< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

verdeling huwelijksgoederengemeenschap

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.137.867/01

arrest van 20 januari 2015

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats 1],

appellante,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. M.C.H.M. van Beurden te Waalwijk,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats 2],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. P.W.M. Splinter te Huizen,

op het bij exploot van dagvaarding van 14 november 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 augustus 2013, gewezen tussen de vrouw als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en de man als eiser in conventie, verweerder in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/02/247369/HA ZA 12-221)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met producties en eiswijziging;

- de memorie van antwoord met producties en eiswijziging.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de beide memories, tevens houdende vermeerdering van eis.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Partijen zijn op [datum] 1980 met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen.

Bij beschikking van de rechtbank Breda van 30 augustus 2006, welke beschikking op 5 oktober 2006 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand, is de echtscheiding uitgesproken.

Op 2 augustus 2006 hebben partijen een echtscheidingsconvenant gesloten.

In het convenant zijn als activa vermeld: de echtelijke woning, de recreatiewoning,

de pensioenrechten en als passiva twee hypotheekschulden. Peildatum voor de

omvang en waardering van de gemeenschap was 21 maart 2006. Schulden,

verplichtingen en voordelen ontstaan na 21 maart 2006 werden toebedeeld aan de

persoon die de verplichting was aangegaan of aan wie het voordeel te beurt was

gevallen.

In het convenant was voorts, voor zover hier verder van belang, het volgende

bepaald:

“(…)

Artikel 4 de gemeenschappelijk woning te [woonplaats 1]

4.1.

Partijen zien beiden af van verdeling van de gemeenschappelijke woning (hierna: de woning) en de daaraan verbonden hypotheekschuld.

4.2.

indien partijen in de toekomst alsnog besluiten tot verdeling van de woning over te gaan zal dit geschieden in onderling overleg en op een door partijen nader te bepalen wijze.

4.3.

De vrouw is, bij uitsluiting van de man, jegens de man gerechtigd tot het gebruik en bewoning van de woning.

4.4.

Alle aan de woning verbonden lasten komen voor rekening en risico van de

vrouw.

Artikel 5 de gemeenschappelijke recreatiewoning te [plaats 1] (bedoeld zal zijn: [plaats 2])

5.1.

Partijen zien beiden af van verdeling van de gemeenschappelijke recreatiewoning (hierna: de recreatiewoning) en de daaraan verbonden hypotheekschuld.

5.2.

Indien partijen in de toekomst alsnog besluiten tot verdeling van de recreatiewoning over te gaan zal dit geschieden in onderling overleg en op een door partijen nader te bepalen wijze.

5.3.

De man is, bij uitsluiting van de vrouw, jegens de vrouw gerechtigd tot het gebruik en bewoning van de recreatiewoning.

5.4.

Alle aan de recreatiewoning verbonden lasten komen voor rekening en risico van de man.

(...)”

De in artikel 5 bedoelde recreatiewoning (hierna ook chalet genoemd) op recreatiepark [recreatiepark] te [plaats 2] is met het oog op de echtscheiding in 2006 door partijen gekocht. De hypothecaire lening op de echtelijke woning, die toen

€ 27.089,39 bedroeg, is in verband daarmee met € 70.000,- verhoogd. Een deel van laatstgenoemd bedrag, groot € 33.932,96, is niet besteed aan de recreatiewoning zelf. Een deel daarvan, groot € 20.000,- is gestort op de privérekening van de vrouw.

De vrouw is in de echtelijke woning te [woonplaats 1] blijven wonen, de man heeft zijn intrek genomen in het chalet.

4.2.

De man heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd:

te bepalen dat de woning aan het [adres] te [woonplaats 1] binnen twee weken na dit vonnis te koop wordt gezet met bepaling dat het vonnis in de plaats komt voor de wilsverklaring c.q. handtekening van de vrouw;

te bepalen dat de recreatiewoning op recreatiepark [recreatiepark] te [plaats 2] binnen twee weken na vonnis te koop wordt gezet met bepaling dat het vonnis in de plaats komt voor de wilsverklaring c.q. handtekening van de vrouw;

te bepalen dat de vrouw haar volledige medewerking aan de verkoop dient te verlenen;

het onder a), b) en c) gevorderde onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag;

te bepalen dat de vrouw ter zake door hem onverschuldigd betaalde kosten van de vrouw aan hem dient te voldoen € 10.126,74;

te bepalen dat de vrouw ter zake de hypothecaire uitkering van € 20.000,- op 17 mei 2006 aan hem dient te voldoen een bedrag van € 10.000,-;

compensatie van de proceskosten.

4.3.

De vrouw heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd:

te bepalen dat de man aan haar dient te voldoen een bedrag ter hoogte van het door hem genoten belastingvoordeel in verband met de door de man ten behoeve van haar voldane ziektekostenpremies;

te bepalen dat de man aan haar dient te voldoen een bedrag ter hoogte van de helft van het door hem genoten belastingvoordeel over de periode 1 januari 2006 tot en met 5 oktober 2006;

voorwaardelijk, bij – gedeeltelijke – toewijzing van de vorderingen van de man ter zake de te verrekenen bedragen, hiermee te verrekenen de bedragen die de vrouw heeft voldaan ten behoeve van de man c.q. de voormalige echtelijke woning;

e man te veroordelen in de proceskosten.

4.4.

De rechtbank heeft – voor zover van belang – bij tussenvonnis van 10 oktober 2012 in conventie en reconventie de vrouw opgedragen te bewijzen:

dat tussen partijen is overeengekomen dat als tegenprestatie van de door de man betaalde premies ziektekostenverzekering en autoverzekering zij het chalet zou schoonhouden, de was voor de man zou doen, de tuin zou onderhouden en de premies reisverzekering en motorrijtuigenbelasting van de man zou betalen;

a) dat het aan partijen gezamenlijk toekomend bedrag van € 20.000,- is overgemaakt op de toen nog gemeenschappelijke bankrekening met nummer [rekeningnummer],

b) althans dat het bedrag van € 20.000,- feitelijk tussen partijen is verdeeld doordat dit bedrag is gebruikt voor aanzuivering van de debetstand van bankrekening [rekeningnummer], welke door gezamenlijke schulden ontstaan was, voorts voor inboedel van het chalet en de bouw van een schuur bij het chalet, terwijl het restant bij helfte tussen partijen is verdeeld;

3. iedere verdere beslissing aangehouden.

4.5.

De rechtbank heeft bij het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde eindvonnis van 14 augustus 2013:

in conventie:

bepaald dat de aan partijen gezamenlijk toebehorende woning aan het [adres] te [woonplaats 1] binnen twee weken na betekening van het vonnis te koop zal worden aangeboden via [Makelaar] Makelaardij te [vestigingsplaats], dan wel een andere door partijen gezamenlijk aan te wijzen makelaar;

bepaald dat de aan partijen gezamenlijk toebehorende recreatiewoning op recreatiepark [recreatiepark] te [plaats 2] binnen twee weken na betekening van het vonnis te koop zal worden aangeboden via de (website van de) eigenaar van Recreatiepark [recreatiepark];

bepaald dat de vrouw haar volledige medewerking aan de verkoop sub a en b dient te verlenen;

bepaald dat de vrouw aan de man dient te betalen de somma van € 4.927,65, te voldoen uit haar aandeel in de overwaarde van de woning te [woonplaats 1] en het chalet te [plaats 2], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de betekening van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening;

in reconventie:

bepaald dat de man binnen twee weken na betekening van het vonnis aan de vrouw dient te voldoen de somma van € 117,31, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van betekening tot de dag van algehele voldoening;

in conventie en reconventie:

de kosten van de procedure tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

het meer of anders gevorderde afgewezen.

4.6.

De vrouw kan zich (op onderdelen) met het beroepen eindvonnis niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen.

4.7.

De vrouw heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd tegen het eindvonnis, welke zien op de volgende onderwerpen:

de geldvordering van de man ad € 4.927,65 (grief 1);

de geldvordering van de vrouw ad € 6.966,48 (grief 2);

advocaatkosten (grief 3).

4.8.

Het hof zal de onderwerpen hierna bespreken.

4.9.

De vrouw heeft in hoger beroep haar eis gewijzigd in die zin dat de vrouw naast haar oorspronkelijke eis, voorts vordert te bepalen dat de man de hypotheekrente die verschuldigd is ten aanzien van het chalet dient te voldoen en dat bij niet-nakoming van deze verplichting de extra hypotheeklast en de samenhangende kosten volledig voor zijn rekening komen.

Tegen deze eiswijziging heeft de man geen bezwaar aangevoerd zodat het hof uitgaat van de gewijzigde eis van de vrouw.

4.10.

Bij zijn memorie van antwoord tevens vermeerdering van eis heeft ook de man zijn eis gewijzigd, in die zin dat hij tevens vordert – voorwaardelijk: voor het geval de vermeerderde vordering van de vrouw (te bepalen dat de man de hypotheekrente die verschuldigd is ten aanzien van het chalet dient te voldoen en dat bij niet nakoming van deze verplichting de extra hypotheeklast en de samenhangende kosten volledig voor zijn rekening komen) wordt toegewezen – te bepalen dat de vrouw aan de man met ingang van juni 2006, althans vanaf een door het hof te bepalen datum tot het moment dat de vrouw de woning zal verlaten, aan de man moet voldoen een bedrag van € 234,- per maand als gebruiksvergoeding voor de gemeenschappelijke woning te [woonplaats 1] aan [adres]. Tegen deze eiswijziging heeft vrouw geen bezwaar aangevoerd zodat het hof uitgaat van de gewijzigde eis van de man.

4.11.

Naar het oordeel van het hof is de vermeerderde vordering van de vrouw hiervóór vermeld onder 4.9 alleen al niet toewijsbaar omdat de vrouw niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Zo is niet duidelijk geworden met welke ingangsdatum de vrouw wil dat aan de man de verplichting tot betaling van de ten aanzien van het chalet verschuldigde hypotheekrente dient te worden opgelegd. Voorts is niet duidelijk om welke kosten het gaat en wat de vrouw bedoelt met extra hypotheeklasten. Derhalve dient deze vordering van de vrouw te worden afgewezen. Gelet hierop behoeft de voorwaardelijke vordering van de man hiervóór vermeld onder 4.10 geen nadere bespreking.

4.12.

De geldvordering van de man ad € 4.927,65 (grief 1)

4.12.1.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de vrouw niet is geslaagd in het leveren van het bewijs dat het resterende saldo van bankrekening [rekeningnummer] ad € 9.855,29 is besteed aan inboedel van het chalet van de man of aan een bijbehorend schuurtje dan wel op andere wijze tussen partijen is verdeeld. Derhalve heeft de rechtbank de vordering van de man toegewezen tot een bedrag van € 4.927,65, zijnde de helft van het aan beide partijen toekomende bedrag van € 9.855,29.

4.12.2.

De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het resterende saldo van bankrekening [rekeningnummer] ad € 9.855,29 niet is besteed aan de aankoop van de inboedel van het chalet, het bijbehorende schuurtje dan wel dat het resterende saldo op andere wijze tussen partijen is verdeeld.

Volgens de vrouw dient op het restantsaldo van € 9.855,29 een bedrag van ten minste € 2.416,68 ter zake inboedel in mindering te worden gebracht, alsook een gedeelte van de overige gemeenschappelijke kosten dan wel kosten ten behoeve van de man. Alsdan resteert geen dan wel een lager bedrag dat de vrouw aan de man zou dienen te voldoen dan het bedrag van € 4.927,65, aldus de vrouw.

De man heeft de grief van de vrouw bestreden.

4.12.3.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Met de man is het hof van oordeel dat uit de door de vrouw overgelegde uitdraaien van de rekening bij de Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer] over de periode mei tot en met oktober 2006 niet zonder meer kan worden afgeleid dat de daarop voorkomende afschrijvingen door dan wel ten behoeve van de man gedaan zijn. De man heeft een en ander gemotiveerd betwist en nadere stukken die de stellingen van de vrouw op dit punt kunnen onderbouwen ontbreken. Voorts beroept de vrouw zich er nog op dat “kosten van de man en de vrouw samen nog via de rekening van de vrouw [zijn] afgeschreven”; van die kosten geeft de vrouw een opsomming. De vrouw heeft deze stelling niet met stukken onderbouwd terwijl de man voldoende gemotiveerd heeft betwist dat deze kosten voor gemeenschappelijke rekening moeten komen (onder andere doordat hij er op wijst dat ook zijn salaris tot eind april 2006 op de rekening is gestort en dat het gaat om lasten die door de vrouw moeten worden voldaan).De conclusie van het voorgaande is dat de eerste grief van de vrouw faalt.

4.13.

De geldvordering van de vrouw ad € 6.966,48 (grief 2)

4.13.1.

Grief 2 houdt in dat de rechtbank de vordering in reconventie sub 3 van de vrouw ten onrechte heeft afgewezen. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:

“2.16 De vordering in reconventie sub 3 van de vrouw is nieuw. Zij stelt dat van de extra hypotheek ad € 70.000,= een deel ad € 34.680,= is besteed aan het chalet en een deel van € 20.000,= is overgemaakt naar bankrekening [rekeningnummer], zodat – naar de rechtbank begrijpt – op de rekening van de man een bedrag van € 13.932,96 moet zijn overgebleven. Het verschil tussen laatstgenoemd bedrag en hetgeen de vrouw heeft ontvangen bedraagt volgens haar € 1.713,41, welk bedrag vermeerderd moet worden met hetgeen de vrouw voor beide partijen aan de gezamenlijke echtscheidingsadvocaat heeft betaald ad € 1.698,87.

De man betwist deze vorderingen.

2.17

De rechtbank kan de stellingen van de vrouw met betrekking tot het door haar

gevorderde bedrag van € 1.713,41, althans de helft daarvan, niet volgen. Bovendien is eerder in de procedure steeds sprake geweest van een geschil over een deel van € 20.000,= van de extra afgesloten hypotheek en heeft de vrouw niet eerder opgeworpen dat van het hypotheekbedrag van € 70.000,= een bedrag van € 13.932,96 aan de man ten goede zou zijn gekomen. Daar komt bij dat de berekening van de vrouw aan de rechtbank niet duidelijk is, met als gevolg dat ook het verweer van de man niet geheel uit de verf komt. Al met al is dit voor de rechtbank reden om de vordering voor zover betrekking hebbend op (de helft van) € 1.713,41 af te wijzen.”

De vrouw maakt thans in hoger beroep aanspraak op de helft van het restant van het hypotheekbedrag ad € 13.932,96 dat zich op de privérekening van de man bevond, te weten € 6.966,48. Van het restant van het hypotheekbedrag heeft de man, volgens de vrouw, zelf geleefd. Hij is hiervan bijvoorbeeld met vakantie geweest.

4.13.2.

De man voert aan dat de vrouw heeft nagelaten haar grief te onderbouwen. Voorts betwist de man dat het bedrag van € 13.932,96 aan hem ten goede is gekomen.

4.13.3.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Vast staat dat partijen gezamenlijk een extra hypothecaire geldlening zijn aangegaan van € 70.000,-, waarvan na aftrek van de notariële kosten door de notaris een bedrag van € 68.612,96 op de bankrekening van de man is gestort. Voorts staat tussen partijen vast dat daarvan na aankoop van het chalet een bedrag overbleef van € 33.932,96, waarvan een bedrag van € 20.000,- is gestort op de bankrekening van de vrouw. De man heeft de stelling van de vrouw dat daardoor op de bankrekening van de man een bedrag groot € 13.932,96 resteerde niet betwist. De vrouw heeft evenwel niet duidelijk gemaakt waarom haar de helft van dit bedrag, zoals zij vordert, zou toekomen. Omtrent de grondslag waarop de vrouw haar vordering baseert, tast het hof aldus in het duister. Overigens heeft de vrouw haar stelling dat het bedoelde bedrag van € 13.932,96 aan de man ten goede zou zijn gekomen, in het licht van de betwisting daarvan door de man, ook onvoldoende onderbouwd. Dit brengt mee dat ook de tweede grief van de vrouw faalt.

4.14.

Advocaatkosten (grief 3)

4.14.1.

De rechtbank heeft de vordering van de vrouw ad € 778,13 afgewezen nu de vrouw geen bewijs van betaling heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij de nota van [Juristen] Juristen ad € 778,13 heeft voldaan.

4.14.2.

De vrouw verwijst naar productie 19 van haar memorie van grieven voor het bewijs dat zij op 12 juli 2006 van haar privérekening een bedrag van € 778,13 heeft voldaan aan de gezamenlijke echtscheidingsadvocaat. Derhalve dient de man de helft van dit bedrag te voldoen, aldus de vrouw. De man betwist de stelling van de vrouw.

4.14.3.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Anders dan de man, is het hof van oordeel dat de vrouw in hoger beroep met het overleggen van een bankrekeningafschrift onder productie 19 bij haar memorie van grieven, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de nota van [Juristen] Juristen ad € 778,13 heeft voldaan. Nu de man niet dan wel onvoldoende heeft betwist dat deze nota voor gezamenlijke rekening kwam, heeft de vrouw een vordering op de man voor de helft van dit bedrag, zijnde € 389,06.

4.15.

Gelet op de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke betrekking tot elkaar stonden, zullen de kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

5 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 augustus 2013, doch uitsluitend voor zover daarbij de vordering van de vrouw ter zake de advocaatkosten van € 778,13 is afgewezen en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de man om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te betalen een bedrag van € 389,06;

bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 augustus 2013 voor het overige;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.D.M. Lamers, G.J. Vossestein en A.R. Autar en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 januari 2015.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature