< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Rijnvarende. Rijnvarendenverdrag (Verdrag betreffende de sociale zekerheid van rijnvarenden; Trb. 1981, 43) en Verordening EEG nr. 1408/71. Art. 6 Algemene wet inzake rijksbelastingen. Art. 8 Algemene wet inzake rijksbelastingen. Art. 27e Algemene wet inzake rijksbelastingen.

De Inspecteur maakt niet aannemelijk dat belanghebbende voor 2007 is uitgenodigd aangiften loonheffingen te doen. Reeds hierom kan de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast voor 2007 niet worden toegepast.

Voor 2008 en 2009 heeft de Inspecteur belanghebbende uitgenodigd aangiften loonheffingen te doen. Belanghebbende heeft echter op de uitnodigingen schriftelijk gereageerd en gesteld dat zij niet inhoudingsplichtig is. Het Hof acht dit standpunt pleitbaar. Voor het opleggen van de naheffingsaanslagen heeft de Inspecteur in het rapport van het (boeken)onderzoek aangekondigd geen boete op te leggen. Hierbij heeft (ook) de Inspecteur aangegeven het standpunt van belanghebbende pleitbaar te achten. Reeds hierom kan de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast voor 2008 en 2009 niet worden toegepast. Voorts heeft de Inspecteur belanghebbende niet herinnerd en aangemaand aangifte te doen, zodat ook op deze grond de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast voor 2008 en 2009 niet kan worden toegepast.

De Inspecteur moet aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast aannemelijk maken:

- dat, en in hoeverre, belanghebbende inhoudingsplichtig was; en

- dat de door hem voorgestane hoogte van de naheffingsaanslagen niet te hoog is.

De Inspecteur slaagt niet in de op hem rustende bewijslast. De naheffingsaanslagen loonheffingen worden vernietigd.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 13/01027 tot en met 13/01029

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de in één geschrift verenigde uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 22 augustus 2013, nummer AWB 12/4800 tot en met 12/4802, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de aan belanghebbende voor de perioden 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007, 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 en 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 opgelegde naheffingsaanslagen in de premie volksverzekeringen en de werknemersverzekeringen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn voor de perioden 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007, 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 en 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 naheffingsaanslagen in de loonheffing (premie volksverzekeringen en werknemersverzekeringen) opgelegd voor respectievelijk € 2.110.536 (aanslagnummer [aanslagnummer] .A.01.750.0 en dagtekening 29 september 2011), € 2.035.606 (aanslagnummer [aanslagnummer] .A.01.850.0 en dagtekening 3 oktober 2011) en € 2.170.400 (aanslagnummer [aanslagnummer] .A.01.950.0 en dagtekening 3 oktober 2011). De naheffingsaanslagen zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift verenigde uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 310. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraken heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 478. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Partijen is bij brief van 16 juli 2015 bericht dat het Hof heeft beslist de behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van de door het Hof in zijn tussenuitspraak van 7 februari 2014, nr. 13/00040, ECLI:NL:GHSHE:2014:248 gestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ). Partijen hebben van de gelegenheid om hierover opmerkingen te maken geen gebruik gemaakt.

1.5.

Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld op het arrest van het HvJ 9 september 2015, C-72/14 en C-197/14, X en Van Dijk, ECLI:EU:C:2015:564 (hierna: arrest X en Van Dijk) te reageren. Zij heeft dit gedaan bij conclusie van 17 november 2015.

1.6.

Vervolgens is de Inspecteur bij brief van 4 december 2015 in de gelegenheid gesteld te reageren op het arrest van het HvJ en op de reactie van belanghebbende. Hij heeft dit niet gedaan.

1.7.

Bij brief van 14 december 2015 heeft het Hof de Inspecteur het volgende, voor zover te dezen van belang, bericht:

‘In de verweerschriften in hoger beroep in de zaken met bovenvermelde kenmerken staat op bladzijde 5 de volgende passage:

Een eventuele dubbele heffing via zowel de Inkomstenbelasting als de loonheffingen blijft voor [gemachtigde] een duidelijk punt van zorg. Omdat de geheimhoudingsplicht mij belemmert in het vrijelijk ter beschikking stellen van informatie omtrent de fiscale aangelegenheden van individuele werknemers, zal ik de betreffende informatie afzonderlijk - met het oog op een zo hoog mogelijke mate van actualiteit als 10-dagenstuk - in gesloten omslag en vertrouwelijk aan uw Hof aanbieden.

In deze passage ligt een verzoek om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht besloten.

Met het oog op de voortgang van de behandeling van de zaken staat het Hof een pragmatische aanpak voor. Ik geef u dan ook in overweging om de door u in het vooruitzicht gestelde informatie in een geschoonde versie naar het Hof te sturen, waarbij de gegevens van individuele werknemers grijs zijn gemarkeerd, en met het aanbieden van de informatie niet te wachten tot u de uitnodigingen voor de zitting in februari 2016 heeft ontvangen.

Uw antwoord zie ik graag uiterlijk 22 januari 2016 tegemoet.’.

De Inspecteur heeft deze brief beantwoord bij brief van 28 januari 2016.

1.8.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) hebben partijen vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.9.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 19 februari 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heren [D] , [C] , [B] , [E] en [F] .

1.10.

Partijen hebben te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.11.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

1.12.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Het Hof stelt de volgende feiten vast als tussen partijen niet in geschil, dan wel door de ene partij gesteld en door de andere niet, althans onvoldoende, weersproken:

2.1.

Belanghebbende is opgericht op [datum] 1998 en is gevestigd in [vestigingsplaats] . Haar activiteiten bestaan uit het voeren van scheepsmanagement voor, onder meer, binnenvaartschepen, die in verschillende Europese landen, waaronder Nederland, zijn geregistreerd. Zij heeft werknemers in dienst die zij op basis van overeenkomsten met de scheepseigenaren laat werken op deze binnenvaartschepen.

2.2.

Bij belanghebbende is in juli 2008 een boekenonderzoek aangekondigd en ingesteld. Doel van het onderzoek was het in beeld brengen van de aard van de activiteiten van belanghebbende in Nederland en het beoordelen of deze activiteiten fiscale gevolgen hebben. Naar aanleiding van het onderzoek is een controlerapport opgemaakt met dagtekening 15 september 2011 (hierna: het controlerapport).

2.3.

Naar aanleiding van het onderzoek is de Inspecteur tot de gevolgtrekking gekomen dat belanghebbende inhoudingsplichtige is ingevolge artikel 6, derde lid, onderdeel b, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB). In verband daarmee zijn de onderhavige naheffingsaanslagen opgelegd overeenkomstig de conclusies in het controlerapport.

2.4.

Belanghebbende heeft bij schrijven van 6 mei 2010 28 maal een ‘mededeling loonheffingen, aangifte doen en betalen’ ontvangen van de Inspecteur. De daarin genoemde aangiftenummers zijn: [nummer] .L.01 801 tot en met 812, 901 tot en met 912 en 001 tot en met 004 voor de perioden 1 januari 2008 tot en met 30 april 2010. Belanghebbende heeft de mededelingen beantwoord met een tot de gedingstukken behorende brief van 9 juni 2010, waarin zij schrijft dat zij niet inhoudingsplichtig is. Na deze brief heeft zij over het doen van aangiften niets meer vernomen.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Heeft de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb?

II. Dient de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende niet de vereiste aangiften heeft gedaan?

III. Zijn de naheffingsaanslagen terecht en naar juiste bedragen opgelegd? Meer in het bijzonder is in geschil of belanghebbende in de onderhavige jaren een (fictieve) vaste inrichting had in Nederland als bedoeld in artikel 6, derde lid, onderdeel b, van de Wet LB , dan wel of zij in Nederland inhoudingsplichtig was op de voet van artikel 6, tweede lid, onderdeel a, van de Wet LB en of Nederland sociale verzekeringspremies mag heffen.

IV. Is er sprake van een met het Unierecht en het Rijnvarendenverdrag (Verdrag betreffende de sociale zekerheid van rijnvarenden; Trb. 1981, 43) strijdige viervoudige heffing?

V. Is het boekenonderzoek onrechtmatig ingesteld en/of is de bij het boekenonderzoek gehanteerde werkwijze in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur of met het beginsel van hoor en wederhoor?

3.3.

Belanghebbende is van mening dat vragen I tot en met III ontkennend en de overige vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan voor de vragen I, II, IV en V. Vraag III beantwoordt hij aldus dat de belanghebbende inhoudingsplichtig is, dat Nederland sociale verzekeringspremies mag heffen, maar dat de naheffingsaanslagen moeten worden verminderd.

3.4.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.5.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank, van de uitspraken op bezwaar en van de naheffingsaanslagen. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank, van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de naheffingsaanslagen over 2007 tot en met 2009 tot respectievelijk € 2.096.113, € 1.899.563 en € 2.005.199.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag I

4.1.

Uit overwegingen van proces-economie zal het Hof eerst vragen II en III beantwoorden.

Vraag II

4.2.

Bij de beantwoording van vraag II stelt het Hof voorop, dat de omkering en verzwaring van de bewijslast eerst toegepast kan worden als aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld of, en in hoeverre, belanghebbende inhoudingsplichtig is voor de loonheffing (vgl. Hoge Raad 30 oktober 2009, nr. 07/10513, ECLI:NL:HR:2009:BH1083 en Hoge Raad 26 juni 2015, 13/04067, ECLI:NL:HR:2015:1736). De omkering en verzwaring van de bewijslast geldt met andere woorden niet voor de beoordeling van de vraag of belanghebbende inhoudingsplichtig is, maar wel voor de beoordeling van de hoogte van de naheffingsaanslagen. De vraag of belanghebbende inhoudingsplichtig is betreft vraag III en zal daar worden beantwoord.

4.3.

Gelet op hetgeen te dier zake is besproken tijdens het onderzoek ter zitting (zie het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting) is het Hof van oordeel, dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende voor de tijdvakken in het jaar 2007 is uitgenodigd aangifte loonheffing te doen.

4.4.

Belanghebbende was slechts gehouden aangifte te doen indien zij – op de juiste wijze – door de Inspecteur was uitgenodigd aangifte te doen. In de parlementaire geschiedenis van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is reeds in de jaren vijftig van vorige eeuw in de MvT, Tweede Kamer, 1954-1955, 4080, nr. 3, blz. 14, rk., 6e al., voor zover te dezen relevant, het volgende vermeld:

‘De voorgestelde regeling wijkt in zover af van de bestaande, dat de verplichting tot het doen van aangifte steeds - dus ook met betrekking tot de belastingen welke op aangifte moeten worden voldaan of afgedragen - eerst zal ontstaan door uitreiking van een aangiftebiljet en niet rechtstreeks uit de wet voortvloeit.’.

Het Hof wijst in dit verband voorts op het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 1979, nr. 18 917, BNB 1979/170 en voorts van 21 oktober 1998, nr. 33 716, BNB 1999/7, van 25 oktober 2013, nr. 12/00287, ECLI:NL:HR:2013:971 alsmede van 23 december 2003, nr. 00158/03, ECLI:NL:HR:2003:AL6161. In dit laatste arrest heeft de Hoge Raad voor zover hier van belang overwogen:

‘4.4. Gelet op het bepaalde in art. 53, eerste lid, Wet op de accijns in verbinding met art. 8, eerste lid, AWR en art. 10, eerste lid, AWR, ontstaat de verplichting tot het doen van aangifte niet als gevolg van een uit de heffingswet - te dezen: de Wet op de accijns - voortvloeiende belastingschuld, maar wordt zij eerst in het leven geroepen door de uitreiking op de voet van art. 6, eerste lid, AWR door de inspecteur van een aangiftebiljet; daardoor wordt de vermoedelijk belastingplichtige uitgenodigd tot het doen van aangifte. (…).’.

4.5.

Gelet op het overwogene onder 4.3 is het Hof van oordeel dat er ten aanzien van 2007 geen plaats is voor de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast op de grond dat belanghebbende geen aangifte heeft gedaan.

4.6.

Aan het oordeel onder 4.5 doet niet af, anders dan de Rechtbank onder 4.9 heeft overwogen, dat belanghebbende niet heeft verzocht om te worden uitgenodigd tot het doen van aangiften. Immers, het niet doen van een dergelijk verzoek leidt niet tot omkering en verzwaring van de bewijslast.

4.7.

Gelet op de onder 2.4 vermelde 28 mededelingen ‘loonheffingen, aangifte doen en betalen’ van 6 mei 2010 heeft belanghebbende tijdens het onderzoek ter zitting bevestigd dat zij voor de tijdvakken in 2008 en 2009 is uitgenodigd aangifte te doen.

4.8.

Belanghebbende heeft evenwel tijdens het onderzoek ter zitting (zie het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting) gesteld, dat zij in haar brief van 9 juni 2010 in ieder geval geantwoord heeft op de mededelingen ‘aangifte doen’ en dat zij heeft geantwoord dat [belanghebbende] niet inhoudingsplichtig is. Zij heeft voorts, onweersproken door de Inspecteur, gesteld na deze brief niets meer vernomen te hebben over het doen van aangifte.

4.9.

Belanghebbende heeft in reactie op de uitnodigingen tot het doen van aangiften het standpunt ingenomen niet inhoudingsplichtig te zijn en zij heeft dit standpunt duidelijk aan de Inspecteur kenbaar gemaakt in haar onder 2.4 vermelde brief van 9 juni 2010. Het Hof acht dit standpunt pleitbaar. Ook de Inspecteur heeft dit standpunt pleitbaar geacht, gelet op de vermelding in het controlerapport, p. 13, dat belanghebbende een pleitbaar standpunt heeft ingenomen door te stellen dat zij niet inhoudingsplichtig is. Daaruit volgt dat belanghebbende ten aanzien van 2008 en 2009 niet kan worden verweten niet de vereiste aangifte te hebben gedaan (vgl. Hoge Raad 27 maart 1996, nr. 31 209, ECLI:NL:HR:1996:AA2004 en Hoge Raad 30 oktober 2009, nr. 43 937, ECLI:NL:HR:2009:BK1488).

4.10.

Voorts heeft de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende is herinnerd en aangemaand om aangiften te doen, zodat ook op deze grond omkering en verzwaring van de bewijslast voor 2008 en 2009 niet aan de orde is (Hoge Raad 14 april 2017, nr. 16/05276, ECLI:NL:HR:2017:675).

4.11.

Vraag II moet ontkennend worden beantwoord.

Vraag III

4.12.

Uit hetgeen is overwogen onder 4.2 volgt, dat op de Inspecteur aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast de last rust aannemelijk te maken dat, en in hoeverre, belanghebbende inhoudingsplichtig was.

4.13.

Uit de ontkennende beantwoording van vraag II volgt, dat op de Inspecteur aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast de last rust aannemelijk te maken dat de door hem voorgestane hoogte van de naheffingsaanslagen niet te hoog is.

4.14.

Tijdens het onderzoek ter zitting is, mede gelet op het controlerapport, duidelijk geworden dat de naheffingsaanslagen berusten op onder meer de volgende vooronderstellingen:

- de vooronderstelling dat de resultaten van de derdenonderzoeken ook gelden voor andere werknemers en andere schepen;

- de vooronderstelling dat in alle gevallen de aan de Nederlandse eigenaren van schepen gefactureerde bedragen betrekking hebben op schepen die (deels) in Nederland varen en dat de werknemers geacht worden ook (deels) in Nederland arbeid te hebben verricht;

- de vooronderstelling dat de Nederlandse eigenaar van een schip in alle gevallen ook diegene is die het schip exploiteert.

Voorts heeft de Inspecteur tijdens het onderzoek ter zitting onder meer het volgende verklaard:

- de inhoudingsplicht is door de Inspecteur niet op individueel werknemersniveau beoordeeld, zodat hij niet concreet heeft beoordeeld of een bepaalde werknemer in Nederland arbeid heeft verricht;

- in de naheffing kunnen werknemers zijn begrepen die in het geheel geen arbeid in Nederland hebben verricht;

- er is geen rekening gehouden met een beoordeling van het premie-maximum per werknemer, maar er is uitgegaan van een gemiddelde loonsom die lager is dan het premie-maximum.

4.15.

Belanghebbende heeft in de motivering van het hoger beroep van 7 november 2013 vermeld alle in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden te handhaven. In de motivering van het beroep van 14 november 2012 (p. 9-11, randnummers 46-61) heeft zij onder meer aangevoerd dat:

- belanghebbende betwist dat zij (slechts) personeel ter beschikking stelt;

- belanghebbende stelt dat zij als exploitant van de schepen moet worden aangemerkt;

- belanghebbende betwist dat de bemanningsleden in Nederland persoonlijk arbeid hebben verricht;

- belanghebbende betwist dat sprake is van het verlenen van tussenkomst als bedoeld in artikel 6, derde lid, onderdeel b, van de Wet LB .

Tijdens het onderzoek ter zitting heeft belanghebbende voorts onder meer het volgende aangevoerd:

- in de naheffing zijn ten onrechte werknemers begrepen, waarbij de heffing van premie volksverzekeringen al was geëffectueerd door het opleggen van een aanslag premie volksverzekeringen;

- in de naheffing zijn ten onrechte werknemers begrepen waarbij van de premieheffing volksverzekeringen was afgezien op grond van een afgegeven E-101 verklaring;

- in de naheffing zijn werknemers begrepen, die waren geregulariseerd, zodat de Inspecteur niet met alle regularisaties rekening heeft gehouden.

4.16.

De Inspecteur heeft daarop tijdens het onderzoek ter zitting het volgende verklaard:

- niet met alle aan werknemers opgelegde aanslagen premie volksverzekeringen is rekening gehouden, in het bijzonder niet met gevallen die vallen onder een andere regio en inspecteur;

- bij de naheffing is wel rekening gehouden met bepaalde regularisaties, maar niet met alle afgehandelde en definitieve regularisaties.

4.17.

Gelet op al het vorenoverwogene is het Hof van oordeel, dat de Inspecteur tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inhoudingsplicht van belanghebbende op goede gronden juist is vastgesteld en dat de Inspecteur tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem voorgestane hoogte van de naheffingsaanslagen niet te hoog is. Aldus heeft de Inspecteur niet voldaan aan de op hem rustende (onder 4.12 en 4.13 vermelde) bewijslast.

4.18.

In het midden kan blijven wie als exploitant van de schepen moet worden aangemerkt.

4.19.

Uit vorenoverwogene volgt voorts, dat het Hof niet kan vaststellen of en in hoeverre de naheffingsaanslagen terecht en tot de juiste hoogte zijn opgelegd, zodat het Hof niets anders rest dan deze te vernietigen (vgl. arrest van de Hoge Raad van 1 oktober 1958, nr. 13 714, BNB 1958/305 en van 16 november 1960, nr. 14 383, BNB 1961/39).

4.20.

Vraag III moet ontkennend worden beantwoord.

Vragen I, IV en V

4.21.

Vragen I, IV en V behoeven gelet op de beantwoording van vragen II en III geen beantwoording meer.

Slot

4.22.

Al hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd behoeft geen behandeling meer.

4.23.

Op grond van vaste jurisprudentie heeft voor de berechting van de zaak in hoger beroep als uitgangspunt te gelden dat het Hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld (o.a. Hoge Raad 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252). Belanghebbende heeft op 9 oktober 2013 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Het Hof heeft heden uitspraak gedaan. Dit betekent dat de hiervoor - als uitgangspunt - genoemde redelijke termijn van twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep is overschreden.

4.24.

Belanghebbende heeft in de onderhavige zaak evenwel niet verzocht om vergoeding van immateriële schade. In onderdeel 3.13.2 van het hiervoor genoemde arrest van 19 februari 2016 heeft de Hoge Raad echter tevens beslist dat een dergelijk verzoek niet wordt verlangd, indien de redelijke termijn eerst verstrijkt na afloop van zes weken voor het doen van uitspraak.

4.25.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, blijft buiten beschouwing de tijd die gemoeid is geweest met het afwachten van een prejudiciële beslissing van het HvJ. Als de behandeling van een zaak door de rechter is aangehouden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen die in een vergelijkbare andere zaak zijn gesteld, vangt vorenbedoelde buiten beschouwing te laten periode niet eerder aan dan op het moment dat de aanhoudende rechter partijen schriftelijk in kennis heeft gesteld van zijn beslissing om de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van de gestelde vragen door het HvJ. Deze regel geldt echter alleen voor zaken die worden aangehouden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen die zijn gesteld na 1 april 2014. (Hoge Raad van 21 maart 2014, nr. 13/00478, ECLI:NL:HR:2014:636.)

4.26.

Bij tussenuitspraak van 7 februari 2014, nr. 13/00040, ECLI:NL:GHSHE:2014:248 heeft het Hof prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gesteld. Partijen is bij brief van 16 juli 2015 bericht dat het Hof heeft beslist de behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van de door het Hof in zijn tussenuitspraak gestelde prejudiciële vragen. Deze vragen zijn beantwoord bij arrest van 9 september 2015. De periode tussen het stellen van de prejudiciële vragen en de beantwoording daarvan van (afgerond) 1 jaar en 7 maanden moet bij de beoordeling van de vraag of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn buiten beschouwing blijven. Gelet hierop is in het onderhavige geval de redelijke termijn welke het Hof in beginsel in acht dient te nemen verstreken op 9 mei 2017. Dit is na de het tijdens het onderzoek ter zitting van de zaak aangezegde datum voor het doen van uitspraak van 1 april 2016. Dit brengt met zich dat ambtshalve moet worden beoordeeld of de redelijke termijn is overschreden. Aangezien er naar het oordeel van het Hof geen sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding zijn voor verlenging van de termijn, is de redelijke termijn in dit geval met – naar boven afgerond – 12 maanden overschreden. Het Hof zal aan belanghebbende ter zake daarvan een vergoeding van immateriële schade toekennen van € 1.000, te betalen door de Staat (Minister voor rechtsbescherming).

4.27.

Het Hof zal voorts, overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2016, zaaknummer 14/05747, ECLI:NL:HR:2016:315, de Staat (de Minister voor rechtsbescherming) veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de immateriële schadevergoeding van € 1.000 vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de uitspraak heden in het openbaar van het Hof, tot aan de dag van algehele voldoening.

Slotsom

4.28.

Uit al vorenoverwogene volgt, dat het gelijk aan de zijde van belanghebbende is. De uitspraken van de Rechtbank alsmede de naheffingsaanslagen dienen te worden vernietigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.29.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 310 respectievelijk € 478 te worden vergoed.

Ten aanzien van de kosten van het bezwaar

4.30.

Belanghebbende heeft voordat de Inspecteur uitspraak op bezwaar heeft gedaan verzocht om vergoeding van de kosten van het bezwaar.

4.31.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.32.

Het Hof stelt de kosten van het bezwaar, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 246 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1 (factor samenhangende zaken) is € 492.

Ten aanzien van de proceskosten

4.33.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.34.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming voor de behandeling van de beroepen bij de Rechtbank, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1 (factor samenhangende zaken) is € 990.

4.35.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming voor de behandeling van de beroepen bij Het Hof, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1 (factor samenhangende zaken) is € 990.

5 Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de in één geschrift verenigde uitspraken van de Rechtbank;

- verklaart de door belanghebbende bij de Rechtbank ingestelde beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op de bezwaren tegen de naheffingsaanslagen;

- vernietigt de naheffingsaanslagen;

- gelast dat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 788 wordt vergoedt;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van bezwaar aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 492;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 1.980; en

- veroordeelt de Staat (Minister voor rechtsbescherming) tot vergoeding van de aan de hoger beroepsfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 1.000 en tot vergoeding van wettelijke rente over dat bedrag, vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de heden in het openbaar gedane uitspraak van het Hof, tot aan de dag van algehele voldoening.

Aldus gedaan op 21 december 2017 door P. Fortuin, voorzitter, T.A. Gladpootjes en F.P.G. Pötgens, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

de naam en het adres van de indiener;

een dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature