< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Art. 8:42 Awb. Art. 8:29 Awb. Art. 67 AWR. BZN (Bank Zonder Naam). Tussenuitspraak geheimhoudingskamer. Verschil tussen geheimhouding en beperkte kennisneming. Bij geheimhouding mogen de rechter, die de hoofdzaak beslist, en belanghebbende geen kennis nemen van de ongeschoonde (delen van de) stukken en blijven deze (delen van de) stukken bij de beoordeling van het geschil buiten beschouwing. Bij beperkte kennisneming neemt de rechter, die de hoofdzaak beslist, met toestemming van belanghebbende (artikel 8:29, lid 5 van de Awb) bij de beoordeling van het geschil wel kennis van die stukken (in ongeschoonde vorm), maar belanghebbende niet.

De Inspecteur verzoekt om op grond gewichtige redenen in stukken gegevens te mogen schonen, deze gegevens geheim te mogen houden en een stuk geheel geheim mogen te houden. De Inspecteur voert als redenen aan:

(A) de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen ;

(B) het voorkomen van een directe, ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van derden;

(C) het belang van ongehinderde opsporing en vervolging van strafbare feiten;

(D) het belang van de betrekkingen van Nederland met andere staten;

(E) de bescherming van persoonsgegevens van natuurlijke personen;

(F) de bescherming van persoonsgegevens van niet-natuurlijke personen;

(G) controlestrategische overwegingen.

De geheimhoudingskamer oordeelt als volgt:

Ad (A): De geheimhoudingsplicht geldt niet voor de op de zaak betrekking hebbende stukken, omdat (1) bekendmaking van deze stukken (in ongeschoonde vorm) noodzakelijk is voor uitvoering van de belastingwet en de heffing van een rijksbelasting (art. 67, lid 1 van de AWR) en (2) de geheimhoudingsplicht ingevolge artikel 67, lid 2, aanhef, onderdeel a van de AWR moet wijken voor andere wettelijke bepalingen, in dit geval artikel 8:42 van de Awb .

Ad (B): Dat op de persoonlijke levenssfeer van derden een directe, ernstige inbreuk zal plaatsvinden indien hun namen niet worden geschoond is niet zonder meer een gewichtige reden (vgl. Hoge Raad 3 april 2009, 07/13014, ECLI:NL:HR:2009:BH9184).

Ad (C): Dat opsporing en vervolging van strafbare feiten zou worden gehinderd is door de Inspecteur in dit geval niet aannemelijk gemaakt.

Ad (D) Dat de betrekkingen van Nederland met andere staten zou worden gehinderd is door de Inspecteur in dit geval niet aannemelijk gemaakt.

De geheimhoudingskamer is van oordeel, dat de onder (A) tot en met (D) genoemde redenen geen gewichtige redenen zijn. De geheimhoudingskamer is van oordeel dat bij de onder (E) tot en met (F) genoemde redenen het belang van de Inspecteur aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van de belanghebbende en dus gewichtige redenen zijn en geheimhouding gerechtvaardigd is.

Voorts oordeelt de geheimhoudingskamer, dat de Rechtbank bij de beoordeling van het verzoek om geheimhouding een onjuist criterium heeft aangelegd. Niet beslissend is dat belanghebbende gegevens niet nodig heeft voor verdediging van zijn standpunt (Hoge Raad 23 mei 2014, 12/01827, ECLI:NL:HR:2014:1182). Wel beslissend is of het belang bij geheimhouding door de Inspecteur aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende: het in het kader van een eerlijk proces kennisnemen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken in ongeschoonde vorm.

Uitspraak



GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Vijfde enkelvoudige belastingkamer, optredende, en hierna aangeduid, als ‘geheimhoudingskamer’

Kenmerken: 13/00377-GHK en 13/00471-GHK

Tussenuitspraak ex artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in de hoger beroepen van

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

(hierna: belanghebbende),

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Zuidwest van de rijksbelastingdienst,

(hierna: de Inspecteur),

en in de incidentele hoger beroepen van

belanghebbende,

en

de Inspecteur,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 29 januari 2013, nummers AWB 09/2962 tot en met 09/2977, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Inspecteur,

betreffende aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 1995 tot en met 2005 en aan haar opgelegde navorderingsaanslagen vermogensbelasting voor de jaren 1996 tot en met 2000, waarvan (enkel) het dossier over de aan belanghebbende met verhoging opgelegde navorderingsaanslag in de IB/PVV voor het jaar 1995, aanslagnummer [aanslagnummer].H57, (en het bij het vaststellen van die aanslag met betrekking tot die verhoging genomen kwijtscheldingsbesluit) in handen is gesteld van de geheimhoudingskamer.

0 Leeswijzer

0.1. 1.

1. Procesverloop

0.2. 2.

2. Verzoek

0.3. 3.

3. Beoordeling van het verzoek

0.3.1.

I. Algemeen juridisch kader: 3.2 tot en met 3.12

0.3.2.

II. De beoordeling van het verzoek om geheimhouding door de Rechtbank: 3.13 tot en met 3.15

0.3.3.

III. Enkele door de Inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding: 3.16 tot en met 3.28

- de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen : 3.17 tot en met 3. 20

- het voorkomen van een directe, ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van derden: 3.21 tot en met 3.23

- het belang van ongehinderde opsporing en vervolging van strafbare feiten: 3.24 en 3.25

- het belang van de betrekkingen van Nederland met andere staten: 3.26 tot en met 3.28

0.3.4.

IV. Geen beroep op geheimhouding: 3.29

0.3.5.

V. Wel beroep op geheimhouding: 3.30

0.3.6.

VI. Geschoonde gegevens: 3.31 tot en met 3.54

0.3.7.

VII. Beoordeling van de (overige) door de Inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding: 3.55 tot en met 3.85

- bescherming van persoonsgegevens van natuurlijke personen: 3.55 tot en met 3.62

- bescherming van persoonsgegevens van niet-natuurlijke personen: 3.63 tot en met 3.68

- controlestrategische overwegingen: 3.69 tot en met 3.85

0.3.8.

VIII. Overige op de zaak betrekking hebbende stukken: 3.86 tot en met 3.91

0.3.9.

IX. Slotsom: 3.92 tot en met 3.98

0.4. 4.

4. Beslissing

1 Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 27 december 2007 de hiervoor genoemde navorderingsaanslag ten bedrage van f 20.005 (€ 9.081) opgelegd met een verhoging van 100% van de navorderingsaanslag. Bij het vaststellen van die aanslag is met betrekking tot die verhoging het besluit genomen om niet tot kwijtschelding van (een deel van) de verhoging over te gaan.

1.2.

Belanghebbende heeft bij brief van 8 januari 2008 bezwaar gemaakt tegen de onderhavige navorderingsaanslag en het daarbij genomen kwijtscheldingsbesluit. Belanghebbende heeft haar bezwaar bij brief van 17 april 2008 nader gemotiveerd.

1.3.

Bij uitspraak van de Inspecteur van 18 juni 2009 is de navorderingsaanslag met de verhoging gehandhaafd.

1.4.

Belanghebbende is van deze uitspraak bij schrijven van 30 juni 2009 in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank een griffierecht geheven van éénmaal € 41 in deze zaak en de daarmee samenhangende zaken van belanghebbende.

1.5.

Belanghebbende heeft de Rechtbank verzocht om uitstel voor het indienen van de gronden van het beroep, totdat de Rechtbank Haarlem in de daarbij aanhangige gelijksoortige zaken uitspraak had gedaan. De Rechtbank heeft enkele malen uitstel verleend aan belanghebbende.

1.6.

Belanghebbende heeft bij schrijven van 27 september 2010 haar beroep nader gemotiveerd.

1.7.

De Rechtbank heeft het schrijven van belanghebbende op 12 oktober 2010 doorgestuurd naar de Inspecteur en hem verzocht binnen vier weken daarop te reageren.

1.8.

De Inspecteur heeft daarop enkele malen om uitstel voor het indienen van het verweerschrift verzocht.

1.9.

Het verweerschrift is op 6 april 2011 ingekomen bij de Rechtbank. Bij het verweerschrift zijn diverse bijlagen gevoegd, waaronder:

- de prints uit BVR (Beheer Van Relaties) en uit andere systemen om persoonsgegevens te raadplegen (waarvan één print gedeeltelijk onleesbaar is gemaakt)(bijlage 3);

- de in het project Bank Zonder Naam met de volgende letters aangeduide stukken:

A. de geanonimiseerde Belgische aanbiedingsbrief van 18 februari 2005 (bijlage 7);

B. de bij de Belgische aanbiedingsbrief behorende geanonimiseerde Nota (bijlage 7);

C. een afschrift van het renseignement waarop de naam van belanghebbende is vermeld (enkel de regel waarop de naam van belanghebbende is vermeld is zichtbaar)(bijlage 2);

alsmede de geschoonde bijlage B.1 bij Nota (bijlage 8), de geschoonde bijlagen B.2 bij Nota (bijlage 8), de geschoonde bijlage B.6 bij Nota (bijlage 8) en de geschoonde bijlage B.9 bij Nota (bijlage 8; 11 pagina’s);

D. de overige bij de Nota behorende geschoonde bijlagen B.3 tot en met B.5, B.7, B.8, B.10 tot en met B.12 (bijlage 8);

E. de geanonimiseerde gegevens van meewerkende belastingplichtigen in eerdere projecten (bijlage 15);

F. het proces-verbaal en verdere (geschoonde) gegevens met betrekking tot het uitvoeren van de chi-kwadraattoets (bijlage 9);

G. de geschoonde stukken met betrekking tot de redelijke schatting (bijlage 10);

H. het geanonimiseerde draaiboek Bank Zonder Naam (bijlage 13);

I. het proces-verbaal van de geautomatiseerde identificatie (bijlage 11);

J. de geanonimiseerde brief van 13 november 2007 van de Belgische belastingautoriteiten waarin toestemming wordt verleend de gegevens te gebruiken voor de belastingheffing (bijlage 12).

1.10.

De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift ten aanzien van (delen van) de onder 1.9 genoemde bijlagen een beroep op geheimhouding gedaan, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb . De Inspecteur heeft de betreffende bijlagen in ongeanonimiseerde vorm in een gesloten envelop aan (de geheimhoudingskamer van) de Rechtbank doen toekomen.

1.11.

Bij brief van 18 april 2011 heeft de Rechtbank aan belanghebbende verzocht om de verhinderdata voor de maanden oktober en november 2012 door te geven in verband met het te houden onderzoek ter zitting. Tevens heeft de Rechtbank aan belanghebbende gevraagd om aan te geven of, en zo ja, welke getuigen gehoord dienen te worden.

1.12.

Bij brief van 19 april 2011 heeft de Rechtbank het verweerschrift (met de bijlagen in geschoonde vorm, als omschreven onder 1.9) doorgezonden aan belanghebbende.

1.13.

Belanghebbende heeft bij schrijven van 10 mei 2012 aan de Rechtbank medegedeeld dat zij de drie voormalige projectleiders van het ‘ Van Lanschot project’ wenst te horen als getuige, te weten: mevrouw [getuige 1], mevrouw [getuige 2] en mevrouw [getuige 3]. Belanghebbende heeft bij dit schrijven tevens haar verhinderdata aan de Rechtbank gemeld.

1.14.

De Rechtbank heeft bij brief van 16 mei 2012 aan belanghebbende voorgesteld de door haar genoemde getuigen niet te horen, maar het proces-verbaal van het getuigenverhoor van diezelfde getuigen bij de Rechtbank Leeuwarden door haar in te laten brengen. Tevens heeft de Rechtbank in deze brief de voorgenomen indeling van de zaken op de zittingen van 23 en 24 oktober 2012 bekend gemaakt alsmede de datum van de eventuele getuigenverhoren.

1.15.

Bij brief van 20 juni 2012 is belanghebbende uitgenodigd voor het onderzoek ter zitting van haar zaken - waaronder de onderhavige - op 23 en 24 oktober 2012.

1.16.

Het onderzoek ter zitting is gestart op 23 oktober 2012 te Breda. De beroepen met procedurenummers AWB 11/5569, 09/2831 tot en met 09/2846, 11/6021 tot en met 11/6033, 12/2770, 09/2847 tot en met 09/2851, 11/4651 tot en met 11/4654, 12/2772, 09/2957 tot en met 09/2961, 09/2962 tot en met 09/2977, 09/2873 tot en met 09/2888, 11/2494 tot en met 11/2511, 09/2889 tot en met 09/2893, 09/2978 tot en met 09/2983, 11/6062 tot en met 11/6066, 12/1117 tot en met 12/1122, 12/1124 tot en met 12/1133, 11/6034 tot en met 11/6061, 09/2915 tot en met 09/2918, 09/2920 tot en met 09/2928, 09/2930 tot en met 09/2934, 09/2894 tot en met 09/2909, 12/2774, 09/2910 tot en met 09/2914, 11/4647 tot en met 11/4650, 11/2545 tot en met 11/2549, 12/2769, 09/2852 tot en met 09/2867, 11/2522 tot en met 11/2538, 09/2868 tot en met 09/2872, 09/2935 tot en met 09/2951, 11/2540 tot en met 11/2544 en 09/2952 tot en met 09/2956 zijn daarbij gelijktijdig behandeld.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, de heer [gemachtigde], en namens de Inspecteur en de Ontvanger, [inspecteur 2], [inspecteur 3], [inspecteur 4], [inspecteur 5], [inspecteur 6] en[inspecteur 7]. Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de Rechtbank en aan elkaar.

1.17.

De Rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 23 oktober 2012 geschorst en hervat op 24 oktober 2012. De beroepen met de procedurenummers genoemd in 1.16 zijn daarbij wederom gelijktijdig behandeld. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, de heer [gemachtigde], en namens de Inspecteur, [inspecteur 3], [inspecteur 4], [inspecteur 5] en[inspecteur 7].

1.18.

Tijdens de zittingen van 23 en 24 oktober 2012 zijn eerst de gezamenlijke aspecten van de onder 1.16 genoemde zaken behandeld. Daarna zijn de individuele aspecten per zaak behandeld. In dat kader heeft de Inspecteur op de laatste zitting de nog aanwezige prints van de aangiften en primitieve aanslagen over 1995 (tot en met 2005) ten name van belanghebbende overgelegd.

1.19.

De Rechtbank heeft ter zitting van 24 oktober 2012 het onderzoek geschorst en de behandeling van de beroepen aangehouden om belanghebbende in de gelegenheid te stellen binnen twee weken op de nadere stukken van de Inspecteur te reageren.

1.20.

Voor elk van de zittingsdagen van 23 en 24 oktober 2012 is een algemeen proces-verbaal opgemaakt. Verder is per belanghebbende (indien gehuwd: per echtpaar) een individueel proces-verbaal opgemaakt. Afschriften van de processen-verbaal zijn op 29 oktober 2012 op verzoek van belanghebbende digitaal verstuurd. Na constatering van fouten in het vermelden van de procedurenummers zijn op 2 november 2012 zowel de eerste als de gewijzigde versie van de processen-verbaal aan partijen gestuurd.

1.21.

Belanghebbende heeft op 14 november 2012 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn, bij brief van 15 november 2012, in afschrift verstrekt aan de Inspecteur. De Inspecteur heeft hier bij brief van 5 december 2012 op gereageerd. Deze stukken zijn, bij brief van 11 december 2012, in afschrift verstrekt aan belanghebbende. De Rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

1.22.

De Rechtbank heeft in het beroep in de onderhavige zaak bij de in de aanhef genoemde uitspraak van 29 januari 2013 als volgt beslist. Het beroep is gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar is vernietigd, de navorderingsaanslag is verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f 58.701 (€ 26.646) met een verhoging van f 9.875 (€ 4.483), het genomen kwijtscheldingsbesluit is vernietigd en de verhoging is voor een bedrag van f 1.975 (€ 897) kwijtgescholden.

1.23.

De Rechtbank heeft bij zijn uitspraak tevens vastgesteld dat het onderzoek dient te worden heropend ter voorbereiding op een nadere uitspraak over het verzoek van belanghebbende om immateriële schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 van de Awb .

1.24.

De Inspecteur heeft tegen de onder 1.22 genoemde uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld en heeft zijn hoger beroep bij schrijven van 5 april 2013 gemotiveerd. Belanghebbende heeft bij schrijven van 28 juni 2013 haar verweerschrift ingediend.

1.25.

Belanghebbende heeft eveneens hoger beroep ingesteld tegen de onder 1.22 genoemde uitspraak van de Rechtbank en heeft haar hoger beroep bij schrijven van 9 april 2013 gemotiveerd. Als bijlagen bij dit schrijven heeft belanghebbende gevoegd:

- een proces-verbaal van de Rechtbank Leeuwarden met het getuigenverhoor van mevrouw [getuige 3] van 19 juli 2012;

- een proces-verbaal van de Rechtbank Leeuwarden met het getuigenverhoor van mevrouw [getuige 1] van 19 juli 2012.

De Inspecteur heeft bij schrijven van 14 juni 2013 zijn verweerschrift ingediend. Als bijlagen bij dit verweerschrift heeft de Inspecteur gevoegd:

De e-mail van mevrouw [getuige 2] die zij heeft verstuurd aan medewerkers van de Belastingdienst en waarin zij aangeeft dat de vragenbrief in het project Bank Zonder Naam nog niet verzonden mag worden (gedateerd 20 november 2006);

De e-mail van mevrouw [getuige 2] van 5 december 2006 verstuurd aan de regio aanspreekpunten project Bank Zonder Naam, waarin zij aanwijzingen geeft over de te treffen voorbereidingen voor de start van het project Bank Zonder Naam.

1.26.

Nu beide partijen hoger beroep hebben ingesteld en beide partijen daarin concluderen tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en beide in hun verweerschriften inzake het door hun wederpartij ingediende hoger beroep logischerwijs ook concluderen tot vernietiging, en uiteraard niet: bevestiging, van de uitspraak van de Rechtbank, volgt daaruit dat partijen eveneens incidenteel hoger beroep hebben ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Het Hof heeft partijen evenwel niet in de gelegenheid gesteld het incidentele hoger beroep van de wederpartij schriftelijk te beantwoorden, zoals is voorgeschreven in artikel 27m van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Algemene wet inzake rijksbelastingen; hier in de tekst tot 1 juli 2013).

1.27.

Bij brief van 6 november 2013 heeft het Hof aan partijen medegedeeld dat een meervoudige kamer van het Hof hun beroepen ter zitting van 27 november 2013 zal behandelen. Aan partijen is bij deze brief kenbaar gemaakt dat het Hof voornemens is om op deze zitting procesafspraken met partijen te maken over het vooronderzoek. Er zou dan derhalve geen inhoudelijk onderzoek ter zitting plaatsvinden, maar de zitting zou het karakter hebben van een regiezitting.

1.28.

Bij dezelfde brief van 6 november 2013 is aan partijen medegedeeld dat één van de procesdossiers van belanghebbende, namelijk het dossier met kenmerk 13/00377 (betreffende de navorderingsaanslag IB/PVV 1995), in handen is gesteld van de geheimhoudingskamer van het Hof, met het verzoek een beslissing te nemen als bedoeld in artikel 8:29, lid 3, van de Awb (op het verzoek om geheimhouding van bepaalde (gedeelten van) stukken van de Inspecteur). In de brief van 6 november 2013 is tevens opgenomen dat de meervoudige Kamer die in de hoofdzaak beslist er van uit gaat dat, zonder tegenbericht, de beslissing van de geheimhoudingskamer in de onderhavige zaak ook zal worden geaccepteerd in de andere zaken van belanghebbende (de zaken 13/00378 tot en met 13/00392, overeenkomend met de hoger beroepen van de Inspecteur met kenmerken 13/00472 tot en met 13/00486).

1.29.

De geheimhoudingskamer van het Hof heeft, na overdracht van het Hof van de processtukken aan de geheimhoudingskamer in januari 2014, bij brief van 27 januari 2014 aan de Inspecteur verzocht om (nog) de volgende stukken ongeschoond aan de geheimhoudingskamer te overleggen:

A. de Belgische aanbiedingsbrief van 18 februari 2005;

B. de bij de Belgische aanbiedingsbrief behorende Nota;

C. de bij de Nota behorende bijlagen B.1, B.2 en B.6 (de rekeningstandenlijsten per 5 september 1996, 28 november 1996 en 21 december 1994), bijlage B.9 (de adressenlijsten) en de pagina van het renseignement waarop belanghebbende is vermeld;

D. de overige bij de Nota behorende bijlagen (B.3, B.4, B.5, B.7, B.8, B.10, B.11 en B.12);

E. het proces-verbaal met betrekking tot de chikwadraattoets en de daarbij behorende cijfers;

F. de gegevens met betrekking tot de redelijke schatting;

G. het Draaiboek Bank Zonder Naam;

H. de memo identificatieproces van 24 november 2006;

I. de brief van 13 november 2007 van de Belgische belastingautoriteiten waarin toestemming wordt verleend de gegevens te gebruiken voor de belastingheffing;

J. de BVR-prints;

K. het stuk over de verhouding meewerkers/weigeraars/ ontkenners (onder meer: percentages en absolute aantallen);

L. de e-mail van 20 november 2006 waarin verzocht wordt om de verzending van de vragenbrief aan belanghebbende op te schorten (genoemd in de ambtsedige verklaring van mevrouw [getuige 2], projectleider Bank Zonder Naam);

M. het verslag van 21 november 2006 inzake de wijze van identificatie (eveneens genoemd in deze verklaring);

N. de brief van 5 december 2006 waarin de belastingregio’s worden geïnformeerd over het verzenden van de vragenbrief aan belanghebbende (eveneens genoemd in deze verklaring).

Voor het geval de Inspecteur zich ten aanzien van (delen van) deze stukken zou willen beroepen op geheimhouding, als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb , heeft de geheimhoudingskamer aan de Inspecteur verzocht zowel een geschoonde als een ongeschoonde versie van het stuk in te dienen en aan te geven wat de gewichtige redenen voor geheimhouding zijn.

1.30.

Bij brief van 18 februari 2014 heeft de Inspecteur aangegeven ten aanzien van bepaalde stukken een beroep op artikel 8:29 van de Awb te doen. Ten aanzien van de stukken uit het algemene zaaksdossier (door hem aangeduid met de letters A tot en met O) heeft hij per stuk aangegeven of hij ten aanzien van dat stuk (nog) een beroep op artikel 8:29 van de Awb doet en zo ja, ten aanzien van welke gegevens. Dit beroep heeft hij per op de zaak betrekking hebbend stuk nader gemotiveerd. Het betreft de stukken:

A. De Belgische aanbiedingsbrief d.d. 18 februari 2005

Beroep op artikel 8:29 Awb

Geanonimiseerd zijn de namen, telefoonnummers en e-mail adressen van Belgische belasting- ambtenaren. De naam van het hoofd van de FIOD is vrijgegeven

B. De bij de aanbiedingsbrief behorende Nota

Beroep op artikel 8:29 Awb

Geanonimiseerd zijn de namen, plaatsen en andere gegevens die betrekking hebben op het Belgische strafrechtelijke onderzoek, alsmede de namen, telefoonnummers en e-mail adressen van Belgische belastingambtenaren. De naam van de onderzoeks-rechter is vrijgegeven

C. De bij de Nota behorende bijlagen B.1, B.2, B.6 (de rekeningstandenlijsten) en B.9 (de adressenlijst)

Beroep op artikel 8:29 Awb

De rekeningstandenlijsten zijn geschoond van de namen en rekeningnummers van derden

D. De overige bij de Nota behorende bijlagen B.3, B.4, B.5, B.7, B.8, B.10, B.11 en B.12

Beroep op artikel 8:29 Awb

Op bijlage B.10 zijn de namen op organigram geschoond. B.12 is in zijn geheel vrijgegeven. Bij de rest van de bijlagen geldt dat de cijfermatige informatie geheim is gehouden (enkel de kopteksten zijn verstrekt, de rest van de bijlagen is geanonimiseerd)

E. Het proces-verbaal met betrekking tot het uitvoeren van de chi-kwadraattoets

Geen beroep op artikel 8:29 Awb

E1 en E2. De stukken met betrekking tot de chi-kwadraattoets: invoergegevens en conclusie toets

Geen beroep op artikel 8:29 Awb

F. De stukken met betrekking tot de redelijke schatting

Beroep op artikel 8:29 Awb

De belastingeenheden en bankrekeningnummers zijn geanonimiseerd

G. Het Draaiboek “Bank Zonder Naam”

Beroep op artikel 8:29 Awb

Namen, telefoonnummers en andere gegevens die betrekking hebben op de belastingambtenaren zijn geanonimiseerd. De rest(onder andere de naam van de bank) is vrijgegeven

H. Memo identificatieproces van 24 november 2006

Beroep op artikel 8:29 Awb

Het gehele stuk is geanonimiseerd

I. De brief van 13 november 2007 van de Belgische belastingautoriteiten

Beroep op artikel 8:29 Awb

De namen en gegevens van de Belgische belastingambtenaren zijn geanonimiseerd. De naam van het hoofd van de FIOD is vrijgegeven

J. Het proces-verbaal van de geautomatiseerde identificatie

Geen beroep op artikel 8:29 Awb

K. De verklaring van de projectleider over het percentage meewerkers

Geen beroep op artikel 8:29 Awb

L. De gegevens van meewerkende belastingplichtigen in eerdere projecten

Geen beroep op artikel 8:29 Awb

M. De drie ambtsedige verklaringen van 20 juli 2011 en 20 september 2011

Beroep op artikel 8:29 Awb

De namen van de belastingambtenaren zijn geanonimiseerd

N. De twee e-mail berichten van de projectleider van november-december 2006

Beroep op artikel 8:29 Awb

De namen en e-mail adressen van de belastingambtenaren zijn geanonimiseerd

O. De toelichting op de kennisgeving van de navordering

Geen beroep op artikel 8:29 Awb

1.31.

Voor wat betreft de stukken die zien op de individuele belanghebbenden doet de Inspecteur een beroep op artikel 8:29 van de Awb voor wat betreft de pagina ’s van het renseignement waarop de belanghebbende staat vermeld en de prints uit BVR. De geheimhoudingskamer zal deze stukken hierna aanduiden met de letter: P.

1.32.

De ongeschoonde (algemene en individuele) stukken heeft de Inspecteur in een gesloten envelop gericht aan de geheimhoudingskamer overgelegd. De geschoonde bijlagen, waarover belanghebbende volgens de Inspecteur reeds beschikt, zijn in papieren of digitale vorm bijgevoegd. De digitale bijlagen zijn ingediend op een CD-ROM, die volgens de Inspecteur de bijlagen E, F en G zou bevatten.

1.33.

De geheimhoudingskamer heeft de brief van 18 februari 2014 (met de geschoonde bijlagen) op 28 februari 2014 doorgestuurd aan belanghebbende met het verzoek hier binnen drie weken op te reageren.

1.34.

Na het verstrijken van de termijn van drie weken, heeft de griffier van de geheimhoudingskamer telefonisch contact opgenomen met belanghebbende en gevraagd waarom belanghebbende nog niet op haar brief van 28 februari 2014 had gereageerd. Belanghebbende heeft daarop aangegeven de brief van de geheimhoudingskamer van 28 februari 2014 niet te hebben ontvangen en heeft de griffier gevraagd de brief nogmaals aan haar toe te zenden onder toekenning van een nieuwe termijn voor een reactie.

1.35.

De griffier van de geheimhoudingskamer heeft bij (per gewone en aangetekende post verzonden) brief van 3 april 2014 gehoor gegeven aan dit verzoek en heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld vóór 18 april 2014 te reageren.

1.36.

Belanghebbende heeft bij brief (met bijlagen) van 17 april 2014 gereageerd op de brief van 18 februari 2014 van de Inspecteur. Belanghebbende heeft onder meer aangegeven bijlage B.9 (de adressenlijsten) niet te hebben ontvangen. Tevens heeft zij in paragraaf 36 en 37 van haar brief (nadere) stukken genoemd waarover zij nog de beschikking wil krijgen.

1.37.

Naar aanleiding van de brief van belanghebbende van 17 april 2014 heeft de geheimhoudingskamer aan de Inspecteur verzocht om de stukken genoemd in paragraaf 36 en 37 van de brief van belanghebbende ter beoordeling aan de geheimhoudingskamer te overleggen. Indien de Inspecteur zich ten aanzien van deze stukken op geheimhouding beroept, dient hij uiteen te zetten welke gewichtige redenen eraan in de weg staan die stukken (gedeeltelijk) aan belanghebbende te openbaren.

1.38.

De Inspecteur heeft bij schrijven van 8 mei 2014 gereageerd. De Inspecteur heeft (alsnog) een geanonimiseerde versie van de bij de Nota behorende bijlage B.9 (de adressenlijsten) voor belanghebbende bijgevoegd. De Inspecteur heeft tevens gereageerd op het verzoek om de stukken genoemd in paragraaf 36 en 37 van de brief van belanghebbende over te leggen. In dat kader heeft hij de e-mail afkomstig van mevrouw [getuige 1], inzake de aankondiging van de hercheck, bijgevoegd (in geschoonde en ongeschoonde vorm (in een separate gesloten envelop met vermelding ‘art. 8:29 Awb’)). Ten aanzien van deze e-mail doet de Inspecteur een beroep op (gedeeltelijke) geheimhouding, enkel de geschoonde versie mag aan belanghebbende worden verstrekt. De geheimhoudingskamer zal dit stuk hierna aanduiden met de letter: Q. Voorts heeft de Inspecteur kopieën van e-mails van 13 augustus 2008 en 19 september 2008, doorgestuurd op respectievelijk 16 april 2013 / 13 september 2013 en op 13 september 2013, in ongeschoonde vorm overgelegd.

1.39.

De griffier van de geheimhoudingskamer heeft vervolgens telefonisch aan de Inspecteur medegedeeld dat de in 1.32 genoemde CD-ROM niet de bijlagen F en G bevat. Bij schrijven van 13 mei 2014 heeft de Inspecteur alsnog de geanonimiseerde bijlagen F en G, als bedoeld onder 1.29, op een CD-ROM aan de geheimhoudingskamer overgelegd.

1.40.

De geheimhoudingskamer heeft het schrijven van de Inspecteur met de geanonimiseerde bijlagen (B.9, de e-mails en de bijlagen F en G) op 20 mei 2014 doorgestuurd naar belanghebbende, met het verzoek hier binnen een termijn van twee weken op te reageren.

1.41.

Belanghebbende heeft dit gedaan bij brief van 22 mei 2014. Deze brief is ter kennisneming doorgezonden aan de Inspecteur.

1.42.

Bij fax van 10 juni 2014 heeft de geheimhoudingskamer de Inspecteur erop gewezen dat hij geen complete ongeschoonde versie van de bijlagen B.1, B.2 en B.6 (de rekeningstandenlijsten) aan de geheimhoudingskamer heeft overgelegd. De Inspecteur heeft bij de eerder ingediende, ongeschoonde, stukken enkel de eerste en laatste pagina’s van de rekeningstandenlijsten ingediend.

1.43.

Bij brief van 12 juni 2014 heeft de Inspecteur alsnog de ongeschoonde volledige versie van de bijlagen B.1, B.2 en B.6 aan de geheimhoudingskamer doen toekomen.

2 Verzoek

Het verzoek van de Inspecteur betreft de vraag of sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb , die rechtvaardigen dat de Inspecteur weigert de hiervoor genoemde bijlagen in ongeschoonde vorm te overleggen aan de Kamer die in de hoofdzaak zal beslissen en aan belanghebbende.

3 Beoordeling van het verzoek

3.1.

Om daarover een oordeel te kunnen geven heeft de geheimhoudingskamer kennis genomen van de gehele procesdossiers.

I. Algemeen juridisch kader

3.2.

De geheimhoudingskamer stelt voorop dat de Inspecteur op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb is gehouden de op de zaak betrekking hebbende stukken aan het Hof te zenden. Uit de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2008, nrs. 43448 en 43791, ECLI:NL:HR:2008:BA3823 en ECLI:NL:HR:2008:BB5868 en van 15 november 2013, nr. 12/0606, ECLI:NL:HR:2013:1129, volgt dat dit stukken zijn die in zijn zaak van enig belang kunnen zijn geweest voor de besluitvorming door de Inspecteur dan wel die van enig belang kunnen zijn voor de besluitvorming door de belastingrechter.

3.3.

De geheimhoudingskamer stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de bijlagen A tot en met Q behoren tot de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het Hof volgt partijen hierin en rekent de bijlagen A tot en met Q tot de stukken als bedoeld in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb .

3.4.

De omstandigheid dat stukken behoren tot op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb , brengt echter niet automatisch mee dat die stukken (volledig) aan de andere partij ter kennis moeten worden gebracht. Het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb biedt aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of het Hof mede te delen dat uitsluitend het Hof kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming).

3.5.

Het verschil tussen het honoreren van een verzoek om beperking van kennisneming en het honoreren van een verzoek om geheimhouding is als volgt:

a. Geheimhouding: (delen van de) stukken mogen door de Inspecteur worden onthouden aan de rechter die de hoofdzaak beslist en aan de wederpartij; zowel de rechter die de hoofdzaak beslist als de wederpartij nemen geen kennis van deze (delen van) stukken en deze blijven bij de beslissing van de hoofdzaak geheel buiten beschouwing (geheimhouding). (Weigering als bedoeld in lid 1 van art. 8:29 van de Awb door de Inspecteur om (delen van de) stukken aan zowel de rechter die de hoofdzaak beslist als de wederpartij over te leggen is gerechtvaardigd.)

b. Beperking kennisneming: de (delen van de) stukken komen wel ter beschikking van de rechter die de hoofdzaak beslist, maar de wederpartij kan geen kennis nemen van deze (delen van) stukken: de kennisneming is beperkt tot de rechter die de hoofdzaak beslist (beperkte kennisneming).

In art. 8:29, lid 5, Awb is bepaald, dat variant b alleen is toegestaan met toestemming van een belanghebbende. (Vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 3 april 2014, 13/00800-GHK en 13/00801-GHK, ECLI:NL:GHSHE:2014:1033.)

3.6.

Nu uit de stukken niet blijkt dat belanghebbende deze in art. 8:29, lid 5, Awb bedoelde toestemming heeft verleend of nog zal (willen) verlenen neemt de geheimhoudingskamer, mede uit het oogpunt van een doelmatige procesgang, aan dat de Inspecteur verzoekt om toepassing van variant a.

3.7.

Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen met boetes opgelegd. Zo dit al niet voortvloeit uit de artikelen 8:42 en 8:29 van de Awb , brengt in ieder geval het (vanwege de opgelegde boetes) van toepassing zijn van het reeds door belanghebbende genoemde artikel 6, eerste lid, van het EVRM mee dat bij het geheimhouden van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken voor de Kamer die de hoofdzaak beslist en voor belanghebbende de grootst mogelijke terughoudendheid dient te worden betracht.

3.8.

Beslissend bij de vraag of de Inspecteur zich terecht op geheimhouding beroept is niet of op de zaak betrekking hebbende stukken of onleesbaar gemaakte delen daarvan en/of bekendmaking van de identiteit van personen voor de verdediging van belanghebbendes standpunt noodzakelijk of essentieel zijn en ook niet of kennisneming door belanghebbende voor de verdediging van haar standpunt van belang zou kunnen zijn. Slechts indien de door de Inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken - dat houdt in: het belang van belanghebbende bij kennisneming van alle op de zaak betrekking hebbende stukken in ongeschoonde vorm - is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.

3.9.

De omstandigheid dat in dezen mede sprake is van een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM leidt niet tot een ander oordeel. Het recht op kennisneming van de stukken dat besloten ligt in het in voormeld artikellid verwoorde recht op een eerlijke behandeling, is immers geen absoluut recht. In zijn arrest van 16 februari 2000, nr. 28901/95, BNB 2000/259, overwoog het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM):

‘(…) the entitlement to disclosure (…) is not an absolute right (…) there may be competing interests (…) which must be weighed against the right of the accused (…). In some cases it may be necessary to withhold certain evidence from the defence so as to preserve the fundamental rights of another individual or to safeguard an important public interest.’

3.10.

Geheimhouding van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken op grond van gewichtige redenen is niet in strijd met het uit artikel 6 van het EVRM voortvloeiende recht op een eerlijk proces, omdat een eerlijke behandeling en berechting door de regeling in artikel 8:29 van de Awb voldoende is gewaarborgd. Zo al sprake is van een inbreuk op een door belanghebbende aan het EVRM te ontlenen recht door (het toelaten van) de geheimhouding, is die inbreuk dan ook gerechtvaardigd.

3.11.

De geheimhoudingskamer wijst er in dit verband voorts nog op dat indien de belangenafweging ertoe leidt dat bepaalde gegevens voor belanghebbende geheim dienen te blijven, hieruit voortvloeiende problemen voor belanghebbende in de door de rechter toegepaste procedure moeten worden gecompenseerd (vgl. het hiervoor aangehaalde arrest van het EHRM, paragraaf 61:

‘(…) any difficulties caused to the defence by a limitation on its rights must be sufficiently counterbalanced by the procedures followed by the judicial authorities’)

Dit kan bijvoorbeeld en onder omstandigheden tot uitdrukking komen in de bewijslastverdeling.

3.12.

De onder 3.8 verwoorde belangenafweging moet plaats vinden in de concrete aan de geheimhoudingskamer voorgelegde zaak en na kennisneming door de geheimhoudingskamer, die de afweging moet maken, van het gehele dossier.

II. De beoordeling van het verzoek om geheimhouding door de Rechtbank.

3.13.

De Rechtbank heeft onder 4.1.2 van zijn uitspraak geoordeeld, dat de namen van de belastingambtenaren en de namen op de rekeningstandenlijsten B.1, B.2 en B.6 niet van belang zijn voor de beoordeling van de onderhavige navorderingsaanslagen en beschikkingen. De Rechtbank heeft onder 4.1.2 voorts geoordeeld dat door het niet overleggen van deze gegevens belanghebbende niet in haar belangen wordt geschaad.

3.14.

De geheimhoudingskamer is van oordeel dat de Rechtbank bij de beoordeling van het verzoek om geheimhouding van de Inspecteur ten aanzien van het door belanghebbende ter zitting bij de Rechtbank gedane verzoek om kennisneming van de namen van de belastingambtenaren en de namen op de rekeningstandenlijsten B.1, B.2 en B.6 een onjuist criterium heeft aangelegd. Zoals onder 3.8 reeds overwogen is niet beslissend of op de zaak betrekking hebbende stukken of onleesbaar gemaakte delen daarvan voor de verdediging van belanghebbendes standpunt noodzakelijk of essentieel zijn en ook niet of kennisneming door belanghebbende voor de verdediging van haar standpunt van belang zou kunnen zijn. Het belang van belanghebbende om in het kader van een eerlijk proces zoveel mogelijk kennis te kunnen nemen van de op zijn zaak betrekking hebbende stukken in ongeschoonde vorm is zeer zwaarwegend en dat is het belang dat gewogen moet worden, waarbij niet beslissend is of deze kennisneming bijdraagt aan de verdediging door belanghebbende van zijn standpunt. Zie Hoge Raad 23 mei 2014, 12/01827, ECLI:NL:HR:2014:1182, r.o. 3.3.3.

3.15.

Bovendien heeft de Rechtbank nagelaten te motiveren welke gevolgen zijn verbonden aan de omstandigheid, dat belanghebbende geen kennis heeft kunnen nemen van de geschoonde gegevens. Voor zover belanghebbende door het schonen van gegevens de gelegenheid is ontnomen verklaringen of ander bewijs te verifiëren of te doen verifiëren volgt uit hetgeen is overwogen onder 3.11 en tevens Hoge Raad 3 april 2009, 07/13014, ECLI:NL:HR:2009:BH9184, dat de Rechtbank had moet motiveren welke gevolgen (processueel, bewijsrechtelijk of anderszins) de Rechtbank heeft verbonden aan de omstandigheid dat belanghebbende deze gelegenheid niet heeft gekregen.

III. Enkele door de Inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding.

3.16.

De Inspecteur heeft voor het geheimhouden van diverse gegevens als reden aangevoerd:

- de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (hierna: de AWR);

- het voorkomen van een directe, ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van derden;

- het belang van ongehinderde opsporing en vervolging van strafbare feiten;

- het belang van de betrekkingen van Nederland met andere staten.

De geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de AWR .

3.17.

De Inspecteur voert aan dat zijn geheimhoudingsplicht verhindert meerdere geschoonde gegevens aan belanghebbende te openbaren.

3.18.

De stelling van de Inspecteur faalt reeds omdat ingevolge artikel 67, lid 2, aanhef, onderdeel a van de AWR de geheimhoudingsplicht niet geldt indien enig wettelijk voorschrift tot bekendmaking verplicht. Artikel 8:42 van de Awb is zo ’n (wettelijk) voorschrift; zie Kamerstukken II, 2005/06, 30 322, nr 7, blz. 24:

‘Ik [geheimhoudingskamer: staatssecretaris van Financiën] wil allereerst een misverstand uit de weg ruimen over de geheimhoudingsplicht in relatie tot gegevens waarop de belastingheffing en -invordering gebaseerd is. Het huidige en het voorgestelde eerste lid van artikel 67 AWR en IW bepalen kort gezegd dat de geheimhoudingsplicht niet geldt als bekendmaking van de gegevens noodzakelijk is voor de heffing of invordering van belasting. De inspecteur en de ontvanger verstrekken dus uit eigen beweging de gegevens die noodzakelijk zijn voor de heffing respectievelijk de invordering van belasting. Daarnaast codificeert het voorgestelde tweede lid, onderdeel a, de regel dat een wettelijke verplichting tot gegevensverstrekking in andere wetten vóór gaat op de fiscale geheimhoudingsplicht. Voorbeelden van zulke wettelijke verplichtingen zijn te vinden in artikel 7:4, tweede lid, en artikel 8:42, eerste lid, Awb . Deze bepalingen verplichten de inspecteur of de ontvanger de op de zaak betrekking hebbende stukken voor de belanghebbende ter inzage te leggen respectievelijk aan de rechter te sturen. (De belanghebbende zal waarschijnlijk al over een groot deel van deze stukken beschikken, omdat bekendmaking daarvan in het algemeen noodzakelijk is voor de heffing of invordering van belasting.) (…).’

3.19.

Voorts faalt de stelling van de Inspecteur, omdat ingevolge artikel 67, lid 1, van de AWR de geheimhoudingsplicht niet geldt als bekendmaking noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de heffing of de invordering van enige rijksbelasting. (Kamerstukken II, 2005/06, 30 322, nr 7, blz. 24 en Hoge Raad 16 januari 1974, 17 234, BNB 1975/26, Hoge Raad 2 maart 1988, 25 062, BNB 1988/135 en Hoge Raad 30 maart 2004, 00733/03, ECLI:NL:HR:2004:AO1755, r.o. 4.4.) Bekendmaking aan belanghebbende van de (door de Inspecteur geschoonde gegevens in de) op de zaak betrekking hebbende stukken is zonder enige twijfel noodzakelijk voor de uitvoering van de belastingwet of voor de heffing van de in geding zijnde belastingen.

3.20.

Nu de geheimhoudingsplicht voor de Inspecteur niet geldt voor de op de zaak van belanghebbende betrekking hebbende stukken kan hij deze geheimhoudingsplicht niet inroepen om deze stukken niet te overleggen of slechts in geschoonde vorm te overleggen. De geheimhoudingsplicht van de Inspecteur is derhalve geen gewichtige reden.

Het voorkomen van een directe, ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van derden.

3.21.

De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift van 14 juni 2013, p. 5-6 onder verwijzing naar Rechtbank Haarlem 12 februari 2009, 07/616, 07/617, 07/2104 en 07/2116, ECLI:NL:RBHAA:2009:BH3794, als reden voor geheimhouding van diverse persoonsgegevens aangevoerd, dat bekendmaking van namen zou leiden tot een directe, ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van derden.

3.22.

De geheimhoudingskamer is van oordeel, dat in algemene zin de omstandigheid dat bekendmaking van persoonsgegevens ertoe kan leiden dat deze derden door de wederpartij van de Inspecteur kunnen worden benaderd om – zo voegt de geheimhoudingskamer toe – hen bijvoorbeeld als getuigen op te roepen, deze omstandigheid niet zonder meer een gewichtige reden is (vgl. Hoge Raad 3 april 2009, 07/13014, ECLI:NL:HR:2009:BH9184). Weliswaar zal op de persoonlijke levenssfeer van die derden inderdaad een ernstige inbreuk worden gemaakt als zij door belanghebbende worden benaderd (om bijvoorbeeld als getuige te worden opgeroepen), maar dit doet er niet aan af dat bij de, onder 3.8 vermelde, belangenafweging in het kader van artikel 8:29 van de Awb deze inbreuk gerechtvaardigd kan zijn indien het belang van de Inspecteur bij bescherming van de persoonlijke levenssfeer niet aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende. Uit voornoemd arrest volgt, dat het Hof deze belangenafweging moet maken. Deze belangenafweging zal in onderhavige zaak, in dit stadium van de procedure, door de geheimhoudingskamer worden gedaan. Indien de Kamer, die in de hoofdzaak beslist, niet alsnog besluit dat een bepaald persoonsgegeven door de Inspecteur niet (langer) geheim mag worden gehouden omdat zij het noodzakelijk acht dat belanghebbende de gelegenheid moet krijgen verklaringen of ander bewijs te verifiëren of te doen verifiëren, volgt uit hetgeen is overwogen onder 3.11 en uit het vorenbedoelde arrest, dat deze Kamer moet motiveren welke gevolgen (processueel, bewijsrechtelijk of anderszins) zij heeft verbonden aan de omstandigheid dat belanghebbende deze gelegenheid niet heeft gekregen.

3.23.

Het voorkomen van een directe, ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van derden is derhalve niet zonder meer een gewichtige reden.

Het belang van ongehinderde opsporing en vervolging van strafbare feiten.

3.24.

De Inspecteur voert aan dat het belang van ongehinderde opsporing en vervolging van strafbare feiten verhindert meerdere geschoonde gegevens aan belanghebbende te openbaren.

3.25.

De Inspecteur heeft in het geheel niet onderbouwd welke opsporing en vervolging van strafbare feiten van welke (rechts)personen en in welke staat zou worden gehinderd door het aan belanghebbende openbaren van door hem geschoonde gegevens. Het is de geheimhoudingskamer dan ook niet duidelijk geworden of er in concreto sprake is van opsporing en vervolging van strafbare feiten. De door de Inspecteur aangevoerde reden van ongehinderde opsporing en vervolging van strafbare feiten vormt derhalve geen gewichtige reden.

Het belang van de betrekkingen van Nederland met andere staten.

3.26.

De Inspecteur heeft als reden voor geheimhouding van diverse gegevens aangevoerd het belang van de betrekkingen van Nederland met andere staten, waaronder begrepen het belang van een ongestoorde internationale gegevensuitwisseling tussen Nederland en België.

3.27.

De Inspecteur heeft niet onderbouwd, dat de betrekkingen van Nederland met andere staten, in casu België, daadwerkelijk zouden worden gehinderd door het aan belanghebbende bekend maken van door hem geschoonde gegevens. In het licht van de door de Inspecteur overgelegde brief van 13 november 2007 van de Bijzondere Belastinginspectie (België), bijlage I, is ook niet aannemelijk dat de betrekkingen van Nederland met België zouden worden gehinderd. Weliswaar is niet duidelijk of die brief ook betrekking heeft op de procedure van belanghebbende, maar uit de brief van 13 november 2007 valt af te leiden dat België geen bezwaar heeft tegen overlegging van de Belgische aanbiedingsbrief van 18 februari 2005 en de daarbij behorende Nota met bijlagen, terwijl artikel 7 van de Richtlijn van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen en heffingen op verzekeringspremies, 77/799/EEG, PB L 336 van 27.12.1977, blz. 15 en artikel 29 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Belgi ë tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (Trb. 2001, 136), naar het oordeel van de geheimhoudingskamer er niet aan in de weg staan dat de aanbiedingsbrief (en de daarbij verstrekte stukken) in onderhavige procedure ongeschoond worden verstrekt. De geheimhoudingskamer is dan ook van oordeel dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de betrekkingen van Nederland met België zouden worden gehinderd. (Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 6 juni 2014, 10/00499-GHK en 10/00500-GHK, ECLI:NL:GHSHE:2014:1714, r.o. 3.16 tot en met 3.29.)

3.28.

De door de Inspecteur aangevoerde reden van de betrekkingen van Nederland met andere staten vormt derhalve geen gewichtige reden.

IV. Geen beroep op geheimhouding.

3.29.

De Inspecteur beroept zich voor de volgende stukken niet op geheimhouding:

- de bij de Nota behorende bijlage B.12;

- E: proces-verbaal met betrekking tot uitvoeren chi-kwadraattoets, invoergegevens en conclusie toets;

- J: Het proces-verbaal van de geautomatiseerde identificatie;

- K: Verklaring projectleider percentage meewerkers;

- O: Toelichting kennisgeving navordering;

- kopieën van e-mails van 13 augustus 2008 en 19 september 2008, doorgestuurd op respectievelijk 16 april 2013 / 13 september 2013 en op 13 september 2013.

V. Wel beroep op geheimhouding.

3.30.

De Inspecteur beroept zich voor de volgende stukken wel op geheimhouding voor de daarin door hem geschoonde gegevens:

- A. de Belgische aanbiedingsbrief van 18 februari 2005;

- B. de bij de Belgische aanbiedingsbrief behorende Nota;

- C. de bij de Nota behorende bijlagen B.1, B.2 en B.6 (de rekeningstandenlijsten per 5 september 1996, 28 november 1996 en 21 december 1994) en bijlage B.9 (de adressenlijsten);

- D. de bij de Nota behorende bijlagen B.3, B.4, B.5, B.7, B.8, B.10 en B.11;

- F. de gegevens met betrekking tot de redelijke schatting;

- G. het Draaiboek Bank Zonder Naam;

- I. de brief van 13 november 2007 van de Belgische belastingautoriteiten waarin toestemming wordt verleend de gegevens te gebruiken voor de belastingheffing;

- M. de drie ambtsedige verklaringen van de (voormalige) projectleiders:

- van 20 juli 2011 van mevrouw [getuige 2]

- van 20 september 2011 van mevrouw [getuige 1],

- van 20 september 2011 van mevrouw [getuige 3];

- N. Twee e-mailberichten projectleider van 20 november 2006 van [getuige 2] en van 5 december 2006 van [getuige 2];

- P. Prints uit BVR en het renseignement inzake belanghebbende;

- Q. E-mail van 9 juni 2008.

Met betrekking tot:

- H. de memo identificatieproces van 24 november 2006,

beroept de Inspecteur zich op geheimhouding voor het gehele stuk.

Met betrekking tot:

- L: Gegevens meewerkende belastingplichtigen in eerdere projecten,

schrijft de Inspecteur dat hij zich niet beroept op geheimhouding. Zoals hierna omschreven heeft de Inspecteur echter in dit stuk namen, woonplaatsen, rekeningnummers en BSN-nummers geanonimiseerd.

VI. Geschoonde gegevens.

3.31.

De geheimhoudingskamer heeft de ongeschoonde stukken vergeleken met de geschoonde stukken. Daaruit blijkt het volgende:

A. De Belgische aanbiedingsbrief d.d. 18 februari 2005.

3.32.

De Inspecteur heeft deze brief geschoond van de volgende gegevens:

- de naam van de directeur van de Bijzondere Belastinginspectie;

– de naam van de Belgische ambtenaar waarbij nadere informatie kan worden verkregen; en

- telefoon- en faxnummers en e-mailadressen van de daarin genoemde ambtenaren.

Voor de naam van het hoofd van de FIOD Team Internationaal beroept de Inspecteur zich ten gevolge van de tussenuitspraak van Rechtbank ’s-Gravenhage van 15 juni 2010, AWB 08/8451 e.a., ECLI:NL:RBSGR:2010:BM8231, niet op geheimhouding.

B. De bij de Belgische aanbiedingsbrief behorende Nota.

3.33.

De Inspecteur heeft de bij de Belgische aanbiedingsbrief behorende Nota geschoond van de volgende gegevens:

a. de in het strafrechtelijk onderzoek voorkomende namen van de betrokken personen;

b. plaatsnamen en bedrijfsgegevens, die betrekking hebben op het strafrechtelijk onderzoek;

c. de naam van de persoon aan wie de brief genoemd als bijlage B.11 is gericht; en

d. de naam van de betrokken ambtenaar van de bijzondere Belastinginspectie alsmede zijn directe telefoonnummer, faxnummer en e-mailadres.

De naam van de (Belgische) onderzoeksrechter is niet geschoond.

C. De bijlagen B.1, B.2, B.6 en B.9 bij de Nota: de rekeningstandenlijsten en de adressenlijsten.

3.34.

De Inspecteur heeft in de bijlagen B.1, B.2 en B.6 (de rekeningstandenlijsten) de volgende gegevens geschoond:

- de rekeningnummers; en

- de namen van de rekeninghouders.

3.35.

Uit een vergelijking van de ongeschoonde en de geschoonde versie van de bijlage B.9 (de adressenlijsten), blijkt dat de Inspecteur de volgende gegevens heeft geschoond:

- tenaamstelling van de rekening (op sommige bladen onder ‘CLAD01’en ‘CLAD02’ en rekeningnummer;

- ‘ benificial owner’;

- adres (op sommige bladen onder ‘CLAD03’), plaatsnaam (op sommige bladen onder ‘CLAD04’en ‘CLAD05’), telefoonnummer en faxnummer;

- naam van de ‘advisor’ (‘fiscalist’) en diens telefoonnummer.

De Inspecteur heeft 11 pagina’s geschoond overgelegd en 16 pagina’s ongeschoond.

D. De overige bij de Nota behorende bijlagen B.3, B.4, B.5, B.7, B.8, B.10, B.11 en B.12.

3.36.

De Inspecteur heeft bijlage B.3 geschoond van de volgende gegevens:

- namen (van natuurlijke personen en rechtspersonen);

- rekeningnummers;

- ‘ volume’; en

- ‘ management Fees’.

Na het schonen resteert alleen een koptekst.

3.37.

De Inspecteur heeft bijlage B.4 geschoond van de volgende gegevens:

- datum (start);

- namen (van natuurlijke personen en rechtspersonen);

- rekeningnummers;

- fees;

- een kolom met het opschrift MO;

- hoeveelheden (naar de geheimhoudingskamer begrijpt: participaties); en

- saldi (in guldens).

Na het schonen resteert alleen een koptekst met de kolomteksten: ‘START’, ‘NAME’, NUMBER’, ‘VOL (NLG)’, ‘FEE (%S/A)’, ‘FEE (S/A)’, ‘MO’, ‘VAT’, ‘AMOUNT’ EN ‘TOTAL (NLG)’.

3.38.

Bijlage B.5 bevat het opschrift ‘FVL clients’. De Inspecteur heeft bijlage B.5 geschoond van de volgende gegevens:

- hoeveelheden (naar de geheimhoudingskamer begrijpt: participaties);

- overige cijfermatige informatie; en

- de kopteksten van de onderste 17 kolommen.

Na het schonen resteert alleen een koptekst met de kolomteksten van de bovenste zes kolommen: ‘AMOUNT’, ‘NUMBER OF CLIENTS’, ‘CASH/DEPOSITS’, ‘BONDS’, ‘SHARES’ AND ‘TOTAL’.

3.39.

De Inspecteur heeft bijlage B.7 geschoond van de volgende gegevens:

- namen (van natuurlijke personen en rechtspersonen);

- cijfermatige informatie; en

- codes, kenmerken en cijfers.

Na het schonen resteert alleen een koptekst met de kolomteksten: ‘VAPORT’, VANOMC’, ‘VADATT’, ‘VACODE, ‘VAGRE’, ‘VACACURY’, ‘VADATO’, ‘VADATM’, ‘VABACA’, ‘VAQTY’, ‘VAAMT’, ‘VARTIT’, ‘VANOMT’, ‘VARATE’, ‘VAGTI’, ‘VASEC’, ‘VATX’, ‘VAMTB’, ‘VACRB3’, ‘VATITS’, ‘WEI30’ EN ‘WEI40’.

3.40.

De Inspecteur heeft bijlage B.8 geschoond van de volgende gegevens:

- namen (van natuurlijke personen en rechtspersonen);

- ( rekening)nummers;

- rekeningtegoeden;

- maximum limieten en overschrijding daarvan; en

- overige cijfermatige informatie.

Na het schonen resteert alleen een koptekst met de kolomteksten: ‘AUG 96’, ‘CLIENT NAME’, ‘DOM2’, ‘C PH’, ‘CCY’, ‘ACCT BAL’, ‘LIMIT MORT’, ‘LIMIT EXCESS’, ‘AMOUNT DUE-LUR’, ‘SEC BY’, ‘SEC SHS’, ‘CLIENT NAME’, ‘DEPOSITS’, ‘COV BDS’, ‘MORTG’, ‘DTH SEC’, ‘UNSECURED PORTION’, ‘CREDITS NOT USED’ EN ‘CCY’.

3.41.

Bijlage B.10 bevat een organigram van een board of directors. De Inspecteur heeft bijlage B.10 geschoond van de volgende gegevens:

- namen van natuurlijke personen.

3.42.

Bijlage B.11 betreft een brief van 4 september 1996. De Inspecteur heeft bijlage B.11 geschoond van de volgende gegevens:

- adressering, bevattende een bedrijfsnaam, een naam van een natuurlijk persoon en een postadres;

- referentienummer en naam van een natuurlijk persoon.

F. De gegevens met betrekking tot de redelijke schatting.

3.43.

In het stuk ‘berekening redelijke schatting, basisgegevens zoals omschreven in het verweerschrift’ zijn geschoond:

- fiscale nummers, nummer van (belasting)kantoor en rekeningnummer.

3.44.

In het stuk ‘berekening redelijke schatting, gegevens in NLG zoals omschreven in het verweerschrift’ zijn geschoond:

- fiscale nummers, nummer van (belasting)kantoor en rekeningnummer.

3.45.

In het stuk ‘berekening redelijke schatting, saldi op 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996, berekening totaal en verloop vermogen’ zijn geschoond:

- fiscale nummers.

G. Het Draaiboek Bank Zonder Naam.

3.46.

Onder 1.4 in het Draaiboek is geschoond de naam van de belastingambtenaar, die is aangesteld als projectleider.

3.47.

Onder 1.5.3 in het Draaiboek zijn geschoond:

- namen van belastingambtenaren en de naam van desbetreffende onderdelen van de rijksbelastingdienst;

- het telefoonnummer van de landelijke contactambtenaar AWR;

- de naam van de officier van justitie.

3.48.

Onder 2.3.2 in het Draaiboek zijn geschoond:

- namen van belastingambtenaren en de naam van desbetreffende onderdelen van de rijksbelastingdienst;

- contactgegevens, zoals postadres en (mobiele) telefoonnummers.

I. De brief van 13 november 2007 van de Belgische belastingautoriteiten waarin toestemming wordt verleend de gegevens te gebruiken voor de belastingheffing.

3.49.

In deze brief is geschoond:

- de naam van de directeur van de Bijzondere Belastinginspectie;

– de naam van de Belgische ambtenaar waarbij nadere informatie kan worden verkregen; en

- telefoon- en faxnummers en e-mailadressen van de daarin genoemde ambtenaren.

De naam van het hoofd van de FIOD is niet geschoond.

L: Gegevens meewerkende belastingplichtigen in eerdere projecten.

3.50.

In dit stuk zijn geanonimiseerd:

- namen en woonplaatsen van natuurlijke personen;

- datum van brief van F. van Lanschot Bankiers te Luxemburg; het daarin vermelde rekeningnummer is veranderd in een (kennelijk) fictief nummer.

De BSN-nummers van desbetreffende derden zijn geschoond door deze te veranderen in (kennelijk) fictieve nummers.

M. De drie ambtsedige verklaringen van de (voormalige) projectleiders.

3.51.

In de ambtsedige verklaringen:

- van 20 juli 2011 van mevrouw [getuige 2]

- van 20 september 2011 van mevrouw [getuige 1],

- van 20 september 2011 van mevrouw [getuige 3],

is uiteengezet hoe het project Bank Zonder Naam is verlopen. De drie (voormalige) projectleiders hebben daartoe in juli en september 2011 ambtsedige verklaringen opgemaakt. In de geschoonde versie van deze verklaringen zijn de namen van de individuele belastingambtenaren, niet zijnde de projectleiders, geanonimiseerd.

N. Twee e-mailberichten projectleider van 20 november 2006 van [getuige 2] en van 5 december 2006 van [getuige 2].

3.52.

In deze stukken zijn geschoond:

- namen van belastingambtenaren (merendeels in de e-mailadressering), met uitzondering van de naam van[getuige 2];

- ( mobiele) telefoonnummers van de projectleider.

P. Prints uit BVR en het renseignement inzake belanghebbende.

3.53.

In de prints uit BVR zijn geschoond:

- fiscaalnummers van derden (niet zijnde echtgenoot), geboortedatum van deze derden en voorletters en achternaam van derden voor zover afwijkend van die van belanghebbende.

Het renseignement inzake belanghebbende bestaat uit drie pagina’s, namelijk een kopie van een pagina uit bijlage B.1, van een pagina uit bijlage B.2 en van een pagina uit bijlage B.6. In de aan belanghebbende overgelegde kopie van het renseignement zijn op deze pagina’s gegevens van belanghebbende (en haar echtgenoot) vermeld en alle overige gegevens van derden geschoond.

In het renseignement zijn telkens de dubbele namen (de namen van beide echtgenoten) vermeld.

Q. E-mail van 9 juni 2008.

3.54.

In deze e-mail zijn geschoond:

- namen van belastingambtenaren, met uitzondering van de naam [getuige 1] en met uitzondering van de namen [inspecteur 8] en [inspecteur 9], die deze mail op 12 juni 2008 respectievelijk 14 april 2014 hebben doorgezonden;

- mobiele telefoonnummers van belastingambtenaren;

- naam van een derde.

VII. Beoordeling van de (overige) door de Inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding.

Bescherming van persoonsgegevens van natuurlijke personen.

3.55.

De Inspecteur heeft zich voor het geheimhouden van, hierboven vermelde,:

- namen van Belgische ambtenaren;

- namen van ambtenaren van de rijksbelastingdienst;

- namen van officieren van justitie;

- namen van rekeninghouders;

- namen van andere natuurlijke personen/derden;

- hun overige persoonsgegevens, zoals telefoon- en faxnummers, e-mailadressen, plaatsnaam, adres, BSN-nummers;

beroepen op de bescherming van persoonsgegevens en het recht op privacy. Naar de geheimhoudingskamer begrijpt is de Inspecteur van mening, dat het belang bij bescherming van persoonsgegevens van natuurlijke personen aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang dat belanghebbende heeft, namelijk het zoveel mogelijk kennis kunnen nemen van de ongeschoonde stukken.

Met betrekking tot:

- L: Gegevens meewerkende belastingplichtigen in eerdere projecten,

verstaat de geheimhoudingskamer, dat de Inspecteur gegevens daarin heeft geschoond op grond van het belang van de bescherming van persoonsgegevens.

3.56.

Belanghebbende acht de bescherming van persoonsgegevens een gerechtvaardigd belang met betrekking tot de stukken:

- A. de Belgische aanbiedingsbrief van 18 februari 2005;

- B. de bij de Belgische aanbiedingsbrief behorende Nota;

- F. de gegevens met betrekking tot de redelijke schatting;

- G. het Draaiboek Bank Zonder Naam;

- I. de brief van 13 november 2007 van de Belgische belastingautoriteiten waarin toestemming wordt verleend de gegevens te gebruiken voor de belastingheffing;

- M. de drie ambtsedige verklaringen van de (voormalige) projectleiders:

- van 20 juli 2011 van mevrouw [getuige 2]

- van 20 september 2011 van mevrouw [getuige 1],

- van 20 september 2011 van mevrouw [getuige 3]; en

- N. Twee e-mailberichten projectleider van 20 november 2006 van [getuige 2] en van 5 december 2006 van [getuige 2].

3.57.

Ten aanzien van:

- C. de bij de Nota behorende bijlagen B.1, B.2 en B.6 (de rekeningstandenlijsten per 5 september 1996, 28 november 1996 en 21 december 1994) en bijlage B.9 (de adressenlijsten);

is belanghebbende van mening, dat zij kennis moet kunnen nemen van de ongeschoonde stukken, om de betrouwbaarheid en de authenticiteit te kunnen verifiëren.

Ten aanzien van:

- D. de bij de Nota behorende bijlagen B.3, B.4, B.5, B.7, B.8, B.10 en B.11;

- L: Gegevens meewerkende belastingplichtigen in eerdere projecten,

- P. Prints uit BVR en het renseignement inzake belanghebbende;

- Q. E-mail van 9 juni 2008;

heeft belanghebbende niet gemotiveerd respectievelijk gesteld, dat de bescherming van persoonsgegevens niet gerechtvaardigd zou zijn.

3.58.

De geheimhoudingskamer is van oordeel, dat de persoonsgegevens in:

- C. de bij de Nota behorende bijlagen B.1, B.2 en B.6 (de rekeningstandenlijsten per 5 september 1996, 28 november 1996 en 21 december 1994) en bijlage B.9 (de adressenlijsten);

geen direct aanknopingspunt bieden voor het kunnen verifiëren van de betrouwbaarheid en de authenticiteit van deze stukken. Voor zover belanghebbende bedoeld heeft te stellen, dat zij bij de in vorenbedoelde bijlagen vermelde derden wil verifiëren of zij inderdaad terecht worden vermeld, mag de Inspecteur op na te noemen gewichtige reden (van controlestrategische overwegingen) de persoonsgegevens geheimhouden.

De Inspecteur heeft van de bij de Nota behorende bijlage B.9 11 pagina’s geschoond overgelegd en 16 pagina’s ongeschoond. De geheimhoudingskamer zal de Inspecteur derhalve verzoeken of hij bereid is de nog niet overgelegde pagina’s van de bijlage B.9 bij de Nota alsnog in het geding te brengen geschoond van de onder 3.35 vermelde gegevens. Hierbij dient de Inspecteur de nog niet overgelegde 5 pagina’s van bijlage B.9 zodanig te schonen, dat kenbaar is waar welke gegevens (zoals naam, adres en plaatsnaam) zijn geschoond.

3.59.

Met betrekking tot:

- P. het renseignement inzake belanghebbende

zijn, zoals vermeld onder 3.53, meer gegevens geschoond, dan de onder 3.34 vermelde gegevens. Zoals overwogen onder 3.53 gaat het om pagina’s uit de bijlagen B.1, B.2 en B.6, welke reeds geschoond aan belanghebbende zijn overgelegd, zodat het niet nodig is het renseignement in minder geschoonde vorm alsnog over te laten leggen.

3.60.

Met betrekking tot:

G. Het Draaiboek Bank Zonder Naam,

is de geheimhoudingskamer van oordeel, dat het schonen van de naam van belastingambtenaar, die als projectleider is aangesteld, onder 1.4, 1.5.3 en 2.3.2 niet gerechtvaardigd is. Deze naam is reeds aan belanghebbende bekend gemaakt in de stukken van het geding (ambtsedige verklaring, e-mails), zodat het bekend maken van deze naam geen verdere inbreuk zal maken op de persoonlijke levenssfeer van deze ambtenaar dan al is gebeurd. Het belang van de Inspecteur bij bescherming van de naam van deze belastingambtenaar weegt dan ook niet aanzienlijk zwaarder dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die naam. De geheimhoudingskamer zal dan ook de Inspecteur verzoeken of hij bereid is het Draaiboek Bank Zonder Naam zodanig te schonen dat eerder bedoelde naam van de belastingambtenaar alsnog aan belanghebbende wordt geopenbaard.

3.61.

De geheimhoudingskamer is met betrekking tot de onder 3.8 bedoelde belangenafweging, na kennisneming van het gehele dossier en mede gelet op het door belanghebbende onderschreven belang van bescherming van persoonsgegevens, waaronder begrepen contactgegevens (zoals adres, plaatsnaam, telefoon- en faxnummers, e-mailadressen), van oordeel dat de onder 3.55 vermelde gegevens voor de beslissing van de hoofdzaak niet direct van belang zijn. Gelet hierop, mede gelet op het in het algemeen zwaarwegende belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en mede gelet op de uit de Wet bescherming persoonsgegevens en uit de Richtlijn van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, 95/46/EG, PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31 voortvloeiende verregaande bescherming van persoonsgegevens van natuurlijke personen, is de geheimhoudingskamer van oordeel dat het belang van de Inspecteur bij bescherming van de persoonsgegevens, uitgezonderd de naam van de belastingambtenaar die als projectleider is aangesteld in het Draaiboek Zonder Naam, aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens. Hierbij heeft de geheimhoudingskamer in aanmerking genomen dat duidelijk is op welke plek namen en overige gegevens zijn geschoond, zodat belanghebbende er niet in wordt gehinderd bij de behandeling van de hoofdzaak door de Kamer, die in de hoofdzaak beslist, alsnog gericht haar (processuele) standpunt te bepalen (zie onder 3.22).

3.62.

Uit overwogene onder 3.61 volgt, dat de Inspecteur in de volgende stukken:

- A. de Belgische aanbiedingsbrief van 18 februari 2005;

- B. de bij de Belgische aanbiedingsbrief behorende Nota;

- C. de bij de Nota behorende bijlagen B.1, B.2 en B.6 (de rekeningstandenlijsten per 5 september 1996, 28 november 1996 en 21 december 1994);

- D. de bij de Nota behorende bijlagen B.3, B.4, B.5, B.7, B.8, B.10 en B.11;

- F. de gegevens met betrekking tot de redelijke schatting;

- I. de brief van 13 november 2007 van de Belgische belastingautoriteiten waarin toestemming wordt verleend de gegevens te gebruiken voor de belastingheffing;

- L: Gegevens meewerkende belastingplichtigen in eerdere projecten;

- M. de drie ambtsedige verklaringen van de (voormalige) projectleiders:

- van 20 juli 2011 van mevrouw [getuige 2]

- van 20 september 2011 van mevrouw [getuige 1],

- van 20 september 2011 van mevrouw [getuige 3];

- N. Twee e-mailberichten projectleider van 20 november 2006 van [getuige 2] en van 5 december 2006 van [getuige 2];

- P. Prints uit BVR en het renseignement inzake belanghebbende;

- Q. E-mail van 9 juni 2008;

de onder 3.55 bedoelde persoonsgegevens van natuurlijke personen op grond van gewichtige redenen heeft mogen schonen, zoals hij heeft gedaan. Voorts volgt uit het vorenoverwogene dat de geheimhoudingskamer de Inspecteur zal verzoeken of hij bereid is in het Draaiboek Bank Zonder Naam de naam van de belastingambtenaar die als projectleider is aangesteld onder 1.4, 1.5.3 en 2.3.2 ongeschoond te laten en voorts dat de Inspecteur voor het overige het Draaiboek Bank Zonder Naam heeft mogen schonen, zoals hij heeft gedaan. Tevens volgt uit het vorenoverwogene, dat de geheimhoudingskamer de Inspecteur zal verzoeken of hij bereid is de nog niet in het geding gebrachte pagina’s van de bijlage B.9 bij de Nota alsnog over te leggen geschoond van de onder 3.35 vermelde gegevens en dat deze nog niet overgelegde 5 pagina’s van bijlage B.9 zodanig dienen te worden geschoond dat kenbaar is waar welke gegevens (zoals naam, adres en plaatsnaam) zijn geschoond.

Bescherming van persoonsgegevens van niet-natuurlijke personen.

3.63.

De Inspecteur heeft zich voor het geheimhouden van, hierboven vermelde:

- namen van rechtspersonen en bedrijfsnamen;

- namen en/of kantoornummers van onderdelen van de rijksbelastingdienst;

- plaatsnamen;

- ( overige) bedrijfsgegevens, waaronder contactgegevens,

beroepen op de bescherming van persoonsgegevens. Naar de geheimhoudingskamer begrijpt is de Inspecteur van mening, dat het belang bij bescherming van persoonsgegevens van niet-natuurlijke personen aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang dat belanghebbende heeft, namelijk het zoveel mogelijk kennis kunnen nemen van de ongeschoonde stukken.

3.64.

Belanghebbende acht de bescherming van persoonsgegevens een gerechtvaardigd belang met betrekking tot de stukken:

- B. de bij de Belgische aanbiedingsbrief behorende Nota;

- F. de gegevens met betrekking tot de redelijke schatting;

- G. het Draaiboek Bank Zonder Naam;

- I. de brief van 13 november 2007 van de Belgische belastingautoriteiten waarin toestemming wordt verleend de gegevens te gebruiken voor de belastingheffing.

3.65.

Ten aanzien van:

- C. de bij de Nota behorende bijlagen B.1, B.2 en B.6 (de rekeningstandenlijsten per 5 september 1996, 28 november 1996 en 21 december 1994) en bijlage B.9 (de adressenlijsten);

is belanghebbende van mening, dat zij kennis moet kunnen nemen van de ongeschoonde stukken, om de betrouwbaarheid en de authenticiteit te kunnen verifiëren.

Ten aanzien van:

- D. de bij de Nota behorende bijlagen B.3, B.4, B.5, B.7, B.8, B.10 en B.11;

heeft belanghebbende niet gesteld, dat de bescherming van persoonsgegevens niet gerechtvaardigd zou zijn.

3.66.

De geheimhoudingskamer is van oordeel, dat de persoonsgegevens van niet-natuurlijke personen in:

- C. de bij de Nota behorende bijlagen B.1, B.2 en B.6 (de rekeningstandenlijsten per 5 september 1996, 28 november 1996 en 21 december 1994)en bijlage B.9 (de adressenlijsten);

geen direct aanknopingspunt bieden voor het kunnen verifiëren van de betrouwbaarheid en de authenticiteit van deze stukken. Voor zover belanghebbende bedoeld heeft te stellen, dat zij bij de in vorenbedoelde bijlagen vermelde derden wil verifiëren of zij inderdaad terecht worden vermeld, mag de Inspecteur op na te noemen gewichtige reden (van controlestrategische overwegingen) de persoonsgegevens geheimhouden.

3.67.

De geheimhoudingskamer stelt voorop, dat aan de bescherming van persoonsgegevens van niet-natuurlijke personen weliswaar een minder vergaande bescherming toekomt dan aan de bescherming van persoonsgegevens van natuurlijke personen, maar de bescherming van persoonsgegevens van niet-natuurlijke personen, waaronder bedrijfsgegevens, zoals bedrijfsnamen en contactgegevens e.d., is ook zeer zwaarwegend. De geheimhoudingskamer is met betrekking tot de onder 3.8 bedoelde belangenafweging, na kennisneming van het gehele dossier en mede gelet op het deels door belanghebbende onderschreven belang van bescherming van persoonsgegevens, waaronder begrepen contactgegevens (zoals adres, plaatsnaam, telefoon- en faxnummers, e-mailadressen), van oordeel dat de onder 3.63 vermelde gegevens voor de beslissing van de hoofdzaak niet direct van belang zijn. Gelet hierop is de geheimhoudingskamer van oordeel dat het belang van de Inspecteur bij bescherming van de persoonsgegevens van niet-natuurlijke personen aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van die gegevens. Hierbij heeft de geheimhoudingskamer in aanmerking genomen dat duidelijk is op welke plek namen en overige gegevens zijn geschoond, zodat belanghebbende er niet in wordt gehinderd bij de behandeling van de hoofdzaak door de Kamer, die in de hoofdzaak beslist, alsnog gericht haar (processuele) standpunt te bepalen (zie onder 3.22).

3.68.

Uit overwogene onder 3.67 volgt, dat de Inspecteur in de volgende stukken:

- B. de bij de Belgische aanbiedingsbrief behorende Nota;

- C. de bij de Nota behorende bijlagen B.1, B.2 en B.6 (de rekeningstandenlijsten per 5 september 1996, 28 november 1996 en 21 december 1994)en bijlage B.9 (de adressenlijsten);

- D. de bij de Nota behorende bijlagen B.3, B.4, B.7, B.8, en B.11;

- F. de gegevens met betrekking tot de redelijke schatting;

- G. het Draaiboek Bank Zonder Naam;

- I. de brief van 13 november 2007 van de Belgische belastingautoriteiten waarin toestemming wordt verleend de gegevens te gebruiken voor de belastingheffing;

- P. het renseignement inzake belanghebbende;

de onder 3.63 bedoelde persoonsgegevens van niet-natuurlijke personen op grond van gewichtige redenen heeft mogen schonen van, zoals hij heeft gedaan (waarbij voor het renseignement inzake belanghebbende wordt verwezen naar hetgeen is overwogen onder 3.59 en voor bijlage B.9 naar hetgeen is overwogen onder 3.62).

Controlestrategische overwegingen.

C. De bij de Nota behorende bijlagen B.1, B.2 en B.6 (de rekeningstandenlijsten per 5 september 1996, 28 november 1996 en 21 december 1994) en bijlage B.9 (de adressenlijsten).

3.69.

Met betrekking tot deze stukken heeft de Inspecteur als reden voor geheimhouding aangevoerd: controlestrategische overwegingen. De Inspecteur heeft aangevoerd, dat potentiële belastingplichtigen die (nog) niet als rekeninghouder zijn geïdentificeerd de onder 3.34 en 3.35 vermelde gegevens zouden kunnen gebruiken om te controleren of zij al dan niet op de lijsten voorkomen en hiermee zouden kunnen afwegen of zij al dan niet moeten inkeren.

3.70.

Belanghebbende heeft aangevoerd, dat de rekeningstandenlijsten en adreslijsten ongeschoond moeten worden overgelegd, omdat zij kennis moet kunnen nemen van de ongeschoonde stukken, om de betrouwbaarheid en de authenticiteit te kunnen verifiëren.

3.71.

De geheimhoudingskamer deelt de opvatting van de Inspecteur dat het aan belanghebbende bekend maken van de onder 3.34 en 3.35 geschoonde gegevens ertoe zou kunnen leiden dat derden die gegevens zouden kunnen gebruiken voor de afweging om al dan niet in te keren. Het belang van de Inspecteur bij een effectieve controle en een effectieve controlestrategie is in dit geval dan ook zwaarwegend en aanzienlijk. In het kader van de onder 3.8 bedoelde belangenafweging is de geheimhoudingskamer van oordeel dat het belang van de Inspecteur bij geheimhouding van de onder 3.34 en 3.35 geschoonde gegevens aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van de belanghebbende bij kennisneming van die gegevens. Hierbij heeft de geheimhoudingskamer in aanmerking genomen dat duidelijk is op welke plek de gegevens in de bijlagen zijn geschoond, zodat belanghebbende er niet in wordt gehinderd bij de behandeling van de hoofdzaak door de Kamer, die in de hoofdzaak beslist, alsnog gericht haar (processuele) standpunt te bepalen (zie onder 3.22).

D. De bij de Nota behorende bijlagen B.3, B.4, B.5, B.7, B.8, B.10 en B.11.

3.72.

Met betrekking tot deze stukken heeft de Inspecteur als reden voor geheimhouding aangevoerd: controlestrategische overwegingen. De Inspecteur heeft aangevoerd, dat potentiële belastingplichtigen die (nog) niet als rekeninghouder zijn geïdentificeerd de onder 3.36 tot en met 3.42 vermelde gegevens zouden kunnen gebruiken om te controleren of zij al dan niet op de lijsten voorkomen en hiermee zouden kunnen afwegen of zij al dan niet moeten inkeren.

3.73.

Belanghebbende heeft onder verwijzing naar Rechtbank Haarlem 11 mei 2012, AWB 08/5189, 12/1615 en 12/1616, ECLI:NL:RBHAA:BW5499 verzocht om overlegging van de ongeschoonde stukken.

3.74.

De geheimhoudingskamer deelt de opvatting van de Inspecteur dat het aan belanghebbende bekend maken van de onder 3.36 tot en met 3.42 vermelde in bijlagen B.3, B.4, B.5, B.7 en B.8 geschoonde gegevens ertoe zou kunnen leiden dat derden die gegevens zouden kunnen gebruiken voor de afweging om al dan niet in te keren, met uitzondering van de onder 3.38 vermelde kopteksten van de onderste 17 kolommen in bijlage B.5. Deze opschriften van deze kolommen bieden op geen enkele wijze een aanknopingspunt voor derden, omdat deze slechts algemene termen zijn, en het bekend maken aan belanghebbende van bedoelde opschriften geeft belanghebbende veel beter inzicht in welke gegevens op welke plek zijn geschoond. In het kader van de onder 3.8 bedoelde belangenafweging is de geheimhoudingskamer van oordeel dat het belang van de Inspecteur bij geheimhouding de onder 3.38 vermelde kopteksten van de 17 kolommen onder de eerste zes kolommen bovenaan in bijlage B.5 niet aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van de belanghebbende bij kennisneming van die gegevens. De geheimhoudingskamer zal dan ook de Inspecteur verzoeken of hij bereid is bijlage B.5 zodanig te schonen dat eerder bedoelde kopteksten van de 17 kolommen onder de eerste zes kolommen bovenaan in bijlage B.5 alsnog aan belanghebbende worden geopenbaard.

3.75.

Met betrekking tot de in bijlage B.7 opgenomen codes, kenmerken en cijfers is voor een buitenstaander, waaronder de geheimhoudingskamer, ongewis of derden die gegevens zouden kunnen gebruiken voor de afweging om al dan niet in te keren, zodat de geheimhoudingskamer het gerechtvaardigd acht dat dat risico wordt uitgesloten.

3.76.

Met betrekking tot de onder 3.42 vermelde gegevens in bijlage B.11 is de geheimhoudingskamer van oordeel, dat het referentienummer ertoe zouden kunnen leiden dat (een) derde(n) dat gegeven zou(den) kunnen gebruiken voor de afweging om al dan niet in te keren. Voor de overige onder 3.42 vermelde gegevens bestaat dit risico niet, maar deze kunnen echter op grond van hetgeen onder 3.61 en 3.67 is overwogen op grond van gewichtige redenen worden geheim gehouden.

3.77.

Gelet op het hiervoor overwogene is de geheimhoudingskamer van oordeel, dat het belang van de Inspecteur bij een effectieve controle en een effectieve controlestrategie in dit geval dan ook zwaarwegend en aanzienlijk is. Dit belang speelt niet ten aanzien van de onder 3.41 vermelde persoonsgegevens in bijlage B.10, maar deze kunnen echter op grond van hetgeen onder 3.61 is overwogen op grond van gewichtige redenen worden geheim gehouden. In het kader van de onder 3.8 bedoelde belangenafweging, is de geheimhoudingskamer van oordeel dat het belang van de Inspecteur bij geheimhouding van de onder 3.36 tot en met 3.40 vermelde in de bijlagen B.3, B.4, B.5, B.7 en B.8 geschoonde gegevens, met uitzondering van de onder 3.38 vermelde kopteksten van de onderste 17 kolommen onder de eerste zes kolommen bovenaan in bijlage B.5, en dat het belang van de Inspecteur bij geheimhouding van het onder 3.42 vermelde in bijlage B.11 geschoonde referentienummer aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van de belanghebbende bij kennisneming van die gegevens. Weliswaar resteert na het schonen van de bijlagen B.3, B.4, B.5, B.7 en B.8 alleen (een) koptekst(en), maar de geheimhoudingskamer is van oordeel dat het aanzienlijk zwaarwegende belang van de Inspecteur dat rechtvaardigt.

F. De gegevens met betrekking tot de redelijke schatting.

3.78.

De Inspecteur heeft aangevoerd dat de onder 3.43 tot en met 3.45 vermelde gegevens geheim moeten worden gehouden op grond van controlestrategische overwegingen. Belanghebbende acht het schonen van de fiscaalnummers en de bankrekeningnummers gerechtvaardigd, maar merkt op dat de Inspecteur zijn beroep op controlestrategische overwegingen niet heeft geconcretiseerd. Belanghebbende is van mening dat het verzoek om geheimhouding van de nummers van belastingkantoren dient te worden afgewezen.

3.79.

De geheimhoudingskamer begrijpt, dat de Inspecteur met het aanvoeren van de reden controlestrategische overwegingen bedoeld heeft tot uitdrukking te brengen, dat het aan belanghebbende bekend maken van de onder 3.43 tot en met 3.45 geschoonde gegevens ertoe zou kunnen leiden dat derden die gegevens zouden kunnen gebruiken voor de afweging om al dan niet in te keren. De geheimhoudingskamer is van oordeel, dat het aan belanghebbende bekend maken van de onder 3.43 tot en met 3.45 geschoonde gegevens – ook de nummers van belastingkantoren - ertoe zou kunnen leiden dat derden die gegevens zouden kunnen gebruiken voor de afweging om al dan niet in te keren. Het belang van de Inspecteur bij een effectieve controle en een effectieve controlestrategie is in dit geval dan ook zwaarwegend en aanzienlijk. In het kader van de onder 3.8 bedoelde belangenafweging is de geheimhoudingskamer van oordeel dat het belang van de Inspecteur bij geheimhouding van de 3.43 tot en met 3.45 geschoonde gegevens aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van de belanghebbende bij kennisneming van die gegevens. Hierbij heeft de geheimhoudingskamer in aanmerking genomen dat duidelijk is op welke plek de gegevens zijn geschoond, zodat belanghebbende er niet in wordt gehinderd bij de behandeling van de hoofdzaak door de Kamer, die in de hoofdzaak beslist, alsnog gericht haar (processuele) standpunt te bepalen (zie onder 3.22). De door de Inspecteur aangevoerde reden van controlestrategische overwegingen is voor dit stuk een gewichtige reden.

H. De memo identificatieproces van 24 november 2006.

3.80.

De Inspecteur heeft aangevoerd dat dit memo geheel geheim moeten worden gehouden op grond van controlestrategische overwegingen.

3.81.

Belanghebbende heeft gesteld bij gebrek aan kennis van (de inhoud van) het stuk niet te kunnen onderbouwen waarom het wel ongeschoond overgelegd moet worden en zij verzoekt om overlegging van het stuk in ongeschoonde vorm.

3.82.

De geheimhoudingskamer is van oordeel, dat de memo identificatieproces van 24 november 2006 de werkwijze van de Inspecteur bij het identificeren van rekeninghouders in het project Bank Zonder Naam zodanig blootlegt, dat bekendmaking aan belanghebbende van dit memo het belang van de Inspecteur bij een effectieve controle en een effectieve controlestrategie zeer ernstig zou schaden. Bovendien zou een effectieve controle en een effectieve controlestrategie voor huidige en toekomstige vergelijkbare projecten als de Bank Zonder Naam zeer ernstig worden geschaad. In het kader van de onder 3.8 bedoelde belangenafweging is de geheimhoudingskamer van oordeel dat het belang van de Inspecteur bij geheimhouding van de memo identificatieproces van 24 november 2006 aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van de belanghebbende bij kennisneming van dat memo. Hierbij heeft de geheimhoudingskamer in aanmerking genomen, dat de Inspecteur in de overige, wel aan belanghebbende overgelegde, stukken van het geding zoveel mogelijk uit de doeken heeft gedaan hoe de identificatie van belanghebbende is verlopen, en dat daarmee belanghebbende bij de behandeling door de Kamer, die in de hoofdzaak beslist, in staat is haar standpunt met betrekking tot de identificatie van de belanghebbende te bepalen. De door de Inspecteur aangevoerde reden van controlestrategische overwegingen is voor dit stuk een gewichtige reden.

N. Twee e-mailberichten projectleider van 20 november 2006 van[getuige 2] en van 5 december 2006 van [getuige 2].

3.83.

De Inspecteur heeft aangevoerd dat de onder 3.52 vermelde gegevens geheim moeten worden gehouden op grond van controlestrategische overwegingen.

3.84.

Belanghebbende heeft verklaard zich niet te verzetten tegen het schonen van de onder 3.52 vermelde gegevens op grond van de bescherming van persoonsgegevens, maar niet te kunnen beoordelen of controlestrategische overwegingen anonimisering rechtvaardigen.

3.85.

De geheimhoudingskamer constateert, dat de Inspecteur niet heeft onderbouwd op welke wijze het belang van de Inspecteur bij een effectieve controle en een effectieve controlestrategie zou worden gehinderd. Gelet op de onder 3.52 vermelde gegevens is de geheimhoudingskamer van oordeel, dat niet aannemelijk is dat de Inspecteur zou worden gehinderd in zijn controle. De door de Inspecteur aangevoerde reden van controlestrategische overwegingen is voor dit stuk geen gewichtige reden. De onder 3.52 vermelde gegevens mogen echter wel geheim worden gehouden op grond van hetgeen onder 3.61 is overwogen.

VIII. Overige op de zaak betrekking hebbende stukken.

3.86.

Belanghebbende heeft in haar brieven van 17 april 2014, onder 36 en 37 en van 22 mei 2014 gesteld dat de Inspecteur nog niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd aan de geheimhoudingskamer.

3.87.

Belanghebbende heeft in haar brief van 17 april 2014 in het bijzonder verzocht om overlegging van:

verslagen van bijeenkomsten van de projectleider, de regiotrekkers en de Inspecteur;

e-mails tussen de projectleider, de regiotrekkers en de Inspecteur, in het bijzonder naar aanleiding van de e-mail van mevrouw [getuige 1] van 9 juni 2008 waarin is bericht dat een hercheck moet plaatsvinden.

3.88.

De Inspecteur bericht in zijn brief van 8 mei 2014, overeenkomstig zijn verweerschrift van 14 juni 2013, dat – kort samengevat – voormalige projectleiders hebben verklaard thans [geheimhoudingskamer: conform origineel cursief] geen stukken meer te hebben dan reeds zijn overgelegd. Ook de huidige projectleider heeft dat verklaard.

3.89.

Belanghebbende heeft daarop in haar brief van 22 mei 2014 geantwoord, dat hetgeen de Inspecteur schrijft impliceert dat er stukken zijn geweest die in het verleden (ten tijde van de besluitvorming door de Inspecteur) hem wel ter beschikking stonden, maar thans [geheimhoudingskamer: conform origineel cursief] niet meer. Voorts verzoekt belanghebbende naar aanleiding van de e-mail van mevrouw [getuige 1] van 9 juni 2008, de e-mail van 5 december 2006 en de ambtsedige verklaring van mevrouw [getuige 2] van 20 juli 2011 stukken over te leggen met betrekking tot de herchecks inzake belanghebbende.

3.90.

De geheimhoudingskamer is met belanghebbende van oordeel, dat stukken die ten tijde van de besluitvorming de Inspecteur ter beschikking stonden en daarbij een rol hebben gespeeld behoren tot de op zaak betrekking hebbende stukken (Hoge Raad 23 mei 2014, 12/01827, ECLI:NL:HR:2014:1182, r.o. 3.3.2.). De omstandigheid, dat de vorming van het dossier door de Inspecteur wellicht dermate gebrekkig is geweest dat hij thans [geheimhoudingskamer: cursief], dat wil zeggen: in 2014, die stukken niet meer kan overleggen dient – in dat geval - voor zijn rekening en risico te blijven. De geheimhoudingskamer is met belanghebbende van oordeel, dat de stukken van het geding aanleiding geven te vermoeden dat in het kader van de identificatie toentertijd bij belanghebbende herchecks hebben plaatsgevonden en dat de eventuele toentertijd aanwezige en/of opgemaakte stukken daarvan van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de voortvarendheid van de Inspecteur.

3.91.

In verband met de voortgang van de procedure en het geplande onderzoek ter (nadere) zitting door de Kamer, die in de hoofdzaak beslist, op 9 juli 2014, heeft de geheimhoudingskamer geen (verder) onderzoek gedaan naar de vraag of alle op de zaak betrekking hebbende stukken door de Inspecteur zijn overgelegd. Deze tussenuitspraak heeft dan ook alleen betrekking op de stukken, die de Inspecteur aan de geheimhoudingskamer heeft overgelegd ter beoordeling van zijn verzoek om geheimhouding.

IX. Slotsom

3.92.

Uit al het hiervoor overwogene volgt, dat de Inspecteur:

- A. de Belgische aanbiedingsbrief van 18 februari 2005;

- B. de bij de Belgische aanbiedingsbrief behorende Nota;

- C. de bij de Nota behorende bijlagen B.1, B.2 en B.6 (de rekeningstandenlijsten per 5 september 1996, 28 november 1996 en 21 december 1994);

- D. de bij de Nota behorende bijlagen B.3, B.4, B.7, B.8, B.10 en B.11;

- F. de gegevens met betrekking tot de redelijke schatting;

- I. de brief van 13 november 2007 van de Belgische belastingautoriteiten waarin toestemming wordt verleend de gegevens te gebruiken voor de belastingheffing;

- L: Gegevens meewerkende belastingplichtigen in eerdere projecten,

- M. de drie ambtsedige verklaringen van de (voormalige) projectleiders:

- van 20 juli 2011 van mevrouw [getuige 2]

- van 20 september 2011 van mevrouw [getuige 1],

- van 20 september 2011 van mevrouw [getuige 3];

- N. Twee e-mailberichten projectleider van 20 november 2006 van [getuige 2] en van 5 december 2006 van [getuige 2];

- P. Prints uit BVR en het renseignement inzake belanghebbende;

- Q. E-mail van 9 juni 2008;

op grond van gewichtige redenen mag schonen, zoals hij heeft gedaan.

3.93.

Uit al het hiervoor overwogene volgt voorts, dat de Inspecteur:

C. de adressenlijsten (B.9);

op grond van gewichtige redenen mag schonen, zoals hij voorstaat. Onder 3.62 is overwogen dat de Inspecteur nog niet alle pagina’s van de bijlage B.9 bij de Nota in geschoonde vorm in het geding heeft gebracht en dat de nog niet overgelegde 5 pagina’s van bijlage B.9 zodanig dienen te worden geschoond dat kenbaar is waar welke gegevens (zoals naam, adres en plaatsnaam) zijn geschoond.

3.94.

Uit al het hiervoor overwogene volgt voorts, dat de Inspecteur in de bij de Nota behorende bijlage B.5 de onder 3.38 vermelde kopteksten van de 17 kolommen onder de eerste zes kolommen bovenaan in bijlage B.5 ten onrechte heeft geschoond en dat hij bijlage B.5 voor het overige op grond van gewichtige redenen heeft mogen schonen, zoals hij heeft gedaan.

3.95.

Uit al het hiervoor overwogene volgt verder, dat de Inspecteur in het Draaiboek Bank Zonder Naam de naam van de belastingambtenaar die als projectleider is aangesteld onder 1.4, 1.5.3 en 2.3.2 ten onrechte heeft geschoond en dat de Inspecteur voor het overige het Draaiboek Bank Zonder Naam op grond van gewichtige redenen heeft mogen schonen, zoals hij heeft gedaan.

3.96.

Uit al het hiervoor overwogene volgt tevens, dat de Inspecteur op grond van gewichtige redenen het gehele volgende stuk geheim mag houden:

- H. de memo identificatieproces van 24 november 2006.

3.97.

Nu de onderhavige beslissing voor de Inspecteur de verplichting meebrengt

- de nog niet in het geding gebrachte 5 pagina’s van de bijlage B.9 bij de Nota, geschoond van de onder 3.35 vermelde gegevens, (zodanig dat kenbaar is waar welke gegevens (zoals naam, adres en plaatsnaam) zijn geschoond),

- bijlage B.5 met vermelding van de onder 3.38 vermelde kopteksten van de 17 kolommen onder de eerste zes kolommen bovenaan (en de kopteksten van deze zes kolommen) in bijlage B.5, en

- het Draaiboek Bank Zonder Naam met vermelding van de naam van de belastingambtenaar, die als projectleider is aangesteld, onder 1.4, 1.5.3 en 2.3.2,

in te zenden, wordt de Inspecteur in de gelegenheid gesteld schriftelijk mede te delen welke consequenties hij aan de beslissing van de geheimhoudingskamer verbindt. De geheimhoudingskamer wijst hierbij op het bepaalde in artikel 8:31 van de Awb , dat, voor zover te dezen van belang, als volgt luidt:

‘Indien een partij niet voldoet aan de verplichting (…) stukken over te leggen (…) kan de bestuursrechter daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen.’.

3.98.

Het voorgaande leidt tot de hierna volgende beslissing.

4 Beslissing

De geheimhoudingskamer:

- verstaat dat de geheimhoudingskamer niet heeft kunnen vaststellen of alle op de zaak betrekking hebbende stukken door de Inspecteur zijn overgelegd;

- verstaat dat de door de Inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding van (delen van) de aan geheimhoudingskamer overgelegde stukken deels gerechtvaardigd zijn;

- bepaalt dat:

A. de Belgische aanbiedingsbrief van 18 februari 2005;

B. de bij de Belgische aanbiedingsbrief behorende Nota;

C. de bij de Nota behorende bijlagen B.1, B.2 en B.6 (de rekeningstandenlijsten per 5 september 1996, 28 november 1996 en 21 december 1994) en bijlage B.9 (de adressenlijsten);

D. de bij de Nota behorende bijlagen B.3, B.4, B.7, B.8, B.10 en B.11;

F. de gegevens met betrekking tot de redelijke schatting;

I. de brief van 13 november 2007 van de Belgische belastingautoriteiten waarin toestemming wordt verleend de gegevens te gebruiken voor de belastingheffing;

L: Gegevens meewerkende belastingplichtigen in eerdere projecten,

M. de drie ambtsedige verklaringen van de (voormalige) projectleiders:

- van 20 juli 2011 van mevrouw [getuige 2]

- van 20 september 2011 van mevrouw [getuige 1],

- van 20 september 2011 van mevrouw [getuige 3];

N. Twee e-mailberichten projectleider van 20 november 2006 van [getuige 2] en van 5 december 2006 van [getuige 2];

P. Prints uit BVR en het renseignement inzake belanghebbende;

Q. E-mail van 9 juni 2008;

behoren tot de stukken waarop geheimhouding in de door de Inspecteur voorgestane zin gerechtvaardigd is;

- bepaalt ten aanzien van ‘de bij de Nota behorende bijlage B.5’ dat geheimhouding van de onder 3.38 vermelde kopteksten van de 17 kolommen onder de eerste zes kolommen bovenaan (en de kopteksten van deze zes kolommen) in deze bijlage niet is gerechtvaardigd en dat geheimhouding van de overige in bijlage B.5 door de Inspecteur geschoonde gegevens wel gerechtvaardigd is;

- bepaalt ten aanzien van ‘G. het Draaiboek Bank Zonder Naam’ dat geheimhouding van de naam van de belastingambtenaar die als projectleider is aangesteld onder 1.4, 1.5.3 en 2.3.2 in het Draaiboek Bank Zonder Naam niet is gerechtvaardigd en dat geheimhouding van de overige in het Draaiboek Bank Zonder Naam door de Inspecteur geschoonde gegevens wel gerechtvaardigd is;

- bepaalt ten aanzien van ‘H. de memo identificatieproces van 24 november 2006’ dat het geheimhouden van het gehele stuk gerechtvaardigd is;

- verzoekt de Inspecteur bij voorkeur vóór 7 juli 2014, maar uiterlijk binnen twee weken na verzending van deze uitspraak, aan de geheimhoudingskamer te berichten of hij bereid is:

- de nog niet in het geding gebrachte 5 pagina’s van de bijlage B.9 bij de Nota, geschoond van de onder 3.35 vermelde gegevens, (zodanig dat kenbaar is waar welke gegevens (zoals naam, adres en plaatsnaam) zijn geschoond),

- bijlage B.5 bij de Nota met (aanvullende) vermelding van de onder 3.38 vermelde kopteksten van de 17 kolommen onder de eerste zes kolommen bovenaan in bijlage B.5, en

- G. het Draaiboek Bank Zonder Naam met (aanvullende) vermelding van de naam van de belastingambtenaar die als projectleider is aangesteld onder 1.4, 1.5.3 en 2.3.2,

alsnog in het geding te brengen, en zo ja, dit te doen bij voorkeur vóór 7 juli 2014, maar uiterlijk binnen twee weken na verzending van deze uitspraak; en

- verwijst de zaken naar de meervoudige Kamer die de hoofdzaken behandelt nadat de Inspecteur de geheimhoudingskamer in vorenbedoelde zin heeft geïnformeerd en stelt de procesdossiers, met uitzondering van de aan de geheimhoudingskamer overgelegde ongeschoonde stukken, daarna ter beschikking aan die Kamer.

Aldus gedaan op 26 juni 2014 door P. Fortuin, voorzitter, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, griffier. De beslissing is op die datum uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Rechtsmiddel

Tegen tussenbeslissingen stelt de wet geen afzonderlijk, tussentijds beroep in cassatie dan wel een ander rechtsmiddel open. Tegen dergelijke beslissingen van de rechtbank of het gerechtshof kan slechts worden opgekomen tegelijkertijd met het hoger beroep respectievelijk het beroep in cassatie tegen de einduitspraak, zijnde de uitspraak waarbij het geding wordt afgedaan (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 14 september 2007, nr. 43 294, ECLI:NL:HR:2007:BB3489).


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature