< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:
Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.145.198/01

arrest van 21 april 2015

gewezen in het incident ex artikel 843a Rv in de zaak van

[PDV]-PDV B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats ],

appellante in principaal appel en geïntimeerde in incidenteel appel in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. J.G.M. Stassen te Enschede,

tegen

[invests] Invests B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats ],

geïntimeerde in principaal appel en appellante in incidenteel appel in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. J. Oerlemans te 's-Hertogenbosch,

op het bij exploot van dagvaarding van 5 februari 2014 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Limburg gewezen vonnis van 29 januari 2014 tussen appellante – [PDV] – als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en geïntimeerde – [invests] – als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer C/04/119321/ HA ZA 12-338)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep;

de memorie van grieven tevens houdende (deels voorwaardelijke) wijziging van eis alsmede houdende verzoek ex artikel 201 lid 1 Rv met producties;

de memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel met producties, tevens houdende wijziging van eis;

de memorie van antwoord in incidenteel appel tevens houdende wijziging van eis in principaal appel met producties;

akte uitlaten wijziging van eis zijdens [invests];

het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

de door [PDV] ten pleidooie in de procedure gebrachte productie;

de door [invests] ten pleidooie in de procedure gebrachte producties;

de incidentele vordering tot inzage dan wel tot verstrekken van een afschrift van bescheiden van [PDV] met productie;

de antwoordakte in het incident van [invests] met producties.

Het hof heeft ten pleidooie op verzoek van [PDV] een datum voor arrest in het incident bepaald.

3 De beoordeling

In het incident

3.1.

Voor de beoordeling van het incident gaat het hof uit van de volgende feiten.

3.1.1.

Partijen hebben een koopovereenkomst gesloten die zij op 3 september 2012 hebben ondertekend (hierna “de koopovereenkomst”). [PDV] heeft bij de koopovereenkomst van [invests] gekocht:

- de bedrijfsruimten, kantoren, opslag en het buitenterrein / de parkeerplaats en op- en afrit met verdere aanhorigheden, plaatselijk bekend als [adres 1] en [adres 2] en [adres 3] en [adres 4] te ([postcode 1]) [vestigingsplaats A] (hierna “het pand te [vestigingsplaats A]”) en

- de bedrijfsruimten, kantoren, opslag en buitenterrein met verdere aanhorigheden, plaatselijk bekend als [adres 5] en [adres 6] te ([postcode 2]) [vestigingsplaats B] (hierna “het pand te [vestigingsplaats B]”).

3.1.2.

Kort gezegd is daarna tussen partijen een geschil ontstaan naar aanleiding van de opzegging van de huurovereenkomst door een huurder van het pand te [vestigingsplaats A] en een opzegging van de huurovereenkomst door een huurder van het pand te [vestigingsplaats B]. Ook twisten partijen over de staat van het pand te [vestigingsplaats A] en de vraag of dit pand beantwoordt aan de koopovereenkomst. [PDV] heeft het pand te [vestigingsplaats A] en het pand te [vestigingsplaats B] niet afgenomen.

3.2.1.

[PDV] heeft in eerste aanleg – na wijziging van eis – in conventie, kort gezegd, gevorderd:

primair

een verklaring voor recht dat

[PDV] als gevolg van het moedwillig achterhouden van informatie door [invests] betreffende genoemde huuropzeggingen en de staat van het pand te [vestigingsplaats A] heeft gedwaald ten aanzien van het aangaan van de koopovereenkomst en dat;

[PDV] de koopovereenkomst vanwege deze dwaling heeft vernietigd, althans de koopovereenkomst alsnog te vernietigen;

een verklaring voor recht dat [invests] een onrechtmatige daad heeft gepleegd door moedwillig informatie betreffende genoemde huuropzeggingen en één van de allonges behorende bij één van de huurovereenkomsten en de staat van het pand te [vestigingsplaats A] achter te houden als gevolg waarvan [PDV] heeft gedwaald waardoor [PDV] schade heeft geleden, welke schade [invests] dient te vergoeden;

veroordeling van [invests] tot vergoeding van deze schade;

subsidiair

een verklaring voor recht dat

[invests] haar verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst niet is nagekomen;

dat [invests] derhalve in verzuim is en dat;

de koopovereenkomst ingevolge artikel 13 van de koopovereenkomst van wege het verzuim van [invests] is ontbonden, althans de koopovereenkomst alsnog te ontbinden;

een verklaring voor recht dat [invests] als gevolg van het verzuim en de daaruit voortvloeiende ontbinding van de koopovereenkomst een contractuele boete heeft verbeurd, onverminderd het recht op verdere schadevergoeding;

veroordeling van [invests] tot betaling van genoemde boete en vergoeding van de als gevolg van de niet-nakoming zijdens [invests] door [PDV] geleden schade.

3.2.2.

[invests] heeft in eerste aanleg – na wijziging van eis – in reconventie, kort gezegd, gevorderd:

opheffing van de ten laste van [invests] door [PDV] gelegde conservatoire beslagen;

primair een bevel aan [PDV] genoemde panden af te nemen conform de koopovereenkomst en subsidiair wijziging van de koopovereenkomst en bevel aan [PDV] genoemde panden af te nemen conform de gewijzigde koopovereenkomst;

veroordeling van [PDV] tot betaling van een contractuele boete en een verklaring voor recht dat [PDV] daarnaast nog een nader bedrag aan contractuele boete verschuldigd is;

veroordeling van [PDV] tot vergoeding van een wegens de vertraging in de nakoming door [PDV] van de koopovereenkomst door [invests] misgelopen belastingvoordeel ten bedrage van € 478.791,- en door [invests] misgelopen huurinkomsten.

3.2.3.

De rechtbank heeft de vorderingen van [PDV] in conventie afgewezen en de vorderingen van [invests] in reconventie nagenoeg toegewezen, met dien verstande dat zij daarbij gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid tot matiging van de contractuele boete. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat [invests] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de – door [PDV] betwiste – schade betreffende het misgelopen belastingvoordeel daadwerkelijk heeft geleden.

3.3.1.

[PDV] heeft in hoger beroep in principaal appel in de hoofdzaak haar eis opnieuw gewijzigd en bij memorie van grieven – kort gezegd – gevorderd:

primair

een verklaring voor recht dat

[PDV] als gevolg van het moedwillig achterhouden van informatie door [invests] betreffende genoemde huuropzeggingen en de staat van het pand te [vestigingsplaats A] heeft gedwaald ten aanzien van het aangaan van de koopovereenkomst en dat;

[PDV] de koopovereenkomst vanwege deze dwaling heeft vernietigd, althans de koopovereenkomst alsnog te vernietigen;

een verklaring voor recht dat [invests] een onrechtmatige daad heeft gepleegd door moedwillig informatie betreffende genoemde huuropzeggingen en één van de allonges behorende bij één van de huurovereenkomsten en de staat van het pand te [vestigingsplaats A] achter te houden als gevolg waarvan [PDV] heeft gedwaald waardoor [PDV] schade heeft geleden, welke schade [invests] dient te vergoeden;

veroordeling van [invests] tot betaling aan [PDV] van een contractuele boete, het aan [invests] uitbetaalde depot, en vergoeding van door [PDV] geleden schade;

subsidiair

een verklaring voor recht dat

[invests] haar verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst niet is nagekomen;

dat [invests] derhalve in verzuim is en dat;

de koopovereenkomst ingevolge artikel 13 van de koopovereenkomst van wege het verzuim van [invests] is ontbonden, althans de koopovereenkomst alsnog te ontbinden;

een verklaring voor recht dat [invests] als gevolg van het verzuim en de daaruit voortvloeiende ontbinding van de koopovereenkomst een contractuele boete heeft verbeurd, onverminderd het recht op verdere schadevergoeding;

veroordeling van [invests] tot betaling van genoemde boete, het aan [invests] uitbetaalde depot en vergoeding van de als gevolg van de niet-nakoming zijdens [invests] door [PDV] geleden schade;

meer subsidiair

een verklaring voor recht dat

[invests] haar verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst niet is nagekomen;

dat [invests] derhalve in verzuim is en/of dat;

dat [invests] moedwillig onjuiste dan wel onvolledige informatie aan [PDV] heeft verschaft op grond waarvan [PDV] heeft gedwaald;

dat – voor zover het hof zou oordelen dat de koopovereenkomst (deels) ten onrechte is vernietigd dan wel (deels) ten onrechte is ontbonden omdat het verzuim van [invests] een volledige vernietiging dan wel ontbinding niet zou rechtvaardigen – [PDV] de koopovereenkomst vanwege verzuim zijdens [invests] terecht heeft vernietigd inzake het pand te [vestigingsplaats B], althans de koopovereenkomst ten aanzien van het pand te [vestigingsplaats B] alsnog te vernietigen c.q.;

dat [PDV] de koopovereenkomst wegens verzuim zijdens [invests] terecht heeft ontbonden inzake het pand te [vestigingsplaats B], althans de koopovereenkomst ten aanzien van het pand te [vestigingsplaats B] alsnog te ontbinden;

een verklaring voor recht dat [invests] als gevolg van het verzuim en de daaruit voortvloeiende ontbinding van de koopovereenkomst een contractuele boete heeft verbeurd, onverminderd het recht op verdere schadevergoeding;

veroordeling van [invests] tot betaling van genoemde boete, het aan [invests] uitbetaalde depot en vergoeding van de als gevolg van de niet-nakoming zijdens [invests] door [PDV] geleden schade.

3.3.2.

[invests] heeft in hoger beroep in incidenteel appel in de hoofdzaak haar eis eveneens opnieuw gewijzigd en – kort gezegd – gevorderd:

(naar het hof begrijpt gelet op de uitlating ten pleidooie door de advocaat van [invests] dat geen nakoming van de koopovereenkomst wordt gevorderd voor zover deze ziet op het pand te [vestigingsplaats B]) een bevel aan [PDV] medewerking te verlenen aan uitvoering van de koopovereenkomst voor wat betreft het pand te [vestigingsplaats A] subsidiair wijziging van de koopovereenkomst en bevel aan [PDV] medewerking te verlenen aan de uitvoering van de gewijzigde koopovereenkomst;

een verklaring voor recht dat voormelde medewerking mede omvat de verplichting de koopprijs van het pand te [vestigingsplaats A] te voldoen;

veroordeling van [PDV] tot betaling van contractuele boetes;

veroordeling van [PDV] tot vergoeding van een wegens de vertraging in de nakoming door [PDV] van de koopovereenkomst door [invests] misgelopen belastingvoordeel en door [invests] misgelopen huurinkomsten.

3.3.3.

[PDV] heeft bij de memorie van antwoord in incidenteel appel tevens houdende wijziging eis in principaal appel haar vordering nogmaals gewijzigd, voor zover het primaire deel daarvan betreffend. Het in hoger beroep aanvankelijk primair gevorderde luidt:

“te verklaren voor recht:

I. dat [PDV] – als gevolg van het feit dat [invests] moedwillig informatie ten aanzien van de huuropzeggingen van TNT in [vestigingsplaats B] en Arca Bifa in [vestigingsplaats A] alsmede ten aanzien van de scheurvorming / het betonrot aan de gevel en in de constructie van het Pand [vestigingsplaats A] heeft achtergehouden – heeft gedwaald ten aanzien van het aangaan van de Koopovereenkomst;

II. dat [PDV] de Koopovereenkomst vanwege de dwaling heeft vernietigd, althans alsnog deze vernietiging uit te spreken;

III. dat [invests] een onrechtmatige daad heeft gepleegd door moedwillig informatie ten aanzien van het bestaan van Allonge 2 bij de huurovereenkomst met TNT alsmede de huuropzeggingen van TNT in [vestigingsplaats B] en Arca Bifa in [vestigingsplaats C] alsmede ten aanzien van de scheurvorming / het betonrot aan de gevel en in de constructie in [vestigingsplaats A] voor [PDV] achter te houden, als gevolg waarvan [PDV] heeft gedwaald en waardoor [PDV] schade heeft geleden, welke schade [invests] dient te vergoeden;

(…)”

Na laatstvermelde wijziging van eis van [PDV] luidt haar primaire vordering:

“Te verklaren voor recht

I. dat [PDV] – als gevolg van het feit dat [invests] het bestaan van Allonge 2 bij de huurovereenkomst met TNT heeft verzwegen, moedwillig informatie ten aanzien van de huuropzeggingen van TNT in [vestigingsplaats B] en Arca Bifa in [vestigingsplaats A], ten aanzien van de scheurvorming / het betonrot aan de gevel en in de constructie van het Pand [vestigingsplaats A] heeft achtergehouden alsmede heeft nagelaten de dakbedekkingslaag van het dak van het pand [vestigingsplaats A] in orde te laten maken – heeft gedwaald ten aanzien van het aangaan van de koopovereenkomst;

II. dat [PDV] de Koopovereenkomst vanwege dwaling heeft vernietigd, althans alsnog deze vernietiging uit te spreken;

III. dat [invests] een onrechtmatige daad heeft gepleegd als gevolg van het feit dat [invests] het bestaan van Allonge 2 bij de huurovereenkomst met TNT heeft verzwegen, moedwillig informatie ten aanzien van de huuropzeggingen van TNT in [vestigingsplaats B] en Arca Bifa in [vestigingsplaats A], ten aanzien van de scheurvorming/ het betonrot aan de gevel en in de constructie van het Pand [vestigingsplaats A] heeft achtergehouden alsmede heeft nagelaten de dakbedekkingslaag van het dak van het Pand [vestigingsplaats A] in orde te laten maken, als gevolg waarvan [PDV] heeft gedwaald en waardoor [PDV] schade heeft geleden, welke schade [invests] dient te vergoeden;

(…)”

3.3.4.

[invests] heeft tegen deze laatste wijziging van eis bezwaar gemaakt.

3.3.5.

Het hof zal op dit bezwaar van [invests] beslissen bij de behandeling van de hoofdzaak. Naar het oordeel van het hof staat het feit dat thans nog niet vast staat of van de door [PDV] bij memorie van grieven geformuleerde vordering moet worden uitgegaan of van laatstvermelde formulering niet in de weg aan de beoordeling van onderhavige incidentele vordering.

3.4.1.

[PDV] heeft in het incident op grond van het bepaalde in artikel 843a lid 1 Rv gevorderd onbeperkte inzage binnen een nader door dit hof te bepalen termijn – doch in ieder geval voor 16 maart 2015 – in de tussen [invests], tien andere partijen en de fiscus gesloten vaststellingsovereenkomst, op welke overeenkomst [invests] zich in eerste aanleg alsmede bij memorie van antwoord heeft beroepen, met bepaling dat – indien [invests] deze inzage niet zal verlenen – ten nadele van [invests] zal worden beslist voor zover de vorderingen en / of stellingen van [invests] betrekking hebben op de inhoud van de vaststellingsovereenkomst.

3.4.2.

[PDV] heeft aan deze vordering het volgende ten grondslag gelegd. De door [invests] in reconventie gevorderde schadevergoeding betreffende het misgelopen belastingvoordeel is gebaseerd op een overeenkomst die [invests] met de Belastingdienst zou hebben gesloten. [invests] is op grond van het bepaalde in artikel 85 Rv gehouden een afschrift van de ze overeenkomst in de procedure te brengen. [PDV] betwist primair dat [invests] genoemde schade heeft geleden en subsidiair dat deze schade voor rekening van [PDV] zou dienen te komen. [PDV] is naar haar stellingen niet op de hoogte van de inhoud van de niet in de procedure gebrachte overeenkomst tussen [invests] en de Belastingdienst. Ten pleidooie heeft [PDV] voorts nog aangevoerd dat deze overeenkomst ook relevantie heeft voor de context van de koopovereenkomst, nu het vanwege deze overeenkomst voor [invests] kennelijk van groot belang was dat de koopovereenkomst werd gesloten. [PDV] wenst op het betreffende stuk te reageren en moet daartoe in het kader van het beginsel van hoor en wederhoor ook in de gelegenheid worden gesteld.

3.5.1.

[invests] heeft zich verweerd tegen de incidentele vordering. [invests] heeft gesteld in het verleden verwikkeld te zijn geweest in een procedure met de Belastingdienst. [invests] is na bezwaar te hebben aangetekend tegen de opgelegde aanslagen veroordeeld tot betaling van een bedrag van ongeveer € 10.000.000,-. Hangende het hoger beroep in die procedure is op 30 mei 2011 alsnog een principeakkoord bereikt. Dit akkoord hield in dat [invests] (en aan haar gelieerde bedrijven) een bedrag van € 4.500.000,- aan de Belastingdienst zou(den) betalen, waarna over en weer finale kwijting zou worden verleend. Toen was al duidelijk dat [invests] dit bedrag alleen zou kunnen voldoen, indien zij de panden te [vestigingsplaats A] en [vestigingsplaats B] zou verkopen. Daarom werd afgesproken dat [invests] deze panden in de verkoop zou zetten. Tijdens de onderhandelingen betreffende de koopovereenkomst hebben [invests] en de Belastingdienst volledige overeenstemming bereikt over een regeling. Deze regeling is vastgelegd in een op 27 februari 2012 ondertekende vaststellingsovereenkomst (hierna “de

vaststellingsovereenkomst”). Overeengekomen is dat [invests] voormeld bedrag van

€ 4.500.000,- uiterlijk 31 december 2012 zou betalen en dat een substantieel gedeelte van dit bedrag betaald zou worden uit de verkoopopbrengsten van de panden te [vestigingsplaats A] en [vestigingsplaats B]. Als tegemoetkoming aan [invests] zou de door [invests] te betalen overdrachtsbelasting, zes procent van de koopsom, worden aangemerkt als deelbetaling op het door [invests] aan de Belastingdienst te betalen bedrag, mits de panden te [vestigingsplaats A] en [vestigingsplaats B] uiterlijk op 31 december 2012 aan de koper geleverd zouden zijn. Na 31 december 2012 zou [invests] geen aanspraak meer kunnen maken op deze tegemoetkoming. De Belastingdienst en [invests] zijn voorts overeengekomen dat zij geheimhouding zouden betrachten over de inhoud van de vaststellingsovereenkomst. [invests] had hierbij belang vanwege het feit dat de vaststellingsovereenkomst betrekking heeft op zeer privacygevoelige informatie. Het belang van de Belastingdienst was hierin gelegen, dat de Belastingdienst wilde voorkomen dat met genoemde regeling een precedent zou worden geschapen. Deze geheimhouding is mondeling overeengekomen.

3.5.2.

[invests] heeft, teneinde [PDV] de gelegenheid te geven verweer te voeren tegen de stellingen van [invests], een afschrift van de vaststellingsovereenkomst overhandigd aan de advocaat van [PDV] onder de voorwaarde dat zij de vaststellingsovereenkomst niet aan derden, waaronder [PDV], zou verstrekken. Voorts heeft [invests] een accountant van Inventive Control Accountants en Belastingadviseurs een schaderapport laten opstellen, waaruit zowel het bestaan van de met de Belastingdienst gemaakte afspraken blijkt als het bestaan van de door [invests] ter zake geleden schade en dit rapport in de procedure gebracht (productie 47 bij akte indienen producties (eerste aanleg) / productie 4 bij antwoordakte in het incident). Uiteindelijk heeft [invests] bij memorie van antwoord de vaststellingsovereenkomst in de procedure gebracht (productie 108 bij memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel / productie 6 bij antwoordakte in het incident), met dien verstande dat zij enkele, volgens haar privacygevoelige, artikelen onleesbaar heeft gemaakt. Wat betreft de reeds eerder in de procedure door [PDV] ingenomen stelling van [PDV] dat meerdere entiteiten partij zijn bij de vaststellingsovereenkomst en dat het schadebedrag derhalve ook aan hen zou toekomen, heeft [invests] gemotiveerd verweer gevoerd en een akte van cessie (productie 109 bij memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel / productie 7 bij antwoordakte in het incident) in het geding gebracht, waarin alle overige bij de vaststellingsovereenkomst betrokken partijen hun vorderingsrecht, voor zover aanwezig, aan [invests] hebben overgedragen, aldus [invests].

3.5.3.

[invests] heeft voorts aangevoerd dat niet aan alle vereisten zoals geformuleerd in artikel 843a Rv is voldaan en [invests] een beroep toekomt op de in dit artikel vermelde beperkingen. Zo heeft [PDV] naar de stellingen van [invests] geen rechtmatig belang bij de door haar gevorderde onbeperkte inzage. De advocaat van [PDV] heeft immers reeds volledige inzage gekregen in de vaststellingsovereenkomst. Het staat haar vrij om op basis van de inhoud van de vaststellingsovereenkomst inhoudelijk verweer te voeren tegen de vordering van [invests]. De processuele belangen van [PDV] zijn daarmee voldoende gewaarborgd. Bovendien blijkt de inhoud van de vaststellingsovereenkomst uit voormeld schaderapport van Inventive Control Accountants en Belastingadviseurs en is vrijwel de gehele tekst van de vaststellingsovereenkomst in de procedure gebracht. Met dit alles staat de vaststellingsovereenkomst in volle omvang ter beschikking van [PDV], althans behaalt [invests] geen onredelijk voordeel noch wordt [PDV] onredelijk benadeeld door het niet nader overleggen van de vaststellingsovereenkomst. Ook overigens behaalt [invests] daardoor geen onredelijk voordeel noch wordt [PDV] daardoor onredelijk benadeeld. [invests] draagt immers het bewijsrisico betreffende de vaststellingsovereenkomst. [PDV] kan volstaan met een voldoende gemotiveerde betwisting van de vaststellingsovereenkomst. Haar processuele belangen zijn derhalve ook vanuit dit perspectief voldoende gewaarborgd. Ook het feit dat [PDV] een procedure is begonnen, waarin zij een voorlopig deskundigenbericht heeft verzocht betreffende de vaststellingsovereenkomst, waarmee [PDV] beoogt exact dezelfde informatie naar boven te halen als in onderhavig incident maakt dat [PDV] geen rechtmatig belang heeft bij de door haar gevorderde inzage.

3.5.4.

Subsidiair heeft [invests] zich op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan het vereiste dat sprake moet zijn van een bescheid aangaande een rechtsbetrekking waarin [PDV] partij is. [PDV] is immers geen partij bij de vaststellingsovereenkomst, aldus nog steeds [invests].

3.5.5.

Ook heeft [invests] erop gewezen dat artikel 843a lid 4 Rv bepaalt dat degene die het betreffende bescheid te zijner beschikking heeft, niet is gehouden aan de vordering tot inzage als bedoeld in lid 1 van dit artikel te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn. De vaststellingsovereenkomst bevat vele vertrouwelijke gegevens van [invests] en haar bestuurder. Als [PDV] onbeperkte inzage zou hebben in de vaststellingsovereenkomst zouden deze gegevens vrij op straat komen te liggen. Hiernaast is [invests] met de Belastingdienst voormelde geheimhouding overeengekomen. Deze beide feiten afzonderlijk, en zeker in onderlinge samenhang bezien, maken dat er sprake is van gewichtige redenen aan de zijde van [invests] om inzage te weigeren. Bovendien heeft [invests] [PDV] met het geven aan haar advocaat van volledig inzage in de vaststellingsovereenkomst, het schaderapport van Inventive Control Accountants en Belastingadviseurs en het overgelegde deel van de tekst van de vaststellingsovereenkomst een afdoende oplossing geboden, waarbij haar geheimen gewaarborgd kunnen blijven.

3.5.6.

Ten slotte heeft [invests] naar voren gebracht dat degene die het betreffende bescheid te zijner beschikking heeft, ingevolge artikel 843a lid 4 Rv niet gehouden is aan de vordering tot inzage te voldoen als bedoeld in lid 1 van dit artikel, indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd. Volgens [invests] is dit het geval, aangezien productie van het gevraagde bescheid uit oogpunt van een behoorlijke rechtsbedeling kan worden gemist en het bewijs van de betreffende feiten ook redelijkerwijze langs een andere weg kan worden verkregen, bijvoorbeeld via een getuigenverhoor. [invests] heeft herhaald dat het risico dat bepaalde feiten niet voldoende komen vast te staan doordat de vaststellingsovereenkomst niet in de procedure is gebracht bij [invests] ligt en [PDV] kan volstaan met een voldoende gemotiveerde betwisting, zodat de vaststellingsovereenkomst uit oogpunt van een behoorlijke rechtsbedeling kan worden gemist en voorts dat [PDV] reeds (vrijwel volledige) inzage in de vaststellingsovereenkomst heeft gekregen. De ontbrekende feiten kunnen redelijkerwijs ook langs een andere weg worden verkregen, zoals bijvoorbeeld door het horen als getuige van [getuige 1], bestuurder van [invests], [getuige 2], (mede)onderhandelaar namens [invests] met de Belastingdienst en [belastinginspecteur], Belastinginspecteur. Hiermee is volgens [invests] een behoorlijke rechtsbedeling gewaarborgd.

3.5.7.

Uit het bovenstaande volgt naar de stellingen van [invests] dat de gevorderde inzage niet toewijsbaar is en – als gevolg daarvan – het tweede deel van de vordering van [PDV] evenmin. [invests] acht dit tweede deel van de vordering van [PDV] bovendien niet toewijsbaar in het kader van onderhavig incident, aangezien het gevorderde (zo begrijpt het hof de stellingen van [invests]) een met een voorlopige voorziening voor de duur van het geding vergelijkbaar karakter heeft en het tweede deel van de incidentele vordering ziet op een definitieve beslissing in de hoofdzaak. [invests] is overigens met het overleggen van de vaststellingsovereenkomst haar verplichtingen ex artikel 85 Rv onverkort nagekomen, zo heeft zij nog (maals) benadrukt.

3.6.1.

Het hof overweegt dat artikel 843a lid 1 Rv een uitzondering onder voorwaarden maakt op het beginsel dat iemand onder hem berustende bescheiden in beginsel niet aan een ander ter inzage hoeft af te geven. Degene die daarbij rechtmatig belang heeft, kan op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Op grond van het vierde lid van genoemd artikel is de gene die de bescheiden te zijner beschikking heeft of onder zich heeft niet gehouden aan de vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn of indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde bescheiden is gewaarborgd.

3.6.2.

Naar het oordeel van het hof heeft [PDV] zonder meer rechtmatig belang bij inzage in de vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 843a lid 1 Rv , aangezien deze vaststellingsovereenkomst de basis vormt van de door [invests] gevorderde schadepost ten bedrage van € 478.791,- aan misgelopen belastingvoordeel. De advocaat van [PDV] heeft de vaststellingsovereenkomst niet aan [PDV] mogen verstrekken en de overgelegde vaststellingsovereenkomst is deels onleesbaar gemaakt dan wel slechts deels in de procedure gebracht. De vaststellingsovereenkomst is daarmee deels afgeschermd gebleven voor [PDV], waarbij onduidelijk is gebleven in hoeverre dat is gebeurd en betreffende welke informatie. De eigen kennisname van de vaststellingsovereenkomst door [PDV] kan voorts niet worden gelijkgesteld aan de kennisname van de bevindingen van de door [invests] ingeschakelde accountant zoals weergegeven in voormelde rapportage betreffende de vaststellingsovereenkomst. Dit laatste is reeds niet het geval daar [PDV] deze vaststellingsovereenkomst specifiek vanuit onderhavige geschilpunten wenst te bestuderen en uit genoemd schaderapport niet valt af te leiden dat de accountant ook vanuit dat perspectief naar de vaststellingsovereenkomst heeft gekeken. De vaststellingovereenkomst heeft derhalve niet ter volle beschikking van [PDV] gestaan. Gelet op de rol die deze overeenkomst in onderhavige procedure speelt, is dit in beginsel in strijd met de procesverplichtingen van [invests]. Bij gebrek aan nadere duiding van de achtergehouden informatie kan niet worden vastgesteld of sprake is van onredelijk voordeel van [invests] of onredelijke benadeling van [PDV]. Dat [invests] het bewijsrisico draagt met betrekking tot de door haar gevorderde schadevergoeding betreffende het door haar gestelde misgelopen belastingvoordeel is juist. Dit maakt echter nog niet dat [PDV] geen belang zou hebben bij de door haar gevorderde onbeperkte inzage. De schriftelijke weergave van de vaststellingsovereenkomst is weliswaar een bewijsstuk betreffende deze overeenkomst, maar de inhoud van de vaststellingsovereenkomst heeft ook relevantie voor de door partijen over en weer in te nemen stellingen betreffende – in elk geval – de op de vaststellingsovereenkomst gebaseerde schadevergoeding. Dat [PDV] ook via een andere weg onderhavige informatie probeert te verkrijgen, doet niet af aan haar rechtmatig belang inzage in de vaststellingsovereenkomst te vorderen.

3.6.3.

Het verweer van [invests] dat [PDV] geen partij is bij de vaststellingsovereenkomst, dat daarom geen sprake is van een bescheid aangaande een rechtsbetrekking waarin [PDV] partij is en dat [PDV] daarom geen afgifte kan vorderen wordt eveneens gepasseerd. Dit verweer gaat uit van een te beperkte uitleg van de zinsnede “een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn” in artikel 843a lid 1 Rv . De vaststellingsovereenkomst ligt rechtstreeks ten grondslag aan de door [invests] van [PDV] gevorderde schadevergoeding. Daarmee is de vaststellingsovereenkomst een bescheid aangaande de rechtsbetrekking tussen [PDV] en [invests].

3.6.4.

Ten aanzien van de door [invests] aangevoerde gewichtige redenen als bedoeld in artikel 843a lid 4 Rv op grond waarvan zij niet gehouden zou zijn aan de incidentele vordering te voldoen, overweegt het hof dat de door [invests] gestelde geheimhoudingsverplichting bij gebrek aan onderbouwing onvoldoende is komen vast te staan. De vaststellingsovereenkomst maakt geen melding van een dergelijk beding, zo is van de zijde van [invests] ten pleidooie bevestigd. Een bevestiging door de Belastingdienst van de gestelde geheimhoudingsafspraak is niet in de procedure gebracht. Ten pleidooie heeft voornoemde [getuige 2], aandeelhoudster van [invests] en (mede)onderhandelaar namens [invests] met de Belastingdienst zoals reeds vermeld, verklaard dat de gestelde geheimhoudingsverplichting inmiddels is uitgewerkt. [invests] heeft voorts geen inzicht gegeven in de aard van de vertrouwelijkheid van de door haar afgeschermde informatie uit de vaststellingsovereenkomst. Het gestelde belang dat een deel van hetgeen in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen vertrouwelijk blijft, is ook overigens niet toegelicht. Reeds vanwege het bovenstaande kan het hof niet vaststellen dat er gewichtige redenen zijn die zich ertegen verzetten dat [PDV] kennis neemt van de vaststellingsovereenkomst.

3.6.5.

Ook kan naar het oordeel van het hof niet redelijkerwijs worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde informatie is gewaarborgd. Zoals reeds overwogen heeft [PDV] slechts beperkte inzage in de vaststellingsovereenkomst gehad en betreft onderhavige incidentele vordering niet slechts de bewijsfunctie van de schriftelijke weergave van de vaststellingsovereenkomst. De stelling dat de ontbrekende feiten redelijkerwijs ook via de weg van het getuigenverhoor kunnen worden verkregen, volgt het hof evenmin daar deze weg er niet voor in staat dat [PDV] de uit de vaststellingsovereenkomst af te leiden informatie ongefilterd ter beschikking krijgt, nog daargelaten het gegeven dat [PDV] juist niet weet wat de ontbrekende feiten zijn en daarom ook niet voldoende gericht ter zake getuigen kan (doen) ondervragen.

3.6.6.

Uit het bovenstaande volgt dat het door [invests] gedane bewijsaanbod zal worden gepasseerd en de gevorderde onbeperkte inzage in de vaststellingsovereenkomst zal worden toegewezen binnen na te melden termijn. De door [PDV] gevorderde termijn – voor 16 maart 2015 – was gelet op de datum van de incidentele vordering van 17 februari 2015 niet realistisch, aangezien [invests] nog in de gelegenheid diende te worden gebracht van antwoord te dienen.

3.6.7.

Het hof benadrukt dat inzage in de vaststellingsovereenkomst voor [PDV] de verplichting meebrengt behoedzaam om te gaan met de betreffende informatie. [PDV] zal de door inzage van de vaststellingsovereenkomst verkregen informatie slechts mogen delen en gebruiken ten behoeve van onderhavige procedure.

3.6.8.

De gevorderde op weigering van [invests] tot inzage te zetten sanctie kan niet worden toegewezen, daar een dergelijke beslissing in de hoofdzaak zal dienen te worden genomen. Dit deel van de incidentele vordering zal derhalve worden afgewezen.

3.6.9.

[invests] zal als de in de kern van het geschil in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

In de hoofdzaak

3.7.1.

De zaak wordt naar de rol verwezen voor akte uitlating na inzage vaststellingsovereenkomst aan de zijde van [PDV], waarna [invests] binnen vier weken van antwoordakte mag dienen.

3.7.2.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident:

veroordeelt [invests] tot het geven van inzage in de originele vaststellingsovereenkomst binnen twee weken na de datum van dit arrest;

veroordeelt [invests] in de proceskosten van het incident, welke kosten aan de zijde van [PDV] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 894,- aan salaris advocaat;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 2 juni 2015 voor akte als hierboven onder 3.7.1. overwogen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.K. Veldhuijzen van Zanten, D.A.E.M. Hulskes en Th.C.M. Hendriks-Jansen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 april 2015.

griffier rolraadsheer


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature