< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Van het overlaten van bestuur is in casu geen sprake. Eerst wijst het hof erop dat ingevolge artikel 1:84 lid 2 BW de kosten der huishouding worden bestreden 'uit de onder hun bestuur staande goederen'. De wetgever gaat er kennelijk vanuit dat, nadat voldaan is aan de bijdrageplicht, elk der partijen gerechtigd is om het huishoudgeld aan te wenden voor het huishouden, zonder dat sprake is van het bestuur van goederen van de andere echtgenoot.

Voorts is het hof van oordeel dat de enkele omstandigheid dat de vrouw tijdens het huwelijk de meeste financiële zaken aan zich trok en een en ander regelde, ontoereikend is - in ieder geval voor zover het betreft het besteden van het huishoudgeld - om 'overlaten van bestuur' aan te nemen. In dit verband is van belang dat partijen tijdens het huwelijk samenwoonden en -leefden en steeds direct betrokken zijn geweest bij het bestuur van de huishouding, zo niet actief dan toch wel passief doordat zij deelnamen aan het huishouden.

Uitspraak



typ. ML

rolnr. C0401383/RO en R0600035/HE

ARREST en BESCHIKKING

VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

zevende kamer, van 28 februari 2006,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van

5 oktober 2004,

verder te noemen: de man,

procureur: mr. M.J.M. Strijbosch,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [plaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

verder te noemen: de vrouw,

procureur: mr. L.R.G.M. Spronken,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond onder zaaknummer 59399/HA ZA 04-43 gewezen vonnis van

18 augustus 2004 tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde.

1. Het verloop van het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het tussenvonnis van

7 april 2004.

2. Het verloop van het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft de man 2 grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, primair, tot verklaring voor recht dat partijen over en weer jegens elkander rekenplichtig zijn en de vrouw gehouden zal zijn alle benodigde financiële gegevens te verstrekken en, subsidiair, tot veroordeling van de vrouw om aan de man E. 98.592,-, te vermeerderen met wettelijke rente, te betalen.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft de vrouw de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven en de toelichting daarop verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om de financiële afwikkeling van het huwelijk van partijen.

4.1.1. Partijen zijn op [datum] 1990 gehuwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden. Deze houden kort gezegd in dat tussen partijen een gemeenschap van goederen zal bestaan met uitzondering van onder andere de inkomens van ieder der echtgenoten zowel het inkomen uit arbeid als de revenuen van ieders privé-vermogens. De echtscheidingsbeschikking is op 3 januari 2002 ingeschreven.

4.1.2. Bij inleidende dagvaarding van 30 december 2003 heeft de man gevorderd de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen. Van de geschillen in eerste aanleg resteert in hoger beroep nog één geschil te weten de vordering van de man uit hoofde van artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden (HV) juncto artikel 1:84 lid 1 BW, de kosten van de huishouding.

4.1.3. Artikel 3 HV luidt voor zover van belang:

De kosten der huishouding, en die van verzorging en opvoeding van de kinderen, (...) komen ten laste van de inkomens der echtgenoten naar evenredigheid. (...)

Tijdens het huwelijk zijn twee kinderen geboren.

4.1.4. De man heeft zijn vordering in de inleidende dagvaarding als volgt toegelicht:

Eiser stelt, dat hij tijdens het huwelijk nagenoeg in zijn eentje de volledige kosten van de huishouding en die van de verzorging en opvoeding van de kinderen vanuit zijn salaris heeft voldaan en dat hij terzake naar rato van ieders inkomen een aanzienlijke vordering heeft op gedaagde, door hem becijferd inclusief vertragingsrente op een bedrag ad Euro 98.562,-.

4.1.5. Bij de inleidende dagvaarding heeft de man als productie 9 gevoegd een berekening waaruit blijkt dat van dit bedrag van E. 98.562,- een gedeelte ad E. 36.430,- wettelijke rente betreft, berekend tot medio 2003. Uit de berekening - die grotendeels op aannames en schattingen berust - valt verder op te maken dat de man ervan uitgaat dat in de huwelijkse periode van zijn inkomen een gedeelte tussen de fl. 1.950,- (1990) en fl. 2.550,- (2001) aan het huishouden is besteed en dat van het inkomen van de vrouw tussen de fl. 150,- (1990) en fl. 300,- (2001) per maand aan het huishouden is besteed.

4.1.6. De vrouw heeft de berekening gemotiveerd betwist. Zij voert daartoe onder meer aan dat de man een groot gedeelte van zijn inkomen uitgaf aan onder andere sporten, terwijl zij, de vrouw, veel meer aan het huishouden uitgaf dan de man stelt.

4.1.7. Nadat de rechtbank in het tussenvonnis had overwogen dat de man terzake de huishoudkosten (in het petitum) niets had gevorderd en dat de vordering niet was onderbouwd overeenkomstig artikel 111 lid 2 onder d Rv, heeft de man bij akte de vordering expliciet verwoord en toegevoegd dat de vrouw het financieel bestuur heeft gevoerd zodat zij verplicht is rekening en verantwoording af te leggen. Hij sommeert de vrouw alle bankafschriften en belastingaangiftes en -aanslagen in geding te brengen.

4.1.8. In de antwoordakte erkent de vrouw het grootste deel van de financiën te hebben geregeld, maar betwist dat de man het bestuur van zijn zaken aan de vrouw heeft overgelaten.

4.2. Het hof stelt vast dat de eis in hoger beroep afwijkt van die in eerste aanleg door toevoeging van de primaire vordering. Tegen deze eiswijziging heeft de vrouw geen bezwaar gemaakt zodat het hof op de gewijzigde eis zal oordelen.

4.3. In grief 2 betoogt de man dat de door hem ingestelde vordering betreffende het huishoudgeld als verzoekschrift moet worden behandeld. Hij verzoekt verwijzing naar de rekestenkamer van het hof.

4.3.1. Anders dan de man meent, leidt een verkeerd ingeleide procedure niet tot onbevoegdheid van de (sector van de) rechtbank, maar enkel tot verbetering of aanpassing van het procesinleidend stuk. Tegen een beslissing staat geen hogere voorziening open, en naar moet worden aangenomen ook tegen de impliciete beslissing om artikel 69 Rv niet toe te passen.

4.3.2. Het staat de man overigens vrij om het hof te verzoeken de zaak in hoger beroep alsnog als rekestprocedure te behandelen. Het hof zal de grief als zodanig verzoek opvatten.

4.3.3. Het hof deelt de opvatting van de man dat de betreffende vordering als verzoekschriftprocedure behandeld moet worden nu dwingend is voorgeschreven dat alle procedures die zijn gebaseerd op enige bepaling van Boek 1 BW, bij wege van verzoekschrift moeten worden behandeld, ook als het gaat om nakoming van een overeenkomst, derhalve ook als sprake is van een 'vordering' tot nakoming van huwelijkse voorwaarden (vgl. HR 2 mei 2003, NJ 2003/467).

4.3.4. Met toepassing van artikel 69 Rv zal de zaak verder als verzoekschriftprocedure worden behandeld.

In dit verband is van belang dat boedelverdelingszaken binnen het hof reeds worden behandeld door de rekestensector (sector civiel II), zodat verwijzing achterwege kan blijven.

Het hof (rekestensector) ziet geen aanleiding om een mondelinge behandeling te gelasten gelet op het stadium waarin de procedure zich bevindt (het doen van uitspraak nadat partijen daarom hebben gevraagd) en de man noch de vrouw om een mondelinge behandeling heeft gevraagd (en evenmin pleidooi), zodat moet worden aangenomen dat zij daarvan hebben afgezien.

4.4. Rekenplicht; de primaire vordering.

4.4.1. De verplichting tot het doen van rekening en verantwoording veronderstelt een rechtverhouding tussen partijen krachtens welke de een jegens de ander verplicht is zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te rechtvaardigen. Zodanige verplichting bestaat niet tussen in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten, HR 3 december 1971, NJ 1972/338. Het hof ziet geen aanleiding om anders te oordelen in het hier aan de orde zijnde geval dat partijen in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, behoudens ten aanzien van hun inkomens.

4.4.2. Daarbij komt dat de man tijdens het huwelijk de financiële handelwijze van de vrouw, voor zover het betreft het aanwenden van het huishoudgeld, kennelijk behoorlijk heeft gevonden en daarmee ingestemd nu hij tijdens die periode nimmer verantwoording heeft gevraagd (hij stelt dat niet, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan). Inzet van dit geding is niet (het beleid terzake van) de besteding van het beschikbare huishoudgeld maar de bijdrageplicht van elk der echtgenoten. De vraag derhalve of elk der echtgenoten naar evenredigheid heeft bijgedragen. Terzake is geen beleid (in de zin van vrijheid van handelen) in geding omdat vaststaat welke bijdrage van elk der echtgenoten kan worden verwacht.

4.4.3. De hiervoor genoemde opvatting van de Hoge Raad wordt bevestigd in de memorie van toelichting van het wetsontwerp 28.867 (aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen), p. 16 boven 'Artikel 8 7 '. Rekenplicht bestaat alleen in de door de wet aangegeven gevallen, bijvoorbeeld wanneer de ene echtgenoot het bestuur overlaat aan de andere echtgenoot (vergelijk artikel 1:90 lid 3 BW).

4.4.4. Van het overlaten van bestuur is in casu geen sprake. Eerst wijst het hof erop dat ingevolge artikel 1:84 lid 2 BW de kosten der huishouding worden bestreden 'uit de onder hun bestuur staande goederen'. De wetgever gaat er kennelijk vanuit dat, nadat voldaan is aan de bijdrageplicht, elk der partijen gerechtigd is om het huishoudgeld aan te wenden voor het huishouden, zonder dat sprake is van het bestuur van goederen van de andere echtgenoot.

Voorts is het hof van oordeel dat de enkele omstandigheid dat de vrouw tijdens het huwelijk de meeste financiële zaken aan zich trok en een en ander regelde, ontoereikend is - in ieder geval voor zover het betreft het besteden van het huishoudgeld - om 'overlaten van bestuur' aan te nemen. In dit verband is van belang dat partijen tijdens het huwelijk samenwoonden en -leefden en steeds direct betrokken zijn geweest bij het bestuur van de huishouding, zo niet actief dan toch wel passief doordat zij deelnamen aan het huishouden.

4.4.5. Een en ander laat uiteraard onverlet dat van de vrouw verlangd kan worden dat zij - zo nodig - de inlichtingen verstrekt en bescheiden waarover zij beschikt in geding brengt. Dit volgt reeds uit artikel 21 Rv . Gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen, bestaat geen aanleiding om de vrouw een bevel te geven bepaalde bescheiden in geding te brengen.

4.4.6. De conclusie is dan dat de primaire vordering afgewezen moet worden.

4.5. Rechtsverwerking, de subsidiaire vordering, grief 1.

4.5.1. Met betrekking tot het beroep van de vrouw op rechtsverwerking neemt het hof naar HR 29 april 1994, NJ 1995/561, tot uitgangspunt. Uit dit arrest volgt dat in een relatie als de onderhavige, waarin partijen geen boekhouding hebben bijgehouden, de afrekening van de huishoudkosten periodiek dient plaats te vinden. Gebeurt dat niet dan hoeft de vrouw ook bij het einde van het huwelijk in beginsel verrekening niet te verwachten (behoudens wellicht ten aanzien van het laatste jaar) en heeft de man zijn recht op verrekening verwerkt.

4.5.2. Ook in de onderhavige zaak is reden om rechtsverwerking, waarop de vrouw een uitdrukkelijk beroep heeft gedaan, aan te nemen. De man is eerst in september 2003 met zijn vordering gekomen, zo heeft de vrouw onweersproken gesteld. Het verzoekschrift strekkende tot echtscheiding is op 27 februari 2001 ingediend, zo'n 21/2 jaar eerder. De vrouw hoefde een vordering tot verrekening van huishoudkosten, gelet op het tijdsverloop waarbinnen de andere geschillen van het huwelijk onderwerp van onderhandelingen zijn geweest, niet meer te verwachten en zij mocht er op vertrouwen dat de draagplicht voor de huishoudkosten niet meer tot de af te wikkelen geschillen van het huwelijk zou behoren. Dit geldt ook ten aanzien van het laatste jaar van het huwelijk.

4.5.3. Daarbij komt dat van de vrouw, ook al tijdens het huwelijk van meer dan 10 jaar, niet kan worden verlangd dat zij alle financiële bescheiden betreffende de huishouding en haar financiële bijdragen daaraan, bewaart. De hoogte van de bijdrageplicht van de man en van de vrouw valt thans niet meer vast te stellen. Reeds uit de overgelegde bankmutaties blijkt immers van tal van contante geldopnames waarvan achteraf niet kan worden vastgesteld waaraan deze bedragen zijn besteed (aan het huishouden of privé). De benodigde gegevens zijn derhalve niet meer beschikbaar en voor zover zij beschikbaar zijn of zouden kunnen komen te lacuneus om daaraan gevolgtrekkingen te verbinden. Uit hetgeen de man en de vrouw hebben gespaard, valt niet af te leiden of de vrouw in voldoende mate aan het huishoudgeld heeft bijgedragen. Het staat echtgenoten volkomen vrij hun vrij te laten inkomen naar eigen goeddunken al dan niet te besteden. Verantwoording hoeven zij daarover niet af te leggen.

4.5.4. De stelling van de man dat het enkele tijdverloop rechtsverwerking niet kan bewerkstelligen is op zich zelf genomen juist, maar miskent dat van enkel stilzitten in casu geen sprake is. Partijen hebben gedurende het huwelijk hun salarissen (veelal) gezamenlijk besteed in elkaars aanwezigheid, met elkaars medeweten en goedkeuring, terwijl ook door de man zelf betalingen ten behoeve van de huishouding zijn gedaan, en beide partijen geen administratie voerden, noch van elkaar verlangden die te voeren.

4.5.5. Het hof is uiteraard bekend met de kritiek op genoemd arrest en de twijfel die gerezen is ná HR 19 januari 1996, NJ 1996/617 (niet jaarlijks uitgevoerd verrekenbeding), waarin kort gezegd werd geoordeeld dat een beroep op een vervaltermijn in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Ook het beroep op rechtsverwerking zou aldus onaanvaardbaar zijn. Naar het oordeel van het hof gaat deze vergelijking niet op.

4.5.6. In genoemd arrest was aan de orde of ná het einde van het huwelijk nog aanspraak kon worden gemaakt op overgespaard vermogen, vermogen dat (nog) niet was overgeheveld van het privé-vermogen van de ene echtgenoot naar dat van de andere echtgenoot. Vermogen waarvan verondersteld kan worden dat het ná het huwelijk nog aanwezig is, hetzij in geld , hetzij in de vorm van beleggingen, terwijl voor de overheveling daarvan tijdens het huwelijk weinig aanleiding bestaat. In de onderhavige zaak gaat het om de kosten van het huishouden. Die kosten zijn gemaakt; het geld is uitgegeven. De man heeft tijdens het huwelijk er kennelijk niet op aangedrongen dat de vrouw aan het huishouden een hogere bijdrage zou leveren dan zij deed. Daartoe bestond aanleiding, niet alleen omdat de man dan de beschikking kreeg over groter eigen vermogen (kon sparen), maar ook omdat de vrouw, die het huishouden bestierde, haar uitgaven-beleid zal hebben afgestemd op het mede door de man ter beschikking gesteld huishoudgeld. Had de man haar er tijdens het huwelijk op gewezen dat zijnerzijds meer dan evenredig werd bijgedragen en dat de vrouw meer moest bijdragen, dan had de vrouw, naast de keuze voor een hogere bijdrage aan de huishoudpot ook kunnen kiezen voor een lagere bijdrage van de man (een zuiniger huishouding), of een combinatie daarvan. Door eerst (ver) na de ontbinding van het huwelijk aanspraak te maken op de evenredigheid wordt de vrouw de mogelijkheid ontnomen haar beleid aan te passen.

4.5.7. Tenslotte neemt het hof in overweging dat van bijzondere omstandigheden, zoals een kort huwelijk waarvan de financiële boekhouding nog (vrijwel) compleet aanwezig is (zoals in Hof Den Bosch 17 mei 1995, NJ 1996/325), die tot een ander oordeel kunnen nopen, niet is gebleken. De door de man gemaakte schattingen zijn te weinig onderbouwd, om daaraan gevolgtrekkingen te verbinden.

4.6. De conclusie is dat de vorderingen dienen te worden afgewezen zodat het vonnis kan worden bekrachtigd, met verbetering van gronden. Nu partijen gewezen echtgenoten zijn zal het hof de proceskosten compenseren.

5. De uitspraak

Het hof:

recht doende op de zaak aangebracht bij dagvaarding:

bepaalt dat de zaak verder wordt behandeld als aangebracht op verzoekschrift;

recht doende op de zaak als zodanig aangebracht:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep (voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen);

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd/verzocht;

compenseert de proceskosten aldus dat elk der partijen haar eigen kosten draagt.

Dit arrest en deze beschikking is gewezen resp. gegeven door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van den Bergh en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 28 februari 2006.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature