< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

omgangsregeling

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 24 juni 2010

Zaaknummer: HV 200.056.841/01

Zaaknummer eerste aanleg: 186497 / FA RK 08-1061

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

verblijvende te [woonplaats],

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. B.P.A. van Beers,

tegen

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. W.A. Lensink.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 17 november 2009.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 februari 2010, heeft de vader verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de vader en [Z.] ieder weekend gedurende een dag gerechtigd zijn tot omgang met elkaar, waarbij de ene week op zaterdag van 13.30 uur tot de volgende ochtend en de andere week op zondag van 13.30 uur tot de volgende ochtend, alsmede iedere woensdagmiddag van 16.00 uur tot 20.00 uur alsook op vaderdag, de verjaardag van de vader en gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, althans een zodanige omgangsregeling als het hof juist acht.

2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 maart 2010, heeft de moeder verzocht de grieven van de vader in hoger beroep af te wijzen als ongegrond en onbewezen.

Tevens heeft de moeder incidenteel appel ingesteld en verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en [Z.] af te wijzen op de grond dat de vader ongeschikt, c.q. niet in staat moet worden geacht tot omgang met [Z.] en deze omgang niet in het belang van [Z.] moet worden geacht.

2.2.1. Bij verweerschrift in het incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 12 april 2010, heeft de vader verzocht de moeder in haar incidenteel appel niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit verzoek in hoger beroep ongegrond te verklaren.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 juni 2010. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. B.P.A. van Beers;

- de moeder, bijgestaan door mr. W.A. Lensink;

- de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad), vertegenwoordigd door mevrouw E.A.P. van den Dam.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief met bijlagen van Stichting Tender d.d. 19 februari 2010;

- de brief met bijlage (raadsrapportage) van de raad d.d. 15 maart 2010.

3. De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1. Partijen hebben van mei 2005 tot december 2007 een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit de relatie van partijen is geboren [zoon] (hierna te noemen: [Z.]) op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats].

[Z.] is door de vader erkend. De moeder oefent van rechtswege het gezag over [Z.] uit. [Z.] heeft zijn hoofdverblijf bij de moeder.

3.2. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking, heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep nog van belang, bepaald dat de man en [Z.] gerechtigd zijn tot omgang met elkaar éénmaal per veertien dagen op zondag gedurende 2,5 uur bij de man thuis, onder begeleiding van de vrouw, waarbij de omgangsregeling in overleg tussen partijen zal worden uitgebreid parallel aan het opgroeien van [Z.].

De rechtbank heeft het verzoek van de man tot omgang met [Z.] gedurende ieder weekend een dag, de ene week op zaterdag van 13.30 uur tot de volgende ochtend en de andere week op zondag van 13.30 uur tot de volgende ochtend, alsmede iedere woensdagmiddag van 16.00 uur tot 20.00 uur, alsook op vaderdag, de verjaardag van de man en gedurende de helft van de vakanties afgewezen.

3.3. De vader en de moeder kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4. De vader voert aan dat, gelet op de jonge leeftijd van [Z.] en de wijze waarop jonge kinderen zich hechten, een frequentere omgangsregeling dan éénmaal per veertien dagen meer in het belang is van [Z.]. De vader is van mening dat de moeder niet bereid is gebleken de uitbreiding van de omgangsregeling te bespreken. Voorstellen die de vader in dat kader heeft gedaan, worden door de moeder afgewezen, veelal met het argument dat een en ander voor haar niet te doen zou zijn. Daarnaast heeft de moeder zich op het standpunt gesteld dat [Z.] geen contact met de familie van de vader mag hebben, welk standpunt eveneens uitbreiding van de omgangsregeling in de weg staat. De vader heeft het advies van de raad en Tender om een opvoedcursus te volgen ter harte genomen en heeft hierover informatie ingewonnen. De raad was met een dergelijke cursus echter niet bekend en de vader mocht aan de cursus “Peuter in zicht” van het Centrum voor Jeugd en Gezin in [vestigingsplaats] niet deelnemen. De vader is in een impasse geraakt. De vader ziet in het incidenteel appel van de moeder de bevestiging, dat de moeder eigenlijk nooit een omgangsregeling tussen [Z.] en hem heeft gewenst en dat zij om die reden telkens weer blokkades opwerpt om de omgangsregeling te minimaliseren. De omgang heeft een aantal keren niet plaatsgevonden, omdat hij in verband met zijn werk niet kon of omdat hij geen geld had voor de omgangsregeling. De moeder heeft ook een aantal keren de afspraak afgebeld in verband met ziekte van de moeder en/of [Z.].

3.5. De moeder voert aan dat ook een tweewekelijks contact mogelijkheden biedt om de hechting tussen de vader en [Z.] te verdiepen. Daarbij komt dat een wekelijkse omgang, gedurende beperkte tijd, een wekelijkse belasting zowel voor haar als voor [Z.] betekent. De vader gaat er aan voorbij dat door de rechtbank is voorzien in een uitbreiding van de tweewekelijkse omgangsregeling naar enkele uren per dag en verder; de door de rechtbank in de bestreden beschikking vastgestelde regeling is dan ook als een startregeling aan te merken, aldus de moeder. De omgangsregeling zoals door de vader verzocht is niet in het belang van [Z.], nu de vader nog nooit gedurende meerdere dagen aaneengesloten, evenmin gedurende de nacht, alleen de zorg voor [Z.] heeft gehad, en niet in staat is om [Z.] te verzorgen en het nodige te bieden. De vader komt de gemaakte afspraken met betrekking tot de omgangsregeling nauwelijks na. De vader laat in toenemende mate verstek gaan, vaak zonder voorafgaand bericht aan de moeder. De moeder acht contact tussen [Z.] en de familie van de vader niet zinvol en niet in belang van [Z.], nu [Z.] deze familie niet kent en ook tussen de moeder en de familie van de vader in het verleden nauwelijks enig contact heeft plaatsgevonden. De moeder is van mening dat er wel degelijk cursussen beschikbaar zijn die door de vader kunnen worden gevolgd en die (mede) bestemd zijn om ouders in de positie van de vader opvoedingsvaardigheden aan te leren.

De moeder is van mening dat omgang thans niet in belang van [Z.] is. Gedurende de periode van onderzoek en omgangsbegeleiding door Tender Jeugdzorg te Breda is voortdurend sprake geweest van emoties en wantrouwen tussen partijen. Het wantrouwen van de moeder in de vader wordt telkens versterkt door zijn handelen, met name het door hem stelselmatig niet nakomen van afspraken; een onregelmatige omgang past niet bij de rust en regelmaat waarbij [Z.] in toenemende mate zal zijn gebaat. Daarbij komt dat de moeder nog steeds vraagtekens plaatst bij de levenswijze van de vader, met name waar het zijn gebruik van alcohol en/of drugs betreft.

3.6. De raad heeft ter zitting aangegeven dat een doorbraak dient te komen naar een omgangsregeling in de thuissituatie (zoals destijds ook al door de raad op de zitting bij de rechtbank Breda werd aangegeven). Belangrijk is dat de moeder de vader accepteert als vader. Het vertrouwen moet nog groeien. Door de vader meer opvoedingstaken te laten doen, kan hij het vertrouwen van de moeder in hem laten toenemen. Het is in het belang van [Z.] dat hij zijn vader beter leert kennen. De raad adviseert de ouders een cursus bij Tender te volgen, genaamd “Ouderschap blijft”.

3.7. Nadat de mondelinge behandeling in hoger beroep korte tijd geschorst is geweest, hebben partijen aan het hof verklaard dat zij overeenstemming hebben bereikt over een voorlopige omgangsregeling, inhoudende:

1. Ingaande zondag 27 juni 2010 zal omgang tussen de vader en [Z.] plaatsvinden te [plaatsnaam] op de camping waar de vader verblijft, van 11.00 tot 13.30 uur, waarbij de moeder aanwezig is. Moeder zal [Z.] brengen;

2. De regeling onder 1 geldt 5 maal, eens per 14 dagen;

3. Na het verloop van de regeling onder 1 zal wederom 5 maal, eens per 14 dagen, omgang plaatsvinden te [plaatsnaam], dan echter buiten aanwezigheid van de moeder, telkens van 10.00 tot 14.00 uur op zondag. De moeder brengt en haalt [Z.];

4. Na het verloop van de regeling onder 3 zal de omgang worden uitgebreid tot 1 zondag per 14 dagen van 10.00 tot 17.00 uur bij de vader te [plaatsnaam]. Moeder haalt en brengt [Z.], deze regeling geldt ook 5 maal;

5. Partijen streven er vooralsnog naar daarna gedurende 1 dag per week omgang te doen plaatsvinden, zonder overnachting;

6. De moeder van vaderszijde zal eerst ingaande deze regeling sub 3 bij [Z.] betrokken kunnen worden;

7. Er is heden telefonisch contact geweest met Tender. Tender zegt toe deze regeling intensief te willen gaan begeleiden. Ouders gaan daartoe intensieve oudergesprekken aan. De begeleiding kan starten als de beschikking van het gerechtshof naar Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, locatie Breda, wordt gestuurd. De stichting geeft vervolgens een indicatiebesluit af dat naar Tender wordt gestuurd, zodat zij kunnen starten;

8. Partijen verzoeken aanhouding van de zaak gedurende zes maanden.

3.8. Partijen hebben het hof verzocht deze overeenstemming in deze beschikking op te nemen, aan welk verzoek het hof gehoor zal geven.

Het hof zal gelet op het vorenstaande Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, locatie Breda, verzoeken de begeleiding van de omgangsregeling tussen [Z.] en de vader te laten uitvoeren door stichting Tender. In afwachting van het verloop van deze begeleiding en de afgesproken omgangsregeling en van het bericht van de advocaten van ieder van partijen zal de behandeling van de verzoeken van partijen in hoger beroep met betrekking tot de omgangsregeling worden aangehouden voor een periode van zes maanden, tot 24 december 2010.

4. De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

bepaalt dat de vader en de voornoemde minderjarige gerechtigd zijn tot omgang met elkaar zoals hiervoor onder 3.7. vermeld, waarbij de begeleiding van de omgangsregeling zal geschieden door Stichting Tender;

verzoekt Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, locatie Breda, de begeleiding van de omgangsregeling tussen [Z.], geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats], en de vader te laten uitvoeren door Stichting Tender te Rijsbergen;

houdt iedere verdere beslissing omtrent de omgangsregeling aan tot 24 december 2010 pro forma, zulks in afwachting van het verloop van de afgesproken regeling.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pellis, Van Dijkhuizen en Everaars-Katerberg en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2010.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature