augustus 2014 de onderhavige informatiebeschikkingen gegeven.

2.12.

Tot de gedingstukken in hoger beroep behoort een e-mail van 5 april 2017 van de gemachtigde aan de Inspecteur waarbij als bijlage is gevoegd een brief van de KBL van 27 maart 2017 (hierna: het sluitingsbericht), waarin onder meer het volgende is vermeld:

“Wij refereren hierbij aan uw verzoek van 27 maart 2017 om de bank over te laten gaan tot een onderzoek inzake rekening nr. [rekeningnummer 1] (de “Rekening”).

Het is het volgens de Luxemburgse wettelijke bepalingen inzake de archivering van documenten vereist dat het cliëntendossier alsmede de financiële gegevens van een rekening (de “Gegevens”) bewaard worden voor een minimale duur van tien jaar met ingang van respectievelijk (i) de sluiting van de genoemde rekening of (ii) de datum van uitvoering van de betreffende financiële transactie.

Niettegenstaande kunnen wij u bevestigen dat deze rekening werd afgesloten op datum van 18 maart 2002.

Wij herinneren er overigens aan dat deze brief niet ten doel heeft al dan niet te bevestigen dat u de titularis was van de Rekening aangezien deze informatie niet meer in ons systeem voorkomt.”.

2.13.

Belanghebbende heeft de Inspecteur per e-mail van 25 april 2017 laten weten dat zij zich tot de KBL zal wenden met vragen “over de inmiddels bekende rekening”.

2.14.

De Inspecteur heeft bij brief van 31 januari 2018 (zie 1.7) stukken naar het Hof gezonden met als bijlagen nadere uit Luxemburg verkregen informatie. Tot die informatie behoort onder meer een saldo-overzicht betrekking hebbend op de KBL-rekening met rekeningnummer [rekeningnummer 1] vanaf 1 januari 1994 tot datum opheffing rekening 12 februari 2002. Verder een saldo-overzicht van een KBL-rekening met rekeningnummer [rekeningnummer 2] vanaf opening van de rekening op 12 februari 2002 tot 16 december 2009. Deze laatste rekening is eveneens ten name van belanghebbende gesteld en het beginsaldo komt ongeveer overeen met het eindsaldo van de opgeheven KBL-rekening [rekeningnummer 1] . Verder volgt uit het overzicht van KBL-rekening met rekeningnummer [rekeningnummer 2] dat ieder jaar zogenaamde ‘pseudoniemprovisie’ in rekening wordt gebracht.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de informatiebeschikkingen terecht zijn gegeven. Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan tijdens de zittingen is toegevoegd, wordt verwezen naar de van deze zittingen opgemaakte processen-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraken op bezwaar en de beschikkingen.

3.4.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Het Hof heeft toepassing gegeven aan artikel 8:59 van de Awb en belanghebbende opgeroepen in persoon te verschijnen ter nadere zitting van 15 februari 2018. In de oproeping is belanghebbende gewezen op artikel 8:31 van de Awb . Belanghebbende, hoewel correct opgeroepen, is niet verschenen. Volgens mededeling van de gemachtigde werd het gezien belanghebbendes leeftijd niet verantwoord bevonden dat belanghebbende voor het Hof zou verschijnen. Zonder enige nadere onderbouwing acht het Hof dit geen valide reden voor belanghebbendes niet-verschijnen ter zitting.

In de hoger beroepsfase is aanzienlijk meer bewijs beschikbaar gekomen (zie 2.12 tot en met 2.14) en belanghebbende is de meest aangewezen persoon die opheldering kan verschaffen omtrent die nadere informatie. Bovendien had belanghebbende door het Hof kunnen worden bevraagd hoe haar bezoek aan de Inspecteur in het voorjaar van 2017 en het overleggen van de sluitingsverklaring moet worden uitgelegd in het licht van de door haar gemachtigde in zijn pleitnota van 24 januari 2018 ingenomen standpunten, die er kort gezegd op neerkomen dat belanghebbende nog steeds volhardt in haar ontkenning rekeninghouder te zijn (geweest) van de KBL-rekening.

Belanghebbende heeft echter, hoewel door het Hof opgeroepen, zelf de afweging gemaakt en er voor gekozen zonder geldige reden niet te verschijnen. Reeds hierom zal het Hof, gelet op artikel 8:31 van de Awb , hieraan de gevolgtrekking verbinden dat het hoger beroep ongegrond moet worden verklaard. Geheel ten overvloede verwijst het Hof nog naar zijn eerdere uitspraken ten aanzien van belanghebbende, genoemd onder 2.4.3 en 2.8.

Slotsom

4.2.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.3.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.4.

Aangezien het hoger beroep ongegrond is acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb .

5 Beslissing

Het Hof:

verklaart het hoger beroep ongegrond;

bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

bepaalt dat de termijn van vier weken om de gevraagde informatie aan de Inspecteur te verstrekken aanvangt op de datum waarop deze uitspraak onherroepelijk is geworden.

Aldus gedaan op 30 maart 2018 door V.M. van Daalen-Mannaerts, voorzitter, P.C. van der Vegt en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

de naam en het adres van de indiener;

een dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature