< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:

Inhoudsindicatie:

Veroordeling voor woninginbraak maar vrijspraak van medeplegen geweldshandelingen.

Opzet (al dan niet in voorwaardelijke vorm) van de verdachte was niet gericht op het door de

medeverdachte gepleegde geweld en de bedreiging daarmee. Geen sprake van een

zodanig nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte gericht op het geweld en de

bedreiging daarmee.

Onvoldoende bewijs op grond waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte zelf een wapen

heeft gehanteerd. Voorts is het hof van oordeel dat, nu aanwijzingen daarvoor ontbreken,

niet kan worden uitgesloten dat verdachte, zoals door hem is gesteld, geen wetenschap (al

dan niet in voorwaardelijke vorm) heeft gehad van het feit dat de medeverdachte in het bezit

was van een vuurwapen. Ook overigens is het hof van oordeel dat niet kan worden

vastgesteld dat verdachte bij de geweldplegingen en de bedreigingen buiten de woning

gepleegd door de medeverdachte met een vuurwapen, enig relevant aandeel is toe te rekenen.

Uit de omstandigheid dat de verdachte, zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, de worsteling tussen de medeverdachte en één van de aangevers heeft gezien, kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat de verdachte zich achter de geweldplegingen en de bedreigingen van de medeverdachte heeft geschaard en derhalve het geweld en de bedreiging met geweld heeft mede gepleegd nu de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij op dat moment bezig was om weg te lopen. Naar het oordeel van het hof is daarmee niet, althans onvoldoende gebleken dat de verdachte zich niet van de door de medeverdachte gepleegde geweldplegingen en bedreigingen heeft gedistantieerd.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



arrest

GERECHTSHOF 'S-HERTOGENBOSCH

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-004407-11

Uitspraak : 12 februari 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch

van 16 november 2011 in de strafzaak met parketnummer 01-839326-10 tegen:

[Naam verdachte],

geboren te [Geboorteplaats] op [Datum} 1990,

thans verblijvende in PI Zuid West - HvB De Torentijd te Middelburg.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van - kort gezegd - “diefstal, vergezeld

en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld, in vereniging gepleegd” veroordeeld tot

een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest.

Voorts heeft de eerste rechter beslist over de vorderingen tot schadevergoeding voor de

benadeelde partijen.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger

beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen

door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal vernietigen en opnieuw

rechtdoende het ten laste gelegde bewezen zal verklaren overeenkomstig de bewezen

verklaring van de rechtbank en verdachte deswege zal veroordelen tot een gevangenisstraf

voor de duur van 54 maanden, met aftrek van voorarrest.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [Benadeelde partij A] heeft de

advocaat-generaal gevorderd dat het hof de immateriële schade zal toewijzen tot een bedrag

van

€ 3.000,--, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en haar voor het overige nietontvankelijk

zal verklaren.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [Benadeelde partij B] heeft de

advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze niet-ontvankelijk zal verklaren in haar

vordering.

Namens verdachte is primair vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde geweld en de ten

laste gelegde bedreiging met geweld, stellende dat verdachte daarbij geen betrokkenheid

heeft gehad. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring

komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten

laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 januari 2010 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft

weggenomen uit een woning een geldbedrag van 15.000 euro en/of een doos met kleren

en/of een handtas (met daarin twee bankpassen en/of een legitimatiebewijs en/of twee

mobiele telefoons), een damestas, een paspoort, een ID-kaart, een X-box, een Nintendo DSi,

een wii-computer, 2 fotocamera’s, een videocamera en een grote hoeveelheid sieraden, in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [Benadeelde partij B] en/of

[Benadeelde partij A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [Benadeelde partij B] en/of [Benadeelde partij A]

en/of een jongen van 5 jaar en /of een meisje van 8 maanden, gepleegd met het oogmerk om

die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op

heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met

geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [Benadeelde

partij B] en/of [Benadeelde partij A] en/of een jongen van 5 jaar en/of een meisje van 8

maanden heeft/hebben gericht en/of (daarbij) heeft/hebben geroepen: "Naar binnen of ik

schiet", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- zichtbaar voor die [Benadeelde partij B] en/of [Benadeelde partij A] en/of een jongen van

5 jaar en/of een meisje van 8 maanden een vuurwapen, althans een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp, heeft/hebben doorgeladen en/of

- een slaande beweging met een vuurwapen, althans met een op een vuurwapen gelijkend

voorwerp, heeft/hebben gemaakt in de richting van het gezicht van die [Benadeelde partij B]

en/of

- die [Benadeelde partij B] heeft/hebben vast gepakt en/of

- een meisje van 8 maanden heeft/hebben vast gepakt en/of (daarbij) een vuurwapen, althans

een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd van die [Benadeelde partij A]

heeft/hebben gericht en/of

- aan de tas van die [Benadeelde partij A] heeft/hebben getrokken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze

verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan,

met dien verstande dat:

hij op 21 januari 2010 te Eindhoven tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk

van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een woning een doos, in elk geval

enig goed, toebehorende aan [Benadeelde partij B] en/of [Benadeelde partij A].

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven

is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt dienaangaande deze partiële vrijspraak als volgt.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat op 21 januari 2010 in een woning

aan de [Adres] te Eindhoven een diefstal is gepleegd en dat de daders door de bewoners zijn

overlopen. De bewoners van voornoemde woning, te weten [Benadeelde partij A] en

[Benadeelde partij B], hebben verklaard dat zij bij thuiskomst zagen dat de voordeur van de

woning openstond. Tevens zagen zij dat er nog een persoon in de woning aanwezig was.

Toen de bewoners uit de auto waren gestapt, kwamen er twee mannen van achteren

aangelopen. Blijkens de stukken is er vervolgens geweld gepleegd jegens de bewoners

(slaan en vastpakken) en is er tevens gedreigd met het plegen van geweld (het richten van

een vuurwapen op de bewoners in het bijzijn van hun kinderen en het bezigen van

bewoordingen van dreigende aard).

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 29 januari 2013 een bekennende

verklaring afgelegd, inhoudende dat hij bij voornoemde diefstal uit een woning betrokken is

geweest. Hij heeft verklaard dat hij met twee andere personen, van wie hij de namen niet wil

noemen maar die hij beschrijft als de korte en de lange man, na een tip dat er iets van

waarde te halen zou zijn in desbetreffende woning te Eindhoven en dat de bewoners niet

thuis zouden zijn, naar die woning is gegaan. De verdachte heeft tevens verklaard dat er

geen wapens zouden zijn meegenomen en dat het ook niet de bedoeling was om geweld te

plegen of om te dreigen met geweld, omdat de bewoners niet thuis zouden zijn.

De woning is door verdachte en zijn mededaders doorzocht en uiteindelijk is uit de woning

weggenomen waar ze voor kwamen, te weten een doos gevuld met, zoals de verdachte ter

terechtzitting in hoger beroep d.d. 29 januari 2013 heeft verklaard, flesjes GHB. Op een

gegeven moment zijn de bewoners thuisgekomen. Op dat moment bevond de korte man zich

nog in de woning. De verdachte was samen met de lange man al buiten. De verdachte wilde

de korte man in de woning waarschuwen, is naar de woning gegaan en heeft zich niet

gericht op de bewoners en hun kinderen. Hij zag dat er toen een worsteling is ontstaan

tussen de mannelijke bewoner van de woning (het hof begrijpt: [Benadeelde partij B]) en de

lange man. Op het moment dat de korte man via de voordeur de woning verliet, is hij, de

verdachte, samen met de korte man weggerend, aldus de verdachte.

De verdachte heeft ontkend dat hij een wapen heeft gehad en dat hij geweld heeft gepleegd.

Hij heeft weliswaar de worsteling gezien, maar stelt dat hij daar geen bijdrage aan heeft

geleverd.

Het hof overweegt dat uit de verklaringen van de aangevers volgt dat de feitelijke

geweldsplegingen zijn gepleegd door de man die door hen wordt omschreven als de lange

magere jongen. De vraag waar het hof zich voor ziet gesteld is of de verdachte hierbij in

enige relevante mate een rol heeft gespeeld. Het hof neemt daarbij het volgende in

aanmerking.

Uit de verklaring van [Benadeelde partij B] zoals hij die bij de politie heeft afgelegd leidt

het hof af dat de dikke jongen - het hof begrijpt op grond van de eigen waarneming ter

terechtzitting in hoger beroep dat daarmee de verdachte wordt bedoeld - niets zou hebben

gezegd of zou hebben gedaan. [Benadeelde partij B] is, nadat hij door de lange man is

geslagen, weggerend en is derhalve geen getuige geweest van wat zich daarna precies heeft

afgespeeld en waarover [Benadeelde partij A] heeft verklaard.

[Benadeelde partij A] heeft verklaard dat, terwijl haar vriend [Benadeelde partij B]

wegrende, de lange jongen zich heeft omgedraaid en zijn wapen op haar heeft gericht en dat

op twee meter afstand de dikke jongen (het hof begrijpt: de verdachte) stond. Volgens

[Benadeelde partij A] was de lange jongen de woordvoerder en stond de dikke jongen er

maar stil bij. Wel zou hij een wapen in de hand hebben gehad. Door verdachte is dit

ontkend.

Het hof overweegt dat [Benadeelde partij B] pas bij zijn verhoor bij de raadsheercommissaris

van dit hof op 20 september 2012 heeft verklaard dat beide mannen een wapen

vasthadden, maar het hof kan niet uitsluiten dat deze verklaring is ingegeven doordat

[Benadeelde partij B] over het voorval naderhand met [Benadeelde partij A] heeft

gesproken. Niet kan worden vastgesteld in hoeverre het hier een eigen waarneming van

[Benadeelde partij B] betreft, mede gelet op voornoemde verklaring van [Benadeelde partij

A] waaruit blijkt dat [Benadeelde partij B] al was weggerend voordat [Benadeelde partij A]

het wapen in handen van verdachte zag, zodat slechts de enkele verklaring van [Benadeelde

partij A] dat verdachte een wapen vast had resteert.

Alles overziende en gelet op de stellige ontkenning van verdachte, acht het hof onvoldoende

bewijs voorhanden op grond waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte zelf een wapen

heeft gehanteerd. Voorts is het hof van oordeel dat, nu aanwijzingen daarvoor ontbreken,

niet kan worden uitgesloten dat verdachte, zoals door hem is gesteld, geen wetenschap (al

dan niet in voorwaardelijke vorm) heeft gehad van het feit dat de lange jongen in het bezit

was van een vuurwapen. Ook overigens is het hof van oordeel dat niet kan worden

vastgesteld dat verdachte bij de geweldplegingen en de bedreigingen buiten de woning

gepleegd door de lange jongen met een vuurwapen, enig relevant aandeel is toe te rekenen.

Uit de omstandigheid dat de verdachte, zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 29

januari 2013 heeft verklaard, de worsteling tussen de lange man en één van de aangevers

heeft gezien, kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat de verdachte zich

achter de geweldplegingen en de bedreigingen van de medeverdachte heeft geschaard en

derhalve het geweld en de bedreiging met geweld heeft mede gepleegd nu de verdachte ter

terechtzitting in hoger beroep d.d. 29 januari 2013 heeft verklaard dat hij, naar het hof

begrijpt, op dat moment bezig was om weg te lopen. Naar het oordeel van het hof is

daarmee niet, althans onvoldoende gebleken dat de verdachte zich niet van de door de

medeverdachte gepleegde geweldplegingen en bedreigingen heeft gedistantieerd.

Al met al is het hof van oordeel dat uit de inhoud van de stukken niet kan volgen dat het

opzet (al dan niet in voorwaardelijke vorm) van de verdachte gericht was op het door de

medeverdachte gepleegde geweld en de bedreiging daarmee en er sprake is geweest van een

zodanig nauwe en bewuste samenwerking met de lange jongen gericht op het geweld en de

bedreiging daarmee, dat tot een bewezen verklaring van medeplegen van die gedragingen

kan worden gekomen. Derhalve wordt de verdachte daarvan vrijgesproken.

Wel kan op grond van de bewijsmiddelen worden vastgesteld dat verdachte zich met

anderen heeft schuldig gemaakt aan een diefstal te Eindhoven op 21 januari 2010, waarbij

uit een woning een doos is weggenomen. Weliswaar kan het hof niet eenduidig vaststellen

wat zich in die doos heeft bevonden, maar vast staat dat, mede gelet op de verklaring die de

verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op 29 januari 2013 heeft afgelegd, er in ieder

geval een doos met inhoud is weggenomen. In dat verband slaat het hof tevens acht op de

verklaring van [O], voor zover inhoudende dat hij met zijn neef [Naam verdachte] (het hof

begrijpt: de verdachte) en een andere persoon die hij kent als ‘De Belg’ op 21 januari 2010

in Eindhoven is geweest en dat hij uit een woning een doos heeft meegenomen en achterin

zijn auto heeft gezet op de achterbank. Naar zijn zeggen zou de inhoud daarvan kleding zijn

geweest. Voorts neemt het hof in aanmerking de verklaring van de getuige [W] die een man

vanuit een woning aan de [Adres] te Eindhoven zag komen en heeft gezien dat deze man

een doos in zijn handen had, daarmee naar een geparkeerde auto liep en de doos in de auto

zette.

Ten aanzien van de overige in de tenlastelegging genoemde goederen merkt het hof het

volgende op.

De handtas van [Benadeelde partij A] met inhoud is blijkens de stukken door de lange

jongen buiten de woning weggenomen. Gelet op de wijze van tenlasteleggen komt het hof

tot een vrijspraak van dit deel van de tenlastelegging nu de opsteller van de tenlastelegging

kennelijk doelt op het wegnemen van goederen uit een woning. Of naast de doos ook de

andere in de tenlastelegging genoemde goederen uit de woning zijn weggenomen is, gelet

op de stellige betwisting van verdachte, en bij gebrek aan overige bewijsmiddelen,

onvoldoende gebleken, zodat het hof met betrekking tot de andere in de tenlastelegging

genoemde goederen eveneens tot een vrijspraak komt.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof

gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in

een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest

gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge

samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het

feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van

verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal

uit in woning, in vereniging gepleegd, waarbij een doos is ontvreemd.

Nu het hof, anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, tot een andere bewezen

verklaring komt en het ten laste gelegde geweld en de ten laste gelegde bedreiging met

geweld, in vereniging gepleegd, niet bewezen acht, zal het hof bij de bepaling van de op te

leggen straf uitgaan van andere uitgangspunten.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen

is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de

persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren

is gekomen.

Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting

gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als

richtlijn voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van

woninginbraak. Genoemde oriëntatiepunten geven als indicatie voor de op te leggen straf,

een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

In het onderhavige geval zijn de volgende strafverzwarende omstandigheden van belang.

De verdachte heeft de gepleegde diefstal uit een woning in vereniging begaan, de woning is

daarbij volledig doorzocht en in de woning is een ravage aangericht.

Het hof merkt daarbij op dat een dergelijk delict doorgaans bij de bewoners een

langdurig en groot gevoel van onveiligheid te weeg brengt, terwijl juist in de woning, in de

privésfeer, een gevoel van veiligheid voor het eigen welbehagen van groot belang is.

Daarnaast houdt het hof rekening met de mate van overlast en ergernis die door dergelijke

delicten wordt veroorzaakt aan de gedupeerden.

Tevens heeft het hof rekening gehouden met het feit dat verdachte blijkens een hem

betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 november 2012 reeds eerder ter zake

strafbare feiten is veroordeeld, zij het dat het hier met name geweldsdelicten betreft.

Het hof houdt eveneens rekening met de omstandigheid dat verdachte in hoger beroep

grotendeels openheid van zaken heeft gegeven en zijn verantwoordelijkheid voor de diefstal

heeft genomen.

Alles overziende kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of

lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te

vermelden duur met zich brengt.

Vordering van de benadeelde partij [Benadeelde partij A]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een

vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 17.783,15, bestaande uit een bedrag van

€ 4.000,-- ter zake van geleden immateriële schade en een bedrag van € 13.354,75 ter zake

van materiële schade plus kosten juridische bijstand voor een bedrag van € 428,40. De

vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij

heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke

vordering, althans zo begrijpt het hof de brief van de advocaat van de benadeelde partij d.d.

21 september 2012 gericht aan het hof.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt het hof dat de gestelde

geestelijke schade grotendeels teweeg is gebracht door de geweldplegingen en de

bedreigingen met geweld. Het hof heeft de verdachte echter vrijgesproken van enige

betrokkenheid daarbij. Derhalve acht het hof niet voldoende gebleken dat de gestelde

immateriële schade door verdachtes bewezen verklaarde handelen is veroorzaakt.

Dit geldt eveneens voor de gevorderde kosten ter zake de weggenomen goederen. Het hof

acht bewezen dat een doos met inhoud is weggenomen. Van het overige is de verdachte

vrijgesproken. Daarnaast geldt dat de waarde van de inhoud van de weggenomen doos niet

eenvoudig is vast te stellen nu het hof niet eenduidig heeft kunnen vaststellen wat er in die

doos zat. Bovendien heeft aangeefster blijkens de stukken op grond van haar

inboedelverzekering (RVS) reeds een schadevergoeding ontvangen en niet duidelijk is of en

zo ja, in hoeverre de inhoud van de weggenomen doos daarmee ook vergoed is.

Ten aanzien van de gevorderde kosten terzake de vernielde goederen overweegt het hof dat

dit deel van de vordering niet afdoende met bewijsstukken is onderbouwd. In hoger beroep

is namens de benadeelde partij geen nader bewijsaanbod gedaan. Er is geen aanleiding tot

aanhouding van de behandeling, nu een dergelijke aanhouding naar het oordeel van het hof

in dit geval een onevenredige belasting van het strafgeding zou vormen. Hierbij neemt het

hof in aanmerking dat een belangrijk doel van de strafrechtspleging is dat zaken efficiënt en

tijdig worden afgedaan.

Gelet op het vorenstaande kan de benadeelde partij [Benadeelde partij A] in haar vordering

niet worden ontvangen. Met betrekking tot de kosten zal worden beslist als in het dictum

vermeld.

Vordering van de benadeelde partij [Benadeelde partij B]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een

vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 15.180,00 aan geleden materiële schade,

bestaande uit een weggenomen geldbedrag van € 15.000,-- en een bedrag van € 180,-- aan

kosten juridische bijstand. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk

verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag

van haar oorspronkelijke vordering.

Het hof acht niet voldoende gebleken dat de gestelde materiële schade door verdachtes

bewezen verklaarde handelen is veroorzaakt. Immers, het hof acht bewezen dat is

weggenomen een doos met inhoud. Van het overige, waaronder een geldbedrag van

€ 15.000,00, is de verdachte vrijgesproken. De benadeelde partij [Benadeelde partij B] kan

daarom in haar vordering niet worden ontvangen. Met betrekking tot de kosten zal worden

beslist als in het dictum vermeld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals

deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft

begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan

hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en

verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in

enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest

is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal

worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [Benadeelde partij A]

Verklaart de benadeelde partij [Benadeelde partij A] in haar vordering tot schadevergoeding

niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de

tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

nihil.

Vordering van de benadeelde partij [Benadeelde partij B]

Verklaart de benadeelde partij [Benadeelde partij B] in haar vordering tot schadevergoeding

niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de

tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

nihil.

Aldus gewezen door

mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,

mr. M. Rutgers en mr. W.J. Kolkert, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en op 12 februari 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature