< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

De onderhavige procedure betreft de financiële afwikkeling van het huwelijk. Bij inleidende dagvaarding heeft de vrouw drie te onderscheiden vorderingen ingesteld. Deze hebben achtereenvolgens betrekking op

(1) de levering door de man van drie, aan partijen in vrije mede-eigendom toebehorende onroerende zaken gelegen in Spanje op grond van de verdelingsovereenkomst d.d. 15 mei 2000,

(2) de huishoudkosten over de periode van 15 september 1989 (toen de samenleving werd verbroken) tot en met juli 2001 en

(3) een vergoedingsrecht terzake van een door de vrouw ten huwelijk aangebracht perceel grond, dat staande huwelijk, in 1973/1974, werd verkocht.

Uitspraak



typ. ML

rolnr. C0401471/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

zevende kamer, van 28 februari 2006,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van

11 oktober 2004,

verder te noemen: de vrouw,

procureur: mr. R.H. Ebbeng,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [plaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

verder te noemen: de man,

procureur: mr. H.J.M. Goossens,

op het hoger beroep van de onder rolnummer 74205/HA ZA 01-2641 door de rechtbank 's-Hertogenbosch gewezen vonnissen van 14 januari 2004 en 14 juli 2004 tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde.

1. Het verloop van het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het verloop van het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven, met producties, heeft de vrouw drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd, tot veroordeling van de man om medewerking te verlenen aan het op naam van de vrouw stellen van drie onroerende zaken te Spanje onder nader te stellen voorwaarden.

2.2. Bij memorie van antwoord, met het procesdossier uit de eerste aanleg als producties, heeft de man de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben elk nog een akte genomen waarin wordt getwist over de inhoud van de procesdossiers.

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven en de toelichting daarop verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. Partijen zijn op [datum] 1967 na het maken van huwelijkse voorwaarden, inhoudende de uitsluiting van elke gemeenschap van goederen, gehuwd. De samenleving is geëindigd op 15 september 1989. De echtscheidingsbeschikking is op 18 juli 2001 ingeschreven.

4.1.2. De onderhavige procedure betreft de financiële afwikkeling van het huwelijk. Bij inleidende dagvaarding heeft de vrouw drie te onderscheiden vorderingen ingesteld. Deze hebben achtereenvolgens betrekking op

(1) de levering door de man van drie, aan partijen in vrije mede-eigendom toebehorende onroerende zaken gelegen in Spanje op grond van de verdelingsovereenkomst d.d. 15 mei 2000,

(2) de huishoudkosten over de periode van 15 september 1989 (toen de samenleving werd verbroken) tot en met juli 2001 en

(3) een vergoedingsrecht terzake van een door de vrouw ten huwelijk aangebracht perceel grond, dat staande huwelijk, in 1973/1974, werd verkocht.

4.1.3. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. In het vonnis van 14 januari 2004 heeft de rechtbank op de vordering ter zake van de huishoudelijke kosten overwogen in de rov. 3.3 tot en met 3.7. De grieven 1 en 2 keren zich in het bijzonder tegen de honorering van beroep van de man op het vervalbeding in de huwelijkse voorwaarde. In dat zelfde vonnis heeft de rechtbank afwijzend geoordeeld op de vergoedingsvordering. Daartegen is geen grief gericht.

Grief 3 heeft betrekking op hetgeen de rechtbank heeft beslist ten aanzien van de verdelingsovereenkomst.

4.2. De grieven 1 en 2 (huishoudelijke kosten)

4.2.1. De vordering van de vrouw tot betaling van huishoudkosten over de periode na het feitelijk uiteengaan van partijen in 1989 is gegrond op artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden, luidende, voor zover van belang:

De kosten der huishouding, waaronder begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, die uit het huwelijk mochten geboren worden, (...), komen ten laste van ieder der echtgenoten naar evenredigheid van hun zuivere inkomen, (...)

Het verweer van de man is gestoeld op de slotpassage van deze bepaling, luidende:

Indien één der echtgenoten in een bepaald jaar meer tot de in artikel bedoelde kosten mocht hebben bijgedragen dan krachtens dit artikel te zijnen laste behoorde te komen, kan die echtgenoot het teveel bijgedragene terugvorderen van de andere echtgenoot, mits die terugvordering geschiedt binnen zes maanden na afloop van het jaar waarin de kosten zijn betaald.

Partijen zijn het erover eens dat deze bepaling een vervalbeding inhoudt, en derhalve niet een verjaringstermijn.

4.2.2. In rov. 3.7. van het vonnis van 14 januari 2004 heeft de rechtbank overwogen dat het vervalbeding aan toewijzing van de vordering in de weg staat. Dit is alleen anders indien de redelijkheid en billijkheid hiertoe aanleiding geven. De rechtbank heeft geen gronden gevonden voor toepassing van laatstgenoemde afwijking.

4.2.3. Het hof stelt voorop dat in casu sprake is van een vordering die weliswaar is gegoten in de vorm van nakoming van de huwelijkse voorwaarden maar betrekking heeft op een onderwerp dat zijn regeling vindt in het bepaalde in artikel 1:84 BW . Voor zodanige aangelegenheid is de verzoekschriftprocedure dwingend voorgeschreven (vgl. HR 2 mei 2003, NJ 2003/467). Verwijzing naar de rekestenkamer (en het voorafgaand daaraan horen van partijen daaromtrent) zal achterwege worden gelaten nu partijen niet om verwijzing hebben gevraagd, verwijzing niet leidt tot een behandeling door andere raadsheren en de verwijzing verder alleen onnodige vertraging oplevert.

4.2.4. Partijen hebben de maatstaf, die de rechtbank voorop heeft gesteld, niet ter discussie gesteld. Het hof is dienaangaande van oordeel dat, hoewel dit mogelijk wel zo in de overweging kan worden gelezen, niet de aanvullende werking, maar de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid aan de orde is. Dit wil zeggen dat het beroep op het vervalbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet zijn.

4.2.5. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat daarvan geen sprake is. Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van hetgeen de Hoge Raad heeft geoordeeld in (de tweede alinea van rov. 3.3 van) HR 29 april 1994, NJ 1995/561. Dat betekent dat de periodieke afrekening van de huishoudkosten jaarlijks dient plaats te vinden, zodat alleen nog het laatste jaar ter discussie kan worden gesteld. Dit brengt in casu mee, nu de inleidende dagvaarding is uitgebracht op 19 november 2001, dat alleen de huishoudkosten over 2001 in de beoordeling kunnen worden betrokken. Ook daaraan komt het hof niet toe omdat het de echtscheidingsprocedure inleidende verzoekschrift is ingediend op

13 oktober 2000, zodat in ieder geval vanaf dat moment voorlopige voorzieningen, in het bijzonder ten aanzien van partneralimentatie , gevraagd konden worden en ook zijn gevraagd.

4.2.6. Het hof vindt in de door de vrouw genoemde omstandigheden (in eerste aanleg en in hoger beroep) geen aanleiding om het beroep van de man op het vervalbeding niet te honoreren of gronden om aan te nemen dat het beroep op dit beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.2.7. In dit verband is in het bijzonder van belang dat de vrouw al in 1994 een alimentatieverzoek had ingediend, maar dit niet heeft doorgezet. De man hoefde dan ook in 2001 niet te verwachten dat de vrouw alsnog met terugwerkende kracht alimentatie dan wel een bijdrage in de kosten van de huishouding zou verlangen.

4.2.8. In grief 1 stelt de vrouw dat het onredelijk is dat haar vordering (mede) wordt verworpen op de grond dat aannemelijk is dat de man geen volledig inzicht in zijn inkomsten en uitgaven kan geven over de jaren 1989 tot en met 2001 en dat de bijdrageplicht daarom niet goed meer kan worden vastgesteld. De vrouw miskent dat haar vordering niet op die grond is verworpen, maar op de grond dat het beroep van de man op het vervalbeding niet onaanvaardbaar is. In het kader daarvan moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, derhalve ook op het tijdsverloop en de mogelijkheden van de man om deugdelijk verweer te voeren. Door van 1989 tot 2001 te wachten met het instellen van haar vordering heeft de vrouw de man in een moeilijke bewijspositie gebracht. Daar kan rekening mee gehouden worden.

4.2.9. Ook met de andere omstandigheden door de rechtbank genoemd, waartegen grief 2 zich keert, dient rekening te worden gehouden, zoals het feitelijk gescheiden leven (uit het niet (eerder) instellen van een verzoek om partneralimentatie dan wel een bijdrage in de huishoudkosten, wekt de vrouw verwachtingen) en de omstandigheid dat de vrouw het onbeperkte woongenot van de onroerende zaken had (deze omstandigheid zal worden meegewogen bij de beoordeling van de bijdrageplicht van de man, en kan onder omstandigheden zelfs zodanig zijn dat daarnaast geen bijdrage van de man kan worden verlangd).

4.2.10. De grieven 1 en 2 kunnen derhalve niet tot een andere beslissing leiden.

4.3. Grief 3 (de verdelingsovereenkomst)

4.3.1. Partijen zijn op 15 mei 2000 overeengekomen de gemeenschappelijke eigendom van de drie onroerende zaken te beëindigen en de onverdeelde helft van de man aan de vrouw toe te delen.

4.3.2. De vertaling van het in de Spaanse taal gestelde contract houdt onder meer in:

TEN VIERDE: [appellante] verklaart een hypothecaire lening aangevraagd te hebben (...)

[geïntimeerde] verleent haar een termijn van DRIE MAANDEN vanaf de ondertekening van de onderhavige overeenkomst om deze lening te verkrijgen en verbindt zich ertoe om, mits betaling van de hem toekomende bedragen (...) de desbetreffende akte van opheffing van de gemeenschap van goederen ten gunste zijn echtgenote te laten verlijden.

(...)

TEN ZESDE: Indien DRIE maanden zijn verstreken zonder dat [appellente] de betreffende hypothecaire lening heeft kunnen verkrijgen, verplichten de partijen zich in gemeenschappelijk overleg het (...) onroerend goed te verkopen (...) en de opbrengst van de verkoop in gelijke delen onder de verkopers te verdelen. (...)

De hypothecaire lening werd niet verkregen (ook niet na verlenging van de termijn met een maand); partijen hebben geen uitvoering gegeven aan het ten zesde bepaalde.

4.3.3. De rechtbank heeft het beroep van de man op de ontbinding van de overeenkomst, als vervat in de brief van zijn advocaat van 14 juni 2001, productie 11 bij nadere antwoordconclusie, gehonoreerd. De man heeft zich bovendien uitdrukkelijk beroepen op de (fatale) termijn van het ten vierde bepaalde.

4.3.4. De vrouw beroept zich eerst (17 MvG) op het bepaalde in artikel 7:905 BW stellende dat buitengerechtelijke ontbinding niet mogelijk is. Tevergeefs. De overeenkomst van 15 mei 2000 behelst een verdelingsovereenkomst die ertoe strekt om, in het kader van het naderende einde van het huwelijk tussen partijen, de vrije mede-eigendom van de onroerende zaken te beëindigen door overdracht van de onverdeelde helft van de man aan de vrouw tegen een bepaalde prijs en strekt niet tot een vaststelling ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen partijen geldt. Bovendien mist artikel 7:905 BW toepassing nu geen sprake is van een 'aan een partij of een derde opgedragen beslissing'. Het de echtscheidingsprocedure inleidende verzoekschrift dateert van 13 oktober 2000, dus van ná het aangaan van de verdelingsovereenkomst.

Het hof voegt hieraan toe dat de man zich niet alleen heeft beroepen op de ontbinding wegens wanprestatie, maar ook op het in vervulling gaan van de vierde voorwaarde. Zijn beroep daarop is gegrond, zoals hierna zal worden overwogen.

4.3.5. Dan betoogt de vrouw dat zij niet in verzuim is gekomen (18 MvG). Deze opvatting miskent de betekenis van de in de vierde voorwaarde gestelde termijn van drie maanden. Ingevolge artikel 6:83 aanhef en onder a BW treedt het verzuim in wanneer een voor de voldoening bepaalde termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen, tenzij blijkt dat de termijn aan andere strekking heeft. De vrouw stelt daartoe dat de termijn van drie maanden alleen betrekking heeft op het verkrijgen van de hypotheek. Deze uitleg ziet evenwel alleen op één aspect van de termijnstelling. Op zichzelf genomen is juist, dat als de vrouw binnen deze drie (na verlenging eventueel vier) maanden de hypotheek had verkregen, uitvoering had moeten worden gegeven aan de overeenkomst, ook als die uitvoering zou plaatsvinden ná die drie maanden. Anderzijds geeft deze bepaling aan, dat als de vrouw geen hypothecaire geldlening zou hebben kunnen verkrijgen (hetgeen het geval is), daarmee de toedeling aan de vrouw van de baan is en dat partijen toepassing zullen geven aan het bepaalde in de zesde voorwaarde, te weten verkoop van één der panden op de vrije markt. Verzuim is derhalve niet aan de orde ten aanzien van de vierde voorwaarde van de verdelingsovereenkomst. De vrouw heeft overigens geen nakoming gevorderd van de zesde voorwaarde.

4.3.6. Het hof is voorts van oordeel, op de gronden die de rechtbank daartoe bezigt, dat de man zich terecht op de ontbinding van de verdelingsovereenkomst kan beroepen als vervat in de brief van 5 juli 2002. Door ten onrechte met een beroep op de verrekeningsvordering de overeenkomst niet uit te voeren (zij kon dat ook niet want de financiële middelen ontbraken daarvoor) is de vrouw toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenissen. Het hof is bovendien van oordeel dat de man uit de mededelingen van de vrouw - in het bijzonder het beroep op het verrekenvordering - mocht afleiden dat zij in de nakoming van haar verbintenissen zou tekortschieten, ook als hij haar toentertijd nog een redelijke termijn voor nakoming (wederom drie maanden) zou hebben verleend (artikel 6:83 aanhef en onder c BW ).

4.3.7. In punt 19 MvG doet de vrouw een beroep op het ontbreken van een schriftelijke aanmaning als bedoeld in artikel 6:82 BW . Tevergeefs omdat het verzuim intrad zonder ingebrekestelling.

4.3.8. Het beroep op het opschortingsrecht (20 en 21 MvG) faalt omdat de vrouw geen verrekenvordering op de man heeft, zoals hiervoor werd overwogen en beslist.

4.3.9. In de punten 22, 23 en 24 MvG stelt de vrouw dat de bevoegdheid tot ontbinding niet bestaat in het geval waarbij als gevolg van de ontbinding aan de vrouw onnodig en anderszins onredelijk nadeel wordt toegebracht en voor de man andere juridische wegen bestaan om een vergelijkbaar resultaat te bereiken. Inderdaad kunnen er omstandigheden bestaan waarbij het op grond van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de man zich op de termijn van de vierde voorwaarde uit de verdelingsovereenkomst of anderszins op ontbinding zou beroepen. Zulke omstandigheden heeft het hof niet kunnen vinden. Van de man kan niet worden verlangd dat hij nog langer in de onverdeeldheid van de onroerende zaken blijft deelnemen terwijl de vrouw financieel niet bij machte is om de onroerende zaken volledig in eigendom te verkrijgen. Hetgeen daartegen wordt aangevoerd - de problemen met de heup van de vrouw, het belang van de dochter bij een goede regeling en de oudedagsvoorziening van de vrouw - is ontoereikend.

4.3.10. Onder 25 MvG stelt de vrouw dat de vorderingen tot vergoeding van de verrekenvordering en nakoming van de verdelingsafspraken dienen te worden beschouwd als een prestatie die de vrouw op grond van een dringende reden van moraal en fatsoen toekomt. Deze stelling kan de vrouw niet baten omdat een natuurlijke verbintenis - zo die in dit geval al bestaat - rechtens niet afdwingbaar is.

4.3.11. De conclusie is dat grief 3 faalt.

4.4. Nu partijen gewezen echtgenoten zijn, zal het hof de proceskosten compenseren.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, aldus dat elk der partijen haar eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van den Bergh en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 28 februari 2006.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature